← België

C. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.7 Rolnummer: P.21.0055.N Zaak: C. contra C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2021-12-29 Raadplegingen: 1798 - laatst gezien 2026-06-19 02:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De rechter die oordeelt dat tijdens het beraad overgelegde stukken niet nuttig zijn voor zijn oordeelsvorming en het debat aldus niet moet worden heropend, hoeft niet uitdrukkelijk vast te stellen dat die stukken uit de rechtspleging worden geweerd en geeft met dat oordeel te kennen dat met die stukken geen rekening wordt gehouden

(1).
(1)Cass. 20 januari 1999, AR P.98.0408.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990120.14, AC 1999, nr. 31; zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 6de editie, p. 712, nr. 1680, die aanstipt dat de stukken ook materialiter in het dossier blijven; vgl. Cass. 20 februari 2001, AR P.00.1444.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.12, AC 2001, nr. 92 waar werd gecasseerd omdat het arrest niet vermeldde, al dan niet uitdrukkelijk, dat er met die stukken geen rekening werd gehouden. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Neerlegging van stukken tijdens het beraad - Verzoek tot heropening der debatten - Afwijzing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Neerlegging van stukken tijdens het beraad - Verzoek tot heropening der debatten - Afwijzing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Neerlegging van stukken tijdens het beraad - Verzoek tot heropening der debatten - Afwijzing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 8 Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van een gerechtsdeskundige wiens bevindingen van doorslaggevend belang zijn voor de beoordeling van de schuld of onschuld van de beklaagde, maar de vrees voor een partijdige bewijsgaring moet objectief zijn gerechtvaardigd waarvoor niet vereist is dat het bewijs wordt geleverd dat de gerechtsdeskundige effectief partijdig heeft gehandeld, maar de rechter wel moet vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval is geweest; uit het gegeven dat een gerechtsdeskundige in zijn eerste verslag een standpunt heeft ingenomen over de schuld van de beklaagde dat in latere verslagen niet wordt herhaald, volgt niet steeds dat die deskundige partijdig is bij de uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht zodat de rechter al zijn verdere verslagen buiten beschouwing dient te laten en de rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de feiten die hij vaststelt
(1).
(1)Cass. 30 oktober 2018, AR P. 18.0516.N, RW 2018-19/36, 1420 met noot B. DE SMET, "De onpartijdigheid van de gerechtsdeskundige in strafzaken". Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Bewijsgaring - Onpartijdigheid van een deskundige - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Bewijsgaring - Onpartijdigheid van een deskundige - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Onpartijdigheid van een deskundige - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Deskundige - Onpartijdigheid van een deskundige - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Bewijsvoering - Deskundige - Onpartijdigheid van een deskundige - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 12 Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen maar deze artikelen kennen aan een beklaagde geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge door de politie te doen ondervragen of op de rechtszitting als getuige te horen, waarbij het aan de beklaagde toekomt aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en het aan de rechter staat om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht; de rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst en die onder meer betrekking kunnen hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert maar de rechter is niet ertoe gehouden bij de afwijzing van het verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van getuigen à décharge de voormelde criteria betreffende het horen van getuigen à charge te betrekken
(1).
(1)Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen à décharge - Beoordeling door de rechter - Weigering - Motivering - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen à décharge - Beoordeling door de rechter - Weigering - Motivering - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Artikel 6.3.d, EVRM - Horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Weigering - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Artikel 6.3.d, EVRM - Horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Weigering - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 13 - 15 Noch het vermoeden van onschuld noch het zwijgrecht, dat het recht inhoudt zichzelf niet gedwongen te incrimineren, verhinderen de rechter om de schuldigverklaring van een beklaagde mede te steunen op zijn gebrek aan reactie op een door een andere partij uitgebrachte beschuldiging
(1).
(1)Zie over het zwijgrecht: Cass. 1 september 2021, AR P.21.1078.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210901.2F.3, AC 2021, nr. 508 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1086.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6, AC 2020, nr. 102 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Zwijgrecht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Zwijgrecht - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 16 - 20 Uit de artikelen 70 Strafwetboek, de artikelen 1, 2, § 1, eerste en tweede lid en 11,Wet Gezondheidsberoepen en artikel 73, § 1 ZIV-wet volgt dat medische handelingen die raken aan de lichamelijke en seksuele integriteit van patiënten geen misdrijf uitmaken indien zij worden gesteld met het voormelde legitiem doel, met de toestemming van de patiënt en worden uitgevoerd zoals een normaal zorgvuldig handelend arts in dezelfde omstandigheden deze zou uitvoeren; de rechter oordeelt onaantastbaar of een arts een medische behandeling volgens de regels van de kunst heeft uitgevoerd en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)H. NYS, Gezondheidsberoepen, Wolters Kluwer, 2020, 71-108; A. DIERICKX, Toestemming en strafrecht, Intersentia, 2006; T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek Gezondheidsrecht, Intersentia, 2014, I, 1058. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Artikel 70 Strafwetboek - Feit door de wet voorgeschreven en door de overheid bevolen - Medische handelingen rakend aan de lichamelijke en seksuele integriteit van de patïent - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 70 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen - 78 - 10-11-1967 - Artt. 1, 2, § 1, eerste en tweede lid, en 11 - 08 ELI link Pub nr 1967111040 Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 73, § 1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Thesaurus CAS: GEZONDHEIDSPOLITIE - OVER DE MENS Vrije woorden: Wet Gezondheidsberoepen - Artikelen 1, 2, § 1, eerste en tweede lid en 11 - Medische handelingen rakend aan de lichamelijke en seksuele integriteit van de patïent - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 70 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen - 78 - 10-11-1967 - Artt. 1, 2, § 1, eerste en tweede lid, en 11 - 08 ELI link Pub nr 1967111040 Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 73, § 1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: Artikel 73, § 1 - Medische handelingen rakend aan de lichamelijke en seksuele integriteit van de patïent - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 70 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen - 78 - 10-11-1967 - Artt. 1, 2, § 1, eerste en tweede lid, en 11 - 08 ELI link Pub nr 1967111040 Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 73, § 1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE Vrije woorden: Medische handelingen rakend aan de lichamelijke en seksuele integriteit van de patïent - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 70 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen - 78 - 10-11-1967 - Artt. 1, 2, § 1, eerste en tweede lid, en 11 - 08 ELI link Pub nr 1967111040 Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 73, § 1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Uitoefening van de geneeskunde - Medische handelingen rakend aan de lichamelijke en seksuele integriteit van de patïent - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 70 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen - 78 - 10-11-1967 - Artt. 1, 2, § 1, eerste en tweede lid, en 11 - 08 ELI link Pub nr 1967111040 Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 73, § 1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Fiche 21 Onder “geweld of bedreiging” van artikel 373, eerste lid, Strafwetboek werden ook vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 februari 2016 de gevallen van “dwang, verrassing, list of het geval van onvolwaardigheid of geestelijk gebrek van het slachtoffer” begrepen
(1).
(1)Wet van 1 februari 2016 tot wijziging van diverse bepalingen wat de aanranding van de eerbaarheid en het voyeurisme betreft, BS 19 februari 2016; B. SPRIET en J. BOECKXSTAENS, "Het nieuwe misdrijf van voyeurisme en een aanpassing van het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid en verkrachting", T. Strafr. 2013, afl. 3, 207-223. Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Vrije woorden: Aanranding van de eerbaarheid - Artikel 373, eerste lid, Strafwetboek - Misdrijfomschrijving - Begrippen geweld en bedreiging - Wijziging van artikel 373, eerste lid, Strafwetboek door de wet van 1 februari 2016 - Draagwijdte van de begrippen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 373, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 22 Overeenkomstig artikel 375, eerste lid, Strafwetboek is verkrachting elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt; de rechter die oordeelt dat het seksuele karakter van de penetratie vaststaat, dient hierbij niet uitdrukkelijk vast te stellen dat de penetratie een inbreuk op de gangbare seksuele gedragsnormen vormt noch dat de dader de penetratie met een seksueel opzet heeft gepleegd
(1).
