← België

B. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.12 Rolnummer: C.19.0625.N Zaak: B. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2022-09-23 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-06-19 07:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.12 Fiche Uit artikel 13 WAM volgt niet dat de verzekeraar of haar schaderegelaar verplicht is een met redenen omkleed antwoord te geven omtrent de aansprakelijkheid en de schade binnen de termijn van drie maanden, indien de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis niet wordt betwist en de schade niet wordt betwist en werd gekwantificeerd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Verzoek tot schadeloosstelling - Met redenen omkleed antwoord van de verzekeraar - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 13 en 29bis - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Annotaties Publicaties: T.Verz.-Tijdschrift voor verzekeringen (vanaf 1987) - 2023, nr. 1, p. 66-
  1. - ROGGE, Jean; Noot'De sanctieregeling van artikelen 13 en 14 WAM wet gepreciseerd' Tekst van de conclusie C.19.0625.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  2. Feiten en procedure Bij een verkeersongeval dat zich voordeed op 22 mei 2015 wordt de wagen van eiser aangereden door een wagen die verzekerd is bij een Poolse verzekeraar. KBC treedt op als schaderegelaar in de zin van artikel 12 WAM. Op 1 juli 2015 schrijft de rechtsbijstandsverzekeraar van eiser KBC aan met vermelding van de redenen waarom de tegenpartij aansprakelijk is en met een becijferde vordering tot schadevergoeding. Er wordt aan KBC standpunt gevraagd rekening houdend met de wettelijke termijnen. Een week later antwoordt KBC dat aan de Poolse correspondent "waarborg en aangifte" werd gevraagd. De daaropvolgende maanden stuurt de rechtsbijstandsverzekeraar herinneringsbrieven waarin onder andere gewezen wordt op de overschrijding van de wettelijke reactietermijn van drie maanden. Op deze brieven werd door KBC telkens geantwoord in de zin dat zij de Poolse verzekeraar een herinneringsschrijven hebben gestuurd en zij hem proberen te overtuigen van de aansprakelijkheid van hun cliënt. Op 18 december 2015 wordt door KBC gemeld dat een bedrag van 1389,68 euro werd betaald. Eiser gaat over tot dagvaarding van verweerster als wettelijk in de plaats gesteld orgaan van de Poolse verzekeraar op grond van artikel 2, §2 WAM teneinde schadevergoeding te krijgen. Hij baseert zich hierbij op artikel 14 WAM en voert aan dat KBC nooit een duidelijk antwoord heeft ingenomen aangaande de aansprakelijkheid en de schade zodat nooit een "met redenen omkleed antwoord" in de zin van dit artikel werd gegeven waardoor de sanctieregeling van een forfaitair bedrag van 250,00 euro per dag is verschuldigd. Net zoals de eerste rechter oordelen de appelrechters evenwel dat de minder verregaande sanctieregeling van artikel 13 WAM van toepassing is in plaats van de sanctieregeling zoals voorzien in artikel
  3. Uit geen enkel stuk van het dossier blijkt een betwisting vanwege KBC over de aansprakelijkheid of over de schade. Artikel 13 vereist enkel dat de verzekeraar/schaderegelaar een "voorstel tot schadevergoeding" doet en een " met redenen omkleed antwoord" zoals bedoeld in artikel 14 enkel moet worden gegeven wanneer de aansprakelijkheid/schade wordt betwist. Tegen dit arrest van 20 februari 2019 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiser 1 middel aan.
  4. Bespreking 2.
  5. Eiser voert vooreerst aan dat de appelrechters met het oordeel dat de schaderegelaar de aansprakelijkheid noch de schade betwist de bewijskracht van de briefwisseling schenden omdat zij er een interpretatie aan geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Uit het geheel van de briefwisseling, meer bepaald dat de schaderegelaar in een eerste brief één week na het verzoek om schadevergoeding meldt dat hij aan zijn Poolse correspondent om waarborg en aangifte vraagt, hij in een volgende brief uitdrukkelijk vermeldt dat hij meent dat de Poolse bestuurder aansprakelijk is en hij zijn Poolse correspondent hiervan probeert te overtuigen en de uitbetaling van de schadevergoeding 10 dagen later, konden de appelrechters zonder de bewijskracht ervan te miskennen oordelen dat er vanwege de schaderegelaar geen betwisting was over de aansprakelijkheid en de schade. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. 2.
  6. Eiser voert voorts aan dat uit de artikelen 12 tot en met 14 WAM blijkt dat de schaderegelaar aan wie een verzoek tot schadevergoeding werd gericht uitdrukkelijk, minstens ondubbelzinning standpunt moet innemen omtrent, de aansprakelijkheid en de schade en indien hij nalaat dit te doen binnen de wettelijke termijnen de sanctieregeling van artikel 14 WAM van toepassing is. 2.
