id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 624
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Herstel in eer en rechten - Proeftijd - Blijk geven van de verbetering en van het goed gedrag - Gegevens over de persoonlijkheid van de verzoeker in eerherstel - Processen-verbaal over nieuwe strafbare feiten begaan in de proeftijd - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 624
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De kamer van inbeschuldigingstelling kan het oordeel dat een verzoeker in eerherstel het niet te nauw neemt met de verkeersregels tijdens de proeftermijn gronden op de vaststelling dat lastens de verzoeker voor verkeersinbreuken een proces-verbaal van waarschuwing werd opgesteld en dat de verzoeker minnelijke schikkingen en onmiddellijke inningen heeft voldaan. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN Vrije woorden: Proeftijd - Blijk geven van de verbetering en van het goed gedrag - Beoordeling - Processen-verbaal van waarschuwing, onmiddellijke inning en minnelijke schikking Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 624
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Herstel in eer en rechten - Proeftijd - Blijk geven van de verbetering en van het goed gedrag - Beoordeling - Processen-verbaal van waarschuwing, onmiddellijke inning en minnelijke schikking Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 624
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Artikel 626 Wetboek van Strafvordering legt de minimumduur van de proeftijd vast; volgens artikel 625, 4°, Wetboek van Strafvordering begint de proeftijd te lopen van de dag van het verval van de straffen of van de dag waarop ze verjaren
(1), voor zover de niet-uitvoering niet te wijten is aan de verzoeker; de proeftijd duurt voort tot de dag waarop het arrest van eerherstel wordt gewezen; die bepalingen beletten de kamer van inbeschuldigingstelling niet om bij de beoordeling of de verzoeker blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag zowel rekening te houden met de meest recente gedragingen als met gedragingen die zijn gesteld bij het begin van de proeftijd en zowel rekening te houden met gedragingen gesteld tijdens de minimumproeftijd als na het verstrijken van die minimumproeftijd; op de kamer van inbeschuldigingstelling rust behoudens bij de daartoe strekkende conclusie geen verplichting om te motiveren waarom zij bij haar beoordeling of een verzoeker blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag oudere dan wel meer recente gedragingen betrekt.
(1)GwH 8 december 2004, arrest 199/2004, BS 12 januari 2005, RABG 2005, 495 noot Y. VAN DEN BERGHE. Zie ook C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 584. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN Vrije woorden: Proeftijd - Begin en einde - Blijk geven van de verbetering en van het goed gedrag - Beoordeling - Laakbare gedragingen bij het begin en het einde van de proeftijd Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 625
, 4° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 626
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Herstel in eer en rechten - Proeftijd - Begin en einde - Blijk geven van de verbetering en van het goed gedrag - Beoordeling - Laakbare gedragingen bij het begin en het einde van de proeftijd Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 625
, 4° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 626- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.0733.N M R D, verzoeker tot herstel in eer en rechten, eiser, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 11 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest steunt de weigering tot het verlenen van herstel in eer en rechten onder meer op het proces-verbaal NE.43.L2.839/2020 waarbij de eiser wordt verdacht van een misdrijf en het leidt daaruit af dat de eiser geen verbeterd gedrag vertoont; dit proces-verbaal werd opgesteld naar aanleiding van een valse klacht waarbij valselijk werd voorgehouden dat de eiser de klager een kopstoot gaf in een dronken toestand en zonder dat de eiser voor die feiten werd veroor-deeld; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en evenmin naar recht verantwoord.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 624, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het herstel in eer en rechten afhankelijk is van een proeftijd gedurende dewelke de verzoeker onder meer blijk moet hebben gegeven van verbetering en goed gedrag. Bij die beoordeling kan de kamer van inbeschuldigingstelling elk relevant gegeven met betrekking tot de persoonlijkheid van de verzoeker en door hem gestelde hande-lingen in aanmerking nemen, met inbegrip van handelingen die onder een straf-rechtelijke kwalificatie vallen, voor zover niet wordt vastgesteld dat de verzoeker zich aan die strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest verklaart de eiser niet schuldig aan de misdrijven voorwerp van het vermelde proces-verbaal. Het oordeelt wel onder meer met verwijzing naar dit proces-verbaal dat de eiser, die werd veroordeeld wegens het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen en het sturen in staat van strafbare alcoholintoxicatie en dronkenschap, tijdens de proeftijd opnieuw verschillende keren werd verdacht van gelijkaardige feiten en uit het dossier aanwijzingen blijken dat de eiser een drankprobleem heeft en dat hij vooral agressief wordt wanneer hij heeft gedronken, zoals bij de feiten waarvoor hij werd veroordeeld. Met dat oordeel miskent het arrest het vermoeden van onschuld niet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest mo-tiveert niet waarom een valse klacht die niet heeft geleid tot een gerechtelijke ver-oordeling een beletsel vormt voor het verlenen van herstel in eer en rechten; er wordt niet gemotiveerd waarom deze klacht op waarheid zou berusten, zodat er mee rekening kan worden gehouden; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met re-denen omkleed en evenmin naar recht verantwoord.