(1)D. MERCKX en I. DELBROUCK, "Verkrachting - het misdrijf" in Strafrecht en Strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 15-23 (moreel element) en 24-321 (materieel element). Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Vrije woorden: Verkrachting - Artikel 375, eerste lid, Strafwetboek - Daad van seksuele penetratie - Begrip - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 375, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0055.N B L R A C, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. J C, 2. M H, 3. L C, 4. M J, 5. L C, burgerlijke partijen, verweerders, de verweerders 1 en 2 met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 december 2020. De eiser doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de niet-definitieve beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: het arrest wijst het verzoek tot heropening van het debat af, maar stelt niet vast dat het stuk, dat bij dit verzoek werd gevoegd, uit de rechtspleging werd geweerd; bijgevolg kan het Hof niet nagaan of de appelrechters hun uitspraak niet hebben laten steunen op dit stuk, dat niet aan de tegenspraak werd onderworpen. 2. De rechter die oordeelt dat tijdens het beraad overgelegde stukken niet nuttig zijn voor zijn oordeelsvorming en het debat aldus niet moet worden heropend, hoeft niet uitdrukkelijk vast te stellen dat die stukken uit de rechtspleging worden geweerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Met het oordeel dat het nieuwe stuk niet van overwegend belang is en de heropening van het debat niet nodig is om de waarheid te achterhalen, geven de appelrechters te kennen dat zij met dit stuk geen rekening houden. In zoverre het middel ervan uitgaat dat niet kan worden nagegaan of de appelrechters hun overtuiging niet mede op dit stuk hebben gesteund, mist het feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.1 en 14.2 IVBPR en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak, het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging: het arrest dat de schuldigverklaring van de eiser steunt op de deskundigenverslagen, oordeelt ten onrechte dat er geen sprake is van enige partijdigheid of vooringenomenheid van de gerechtsexperten; reeds in hun eerste verslag nemen de experten aan dat er bij de eiser sprake was van “seksueel grensoverschrijdend gedrag”, wat de essentie van de strafvervolging uitmaakt; door zich aldus uit te spreken over de schuld miskennen zij het vermoeden van onschuld; bijgevolg dienden de appelrechters niet enkel dit verslag, maar ook alle navolgende verslagen van deze experten buiten beschouwing te laten; het arrest is tevens dubbelzinnig gemotiveerd aangezien niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de appelrechters met de schuldbeoordeling door de experten rekening hebben gehouden. 5. Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van een gerechtsdeskundige wiens bevindingen van doorslaggevend belang zijn voor de beoordeling van de schuld of onschuld van de beklaagde. De vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief zijn gerechtvaardigd. Daarvoor is niet vereist dat het bewijs wordt geleverd dat de gerechtsdeskundige effectief partijdig heeft gehandeld, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval is geweest. 6. Uit het gegeven dat een gerechtsdeskundige in zijn eerste verslag een standpunt heeft ingenomen over de schuld van de beklaagde dat in latere verslagen niet wordt herhaald, volgt niet steeds dat die deskundige partijdig is bij de uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht zodat de rechter al zijn verdere verslagen buiten beschouwing dient te laten. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de feiten die hij vaststelt. 7. De appelrechters stellen vast en oordelen: - de door de onderzoeksrechter aangestelde deskundigen treden op als technische raadgevers, belast met een specifieke opdracht van technische aard; de conclusies of interpretaties van de deskundigen hebben bijgevolg slechts de waarde van een advies; - bij de bewijswaardering wordt geen rekening gehouden met de passages in het eerste deskundigenverslag van 24 oktober 2016 waarin de deskundigen zich uitspreken over aspecten die niet tot hun opdracht behoren; - dit belet niet dat het hof van beroep zijn overtuiging mag steunen op de overige beschouwingen van dit verslag evenals op de twee daaropvolgende verslagen; - er is geen sprake van enige vooringenomenheid of miskenning van het vermoeden van onschuld bij de deskundigen; - uit geen enkel element blijkt dat de deskundigen de resultaten van hun onderzoek zouden hebben bijgestuurd om hun opdrachtgever of de partijen tevreden te stellen; evenmin is er sprake van essentiële tegenstrijdigheden tussen de deskundigenverslagen die van aard zijn om de besluitvorming in twijfel te trekken; - de eiser kon over alle aspecten van de deskundigenverslagen zowel schriftelijk als op de rechtszitting tegenspraak en betwisting voeren en was ook in de gelegenheid om ter staving van zijn argumenten stukken bij te brengen; - hieruit volgt dat de gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Met die redenen oordeelt het arrest naar recht dat er geen objectieve gegevens voorhanden zijn die bij de eiser de gewettigde vrees kunnen doen ontstaan dat de gerechtsdeskundigen partijdig of vooringenomen hebben gehandeld. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 8. Het arrest oordeelt zonder enige dubbelzinnigheid dat het de passages van het verslag van 24 oktober 2016 met de bewoordingen “seksueel grensoverschrijdend gedrag vond plaats” en “als bijzonder bezwarend kan worden beschouwd dat het seksueel grensoverschrijdend gedrag (zonder enig aanvaardbaar therapeutisch doel) plaats vond”, waarin de deskundigen zich uitspreken over de schuldvraag, verwerpt en hiermee bij de schuldbeoordeling geen rekening houdt. Het gegeven dat de appelrechters deze restrictie onder randnummer 4.7.18 van het arrest niet expliciet herhalen, doet niet anders besluiten. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, artikel 14.3.e IVBPR en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak, het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging: het arrest wijst ten onrechte eisers verzoek tot het horen van experten à décharge af; deze experten zijn, anders dan de gerechtsdeskundigen, gespecialiseerd in urologie respectievelijk het bekkenbodempijnsyndroom; het horen van deze getuigen had dan ook het onevenwicht in wetenschappelijke kennis tussen de gerechtsdeskundigen en de experten van de verdediging kunnen herstellen waarbij deze laatsten, gelet op hun expertise, de door de eiser gestelde diagnose en uitgevoerde behandelingen ter rechtszitting hadden kunnen duiden, alsook de onleesbare passages in het patiëntendossier van de verweerster 1 en de bijsturing door gerechtsexpert Jacobs in zijn laatste verslag toelichten; het horen van eisers experten was bijgevolg cruciaal om het “woord tegen woord verhaal” tussen de eiser en de verweerster 1 te doorprikken, het voor de telastleggingen vereiste moreel bestanddeel uit te sluiten en het bestaan van de rechtvaardigingsgrond van de geneeskundige behandeling aan te tonen. 10. Het arrest steunt eisers schuldigverklaring aan de hem ten laste gelegde feiten niet enkel op de geloofwaardige verklaringen van de verweerster 1, maar ook op “de bevindingen van deskundige dr. De Vos, met uitzondering van de door haar geformuleerde hypothese, de inhoud en het verloop van het geregistreerde telefoongesprek van 27 oktober 2015, de bevindingen van de gerechtsdeskundigen prof dr. Jacobs en prof. dr. Vandevoorde (
