id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4 Rolnummer: P.21.1654.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-12-29 Raadplegingen: 928 - laatst gezien 2026-06-17 22:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Indien de beslissing van het onderzoeksgerecht geen melding maakt van de plaats- en tijdsbepaling van de feiten heeft zij de voorlopige hechtenis beoordeeld rekening houdend met de plaats- en tijdsbepaling welke zijn vermeld in het bevel tot aanhouding of desgevallend in een latere beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis die deze plaats- en tijdsbepaling heeft gewijzigd. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Motivering - Vermelding plaats - En tijdsbepaling van de feiten - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, eerste lid, en § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 3 De beoordeling van het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking, waarmee de rechter bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn onder meer rekening houdt, vereist niet noodzakelijk dat het onderzoeksgerecht bij elke verschijning voor het onderzoeksgerecht een analyse maakt van het karakter en de gedragingen van de inverdenkinggestelde. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Redelijke termijn - In aanmerking te nemen criteria - Recidivegevaar - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, 21, §§ 4 en 5, 22, zesde en zevende lid, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Redelijke termijn - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, 21, §§ 4 en 5, 22, zesde en zevende lid, 23 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1654.N Y S, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 16, § 1, eerste lid, en § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest laat na de territoriale en temporele beperking van de feiten zoals die blijken uit het bevel tot aanhouding van 12 maart 2021, namelijk “te Zandvliet op 11 maart 2021” in aanmerking te nemen, terwijl de eiser in zijn appelconclusie uitdrukkelijk heeft gewezen op de noodzaak de voorlopige hechtenis te evalueren in het licht van die beperkingen; daardoor is het niet mogelijk na te gaan of de kamer van inbeschuldigingstelling haar saisine heeft overschreden dan wel zich de exclusieve bevoegdheid van de onderzoeksrechter heeft toegeëigend.
- Geen enkele bepaling verplicht het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis in de beslissing uitdrukkelijk melding te maken van de plaats- en de tijdsbepaling van de feiten waarvoor het bevel tot aanhouding werd verleend, tenzij de inverdenkinggestelde over die plaats- en tijdsbepaling betwisting heeft gevoerd.
- Uit het enkele feit dat een inverdenkinggestelde heeft aangevoerd dat het onderzoeksgerecht de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis moet evalueren in het licht van de in het bevel tot aanhouding vermelde plaats- en tijdsbepaling, volgt niet dat de inverdenkinggestelde over die plaats- en tijdsbepaling betwisting heeft gevoerd.
- Indien de beslissing van het onderzoeksgerecht geen melding maakt van de plaats- en tijdsbepaling heeft zij de voorlopige hechtenis beoordeeld rekening houdend met de plaats- en tijdsbepaling welke zijn vermeld in het bevel tot aanhouding of desgevallend in een latere beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis die deze plaats- en tijdsbepaling heeft gewijzigd.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit het arrest blijkt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling de voorlopige hechtenis van de eiser heeft beoordeeld op grond van een andere plaats- en tijdsbepaling dan die welke is vermeld in het bevel tot aanhouding. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het oordeel dat er onttrekkingsgevaar is gelet op de eigen verklaring van de eiser dat zijn daadwerkelijke belangen in de Verenigde Staten liggen, miskent zijn verhoor van 11 maart 2021 bij de politie waar hij aangaf in het Verenigd Koninkrijk te wonen, zoals ook werd benadrukt door de raadsman die hem bij het verhoor voor de onderzoeksrechter bijstond; de eiser heeft nooit verklaard dat zijn daadwerkelijke belangen in de Verenigde Staten liggen; uit niets blijkt dat de bekritiseerde reden in het arrest een materiële vergissing is; het oordeel over het onttrekkingsgevaar is enkel gesteund op de bekritiseerde overweging.
- Voor het bekritiseerde oordeel dat volgens de eigen verklaring van de eiser zijn daadwerkelijke belangen in de Verenigde Staten liggen, verwijst het arrest niet naar het politionele verhoor van de eiser van 11 maart
- Het kan dan ook de bewijskracht van dat geschrift niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat nog talrijke verhoren dienen te gebeuren zonder dat daartoe enige opdracht voorligt van de onderzoeksrechter, miskent het arrest de bewijskracht van het strafdossier; het arrest verwijst in het randnummer 3 naar negen kantschriften van de onderzoeksrechter van 2 december 2021 en oordeelt in het randnummer 3.9 dat het collusiegevaar nog pertinent is aangezien nog talrijke verhoren en onderzoeksdaden dienen te gebeuren; er ligt evenwel geen enkel kantschrift voor van de onderzoeksrechter met een opdracht tot verhoor of talrijke verhoren; de kamer van inbeschuldigingstelling kan zich niet in de plaats stellen van de onderzoeksrechter.
