← België

K. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.14 Rolnummer: C.20.0012.N Zaak: K. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-06-21 Raadplegingen: 1000 - laatst gezien 2026-06-19 03:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.14 Fiches 1 - 2 Wettige verdediging vereist dat het strafbaar feit dat kan worden gerechtvaardigd, werd gepleegd met het opzet te schaden, ook al leidt dit tot schade die niet werd beoogd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Wettige verdediging - Opzet om te schaden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 416 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Opzet Vrije woorden: Wettige verdediging - Opzet om te schaden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 416 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.20.0012.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  1. Feiten en procedure Op een fuif ontstond een woordenwisseling tussen eiser en verweerder. Een vriend van eiser gaf verweerder op een bepaald ogenblik een kopstoot en verweerder, die ingesloten was, reageerde hierop door uit te halen met een flesje waarmee hij evenwel niet de agressor raakte maar wel eiser die zich achter de agressor bevond. Het dossier werd door het openbaar ministerie geseponeerd en eiser vorderde voor de burgerlijke rechter vergoeding voor de schade die hij leed ten gevolge van de slag door verweerder. Nadat de rechtbank van eerste aanleg te Leuven oordeelde dat verweerder aansprakelijk was voor de geleden schade en hij geen beroep kon doen op de notie van wettige zelfverdediging of op gedeelde aansprakelijkheid oordeelde de appelrechter op het hoger beroep van verweerder anderszins. Volgens het hof van beroep kon de verweerder wel een beroep doen op wettige verdediging, waardoor hij niet aansprakelijk was ten aanzien van de eiser. Tegen het arrest van 11 juli 2019 van het hof van beroep te Brussel voert eiser één middel aan. In essentie verwijt eiser de appelrechter om enerzijds het misdrijf dat de verweerder pleegde als onopzettelijke slagen en verwondingen te kwalificeren en anderzijds ten aanzien van dit misdrijf wettige verdediging te aanvaarden. Volgens eiser kan wettige zelfverdediging niet worden ingeroepen bij onopzettelijke misdrijven. 2.Bespreking 2.
  2. Krachtens artikel 416 Sw is er noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander. Uw Hof oordeelt dat er sprake is van wettige verdediging wanneer iemand die niet in de mogelijkheid verkeert om een onrechtmatige of wederrechtelijke, ernstige en ogenblikkelijke aanranding tegen zijn persoon of tegen een derde te ontwijken anders dan door het misdrijf te plegen, zich op evenredige wijze tegen die aanval verweert
(1). De rechter oordeelt onaantastbaar in feite over de ernst en de actualiteit van de onrechtmatige aanranding alsook over de noodzaak en de evenredigheid van het verweer, op grond van de feitelijke omstandigheden en rekening houdende met de reacties die de aangerande persoon redelijk kon of moest hebben
(2). De rechter dient dus na te gaan of het voor de persoon die beweert in staat van wettige verdediging te hebben gehandeld onmogelijk was het ogenblikkelijke en dreigende gevaar waarop hij zich beroept af te wenden, anders dan door een misdrijf te plegen. Die subsidiariteitsvoorwaarde kan worden nagegaan door rekening te houden met de reacties die de aangevallen persoon kon en redelijkerwijs moest hebben
(3). Wettige verdediging is algemeen erkend als een bijzondere rechtvaardigingsgrond waarvan de toepassing in beginsel is beperkt tot slagen en verwondingen en doodslag
(4). Rechtvaardigingsgronden zijn omstandigheden die de rechtmatigheid funderen van gedragingen die aan een wettelijke delictsomschrijving beantwoorden en die deze gedragingen in rechte geoorloofd maken. Met andere woorden wanneer een rechtvaardigingsgrond voorhanden is dan is een gedraging die beantwoordt aan een delictsomschrijving niet wederrechtelijk
(5). Niet alleen de strafbaarheid van de gedraging wordt hierdoor opgeheven maar ook de burgerlijke gevolgen van een gedraging worden hierdoor teniet gedaan. Zij ontnemen elke rechtsgrond aan een vordering tot schadevergoeding
(6). Gezien het gedrag hem niet toerekenbaar is begaat de dader immers geen fout. De schadeverwekker zal niet aansprakelijk worden gesteld en niet voor de vergoeding van de schade moeten instaan
(7). De wettige verdediging heeft dus voor gevolg dat de civielrechtelijke fout is uitgesloten
(8). 2.2. Uit de rechtspraak van Uw Hof, hierin bijgetreden door de rechtsleer volgt dat wettige verdediging een opzettelijk misdrijf veronderstelt
(9). Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van Uw Hof van 3 maart 1999