  1. en)de vaststellingen i.v.m. het door [de eiser] gebruikte vibrerend toestel”. Aldus stellen de appelrechters niet vast dat er sprake is van een woord tegen woord verhaal tussen de eiser en de verweerster 1. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 11. Het arrest oordeelt dat de verslagen van de gerechtsdeskundigen, waaronder het laatste verslag van deskundige Jacobs, gebaseerd zijn op een grondige analyse en studie van het strafdossier, de medische dossiers en de bijgebrachte stukken. De appelrechters voegen hieraan toe dat er tevens een uitgebreid overzicht wordt gegeven van de inhoud van het patiëntendossier van de verweerster 1, met onder meer weergave van handgeschreven vermeldingen en nota’s, en oordelen dat het gegeven dat welbepaalde woorden in dit dossier onleesbaar waren hieraan geen afbreuk doet. In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de bewijswaarde van de gerechtelijke expertiseverslagen, is het niet ontvankelijk. 12. In zoverre het onderdeel aanvoert dat er een onevenwicht in wetenschappelijke kennis bestaat tussen de gerechtsdeskundigen enerzijds en de experten van de verdediging anderzijds, vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. 13. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. 14. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM kent aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge door de politie te doen ondervragen of op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. 15. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij dient erover te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht. De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert. De rechter is niet ertoe gehouden bij de afwijzing van het verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van getuigen à décharge de voormelde criteria betreffende het horen van getuigen à charge te betrekken. 16. Het arrest wijst eisers verzoek tot het horen van zijn technische experten als getuigen op de rechtszitting af op de volgende gronden: - de eiser beschikt niet over een onbeperkt recht om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuigen te horen; - de professoren Van Kerrebroeck en Berghmans hebben beiden kennis genomen van de deskundigenverslagen opgesteld door de gerechtsexperten en kregen de tijd en de gelegenheid om deze te bestuderen en hierop op extensieve wijze kritische opmerkingen te formuleren; - dit resulteerde in de door hen geredigeerde verslaggeving die aan het strafdossier werd gevoegd en ter kennis werd gebracht aan het openbaar ministerie en de verweerders; - de schriftelijke beschouwingen van deze experten waren vervolgens ook aan de tegenspraak onderworpen, waarbij elke partij de nodige kansen heeft gekregen om hierover betwisting te voeren; - de aard en de samenstelling van de reeds voorliggende onderzoeksgegevens met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, kunnen het hof van beroep dan ook niet overtuigen van de noodzaak van deze bijkomende getuigenis op de rechtszitting voor de waarheidsvinding. Met die redenen geven de appelrechters de concrete redenen op waarom eisers recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, het horen van eisers experten als getuigen à décharge onder eed op de rechtszitting niet noodzakelijk maakt en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.3.e IVBPR: het arrest kwalificeert de experten van de eiser als lasthebbers en leidt daaruit ten onrechte af dat het verhoor van deze laatsten niet kan bijdragen tot een eerlijk proces; het recht om getuigen à décharge te horen, bestaat ongeacht of dezen in het kader van een lastgeving optreden. 18. Het arrest oordeelt niet dat het horen van een expert die optreedt als lasthebber van een partij niet kan bijdragen tot een eerlijk proces. Het oordeelt wel dat het horen van experten die “allebei (hebben) kennisgenomen van de deskundigenverslagen opgesteld door de gerechtsdeskundigen en de tijd en de gelegenheid (kregen) om deze te bestuderen en hierop op extensieve wijze kritische opmerkingen te formuleren, hetgeen resulteerde in de door hen geredigeerde verslaggeving die aan het strafdossier werd gevoegd en ter kennis werd gebracht aan het Openbaar Ministerie en de burgerlijke partijen” en wiens beschouwingen “vervolgens ook aan de tegenspraak (waren) onderworpen”, niet bijdraagt tot een eerlijk proces. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: de appelrechters houden bij de beoordeling van eisers verzoek tot het op de rechtszitting horen van zijn experten rekening met “het recht van de verdediging van [de eiser], maar ook met de belangen van de samenleving, het slachtoffer en de mogelijke getuigen zelf”; aldus aanvaarden de appelrechters het bestaan van beperkingen van artikel 6 EVRM, terwijl dit artikel er geen vermeldt; tevens laat het arrest na aan te geven welke die wettelijke uitzonderingen zijn en maakt het aldus de wettigheidscontrole van het Hof onmogelijk. 20. Het gegeven dat de rechter bij de beoordeling of het recht van de beklaagde op een eerlijk proces niet in het gedrang wordt gebracht door de afwijzing van zijn verzoek tot het horen van een getuige à décharge, niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van de beklaagde, maar ook met belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf, houdt geen ontoelaatbare beperking van artikel 6 EVRM in. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 21. Met het in het onderdeel vermelde oordeel, geeft het arrest aan met welke belangen de appelrechters bij deze beoordeling rekening houden en laat dit het Hof aldus toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel 22. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; de appelrechters oordelen enerzijds dat de verklaringen van de verweerster 1 tijdens haar audiovisueel verhoor en haar ondervraging ter rechtszitting “coherent” zijn en stellen anderzijds het bestaan vast van “inconsistenties of hiaten in de verklaringen van [de verweerster 1]”. 23. Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat tussen redenen die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dit is niet het geval voor een motivering die bestaat uit redenen die weliswaar niet overeenstemmen, maar die elkaar niet opheffen. Het arrest oordeelt, eensdeels, dat welbepaalde verklaringen coherent zijn en, anderdeels, dat een aantal niet nader gespecificeerde verklaringen inconsistenties bevatten. Die redenen heffen elkaar niet op zodat zij niet tegenstrijdig zijn. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel 24. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de verklaringen van de verweerster 1 niet betrouwbaar zijn; de eiser heeft hiertoe drie omvangrijke lijsten opgesteld om aan te tonen dat deze verklaringen zijn gesteund op haar perceptie van de ondergane behandeling, tegenstrijdigheden bevatten en op sommige punten zelfs onmogelijk zijn; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord. 25. Met verwijzing naar de redenen uiteengezet in de randnummers 4.7.3 tot en met 4.7.9 en 4.7.11 tot en met 4.7.17 van het arrest, oordelen de appelrechters dat “gelet op de door [de verweerster 1] afgelegde gedetailleerde en coherente verklaring, de hiermee compatibele onthullingsgeschiedenis, de diverse getuigenverklaringen die haar verklaring bevestigen, de bevindingen van de aangestelde gerechtsdeskundigen Jacobs en Van De Voorde, de vaststellingen m.b.t. het gebruikte vibrerende toestel en het gebrek aan geïnformeerde toestemming is het hof (van beroep) van oordeel dat de door [de verweerster 1] afgelegde verklaringen in essentie zonder meer als geloofwaardig dienen te worden aanzien”. Aldus verwerpen en beantwoorden zij eisers verweer dat deze verklaringen niet geloofwaardig zijn. Zij dienen hierbij niet te antwoorden op argumenten die de eiser enkel heeft aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, maar geen zelfstandig verweer uitmaken. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de verklaringen van de verweerster 1 niet betrouwbaar zijn gelet op de ongeloofwaardige onthullingsgeschiedenis; hij verwees hierbij meer specifiek naar de laattijdige deontologische klacht van de psychiater bij wie de verweerster 1 jarenlang in behandeling was. 27. De appelrechters oordelen dat: - het heel aannemelijk is dat de verweerster 1 uit angst om niet te worden geloofd en omwille van gevoelens van schaamte lange tijd niet heeft gedurfd om aangifte te doen of formeel klacht in te dienen; - zij zich dankzij psychische behandeling en begeleiding sterk genoeg voelde worden om alsnog te praten over de feiten die zich jaren eerder hadden afgespeeld en dan uiteindelijk op 30 oktober 2015 klacht heeft neergelegd; - dit relaas bevestiging vindt in het gegeven dat haar psychiater ook dan klacht neerlegde bij de Orde der artsen; - de onthullingsgeschiedenis in de gegeven omstandigheden niet alleen logisch en begrijpelijk, maar ook geloofwaardig is. Met die redenen beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel Eerste subonderdeel 28. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: het arrest steunt eisers schuldigverklaring aan de hem ten laste gelegde feiten ten onrechte op zijn gebrek aan reactie op de expliciete seksuele toespelingen van de verweerster 1 tijdens het telefoongesprek van 27 oktober 2015; aldus miskent het arrest eisers zwijgrecht alsook het vermoeden van onschuld dat, gelet op de context van de zaak, in het voordeel van de eiser moet spelen en dat ertoe leidt dat hij niet gehouden was te reageren op de beschuldigingen van de verweerster 1; de appelrechters erkennen ook zelf dat dit gebrek aan reactie “niet (valt) te begrijpen”, wat wijst op twijfel. 