  7. De sanctieregeling voorzien bij de artikelen 13 en 14 WAM werd ingevoegd bij wet van 22 augustus 2002 houdende diverse bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen die een omzetting in de Belgische wetgeving vormde van de vierde Europese richtlijn motorrijtuigenverzekering (2000/26/EG). Het hoofddoel van de richtlijn bestond er in de regeling van schade uit verkeersongevallen te vergemakkelijken die zich buiten de staat van herkomst van de benadeelde hebben voorgedaan en voorzag in een aantal maatregelen waaronder de verplichte aanduiding door de verzekeringsondernemingen van een schaderegelaar in elk van de Lidstaten van de Europese Unie. De Lidstaten werden er ook toe verplicht de nodige maatregelen uit te vaardigen om, op straffe van passende afdoende en systematische financiële of daaraan gelijkwaardige administratieve sancties, de verzekeraars of hun schaderegelaars er toe te verplichten binnen een korte termijn een voorstel tot schadevergoeding of een met redenen omkleed antwoord te geven op alle punten van het verzoek tot vergoeding ingeval de aansprakelijkheid wordt betwist of de schade niet volledig is gekwantificeerd. De Belgische regeling werd uitgebreid tot alle ongevallen waarvoor de Belgische verzekeringsondernemingen dienen tussen te komen
(1)en aldus voorzien de artikelen 13 en 14 WAM in wettelijke termijnen voor de WAM-verzekeraar om te reageren op een verzoek tot vergoeding van de benadeelde en wordt de schending ervan gesanctioneerd. Krachtens artikel 13 WAM zijn de verzekeringsondernemingen of hun schaderegelaars gehouden om binnen een bepaalde termijn op de verzoeken tot schadeloosstelling te reageren wanneer de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de schade gekwantificeerd is. Dit kan door een akkoord met het voorstel te betuigen of aan de benadeelde duidelijk te laten weten waarom op zijn verzoek tot schadeloosstelling niet kan worden ingegaan
(2). Ingeval geen voorstel tot schadevergoeding voorgelegd binnen de bedoelde termijn van drie maanden, terwijl de aansprakelijkheid vaststaat en de schade gekwantificeerd is, zal bovenop de door de verzekeraar voorgestelde of de door de rechter toegewezen vergoeding een bijkomende vergoeding verschuldigd zijn, berekend tegen de wettelijke interestvoet. Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het bedoelde voorstel kennelijk ontoereikend is
(3). Artikel 14 WAM voorziet in een zware financiële sanctie op het uitblijven van een met redenen omkleed antwoord in het geval de aansprakelijkheid wordt betwist of niet duidelijk werd vastgesteld, dan wel indien de schade wordt betwist, niet volledig is gekwantificeerd of kwantificeerbaar is. Dit met redenen omkleed antwoord moet worden gegeven in al de gevallen waarin het aanbod waarvan sprake in artikel 13 niet kan gebeuren
(4). Voor de toepassing van de forfaitaire sanctie van 250 euro per dag na het verstrijken van de antwoordtermijn, wat duidelijk een zwaardere sanctie is dan deze voorzien in artikel 13, doelt men op het geval waarin geen enkel of een kennelijk ontoereikend antwoord werd verstrekt in een situatie waarin geen duidelijkheid bestaat over de aansprakelijkheid of de schade. Gezien de verzekeraar noch de schaderegelaar reageert
(5)met een afdoende, met redenen omkleed antwoord terwijl de aansprakelijkheid betwist wordt blijft de benadeelde volledig in het ongewisse over het lot van zijn schadegeval. Het forfaitair bedrag van 250 euro per dag werd weerhouden omdat het, zonder al te hoog te zijn, toch voldoende ontradend lijkt te zijn voor de verzekeraars
(6). Men wil hiermee ook voorkomen dat verzekeraars voorstellen doen die kennelijk te laag zijn, waardoor ze zich formeel zouden kunnen kwijten van hun wettelijke verplichtingen, maar de benadeelden toch in de kou zouden blijven staan
(7). Uit wat voorafgaat blijkt dat de globale regeling naast een snellere afhandeling van de schade ook een afschrikkingseffect voor de nalatige verzekeraar beoogt
(8). Indien verzekeraars recalcitrant benadeelden in het ongewisse laten over het door hen gedaan verzoek, zullen zij hiervoor administratief worden aangepakt. De consument wordt op die manier beschermd tegen nalatigheid in een fase van de dossierbehandeling waarin er nog niet kan worden vergoed. Het is vooral de bedoeling geweest de consument beleefd te bejegenen en daarom toe te kijken op de houding die verzekeraars ten aanzien van de consument aannemen en dit desgevallend te beteugelen met een administratieve sanctie eerder dan te redeneren vanuit het individueel belang van de benadeelde
(9). Ook uw Hof oordeelt