- In zoverre het onderdeel de miskenning aanvoert van de bewijskracht van “het strafdossier”, zonder te preciseren van welke stukken van dit dossier het arrest een met de bewoordingen ervan onverenigbare uitleg geeft, is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De kamer van inbeschuldigingstelling die moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, kan bij het onderzoek naar de voortgang van het dossier oordelen dat nog verhoren en onderzoeksdaden moeten gebeuren. Met dat enkele oordeel stelt de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet in de plaats van de onderzoeksrechter. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de onderzoeksrechter op 2 december 2021 negen kantschriften heeft uitgeschreven, hoeft niet noodzakelijk te blijken uit een aan het strafdossier gevoegde kopie van die aan de bestemmelingen toegestuurde kantschriften, maar kan ook zijn gebleken uit de behandeling van de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 1, 21, § 4 en § 5, 22, zesde en zevende lid, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest verzuimt te antwoorden op het in eisers appelconclusie uitdrukkelijk geformuleerde verzoek de absolute noodzakelijkheid van de openbare veiligheid effectief en concreet te toetsen; het arrest verwijst met betrekking tot het recidivegevaar enkel naar eerdere veroordelingen, maar een beoordeling van dit gevaar mag niet louter worden beperkt tot een verwijzing naar voorgaanden; bij elke verschijning dient te worden overgegaan tot een hernieuwde analyse van het karakter en de gedragingen van de verdachte teneinde te beoordelen of het recidivegevaar nog actueel is; het arrest laat na een dergelijke hernieuwde analyse uit te voeren. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 5.
- EVRM en de artikelen 16, § 1, 21, § 4 en § 5, 22, zesde en zevende lid, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het oordeel dat het collusiegevaar nog pertinent is, vermits er nog talrijke verhoren en onderzoeksdaden dienen te gebeuren, is strijdig met artikel 5.3 EVRM aangezien dit gevaar moet worden afgetoetst aan het karakter en de gedragingen van de verdachte, wat het arrest nalaat.
- Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis moet op korte termijn beslissen, wat maakt dat het niet tot in de bijzonderheden op elk verweer van een inverdenkinggestelde moet antwoorden.
- Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of gevangen wordt gehouden het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
- Uit die verdragsbepaling die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
- Of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- De beoordeling van de redelijkheid van de termijn mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak.
- De duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van het onderzoeksgerecht daar gronden die aanvankelijk afdoende leken voor een handhaving door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen.
- Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, alsook het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking.
- De beoordeling van het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking vereist niet noodzakelijk dat het onderzoeksgerecht bij elke verschijning voor het onderzoeksgerecht een analyse maakt van het karakter en de gedragingen van de inverdenkinggestelde.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de zaak betreft een omvangrijke en internationale bankkaartenfraude, in kennelijk georganiseerd verband met vermoedelijk talrijke slachtoffers en betrokkenen; - het gerechtelijk onderzoek kent een normaal verloop zonder periodes van stilstand, met op 2 december 2021 nog negen kantschriften van de onderzoeksrechter; - het gevaar voor onttrekking is nog steeds actueel en blijft precair, gelet op de eigen verklaring van de eiser dat zijn daadwerkelijke belangen in de Verenigde Staten liggen en het door zijn moeder voorgelegde attest daar geen afbreuk aan doet; - het gevaar voor recidive en onmiddellijk herval blijft aanwezig: de eiser werd in Nederland reeds veroordeeld voor afpersing en criminele organisatie en hij vertoefde nog in zijn proefperiode van strafuitvoering; - het collusiegevaar is nog pertinent vermits nog talrijke verhoren en onderzoeksdaden dienen te gebeuren.
- Daaruit blijkt dat het arrest effectief en concreet het gevaar voor de openbare veiligheid en de redelijkheid van de termijn van de voorlopige hechtenis onderzoekt en dit volgens een geactualiseerde en dus hernieuwde analyse van de voortgang van het onderzoek en de gevaren voor recidive, onttrekking en collusie en dit specifiek met betrekking tot de inverdenkinggestelde. Aldus beantwoordt het arrest het door de eiser gevoerde verweer. Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen tot de handhaving van eisers hechtenis uit te voeren in de gevangenis. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Erwin Francis, Eric de Formanoir en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 december 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div