29. Noch het vermoeden van onschuld noch het zwijgrecht, dat het recht inhoudt zichzelf niet gedwongen te incrimineren, verhinderen de rechter om de schuldigverklaring van een beklaagde mede te steunen op zijn gebrek aan reactie op een door een andere partij uitgebrachte beschuldiging. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 30. Het arrest leidt eisers schuldigverklaring aan de hem ten laste gelegde feiten niet voornamelijk af uit zijn gebrek aan reactie op de seksuele toespelingen tijdens het vermelde telefoongesprek, maar op een geheel van elementen waaronder de geloofwaardige verklaringen van de verweerster 1, zoals bevestigd door getuigen, en de bevindingen van de gerechtsdeskundigen. In zoverre berust het subonderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 31. De appelrechters oordelen dat: - zij de stelling van de eiser dat de verweerster 1 een hysterisch persoon betrof met nood aan psychologische hulp niet volgen; - uit het volledige telefonisch onderhoud blijkt dat de eiser een volwassen en matuur gesprek met de verweerster 1 heeft gevoerd en hierbij uit niets blijkt dat hij het relaas van deze partij niet ernstig nam; - gelet op het verloop van dit gesprek, het niet valt te begrijpen waarom een degelijke en onderbouwde interactie uitblijft als de eiser wordt geconfronteerd met de expliciete seksuele toespelingen van de verweerster 1. Met het in het onderdeel vermelde oordeel, geven de appelrechters dan ook niet aan dat zij twijfelen aan eisers schuld, maar nemen zij integendeel eisers gebrek aan reactie als een van de belastende elementen in aanmerking. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. Tweede subonderdeel 32. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser uiteengezet waarom hij niet heeft gereageerd op de seksuele toespelingen van de verweerster 1; hij heeft hierbij beklemtoond dat hijzelf niet aandrong op een verderzetten van de behandeling en niet is ingegaan op de insinuaties van “orgasmes” van de verweerster 1; het arrest laat dit verweer onbeantwoord. 33. Met het oordeel dat het, gelet op het verloop van het telefonisch gesprek, niet valt te begrijpen dat de eiser niet heeft gereageerd op de seksuele insinuaties van de verweerster 1, verwerpen en beantwoorden de appelrechters dit verweer. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel Eerste subonderdeel 34. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; de appelrechters oordelen enerzijds dat de verklaringen van de verweerster 1 tijdens haar audiovisueel verhoor en haar ondervraging ter rechtszitting “coherent” zijn en stellen anderzijds het bestaan vast van “inconsistenties of hiaten in de verklaringen van [de verweerster 1]”. 35. Het subonderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste subonderdeel van het eerste onderdeel en mist, om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit subonderdeel, feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel 36. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de verklaringen van de verweerster 1 niet betrouwbaar zijn; de eiser heeft hiertoe drie omvangrijke lijsten opgesteld om aan te tonen dat deze verklaringen zijn gesteund op haar perceptie van de ondergane behandeling, tegenstrijdigheden bevatten en op sommige punten zelfs onmogelijk zijn; het arrest laat dit verweer onbeantwoord. 37. Het subonderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel en kan, om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit subonderdeel, niet worden aangenomen. Derde subonderdeel 38. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat hij “op het ogenblik van de ondervraging” geen toegang meer had tot het medisch dossier van de verweerster 1, wat hij tijdens dit verhoor ook “meermaals aanhaalde als een handicap teneinde dit dossier deftig te kunnen bespreken”; met het oordeel dat de eiser nooit een opsplitsing in de tijd van de behandelingen en de diagnoses heeft gemaakt en het meer bepaald “nooit of te nimmer” heeft gehad over urethradilatatie zonder het gebruik van het vibrerend apparaat, laten de appelrechters dit verweer onbeantwoord. 39. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het subonderdeel vermeldt. Het oordeelt tevens dat: - de eiser in hoger beroep voor het eerst de stelling formuleert dat de diagnose en de bijhorende behandelingen in de tijd moeten worden opgesplitst; - hij in diverse verhoren deze opsplitsing in de tijd van behandelingen en diagnoses ook nooit zelf heeft gemaakt; - de eiser het in zijn verhoor van 3 februari 2017 “nooit of te nimmer” heeft over een urethradilatatie zonder het gebruik van het vibrerend toestel; - hij noch tijdens zijn herverhoor op 9 augustus 2017 en 24 januari 2018 noch in het kader van de hoorzitting van de Orde der artsen enige melding heeft ge-maakt van de toepassing van urethradilatatie zonder het gebruik van een vibrerend toestel. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het subonderdeel vermelde verweer. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde subonderdeel 40. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de diagnose en de daarbij horende behandelingen moeten worden opgesplitst in twee van elkaar en in de tijd te onderscheiden behandelperiodes; hij voerde hierbij aan dat de “Post it’s” een geheugensteun vormden op de eerste bladzijde van het papieren patiëntendossier met betalingsinformatie, deze documenten aldus logischerwijze betrekking hebben op de meest recente behandelperiode en hieruit dan ook niet kan worden afgeleid dat er geen sprake was van twee opeenvolgende behandelingsperiodes; de appelrechters die eisers stelling afwijzen, laten dit specifieke verweer onbeantwoord. 41. De appelrechters stellen vast dat op een Post-it, aangetroffen in het patiëntendossier van de verweerster 1 “zowel het woord ‘Scopie’ (gevolgd door het bedrag van 115 euro) als het woord ‘Vibratie’ (gevolgd door het bedrag van 95 euro)” staat vermeld en dat uit de bijgebrachte stukken van de mutualiteit blijkt dat de eiser bij de verweerster 1 slechts eenmaal, met name op 12 mei 2006, een cystoscopie uitvoerde. Zij oordelen vervolgens dat het samen voorkomen van beide woorden op een kleine Post-it maakt dat er geen twijfel over kan bestaan dat reeds van bij de aanvang van de behandelperiode van de verweerster 1 ook urethradilataties met vibratie werden uitgevoerd. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters eisers bedoeld verweer. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. 42. In zoverre het subonderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de bewijswaarde van de Post-it over het al dan niet bestaan van onderscheiden behandelperiodes, is het niet ontvankelijk. Vijfde subonderdeel 43. Het subonderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de assistentes van de eiser in hun verhoor evenmin een onderscheid maken tussen twee opeenvolgende en onderscheiden behandelperiodes, miskennen de appelrechters de bewijskracht van deze stukken; de ondervragers hebben de vraag naar mogelijks onderscheiden behandelperiodes immers nooit gesteld; door te oordelen dat deze vraag negatief werd beantwoord, lezen de appelrechters dan ook iets in deze verhoren dat er niet in is vermeld. 44. De appelrechters oordelen dat “[ook] de assistentes/verpleegster van [de eiser], met name G.B. en M.B., allebei gewag maken van een vibrerende behandeling bestaande uit twee onderdelen: nl. een urethradilatatie mèt gebruik van een vibrerend apparaat, gevolgd door een blaasspoeling”. Hieruit volgt niet dat de appelrechters oordelen dat deze assistentes geen onderscheid maken tussen mogelijks opeenvolgende en onderscheiden behandelperiodes. In zoverre berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 45. De aangevoerde miskenning van de bewijskracht is afgeleid uit deze onjuiste lezing. In zoverre is het subonderdeel niet ontvankelijk. Zesde subonderdeel 46. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.1.9°, 8.17, 8.18 en 8.29 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: in zijn appelconclusie heeft de eiser met verwijzing naar de verkoophistorieken van de apothekers en de lijsten van de mutualiteit aangevoerd dat de blaasspoelingen, gelet op de vastgestelde diagnose, in de tijd samen zijn te situeren met de urethradilatatie met trillingen en bijgevolg slechts vanaf november 2008 plaatsvonden; met het oordeel dat het niet uitmaakt of de blaasspoelingen van bij de aanvang van de behandeling in 2006 gebeurden met een preparaat dat bij de apotheker diende te worden aangekocht dan wel met een ander product, laat het arrest dit verweer onbeantwoord; tevens miskennen de appelrechters met dit oordeel de bewijskracht van eisers appelconclusie waarin uitdrukkelijk werd vermeld dat de bereidingen voor de blaasspoelingen slechts tijdens de tweede behandelingsperiode werden voorgeschreven en aangekocht en steunen zij hun oordeel ten onrechte op het vermoeden dat de blaasspoelingen ook met een ander product dan een door de apotheker bereide DMSO-oplossing kon gebeuren. 47. De artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de bewijsregeling in strafzaken. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 48. Met verwijzing naar de geloofwaardige verklaringen van de verweerster 1 en haar ouders, oordelen de appelrechters dat de behandelingen van bij het begin in mei 2006 bestonden uit urethradilatatie met gebruik van trillingen en blaasspoelingen, wat door de eiser in zijn verhoren ook nooit is betwist en wordt bevestigd door de gegevens van het medisch dossier van de verweerster 1 alsook de verklaringen van eisers assistentes. 49. Met dit oordeel beantwoorden de appelrechters het in het subonderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. 50. Met dit oordeel geven de appelrechters geen uitlegging van eisers appelconclusie en kunnen zij aldus de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het subonderdeel eveneens feitelijke grondslag. 51. In zoverre het subonderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de aan de appelrechters voorgelegde feitelijke gegevens, is het niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel Tweede subonderdeel 52. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser de verantwoording over de noodzaak om de urethradilatatie te koppelen aan vibratie meermaals “bijstelde”, wat zijn geloofwaardigheid niet ten goede komt; de appelrechters verduidelijken hierbij niet op welke verklaringen van de eiser zij zich steunen en maken aldus het wettigheidstoezicht van het Hof onmogelijk; met het oordeel dat de eiser zijn verklaringen wijzigde, miskennen zij tevens de bewijskracht van deze verklaringen waarin de eiser toelichting verschafte over de therapie. 53. De rechter die zijn oordeel steunt op de verklaringen die de beklaagde heeft afgelegd en die deel uitmaken van het strafdossier, moet hierbij niet uitdrukkelijk preciseren over welke specifieke verklaringen het gaat. Dit maakt het wettigheidstoezicht van het Hof niet onmogelijk. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 54. Met het oordeel dat de eiser de verantwoording over de noodzaak om de urethradilatatie te koppelen aan vibratie in zijn verklaringen meermaals “bijstelde”, geven de appelrechters geen uitlegging van deze verklaringen, maar trekken zij er een gevolg uit. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. Eerste subonderdeel 55. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 70 Strafwetboek en de artikelen 1 en 2, § 1, tweede lid, Wet Gezondheidsberoepen, zoals van toepassing vóór de coördinatie bij koninklijk besluit van 10 mei 2015: het arrest oordeelt ten onrechte dat de behandeling door de eiser van het urethraal syndroom met urethradilatatie en vibraties, niet volgens de regels van de kunst werd uitgevoerd; dit oordeel doet de geneeskunde vervallen in een “keukenboekgeneeskunde”, met een stilstand van de geneeskunde tot gevolg; met het oordeel dat eisers behandelwijze niet beantwoordt aan geneeskundige behandelingen “in de gangbare medische praktijk”, beperkt het arrest ten onrechte het wettelijk begrip “geneeskunde” en aldus ook de reikwijdte van de in het subonderdeel vermelde wettelijke bepalingen. 56. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het subonderdeel vermeldt. Het oordeelt tevens dat de door de eiser toegepaste vibraties bij urethradilatatie geen legitieme en verantwoorde medische behandeling is die op een correcte wijze werd uitgevoerd. In zoverre berust het subonderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 57. Artikel 70 Strafwetboek bepaalt dat er, behoudens wat de misdrijven zoals bepaald in boek II, titel Ibis betreft, geen misdrijf is wanneer het feit door de wet is voorgeschreven en door de overheid is bevolen. Artikel 1, Wet Gezondheidsberoepen, zoals van toepassing, bepaalt: “de geneeskunst omvat de geneeskunde, de tandheelkunde inbegrepen, uitgeoefend ten aanzien van menselijke wezens en de artsenijbereidkunde, onder hun preventief of experimenteel, curatief, continu en palliatief voorkomen.” Artikel 2, § 1, eerste en tweede lid, Wet Gezondheidsberoepen, zoals van toepassing, bepaalt: “Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 7 niet vervult. Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij lid 1 van deze paragraaf, niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysische of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting.” Artikel 11, Wet Gezondheidsberoepen, zoals van toepassing, bepaalt: “Aan de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4 mogen geen reglementaire beperkingen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden, hetzij voor het stellen van de diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behandeling, hetzij voor het uitvoeren van magistrale bereidingen.” Artikel 73, § 1 ZIV-wet, zoals van toepassing, bepaalt: “De geneesheer en de tandheelkundige oordelen in geweten en in volle vrijheid over de aan de patiënten te verlenen verzorging. Zij zullen erop toezien dat zij toegewijde en bekwame geneeskundige verzorging verstrekken in het belang van de patiënt, met respect voor de rechten van de patiënt en rekening houdend met de door de gemeenschap ter beschikking gestelde globale middelen.” 58. Uit die bepalingen volgt dat medische handelingen die raken aan de lichamelijke en seksuele integriteit van patiënten geen misdrijf uitmaken indien zij worden gesteld met het voormelde legitiem doel, met de toestemming van de pa-tiënt en worden uitgevoerd zoals een normaal zorgvuldig handelend arts in dezelfde omstandigheden deze zou uitvoeren. 59. De rechter oordeelt onaantastbaar of een arts een medische behandeling volgens de regels van de kunst heeft uitgevoerd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord. 60. De appelrechters oordelen met verwijzing naar de vaststellingen van de gerechtsexperten, die zij bijtreden dat: - bij de verweerster 1 de diagnoses urethritis (ontsteking van de plasbuis) en interstitiële cystitis (blaaspijnsyndroom) werden gesteld; - de toegepaste behandeling bestaat uit blaasspoelingen met DMSO en urethrale dilataties (oprekken van de plasbuis met dilatatoren); - hoewel de toepassing van urethrale dilatatie bij urologische klachten in afwezigheid van een aantoonbare vernauwing van de plasbuis wordt beschreven in de hoofdzakelijk oudere, door de eiser aangebrachte wetenschappelijke lite¬ratuur, er geen wetenschappelijke evidentie is dat de behandeling zou verbeteren bij het toepassen van enige vorm van vibratie; - het gebruik van vibratie om urethrale absorptie te verbeteren nooit wetenschappelijk is beschreven; in geen van de door de eiser overgemaakte stukken hiervan gewag wordt gemaakt; - consultaties van de gebruikelijke databases voor medisch-wetenschappelijke literatuur ook zonder relevante resultaten blijven. Zij voegen hieraan toe dat: - de eiser zijn verklaringen over de medische noodzaak van vibratie bij urethradilatatie tijdens het onderzoek meermaals heeft gewijzigd, wat zijn geloofwaardigheid niet ten goede komt; - uit deze verklaringen ook blijkt dat de eiser op basis van zijn eigen inzichten is overgegaan tot de aankoop van een vibrerend apparaat, dat niet beschouwd kan worden als een medisch apparaat. Met die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de door de eiser toegepaste vibraties bij urethrale dilatatie geen verantwoorde medische behandeling is die op een correcte wijze werd uitgevoerd. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. Zesde onderdeel Eerste subonderdeel 61. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: in zijn appelconclusie heeft de eiser met verwijzing naar onder meer de vaststellingen van verschillende professoren aangevoerd dat het gebruik van stimulatie via apparatuur bij problemen van de lage urinewegen wetenschappelijk wordt ondersteund; de appelrechters verwerpen dit verweer met de reden dat “ook de elementen van het strafdossier m.b.t. het door [de eiser] gebruikte vibrerende toestel de hiervoor aangehaalde conclusie (ondersteunen) dat de toepassing van vibraties bij urethrale dilatatie geen wetenschappelijke grond heeft”, zonder hierbij te preciseren op welke elementen van het strafdossier zij dit oordeel steunen; aldus laat het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen; tevens miskent het de bewijskracht van eisers appelconclusies door de hierin vermelde wetenschappelijke referenties niet als bewijs in aanmerking te nemen. 62. De appelrechters steunen hun oordeel dat de toepassing van vibraties bij urethrale dilatatie geen wetenschappelijke grond heeft op de redenen dat: - de door de onderzoeksrechter aangestelde professoren Jacobs en Van De Voorde, na een grondige analyse en studie van het strafdossier, de medische dossiers en de bijgebrachte stukken, besluiten dat “de toepassing van vibraties bij urethrale dilatatie geen wetenschappelijke grond heeft, niet staat beschreven in de (wetenschappelijke) literatuur en niet van toepassing is (geweest) in de gangbare medische praktijk”; - de door de Orde der artsen aangestelde deskundige in zijn verslag eveneens stelde dat er in de literatuur niets is terug te vinden over het combineren van urethradilatatie en vibratie en er geen enkele wetenschappelijke basis voor bestaat; - de door de eiser bijgebrachte stukken, waarvan het merendeel geen betrekking heeft op vibratie dan wel betrekking heeft op andere aandoeningen alsook de bijgebrachte gedateerde patentliteratuur die niet relevant is, geen afbreuk doen aan de deskundige en weloverwogen bevindingen van deze experten; - de overtuigingen van de door de eiser aangezochte professoren Van Kerrebroeck en Berghmans evenmin van aard zijn om dit besluit in twijfel te trekken; - eisers verklaringen over de noodzaak van de vibratie bij de urethradilatatie meermaals wijzigen, wat zijn geloofwaardigheid niet ten goede komt. Zij voegen hieraan toe dat dit besluit wordt bevestigd door de vaststellingen in het strafdossier met betrekking tot het specifiek door de eiser gebruikte vibrerende toestel dat: - de eiser verklaart dat hij dit toestel, dat hij op een congres heeft gekocht, reeds 40 jaar heeft en altijd routinematig heeft gebruikt; - uit zijn verklaringen blijkt dat hij op basis van eigen inzichten is overgegaan tot de aankoop van dit vibrerend massagetoestel dat niet als een medisch apparaat kan worden beschouwd; - onderzoek immers leert dat het vibrerend apparaat van het merk Wahl gebruikt wordt voor het stimuleren van seksuele gevoelens, terwijl uit de processen-verbaal blijkt dat opzoekingen naar een zuiver medisch gebruik van de “Wahl electric vibrator” een negatief resultaat kennen. Die redenen laten het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen op het oordeel van de appelrechters dat het gebruik van een vibrerend toestel bij de behandeling van de diagnose van de verweerster 1 geen wetenschappelijke grond heeft. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. 63. Met het bekritiseerde oordeel geven de appelrechters geen uitlegging van de appelconclusie van de eiser en kunnen zij de bewijskracht ervan dan ook niet miskennen. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel 64. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 70 Strafwetboek en de artikelen 1 en 2, § 1, Wet Gezondheidsberoepen: met het oordeel dat eisers verklaringen aantonen dat hij op basis van zijn eigen inzichten is overgegaan tot de aankoop van het vibrerend massagetoestel, dat niet als een medisch apparaat kan worden beschouwd, beperken de appelrechters de medische behandelingen die in aanmerking komen als rechtvaardigingsgrond ten onrechte tot standaardpraktijken, terwijl krachtens de voormelde wetsbepalingen alle geneeskundige behandelingen, zoals eisers behandeling van de verweerster 1, onder de wettelijke definitie van geneeskunde vallen. 65. Het subonderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste subonderdeel van het vijfde onderdeel en is om de redenen vermeld in het antwoord op dit subonderdeel te verwerpen. Derde subonderdeel 66. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: in zijn appelconclusie heeft de eiser, met verwijzing naar de patenten die werden aangevraagd voor het door hem gebruikte vibrerende toestel dat urethradilatatie met vibratie mogelijk maakt, het potentieel van dit toestel voor de behandeling van de verweerster 1 uiteengezet; met het oordeel dat de eiser met betrekking tot dit apparaat weinig concrete informatie kan meedelen, leggen de appelrechters ten onrechte de bewijslast over de informatie van het vibrerend toestel op de eiser, terwijl op hem het vermoeden van onschuld rust en stellen zij het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; tevens miskennen zij de bewijskracht van eisers appelconclusie waarin hij wel degelijk informatie over het gehanteerde vibrerende toestel had aangevoerd. 67. De rechter beoordeelt in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem overgelegde gegevens. Hij kan hierbij oordelen dat bepaalde verklaringen van een beklaagde, ter ondersteuning van een door hem aangevoerde stelling, niet overtuigend zijn. Dit houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld of het recht op een eerlijk proces. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 68. Met het bekritiseerde oordeel geven de appelrechters geen uitlegging van de appelconclusie van de eiser. Zij kunnen de bewijskracht ervan dan ook niet miskennen. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. 69. Uit het antwoord op het eerste subonderdeel volgt dat de appelrechters hun oordeel dat het door de eiser gebruikte vibrerende toestel geen wetenschappelijke grond heeft, steunen op een geheel van redenen. Met die redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en die geen omkering van de bewijslast inhouden, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het subonderdeel niet worden aangenomen. Zevende onderdeel 70. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: in zijn appelconclusie heeft de eiser niet aangevoerd dat hij nooit zou hebben opgemerkt dat de behandeling bij de verweerster 1 tot een orgasme leidde; met het oordeel dat “de bewering van [de eiser] dat hij als ervaren uroloog nooit zou opgemerkt hebben dat zijn jonge patiënte bij de door hem uitgevoerde behandelingen telkens tot een orgasme kwam komt niet geloofwaardig over”, miskennen de appelrechters de bewijskracht van deze conclusie; door niet aan te duiden op welke “bewering” van de eiser het arrest steunt, maken zij tevens het wettigheidstoezicht van het Hof onmogelijk. 71. In zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de uitgevoerde behandeling sommige patiënten een prikkelend gevoel gaf of tot samentrekkingen van de bekkenbodemspieren leidde, wat wellicht het gevoel is dat ook door de verweerster 1 werd ervaren, maar dat hierbij geen sprake is van een orgasme. Met het bekritiseerde oordeel geeft het arrest van deze conclusie een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 72. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde miskenning van bewijskracht. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel 73. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM, artikel 14.1 en 14.3.a en b IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 130, 182, 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: het arrest veroordeelt de eiser voor meer feiten dan vermeld in de telastleggingen C en D (aanranding van de eerbaarheid); in deze telastleggingen wordt enkel melding gemaakt van betastingen op de “billen, borsten en hals” van de verweerster 1; het arrest verklaart de eiser evenwel eveneens schuldig aan het plaatsen van een vibrerend toestel op de vagina, het manueel aanraken van de vagina en het aanraken van het been van de verweerster 1 met zijn niet-ontbloot geslachtsdeel in erectie; de telastleggingen werden niet aangepast of heromschreven; de eiser werd ook niet verwittigd van deze uitbreiding van de ten laste gelegde feiten; minstens is de beslissing tot schuldigverklaring aan de telastleggingen C en D tegenstrijdig met de motieven waarin deze bijkomende feiten worden vermeld. 74. Het arrest veroordeelt de eiser voor de feiten, zoals omschreven in de telastleggingen C en D. Het gegeven dat de appelrechters bij de motivering van de schuldigverklaring aan deze telastleggingen verwijzen naar bijkomende seksueel grensoverschrijdende handelingen van de eiser, zoals vermeld in de verklaringen van de verweerster 1, heeft niet tot gevolg dat deze telastleggingen werden aangepast of heromschreven. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 75. Voor het overige is het onderdeel afgeleid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 76. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 2 en 373, eerste lid, Strafwetboek: het arrest steunt eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen C en D op het oordeel dat de “[verweerster 1] binnen een medische setting meermaals door het onverhoeds en listig handelen van [de eiser] (werd) verrast”; de toestemmingsuitsluitende factor “list” voor het misdrijf aanranding van de eerbaarheid werd slechts bij wet van 1 februari 2016 toegevoegd; het arrest past deze factor die de strafbaarheidsdrempel verlaagt ten onrechte retroactief toe; met het voormelde oordeel verduidelijken de appelrechters niet of zij eisers onverhoeds handelen, wat wordt aanzien als een vorm van geweld, dan wel listig handelen in aanmerking nemen, zodat het Hof zijn wettigheidstoezicht niet kan uitoefenen; door enerzijds te oordelen dat de eiser onverhoeds, dus onverwacht, handelde en anderzijds vast te stellen dat de feiten zich meermaals hebben voorgedaan, is het arrest bovendien tegenstrijdig gemotiveerd. 77. Artikel 373, eerste lid, Strafwetboek, vóór de wijziging door de wet van 1 februari 2016, bestrafte aanranding van de eerbaarheid die werd gepleegd met geweld of bedreiging. Na de wijziging door deze wet bestraft artikel 373, eerste lid, Strafwetboek de aanranding van de eerbaarheid die wordt gepleegd met geweld, dwang, bedreiging, verrassing of list of die mogelijk werd gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer. 78. Onder “geweld of bedreiging” van artikel 373, eerste lid, Strafwetboek werden ook vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 februari 2016 de gevallen van “dwang, verrassing, list of het geval van onvolwaardigheid of geestelijk gebrek van het slachtoffer” begrepen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 79. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 80. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 373, eerste lid, Strafwetboek: het arrest stelt niet vast dat de eerbaarheid van de verweerster 1 werd aangerand op een wijze die door het collectief bewustzijn van de samenleving op het ogenblik van de feiten als dusdanig wordt ervaren; het laat dan ook ten onrechte na alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid vast te stellen. 81. Met het oordeel dat “de door [de eiser] op [de verweerster 1] gestelde handelingen in de gegeven specifieke medische context wel degelijk handelingen (betreffen) met een bepaalde ernst die afbreuk doen aan de seksuele integriteit van een persoon, zoals door het collectieve bewustzijn van een bepaalde maatschappij op een bepaald tijdstip wordt ervaren”, stellen de appelrechters vast dat de feiten die de eiser heeft gepleegd afbreuk deden aan de seksuele integriteit van de verweerster 1 zoals die op dat ogenblik door het collectief bewustzijn van de maatschappij werd ervaren. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 82. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 373 Strafwetboek: het arrest stelt niet vast dat de eiser de seksuele integriteit van de verweerster 1 wetens en willens heeft willen aantasten, wat de eiser in zijn appelconclusie ook uitdrukkelijk heeft betwist; het laat dan ook ten onrechte na het moreel element van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid vast te stellen en beantwoordt niet eisers desbetreffende verweer. 83. De appelrechters oordelen dat: - de eiser de verweerster 1 binnen een medische setting meermaals door zijn onverhoeds en listig handelen heeft verrast; - hij onder het mom van een medische behandeling seksueel grens-overschrijdende handelingen stelde waardoor zijn kwetsbare minderjarige slachtoffer, die ter verzorging aan hem was toevertrouwd, in haar seksuele integriteit werd aangetast; - de eiser hierbij misbruik maakte van zijn gezag en de faciliteiten die zijn functie hem verleende; - zijn handelingen, waaronder het strelen van de borsten en de billen, het kussen van de hals en het aanraken van de vagina waardoor seksuele stimulatie wordt opgewekt, een zekere ernst vertonen en niet thuis horen bij een correcte uitoe-fening van professionele geneeskunde; - het vast staat dat de eiser ter gelegenheid van de uitvoering van welbepaalde medische behandelingen in het kader van zijn beroepsuitoefening de verweerster 1 meermaals heeft aangeraakt en betast en haar ook welbepaalde seksuele handelingen heeft opgedrongen waardoor haar seksuele integriteit werd aangetast. Met die redenen stellen de appelrechters het voor de telastlegging aanranding van de eerbaarheid vereiste moreel element vast en beantwoorden zij het in het onderdeel bedoelde verweer van de eiser. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel 84. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat het, gelet op de hoogte van de behandeltafel, onmogelijk was om in het kader van een medische behandeling het been van de verweerster 1 aan te raken met zijn niet-ontbloot geslachtsdeel in erectie; het arrest, dat de eiser schuldig verklaart aan dit ten laste gelegde feit, laat dit verweer ten onrechte onbeantwoord. 85. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel is het om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit onderdeel te verwerpen. 86. De appelrechters stellen vast dat de verweerster 1 heeft verklaard dat “[de eiser] met zijn penis in erectie tegen haar benen schudde en ze toen voelde dat hij opgewonden was”, en oordelen dat “de door [de verweerster 1] afgelegde verklaringen in essentie zonder meer als geloofwaardig dienen te worden aanzien”. Met dit oordeel verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer van de eiser. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vijfde middel Eerste onderdeel 87. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM, artikel 14.1 en 14.3.a en b IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 375 Strafwetboek en de artikelen 130, 160, 182, 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: het arrest stelt niet alle constitutieve bestanddelen van de telastleggingen A en B (verkrachting) vast; het arrest verklaart de eiser schuldig aan de feiten van “als behandelend uroloog middels een trillend apparaat in te brengen en/of manueel [de verweerster 1] in een staat van seksuele opwinding te hebben gebracht”; bij gebrek aan seksuele penetratie voldoet dit laatste feit niet aan de definitie van verkrachting, bepaald in artikel 375 Strafwetboek; het gebruik van de bewoordingen “en/of” laat niet toe vast te stellen of de appelrechters beide feiten bewezen achten en verhindert het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; hoewel de appelrechters in hun motivering melding maken van een manuele penetratie, hebben zij de feiten van de telastleggingen niet gepreciseerd of aangepast, noch de eiser van deze toevoeging verwittigd. 88. Met de redenen vermeld in het arrest onder randnummer 4.7.19, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, verklaren de appelrechters de feiten van seksuele penetratie van de vagina, zowel manueel als met een trillend apparaat, bewezen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 89. Uit de verwijzingsbeschikking volgt dat de eiser onder de telastleggingen A en B wordt vervolgd voor “elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook”, gepleegd op de verweerster 1, “met de omstandigheid dat [de eiser] misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen, te weten als behandelend uroloog middels een trillend apparaat in te brengen en/of manueel [de verweerster 1] in een staat van seksuele opwinding te hebben gebracht”. Hieruit volgt dat de feiten van manuele seksuele penetratie bij het appelgerecht aanhangig waren. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de feiten van deze telastleggingen hebben heromschreven, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het eveneens feitelijke grondslag. 90. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze onjuiste lezing en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 91. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 375, vijfde lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging A, zijnde verkrachting op een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar gepleegd in de periode “van 30 april 2006 tot en met 24 september 2006”, terwijl de verweerster 1 op 24 september 2006 zestien jaar was geworden; het arrest laat niet toe vast te stellen of de eiser is veroordeeld voor feiten gepleegd op 24 september 2006 en laat het Hof dan ook niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. 