← België

K. contra FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210105.2N.8 Rolnummer: P.20.1095.N Zaak: K. contra FEDERAAL CENTRUM VOOR DE ANALYSE VAN DE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-01-07 Raadplegingen: 828 - laatst gezien 2026-06-20 10:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 Fiches 1 - 2 Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die gelijktijdig aan dezelfde feitenrechter worden voorgelegd en die volgens de rechter de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; de rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet voorziet die de zwaarste straf bepaalt en hij moet de andere hoofd- en bijkomende straffen buiten beschouwing laten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Verschillende misdrijven - Eenheid van opzet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Hoofd-en biijkomende straffen - Ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 3 Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, worden de maximumhoofdgevangenisstraffen vergeleken en indien die gelijk zijn de maximumgeldboeten, waarbij het niet van belang is of die geldboeten een verplicht dan wel een facultatief karakter hebben. Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Begrip Tekst van de conclusie P.20.1095.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Schoeters: (...) II. Het bestreden arrest.
  1. Eiseres werd bij gemeld arrest schuldig bevonden aan de feiten van telastlegging B (deelneming aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie terwijl zij wist dat haar deelneming bijdroeg tot de oogmerken van deze organisatie), F.10-11 (het teneinde eens ander driften te voldoen, aanwerven, meenemen, wegbrengen of bij zich houden, zelfs met hun toestemming, van meerderjarigen met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie) en G.11-12 (het houden van een huis van ontucht of prostitutie). Zij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden (met uitstel gedurende 5 jaar), een geldboete van 2.750 euro (zijnde een bedrag van 500 euro verhoogd met 45 opdeciemen), de bijzondere vergoeding, de gebruikelijke bijdragen, en de gerechtskosten. Lastens eiseres werd de bijzondere verbeurdverklaring bevolen overeenkomstig artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek van een bedrag van 36.603,15 euro. Eiseres werd tevens voor een termijn van vijf jaar ontzet van de rechten genoemd in artikel 31, lid 1, Strafwetboek. (...) IV. Ambtshalve middel.
  2. Ik meen tevens een ambtshalve middel te moeten opwerpen, met name de schending van artikel 65, eerste lid, en 382, §1, eerste lid, Strafwetboek. De problematiek die hier aan de orde is betreft de bepaling van de zwaarste straf en de gevolgen voor de straftoemeting, meer bepaald de gevolgen voor het opleggen van de bijkomende straf van ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31, lid 1, Strafwetboek.
  3. Krachtens artikel 65, eerste lid, Strafwetboek kan de strafrechter, wanneer hij vaststelt dat meerdere misdrijven de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, slechts één straf opleggen, namelijk de zwaarste. Als vaststaat welke van de door eenheid van opzet verbonden misdrijven de zwaarste straf heeft, legt de rechter de concrete straf op binnen de grenzen voor dat zwaarste misdrijf
(1). Het misdrijf waarop overeenkomstig artikel 65 Strafwetboek, de zwaarste straf is gesteld, bepaalt niet alleen de toepasselijke hoofdstraffen maar ook de bijkomende straffen
(2). Zo zal de rechter de voor de lichtere misdrijven voorgeschreven straffen met inbegrip van de bijkomende straffen buiten beschouwing moeten laten, behoudens wettelijke uitzonderingen
(3). Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, worden de maximumhoofdgevangenisstraffen vergeleken, en indien die gelijk zijn de maximumgeldboeten, waarbij het niet van belang is of die geldboeten een verplicht dan wel facultatief karakter hebben. 11. De ontzetting van de uitoefening van bepaalde burgerlijke en politieke rechten, zoals omschreven door artikel 31 - 34 Strafwetboek, is naargelang van het geval een verplichte of facultatieve bijkomende criminele of correctionele straf. Het is hetzij een bijkomende straf gekoppeld aan de aard van de uitgesproken straf, hetzij een bijkomende straf gekoppeld aan het misdrijf zelf. Zo bepaalt artikel 382, §1, Strafwetboek (Boek II, Titel VII, Hoofdstuk VI Bederf van de jeugd en prostitutie) dat in de gevallen bedoeld in de artikelen 379 en 380 Strafwetboek, de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek. Het betreft aldus een verplichte bijkomende straf gekoppeld aan het misdrijf zelf
