id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 206
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Afstand van hoger beroep - Hoger beroep door het openbaar ministerie - Grief over de strafmaat - Vordering van het openbaar ministerie tot bevestiging van de straf - Strafverzwaring in hoger beroep - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 206
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Het voorkomen van recidive is een van de mogelijke doelstellingen van de straftoemeting; geen enkele verdrags- of wetsbepaling verzet zich ertegen dat de rechter bij het bepalen van een gepaste straf rekening houdt met de impact van die bestraffing op toekomstig gedrag van de veroordeelde en de mate waarin dit aanzet tot het zich onthouden van toekomstig strafbaar gedrag
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Doel van de straf - Voorkomen van recidive - Te verwachten gedrag van de beklaagde - Beoordeling Fiches 4 - 5 De rechter mag de schuldigverklaring van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde feit mede steunen op feitelijke gegevens, die als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, voor zover de rechter de beklaagde niet schuldig verklaart aan die niet vervolgde feiten en bijgevolg het vermoeden van onschuld niet miskent; niets belet de rechter dan ook bij de schuldbeoordeling betreffende de bij hem aanhangige feiten gedragingen te betrekken van de beklaagde die dateren van na die feiten voor zover de rechter zich niet uitspreekt over de schuld van de beklaagde aan die feiten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Beoordeling van de schuld aan de hand van niet-voorliggende feiten, zonder uitspraak over de schuld aan die feiten - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Beoordeling van de schuld aan de hand van niet-voorliggende feiten, zonder uitspraak over de schuld aan die feiten - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0858.N K N J S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Croonen, advocaat bij de balie Brussel, tegen C S, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 5 november 2021 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 21 december 2021 heeft raadsheer Peter Hoet verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 206 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de devolutieve werking van het hoger beroep: het arrest verleent geen afstand van het hoger beroep van het openbaar ministerie; in het grievenformulier gaf het openbaar ministerie aan een strengere bestraffing te vorderen, terwijl op de rechtszitting de bevestiging van het beroepen vonnis werd gevraagd; daardoor doet het openbaar ministerie afstand van zijn hoger beroep; het arrest heeft dan ook op het enkel hoger beroep van de eiser ten onrechte zijn straf verzwaard.
- Krachtens artikel 206, zesde alinea, Wetboek van Strafvordering kunnen de partijen in het geding ook op de rechtszitting afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken.
- Afstand van een rechtsmiddel vereist een ondubbelzinnige wilsuiting van degene die het heeft ingesteld. Uit het enkele feit dat het openbaar ministerie in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift of grievenformulier heeft aangegeven een hervorming te beogen van de beroepen beslissing op het vlak van de straf en de magistraat van het openbaar ministerie bij het appelgerecht op de openbare rechtszitting de bevestiging heeft gevorderd van het beroepen vonnis met inbegrip van de opgelegde straf, kan niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie afstand heeft gedaan van zijn hoger beroep. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetschending en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten, de bewijslastregeling in strafzaken en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest miskent de in de appelconclusie van de eiser vermelde stukken in verband met de mishandeling en het huishoudelijk geweld en weerlegt het bestaan ervan niet; de beweringen van de eiser in dit verband zijn niet van alle geloofwaardigheid ontbloot en moeten dus als waar worden aangenomen.
- Het arrest verwijst voor het door het middel bekritiseerde oordeel niet naar de vermelde stukken. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de bewijswaarde van de overgelegde gegevens door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd doordat het enerzijds de schuldigverklaring van de eiser motiveert met het oordeel dat hij zich heeft onthouden van de aanwending van zijn gezag als ouder om de weerstand van zijn zoon tegen het omgangsrecht door de verweerster te breken, en, anderzijds, ook vaststelt dat er bij de minderjarige geen werkelijke weerstand wordt bewezen, meer nog dat een weerbarstig gedrag van de minderjarige zelfs niet wordt aannemelijk gemaakt.
- Artikel 14.2 IVBPR dat betrekking heeft op het vermoeden van onschuld, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Er is slechts sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek indien redenen of beschikkingen van eenzelfde beslissing elkaar teniet doen of opheffen.
- Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, te oordelen dat de eiser zich heeft onthouden van de aanwending van zijn gezag om de weerstand van zijn zoon tegen het omgangsrecht door de verweerster te breken, en, anderdeels, te oordelen dat uit niets is gebleken dat er bij de betrokkene sprake was van een werkelijk weerbarstig gedrag dat de uitvoering van de door de rechter bepaalde omgangsregeling onmogelijk maakte. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de zoon zelf herhaaldelijk zijn mishandeling en het huishoudelijk geweld heeft gemeld en dit heeft bevestigd wanneer hij door de verschillende professionele instanties werd gehoord.
