← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 Rolnummer: P.21.0999.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-12-29 Raadplegingen: 966 - laatst gezien 2026-06-19 12:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om uitstel van tenuitvoerlegging te genieten, desgevallend gekoppeld aan probatievoorwaarden, volgt niet dat de rechter verplicht is deze maatregel toe te kennen; de rechter oordeelt onaantastbaar over de wenselijkheid ervan; er bestaat immers geen recht op uitstel van uitvoerlegging. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Vrije woorden: Voldoen aan de wettelijke voorwaarden voor (probatie)uitstel - Wenselijkheid van het (probatie)uitstel - Beoordeling Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 2 - 3 Uit de samenlezing van artikel 149 Grondwet, artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering

(1).
(1)Noot. Over de afwijzing van de opschorting of het uitstel, al dan niet gekoppeld aan probatievoorwaarden, zie ook Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0958.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11, AC 2021, nr. 675 met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS; Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, AC 2021, nr. 553; T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET; Cass. 13 april 2021, AR P.20.1301.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.4, AC 2021, nr. 25; Cass. 17 november 2020, AR P.20.0861.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.8, AC 2020, nr. 702, zie alg. R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, p. 752-768; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9de editie, 2021, II, p. 1547-
  1. (BDS) Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Vrije woorden: Gevolgen van de straf voor de reclassering en resocialisering van de beklaagde - Beoordeling - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot probatieuitstel - Gevolgen van de straf voor de reclassering en resocialisering van de beklaagde - Beoordeling - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0999.N F X L V C, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Elisabeth Baeyens, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: door aan de eiser een effectieve gevangenisstraf op te leggen, zonder na te gaan of een dergelijke bestraffing niet nadelig is voor de continuïteit van zijn lopende begeleiding en hormoontherapie en dus zijn resocialisering, beantwoordt het arrest eisers verzoek om geheel probatie-uitstel te verlenen niet en is de beslissing dan ook niet naar recht verantwoord.
  4. Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om uitstel van tenuitvoerlegging te genieten, desgevallend gekoppeld aan probatievoorwaarden, volgt niet dat de rechter verplicht is deze maatregel toe te kennen. De rechter oordeelt onaantastbaar over de wenselijkheid ervan. Er bestaat immers geen recht op uitstel van uitvoerlegging.
  5. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien de rechter een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende redenen daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing. Die motivering mag beknopt zijn.
  6. Uit de samenlezing van artikel 149 Grondwet, artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. De eiser heeft in zijn appelconclusie gemotiveerd gevraagd hem een gevangenisstraf op te leggen met probatie-uitstel voor het geheel. Hij voerde daartoe aan dat hij zich ervan bewust was dat hij ernstige schade heeft aangericht, dat dit heeft geleid tot zelfmoordneigingen die dienden te worden behandeld en dat hij sinds 21 augustus 2018 ononderbroken een hormoononderdrukkende therapie bij twee professoren volgt waardoor hij geen seksuele gevoelens meer heeft. Hij voert verder aan dat ingeval van een effectieve bestraffing zijn lopende begeleiding en hormoontherapie noodgedwongen zullen worden stopgezet, terwijl een gevangenisstraf met volledig probatie-uitstel ervoor zullen zorgen dat de resocialisatie alle kansen krijgt en de kans op recidive vermindert.
  9. Het arrest oordeelt met betrekking tot de straftoemeting onder meer als volgt: - er wordt rekening gehouden met de ernst en de aard van de feiten en de omstandigheden waarin ze werden gepleegd, waarbij vooral het gemak en de overtuiging opvallen waarmee de eiser tot het plegen van de aanrandingen van de eerbaarheid overging, daarbij misbruik makend van zijn positie als grootvader; - de door de eiser gepleegde feiten zijn uitermate ernstig; - de eiser kon zijn driften niet onder controle houden en heeft zich in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 7 juni 2018 met geweld of bedreiging meermaals vergrepen aan zijn kleinzoon, die toen twaalf en dertien jaar oud was; - de eiser heeft zijn kleinzoon laten verstaan dat hij er niets mocht over vertellen, anders zou er iets serieus gebeuren; - de eiser streefde enkel de bevrediging van zijn fantasieën na en had op geen enkel ogenblik oog voor de traumatische impact van de door hem gestelde daden; - er bestaat geen twijfel over dat de door de eiser gestelde handelingen zijn slachtoffer in verwarring hebben gebracht; - dergelijk zedelijk wangedrag duidt niet alleen op een vervaagd seksueel normbesef, maar ook op een gebrek aan respect voor de seksuele en psychische integriteit van zijn slachtoffer; - op de tablet en de desktop van de eiser werden verder beelden met kinderpornografisch karakter aangetroffen; - de eiser was dus meermaals, dit gedurende een langere periode, in het bezit van kinderpornografisch materiaal; - de eiser had geen respect voor de seksuele integriteit van de slachtoffers van de kinderpornografische industrie en werkte bijgevolg mee aan het in stand houden van de criminele praktijken van de misdadigers die de beelden in kwestie maken; - er wordt rekening gehouden met het door de feiten toegebrachte fysisch en psychisch leed, waarbij in het bijzonder het psychisch leed wordt onderstreept dat het slachtoffer heeft opgelopen als gevolg van het op hem gepleegde seksueel misbruik. De eiser schond op ingrijpende wijze het vertrouwen van zijn kleinzoon die zich bij de eiser veilig had moeten kunnen voelen, evenals het vertrouwen van zijn familieleden. Uit het deskundigenverslag blijkt dat bij het slachtoffer de diagnose van een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld; - er wordt verder rekening gehouden met het strafverleden van eiser die niet aan zijn proefstuk toe is. Hij werd reeds veroordeeld wegens een feit van aanran-ding op een dertienjarige jongen over wie hij gezag had en hij kreeg toen uitstel van tenuitvoerlegging van straf. De eiser volhardt dus in het plegen van zedenfeiten op minderjarige jongens en de feiten van de telastlegging A werden gepleegd tijdens de proefperiode opgelegd bij het vorig veroordelend vonnis; - ook wordt rekening gehouden met de sociale toestand van de eiser en zijn persoonlijkheid zoals die blijken uit het strafdossier, de behandeling op de rechtszitting en de neergelegde stukken; - de feiten vonden plaats ondanks een lopende behandeling.
  10. Specifiek met betrekking tot het door de eiser geformuleerde verzoek om probatie-uitstel oordeelt het arrest: - het opleggen van een straf volledig met probatie-uitstel zou mede gelet op de aard en de ernst van de feiten, zoals uiteengezet, een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden en zou de eiser onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen; - de eiser blijft trouwens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke zouden kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de hierna vermelde bestraffing zijn toekomst op overdreven wijze, in wanverhouding tot de aard en de ernst van de gepleegde feiten, zou hypothekeren; - er moet een effectieve gevangenisstraf worden opgelegd en die bestraffing houdt rekening met alle vermelde elementen en dient als stimulans om zich in de toekomst van dergelijke feiten te onthouden; - geen van de door de eiser in zijn appelconclusie naar voor gebrachte argumenten onder meer in verband met het gegeven dat hij een hormoononderdrukkende therapie volgt, of enig door hem neergelegd stuk, zijn van aard om anders te oordelen.
  11. Aldus blijkt dat de appelrechters wel degelijk een afweging hebben gemaakt tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de eiser en anderdeels de nadelige effecten van een effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.