- De kamer van inbeschuldigingstelling kan het verzoek om herstel in eer en rechten afwijzen met de vaststelling dat de verzoeker tijdens de proeftijd geen blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag en mits opgave van de concre-te elementen op grond waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling totdat oor-deel komt. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient die beslissing niet nader met redenen te zijn omkleed. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest dat oordeelt zoals is vermeld in het antwoord op het eerste on-derdeel, is er bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie geenszins toe ge-houden de afwijzende beslissing nader met redenen te omkleden zoals wordt voorgehouden door het onderdeel. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest verwijst naar een aantal processen-verbaal met betrekking tot vermeende verkeersinbreuken en neemt die in aanmerking bij de beoordeling van het al dan niet verbeterde gedrag van de eiser, terwijl hij voor die feiten niet werd veroordeeld; aldus is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
- Artikel 624, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het herstel in eer en rechten afhankelijk is van een proeftijd gedurende dewelke de verzoeker onder meer blijk moet hebben gegeven van verbetering en goed gedrag. Bij die beoordeling kan de kamer van inbeschuldigingstelling elk relevant gegeven met betrekking tot de persoonlijkheid van de verzoeker en de door hem gestelde han-delingen in aanmerking nemen, met inbegrip van handelingen die onder een straf-rechtelijke kwalificatie vallen, voor zover niet wordt vastgesteld dat de verzoeker zich aan die strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.
- De kamer van inbeschuldigingstelling kan het oordeel dat een verzoeker het niet te nauw neemt met de verkeersregels gronden op de vaststelling dat lastens de verzoeker voor verkeersinbreuken een proces-verbaal van waarschuwing werd op-gesteld en dat de verzoeker minnelijke schikkingen en onmiddellijke inningen heeft voldaan. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest verwijst naar een aantal processen-verbaal inzake verkeer die het opsomt. Volgens de vordering van het openbaar ministerie betreft het processen-verbaal voor verkeersinbreuken waarvoor ofwel een proces-verbaal van waarschu-wing werd opgesteld dan wel een minnelijke schikking of een onmiddellijke in-ning werd voorgesteld en die door de eiser werden betaald. Het arrest oordeelt op grond daarvan dat de eiser het niet nauw neemt met de verkeersregels. Een derge-lijk oordeel miskent het vermoeden van onschuld niet. In zoverre kan onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en vierde onderdeel
- Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom de vermeende niet-bewezen verkeersinbreuken, waarvoor de eiser niet werd veroordeeld, een beletsel vormen voor het verlenen van eerherstel. Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet welke verkeersovertredingen een invloed hebben gehad op de wei-gering herstel in eer en rechten te verlenen.
- Het arrest vermeldt uitdrukkelijk de processen-verbaal op grond waarvan het oordeelt dat de eiser het niet al te nauw neemt met de verkeersregels. In zoverre berusten de onderdelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen ze feitelijke grondslag.