- Artikel 14.2 IVBPR dat betrekking heeft op het vermoeden van onschuld, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Met de reden dat geen mishandeling en huishoudelijk geweld wordt aangetoond, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat ter ondersteuning van dit verweer werd aangevoerd, maar geen afzonderlijk verweer vormde. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1315, 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest kent aan de verweerster een schadevergoeding toe van 1.000,00 euro, die het ex aequo et bono en dus naar billijkheid bepaalt, zonder enige grondslag voor die wijze van het bepalen van de schadevergoeding aan te geven; de appelrechters geven niet aan waarom zij de berekeningswijze van de verweerster niet volgen, die geen enkele indicatie heeft gegeven en dus ook niet dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald; de eenvoudige vaststelling dat er een gebrek aan gegevens is, volstaat niet om de schade naar billijkheid te bepalen; het arrest beantwoordt ook niet eisers verweer dat de vordering tot het verkrijgen van een ex aequo et bono bepaalde vergoeding geen excuus is om geen enkele motivering te geven en geen enkel effectief en objectief bewijs van schade aan te nemen; het arrest geeft geen enkele motivering over het bedrag van de toegekende vergoeding, dat bovendien niet in het motiverende gedeelte van het arrest wordt vermeld.
- Artikel 14.2 IVBPR dat betrekking heeft op het vermoeden van onschuld, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat in het motiverende gedeelte van een rechterlijke beslissing het bedrag van de toegekende schadevergoeding niet uitdrukkelijk wordt vermeld, maar dat dit slechts gebeurt door verwijzing naar het dictum van de beslissing.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van de door een misdrijf veroorzaakte schade en het bedrag van de volledige vergoeding ervan. Hij kan die schade ex aequo et bono ramen, mits hij de reden opgeeft waarom een bepaalde berekeningswijze, indien voorgesteld, niet kan worden gevolgd en tevens vaststelt dat het onmogelijk is om de schade anders te bepalen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt wat betreft de door de eiser gevorderde morele schadevergoeding als volgt: de verweerster leed als gevolg van het lastens de eiser gepleegde misdrijf een zekere morele schade; het toekennen van een slechts symbolische schadevergoeding impliceert dat hierdoor niet alle schade wordt vergoed; indien de rechter door gebrek aan gegevens de schade niet precies kan bepalen, hij deze schade integraal ex aequo et bono of naar billijkheid bepaalt; er moet worden vastgesteld dat de schade door gebrek aan gegevens niet precies kan worden berekend, zodat de schade naar billijkheid wordt bepaald. Met deze redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing betreffende de vordering van de verweerster tot vergoeding van de morele schade en beantwoordt dit het bedoelde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 432 Strafwetboek: het arrest stelt niet vast dat het moreel element van het misdrijf bewezen is; bovendien beantwoordt het arrest niet het daarover door de eiser gevoerde verweer.
- Artikel 14.2 IVBPR dat betrekking heeft op het vermoeden van onschuld, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het arrest oordeelt: “Uit die vaststellingen en de houding van de [eiser] mag het hof [van beroep], anders dan de [eiser] aanvoert, wel degelijk afleiden dat de [eiser] zijn ouderlijk gezag ten aanzien van W. niet aanwendde. (…) Ook ten aanzien van een op dat moment dertienjarig kind behoorde de [eiser] in de bewuste incriminatieperiode op passende wijze zijn ouderlijk gezag uit te oefenen om hem te bewegen bij de [verweerster] te gaan. Uit niets volgt trouwens dat er sprake was van een werkelijk weerbarstig gedrag van W., dat de uitvoering van de door de rechter bepaalde omgangsregeling onmogelijk maakte en dit wordt zelfs niet enigszins aannemelijk gemaakt.” Met deze redenen stelt het arrest vast dat de eiser wetens en willens de betrokken gerechtelijke beslissing die het omgangsrecht regelt, niet is nagekomen en dus wetens en willens geweigerd heeft W. af te staan aan de verweerster. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 37quinquies Strafwetboek, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet, alsmede miskenning van het gelijkheidsbeginsel: het arrest brengt bij de straftoemeting andere elementen in rekening dan de omstandigheden van het misdrijf en de persoonlijkheid van de eiser; de appelrechters baseren zich op de toekomst en gaan ervan uit dat de eiser het vonnis van 25 oktober 2018 over de omgangsregeling niet zal respecteren, en verwijzen daardoor naar toekomstige feiten.