(10)dat de sancties zoals bedoeld in de artikelen 13 en 14 WAM van toepassing zijn in het geval de verzekeraar zijn verplichtingen niet nakomt, de verzekeraar niet tijdig betaalt na aanvaarding van de bedoelde voorstellen door de benadeelde persoon of de door de verzekeraar gedane voorstellen kennelijk ontoereikend zijn. De verzekeraar is bijgevolg verplicht een met redenen omkleed antwoord te geven. Dit kan de vorm aannemen van een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding bij afwezigheid van betwisting, hetzij een met redenen omkleed antwoord op de elementen die in het verzoek van de benadeelde worden vermeld in geval van betwisting. Hierbij is niet vereist dat indien de benadeelde een verzoek tot schadevergoeding richt tot de verzekeraar, deze uitdrukkelijk standpunt moet innemen over de aansprakelijkheid en de schade indien die niet wordt betwist. Evenmin dient de verzekeraar over elk aspect reeds een duidelijk standpunt in te nemen. In het geval dat de aansprakelijkheid niet wordt betwist maar een gedeelte van de schade wel valt men niet automatisch in de toepassing van artikel 14 WAM maar kan de verzekeraar een voorstel doen voor het niet-betwiste gedeelte. Met andere woorden niet alle elementen van de schade moeten onbetwist zijn opdat door de verzekeraar een voorstel in toepassing van artikel 13 WAM moet worden geformuleerd
(11). Evenwel zal een totale inertie van de verzekeraar/schaderegelaar dan wel een kennelijk ontoereikend antwoord waaruit geen akkoord over de aansprakelijkheid of de schade kan worden afgeleid leiden tot de toepassing van artikel 14 WAM en de ermee gepaard gaande zware forfaitaire sanctie. In zoverre het middel er van uitgaat dat de verzekeraar of de schaderegelaar aan wie een verzoek tot schadevergoeding wordt gericht een met redenen omkleed antwoord over de aansprakelijkheid en de schade dient te geven indien deze niet worden betwist en de schade werd gekwantificeerd, faalt het naar recht. 2.4. Het komt aan de feitenrechter toe onaantastbaar te oordelen of de verzekeraar de aansprakelijkheid al dan niet heeft betwist. Uw Hof gaat daarbij na of de rechter op grond van de gegevens die hij aanneemt wettig heeft kunnen besluiten tot de aan- of afwezigheid van betwisting. Indien een schaderegelaar zoals bedoeld in artikel 12 WAM optreedt, verzamelt deze alle inlichtingen die nodig zijn om de verzoeken te kunnen afhandelen en neemt hij alle passende maatregelen om over een afwikkeling te onderhandelen. Hij beschikt daartoe over voldoende bevoegdheden om de verzekeringsonderneming ten aanzien van de benadeelde te vertegenwoordigen en om diens verzoek volledig af te handelen
(12). Evenwel vervangt hij in deze buitengerechtelijke vergoedingsregeling de door hem vertegenwoordigde onderneming geenszins en treedt hij uitsluitend op als tussenpersoon, met een noodzakelijkerwijs beperkt takenpakket
(13). Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat eiser via zijn rechtsbijstandsverzekeraar een verzoek tot schadevergoeding indiende bij de schaderegelaar en de schade daarbij werd gekwantificeerd. Uit de vaststellingen van de appelrechters volgt dat de schaderegelaar hierbij niet inert bleef en evenmin een kennelijk ontoereikend antwoord werd gegeven. Er werd prompt geantwoord op elke brief van de benadeelde waarin onder andere werd gemeld dat de schaderegelaar de aansprakelijkheid niet betwistte maar de Poolse verzekeraar hiervan moest overtuigd worden, waarna effectief werd overgegaan tot uitbetaling van schadevergoeding. De appelrechters konden op grond van deze gegevens wettig oordelen dat uit geen enkel stuk blijkt dat er betwisting was over de aansprakelijkheid en de schade zodat de sanctieregeling van artikel 13 WAM van toepassing is. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. ____________________________________
(1)Kamer van volksvertegenwoordigers, Wetsontwerp, Doc. 50, 1716/001, 6.
(2)Kamer van volksvertegenwoordigers, Wetsontwerp, Doc. 50, 1716/001, 13.
(3)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Commissieverslag, Doc. 50, 1716/005, 10.
(4)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Amendement nr.6 van de Regering, Doc. 50, 1716/003, 5.
(5)Kamer van volksvertegenwoordigers, Wetsontwerp, Doc. 50, 1716/001, 13.
(6)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Commissieverslag, Doc. 50, 1716/005, 15.
(7)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Commissieverslag, Doc. 50, 1716/005, 14.
(8)N. STROOBANTS, Naar een snellere vergoeding voor slachtoffers van verkeersongevallen?, RW 2018-19, 684.
(9)J. MUYLDERMANS, Over een administratieve sanctie die er geen is : artikel 14 WAM, VAV-CRA 2014/6-59
(10)Cass. 4 januari 2013, AR C.11.0679.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130104.2, AC 2013, nr. 7.
(11)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Commissieverslag, Doc. 50, 1716/005, 11.
(12)HvJ, 15 december 2016, Vieira de Azevedo e.a./ CED Portugal Unipessoal Cda, C-558-15, r.o. 4-5; zie ook concl. van advocaat-generaal P. MENGOZZI, vòòr dit arrest, r.o. 18.
(13)HvJ, 15 december 2016, Vieira de Azevedo e.a./ CED Portugal Unipessoal Cda, C-558-15, r.o. 26. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130104.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.