(4). Het lijkt mij dat deze verplichte bijkomende straf van ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek, slechts kan opgelegd worden voor zover het zwaarste misdrijf van de door eenheid van opzet verbonden afzonderlijke misdrijven waarvoor een beklaagde schuldig wordt verklaard, één van de misdrijven betreft vermeld in de artikelen 379 en 380 Strafwetboek. 12. De eerste rechter oordeelde dat de ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31, lid 1, Strafwetboek, verplicht diende te worden uitgesproken op grond van artikel 382, §1, Strafwetboek, gelet op de schuldig verklaring voor de feiten van exploitatie van prostitutie en ontucht en het houden van een huis van ontucht (artikel 380 Strafwetboek). Deze beslissing werd door de appelrechters bevestigd. Zowel de eerste rechter als de appelrechters oordeelden dat de feiten van de telastleggingen B (deelneming aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie terwijl zij wist dat haar deelneming bijdroeg tot de oogmerken van deze organisatie), F.10-11 (het teneinde eens ander driften te voldoen, aanwerven, meenemen, wegbrengen of bij zich houden, zelfs met hun toestemming, van meerderjarigen met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie) en G.11-12 (het houden van een huis van ontucht of prostitutie), in hoofde van eiseres de uitwerking zijn van eenzelfde strafbaar opzet, zodat met toepassing van artikel 65, lid 1, Strafwetboek voor deze feiten tezamen slechts één straf wordt opgelegd, namelijk de zwaarste (randnummer 92 van het bestreden arrest). De straf gesteld op het misdrijf van telastlegging B (inbreuk op artikel 324ter, §3, Strafwetboek) is opsluiting van 5 tot 10 jaar en/of een geldboete van 500 euro tot 100.000 euro , na aanneming van verzachtende omstandigheden strafbaar met een gevangenisstraf van 1 maand tot 5 jaar en/of een geldboete van 500 euro tot 100.000 euro . De misdrijven vermeld onder de telastleggingen F en G (inbreuken op artikel 380, §1, 1° en 2°, Strafwetboek) waren ten tijde van de feiten strafbaar met een gevangenisstraf van 1 tot 5 jaar en een geldboete van 500 euro tot 25.000 euro . Het misdrijf van de telastlegging B is derhalve het zwaarste misdrijf, waarop de op grond van artikel 382 Strafwetboek verplichte ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31, lid 1, Strafwetboek, niet van toepassing is. De beslissing om gelet op artikel 382 Strafwetboek de verplichte ontzetting van de in artikel 31, lid 1, Strafwetboek genoemde rechten uit te spreken lijkt mij dan ook niet naar recht verantwoord. CONCLUSIE Ik concludeer tot de vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het de door de eerste rechter lastens eiseres uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en de ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek genoemde rechten gedurende een termijn van vijf jaar bevestigt. _____________________________
(1)A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafrecht, Brugge, die Keure, 2015, 170-171; L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch Strafrecht, Leuven, Acco, 1990, 202-203; D. VAN DE WYNGAERT, B. DE SMET en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 500; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors, Antwerpen, Intersentia, 2018, 44 en 397.
(2)Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3, NC 2020, afl. 3, 288, RABG 2020, afl. 8, 719, noot; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0018.N, RABG 2019, afl. 8, 593, noot SPRIET B.; Cass. 25 januari 2012, AR P.11.1821.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120125.6, AC 2012, nr. 68.
(3)De bijzondere verbeurdverklaring mag of moet de rechter bij toepassing van artikel 42, 43, 43bis en 43quater Strafwetboek juncto artikel 64 Strafwetboek wél uitspreken, ook indien zij alleen voor het lichtere misdrijf zou voorzien zijn; artikel 34quater, 4°, Strafwetboek voorziet dezelfde mogelijkheid om de facultatieve terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank op te leggen; artikel 39 Wegverkeerswet bepaalt dat indien ingevolge samenloop van misdrijven de bij deze gecoördineerde wetten bepaalde vrijheidsstraffen en geldboeten niet worden uitgesproken, dit nochtans wel het geval is voor het verval van het recht tot sturen onder de voorwaarden als bepaald in de Wegverkeerswet.
(4)Artikel 378, § 1, Strafwetboek bevat een zelfde bepaling voor de gevallen die worden omschreven in het hoofdstuk betreffende "Voyeurisme, niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames, aanranding van de eerbaarheid en verkrachting" (art. 371/1 - 378bis). PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210105.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120125.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.