- Artikel 14.2 IVBPR dat betrekking heeft op het vermoeden van onschuld, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het voorkomen van recidive is een van de mogelijke doelstellingen van de straftoemeting. Geen enkele verdrags- of wetsbepaling verzet zich ertegen dat de rechter bij het bepalen van een gepaste straf rekening houdt met de impact van die bestraffing op toekomstig gedrag van de veroordeelde en de mate waarin dit aanzet tot het zich onthouden van toekomstig strafbaar gedrag. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Zevende middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder van 22 november 2019 niet vallen in de incriminatieperiode, die door de rechtstreekse dagvaarding werd bepaald en niet begrepen zijn in de saisine, maar besluit wel dat met deze feiten rekening mag worden gehouden; het arrest baseert eisers schuldigverklaring op deze vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder en veroordeelt de eiser wegens een ander feit dan het feit dat oorspronkelijk ten laste was gelegd.
- Het arrest verklaart de eiser niet schuldig aan een feit dat heeft plaatsgegrepen op 22 november
- In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De rechter mag de schuldigverklaring van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde feit mede steunen op feitelijke gegevens, die als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, voor zover de rechter de beklaagde niet schuldig verklaart aan die niet vervolgde feiten en bijgevolg het vermoeden van onschuld niet miskent. Niets belet de rechter dan ook bij de schuldbeoordeling betreffende de bij hem aanhangige feiten gedragingen te betrekken van de beklaagde die dateren van na die feiten voor zover de rechter zich niet uitspreekt over de schuld van de beklaagde aan die feiten. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320, 1349 en 1353 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.1.9, 8.29 en 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest baseert eisers schuldigverklaring op de onthouding door de eiser zijn ouderlijk gezag aan te wenden om het omgangsrecht met de verweerster uit te oefenen en verwijst daarvoor naar de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder; nochtans wordt nergens in de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder vermeld dat de eiser zich onthoudt van het aanwenden van zijn gezag om W. aan te sporen het omgangsrecht te respecteren; er kan uit het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder niet worden afgeleid dat de eiser W. niet heeft aangemaand om mee te gaan; het arrest miskent het rechtsbegrip feitelijk vermoeden door uit de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder gevolgen af te leiden, die daarmee in geen enkel verband staan of die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord; tevens miskent het arrest met deze beoordeling de bewijskracht van het proces-verbaal van 22 november 2019 van de gerechtsdeurwaarder.
- De artikelen 1349 en 1353 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.1.9 en 8.29 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- De appelrechters geven geen uitlegging van het proces-verbaal van 22 november 2019 van de gerechtsdeurwaarder, maar beoordelen enkel de bewijswaarde van de in dat proces-verbaal gedane vaststellingen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces en de motiveringsverplichting: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt, enerzijds, dat de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder van 22 november 2019 buiten de incriminatieperiode vallen en niet vervat zijn in de saisine van het hof van beroep, en, anderzijds, dat met deze vaststellingen wordt rekening gehouden ter vaststelling van het constitutief bestanddeel van het ten laste gelegde misdrijf, namelijk de kennis van de beschikking betreffende het omgangsrecht en de onthouding door de eiser om zijn ouderlijk gezag aan te wenden; het arrest beantwoordt bovendien niet eisers verweer dat de vaststelling van de gerechtsdeurwaarder niet in de incriminatieperiode viel, dat de feiten in een periode vielen dat de eiser in de strikte zin geen afgifteplicht had maar dat de verweerster zelf W. moest ophalen en dat er geen enkel objectief bewijs door het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder wordt geleverd van het feit dat de eiser zijn zoon niet zou hebben aangezet om mee te gaan en dat de eiser enige effectieve obstructie zou hebben gevoerd.
- Artikel 14.2 IVBPR dat betrekking heeft op het vermoeden van onschuld, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de vaststelling van de gerechtsdeurwaarder niet begrepen is in de aanhangig gemaakte incriminatieperiode, maar dat wel met die gegevens rekening mag worden gehouden, die deel uitmaken van het dossier en waarover tegenspraak mogelijk was, dat het de verweerster niet kan worden verweten W. niet te hebben opgehaald en dit voor de beoordeling van de telastlegging overigens niet relevant is, alsook dat uit de vaststellingen en de houding van de eiser het hof van beroep wel degelijk mag afleiden dat hij zijn ouderlijk gezag ten aanzien van W. niet heeft aangewend om hem te bewegen bij de verweerster te gaan. Met deze redenen, die niet tegenstrijdig zijn, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn voor in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250402.2F.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div