92. Het arrest veroordeelt de eiser niet enkel voor feiten gepleegd op 24 september 2006, maar voor verschillende feiten van verkrachting, gepleegd binnen de incriminatieperiode, bepaald in de telastlegging A. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. Derde onderdeel 93. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 375, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging verkrachting zonder vast te stellen dat de penetraties een inbreuk vormden op de gangbare seksuele gedragsnormen; het louter vaststellen dat de penetraties een seksueel karakter vertoonden, volstaat hiertoe niet; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat zijn handelingen kaderden in een medische behandeling en bijgevolg niet seksueel waren ingegeven; het arrest laat dit verweer onbeantwoord. 94. Artikel 375, eerste lid, Strafwetboek, bepaalt: “Verkrachting is elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt”. De rechter die oordeelt dat het seksuele karakter van de penetratie vaststaat, dient hierbij niet uitdrukkelijk vast te stellen dat de penetratie een inbreuk op de gangbare seksuele gedragsnormen vormt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 95. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt. Het oordeelt tevens dat: - de eiser binnen een medische setting die voor hem heel vertrouwd was en waarin hij veel aanzien genoot, de verweerster 1 onder het mom van een medische behandeling op gewiekste wijze benaderde en hierbij grensoverschrijdende handelingen stelde; - zowel het tijdens een medische behandeling aanwenden van een trillend apparaat dat ook deels werd ingebracht in de vagina, met seksuele stimulatie en de totstandkoming van een orgasme tot gevolg, als het tot stand brengen van seksuele stimulaties waarbij de vagina telkens ten dele werd gepenetreerd, daden van seksuele penetratie betreft; - de eiser meermaals dergelijke daden van seksuele penetratie zonder toestemming stelde onder het mom van de uitvoering van een medische behandeling, waarbij hij op schromelijke wijze misbruik maakte van zijn gezag als behandelend uroloog, maar ook van de kwetsbare positie van de minderjarige patiënte die hem ter verzorging was toevertrouwd; - de eiser, door deze handelingen in te bedden in een medische context, erin slaagde om kritische vraagstelling over zijn grensoverschrijdend gedrag uit de weg te gaan en hij vrijwel onbekommerd zijn gang kon gaan; - het geen twijfel leidt dat in de gegeven specifieke omstandigheden de eiser op listige wijze misbruik maakte van de medische context vermits hij in zijn hoedanigheid van arts niet alleen deed alsof deze grensoverschrijdende handelingen medisch noodzakelijk waren, maar ook noodzakelijk om de medische klachten van de verweerster 1 te remediëren; - deze listige medische enscenering maakte dat de eiser zonder weerstand verregaande seksuele handelingen, waaronder seksuele penetraties, aan zijn minderjarig slachtoffer kon opdringen; - het vast staat dat deze penetraties een seksueel karakter hadden waardoor de seksuele integriteit van de verweerster 1 werd aangetast. Met die redenen verantwoorden de appelrechters eisers schuldigverklaring aan de telastlegging verkrachting naar recht en beantwoorden zij het in het onderdeel bedoelde verweer van de eiser. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 96. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 375, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging verkrachting zonder vast te stellen dat de eiser de daden van penetratie met een seksueel opzet heeft gesteld; uit de enkele verwerping van de medische behandeling, volgt niet automatisch dat de eiser wetens en willens het misdrijf van verkrachting heeft gepleegd; de eiser heeft in zijn appelconclusie de aanwezigheid van enig seksueel opzet of enige seksuele intentie ook uitdrukkelijk betwist; het arrest laat dit verweer onbeantwoord. 97. Artikel 375, eerste lid, Strafwetboek, bepaalt: “Verkrachting is elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt”. De rechter die oordeelt dat het seksuele karakter van de penetratie vaststaat, dient hierbij niet uitdrukkelijk vast te stellen dat de dader de penetratie met een seksueel opzet heeft gepleegd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 98. Het arrest leidt de aanwezigheid van het voor het misdrijf verkrachting vereiste moreel element niet enkel af uit het gegeven dat de penetraties niet kaderden in een medische behandeling. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 99. Met de redenen vermeld in het antwoord op het derde onderdeel geven de appelrechters te kennen dat de eiser de daden van seksuele penetratie wetens en willens heeft gesteld. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel 100. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat het onmogelijk was om de vagina van de verweerster 1 te penetreren met het vibrerend toestel omdat dit toestel te groot was en de hegar staafjes in de weg stonden; het arrest laat dit verweer onbeantwoord. 101. De appelrechters stellen vast dat de verweerster 1 heeft verklaard dat de behandeling van de eiser erin bestond dat Furasinecrème op een metalen staafje werd aangebracht en in haar urethra werd gemasseerd aan de hand van een apparaat dat trilde en dat hij ook crème aanbracht op het apparaat zelf en dit vaginaal inbracht. Met het oordeel dat deze verklaringen geloofwaardig zijn, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het voormelde verweer zonder dat zij dienden te antwoorden op de in het onderdeel vermelde argumenten die werden aangewend ter ondersteuning van dit verweer, maar geen zelfstandig verweer vormden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zesde middel 102. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, alsook van het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is: de appelrechters veroordelen de eiser voor de telastleggingen A, B, C en D tot een gevangenisstraf van vier jaar met uitstel voor een gedeelte van twee jaar; zij oordelen dat deze “straf [de eiser] ervan (moet) weerhouden om zich in de toekomst nog aan dergelijke feiten schuldig te maken”; het opleggen van een effectieve gevangenisstraf van twee jaar aan de eiser, die 81 jaar oud is en niet meer beroepshalve actief, is niet evenredig met het voormelde “preventie” doel. 103. Artikel 3 EVRM bepaalt: “Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.” 104. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader. Het Hof vermag evenwel na te gaan of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van die verdragsbepalingen. 105. Het arrest bevestigt de door de eerste rechter opgelegde bestraffing op grond van de volgende redenen: - de ernst van de feiten en de vanzelfsprekendheid waarmee de eiser handelde binnen de specifieke medische context van zijn beroepsuitoefening; - de eiser heeft gedurende geruime tijd zijn minderjarige patiënte onder het mom van de uitvoering van een medische behandeling seksueel grensoverschrijdende handelingen opgedrongen, waarbij hij misbruik maakte van zijn gezaghebbende positie als behandelend uroloog en geen oog had voor de traumatische impact van zijn daden; - eisers zedelijk wangedrag wijst op een machtsmisbruik binnen de arts-patiëntrelatie, een vervaagd normbesef en een gebrek aan respect voor de seksuele en psychische integriteit van zijn minderjarig en kwetsbaar slachtoffer; - de narcistisch getinte persoonlijkheidsdynamiek van de eiser; - zijn leeftijd en gunstig strafregister; - de gevangenisstraf moet van aard zijn om de eiser ervan te weerhouden zich in de toekomst nog aan dergelijke feiten schuldig te maken, waarbij de gunstmaatregel van het uitstel voor een gedeelte van twee jaar een verbetering van de eiser mag doen verhopen; - een alternatieve of mildere bestraffing is gelet op de ernst van de feiten niet passend. De appelrechters die op die gronden oordelen dat de opgelegde bestraffing in verhouding is met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de eiser schenden artikel 3 EVRM niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals gevorderd. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990120.14 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.12 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210901.2F.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.