- De kamer van inbeschuldigingstelling kan het verzoek om herstel in eer en rechten afwijzen met de vaststelling dat de verzoeker tijdens de proeftijd geen blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag en mits opgave van de concre-te elementen op grond waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling tot dat oor-deel komt. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient die beslissing niet nader met redenen te zijn omkleed. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
- Het arrest dat oordeelt zoals is vermeld in het antwoord op het eerste on-derdeel, is er bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie geenszins toe ge-houden de afwijzende beslissing nader met redenen te omkleden zoals wordt voorgehouden door de onderdelen. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 627 Wetboek van Strafvorde-ring: loutere niet nader bepaalde vaststellingen van overtredingen kunnen niet in aanmerking worden genomen om eerherstel te weigeren; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed of naar recht verantwoord.
- Uit artikel 627 Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat sommige ver-oordelingen tijdens de proeftijd geen beletsel hoeven te vormen voor het toeken-nen van herstel in eer en rechten, volgt niet dat de rechter bij de beoordeling of de verzoeker blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag geen rekening mag houden met de vaststelling dat hij het niet al te nauw neemt met de naleving van de verkeersregels. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel Tweede en derde onderdeel
- Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom de vermeende niet-bewezen misdrijven uit een aantal processen-verbaal van meer dan tien jaar geleden, waarvoor de eiser niet werd veroordeeld en waaraan hij wordt vermoed onschuldig te zijn, mee in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het eerherstel; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en evenmin naar recht verantwoord. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 626 Wetboek van Strafvor-dering: het arrest motiveert niet waarom de voorgehouden en niet-bewezen ver-denkingen van ruim tien jaar terug de afwijzing van eisers verzoek tot gevolg kun-nen hebben omdat hij onvoldoende blijk zou hebben gegeven van verbetering en goed gedrag, terwijl artikel 626 Wetboek van Strafvordering slechts een proefpe-riode van minimum drie jaar voorschrijft; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en evenmin naar recht verantwoord.
- Artikel 626 Wetboek van Strafvordering legt de minimumduur van de proeftijd vast. Volgens artikel 625, 4°, Wetboek van Strafvordering begint de proeftijd te lopen van de dag van het verval van de straffen of van de dag waarop ze verjaren, voor zover de niet-uitvoering niet te wijten is aan de verzoeker. De proeftijd duurt voort tot de dag waarop het arrest van eerherstel wordt gewezen.
- Die bepalingen beletten de kamer van inbeschuldigingstelling niet om bij de beoordeling of de verzoeker blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag zowel rekening te houden met de meest recente gedragingen als met gedragingen die zijn gesteld bij het begin van de proeftijd en zowel rekening te houden met gedragingen gesteld tijdens de minimumproeftijd als na het verstrijken van die minimumproeftijd.
- Op de kamer van inbeschuldigingstelling rust behoudens bij de daartoe strekkende conclusie geen verplichting om te motiveren waarom zij bij haar beoor-deling of een verzoeker blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag oude-re dan wel meer recente gedragingen betrekt.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Het verzoek tot herstel in eer en rechten heeft betrekking op de veroordeling van de verzoeker tot een werkstraf van 80 uur bij vonnis van de correctionele rechtbank van Neufchâteau van 2 december
- Het arrest verwijst ter staving van het oordeel betreffende de vereiste van het blijk geven van verbetering en goed gedrag enkel naar tijdens de proeftijd gestelde gedragingen. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest verwijst naar een aantal processen-verbaal van meer dan tien jaar geleden met betrekking tot niet-bewezen betichtingen waarvoor de eiser gerechtelijk niet werd vervolgd en het neemt die in aanmerking bij de beoordeling van het al dan niet verbeterde gedrag van de eiser; aldus is de beslissing niet re-gelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
- Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het eerste en het tweede middel, is om de in het antwoord op die onderdelen gegeven redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210428.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div