(10)waarin werd gesteld “dat de door eiser aangevoerde wettige verdediging of uitlokking veronderstellen dat de voor rechtvaardiging of verschoning vatbare misdrijven zijn gepleegd met het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen”. Ook bij arrest van 24 juni 2015 herhaalde uw Hof in licht gewijzigde bewoordingen dat “Wettige zelfverdediging veronderstelt dat het strafbaar feit dat kan worden gerechtvaardigd, werd gepleegd met het opzet een ander te schaden.” Het wordt niet betwist dat de slag die verweerder, als verdedigingshandeling, gaf opzettelijk was maar dat eiser, die als enige geraakt werd niet werd geviseerd door de dader. Het was met andere woorden niet de bedoeling eiser met het flesje te raken maar dit onopzettelijk karakter van de gevolgen van de aanval maakt de aanval op zich niet onopzettelijk. Er moet immers een onderscheid gemaakt worden tussen de opzettelijke handeling waarmee men de agressie wil afweren en de gevolgen ervan die opzettelijk of onopzettelijk kunnen worden veroorzaakt
(11). Met andere woorden indien degene die zich verweert met zijn verdedigingshandeling een onschuldige derde treft door een vergissing of uit onhandigheid – de situatie van de aberratio ictus –, kan men zich in de regel nog steeds op de wettige verdediging beroepen omdat wordt aanvaard dat ook in dit geval opzettelijk werd gehandeld
(12). 2.3. De appelrechter oordeelt in deze zin wanneer hij stelt dat - de aanval op verweerder door de derde onwettig was - de uithaal van verweerder met het flesje in verhouding was tot de bedreiging - de voorwaarden van wettige verdediging waren vervuld - verweerder verplicht was zich te verdedigen en de handeling waardoor hij schade heeft toegebracht aan eiser hem niet toerekenbaar is De overweging dat verweerder niet betwist dat hij eiser heeft geraakt met een flesje en hij daardoor schade heeft geleden en zijn handeling in beginsel als onopzettelijke slagen moet gekwalificeerd worden omdat hij niet zijn doelwit heeft geraakt maar wel eiser, doet hier niets aan af nu de ongewilde (en in die zin onopzettelijke) gevolgen van een opzettelijke handeling geen afbreuk doen aan het opzettelijk karakter van de handeling zelf. Het enig middel dat er van uitgaat dat de appelrechter de wettige verdediging heeft aanvaard bij een onopzettelijk misdrijf gaat bijgevolg uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Conclusie: verwerping. ______________________________________
(1)Cass. 5 september 2018, AR P.18.0242.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180905.14, AC 2018, nr. 443.
(2)Cass. 28 januari 2014, AR P.12.1776.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140128.9, AC 2014, nr. 71.
(3)Cass. 25 september 2019, AR P.19.0544.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190925.4, AC 2019, nr. 480; Cass. 5 oktober 2016, AR P.16.0698.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161005.5, AC 2016, nr. 549.
(4)C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in Hoofdlijnen, Maklu, 2009, 241.
(5)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco, Leuven, 1990, p. 212.
(6)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco, Leuven, 1990, p. 213.
(7)T. VAN SWEEVELT. en B. WEYTS., Handboek buitencontractuele aansprakelijkheid, Intersentia, Antwerpen, 2009, 300-304.
(8)T. VAN SWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractuele aansprakelijkheid, Intersentia, Antwerpen, 2009, 308.
(9)Zie ook bv. A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van Belgisch algemeen strafrecht, Brugge, die Keure, 2017, nr. 166. Zie hierover ook: T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Brugge, die Keure, 2019, 104 (in kleine druk).
(10)Cass. 3 maart 1999, AR P.98.1042.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990303.15, AC 1999, nr. 126 met een specifieke verwijzing naar P. LAMBEAU en P. QUARRE, “Homicide et lésions corporelles involontaires” in Novelles Droit Pénal, IV, Brussel, 1989, 79, nr. 6914.
(11)Zie ter zake ook Cass. 23 januari 2013, AR P.12.0415.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.5, AC 2013, nr. 51 waarin werd geoordeeld dat de evenredigheidstoets de evenredigheid betreft die is vereist tussen de ernst van de aanval en de ernst van het geweld dat is gebruikt om de aanval af te weren, maar niet tussen het geweld van degene die zich verdedigt en de verwondingen die zijn tegenstander daardoor heeft opgelopen.
(12)Zie Cass. 22 april 2014, AR P.13.1999.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6, AC 2014, nr. 295, NC 2014, 313, met kritische noot J. DE HERDT (“Uit die bepaling volgt dat hij die beoogt een wel bepaald persoon te doden of letsel toe te brengen, maar door een externe oorzaak een ander doodt of letsel toebrengt, opzettelijk handelt. De omstandigheid dat hij een ander heeft getroffen dan de persoon die door hem werd beoogd, belet niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld in de zin van artikel 392 Strafwetboek”). Zie Cass. Fr. 21 november 1984, nr. 84-90946, Bull. crim. 1984, nr. 362 (“Attendu que constitue une violence volontaire le fait d’occasionner des blessures a une personne autre que celle que l’auteur des violences voulait atteindre”). Zie ook uitgebreid: J. DE HERDT, “Fysiek interpersoonlijk geweld”, Antwerpen, Intersentia, 2014, nr. 711; F. KUTY, “Principes généraux du droit pénal belge », Brussel, Larcier, 2010, nr. 1403 ("La légitime défense trouve également à s’appliquer dans l’hypothèse de l’aberratio ictus, c’est-à-dire dans l’hypothèse où l’acte de défense a atteint, par maladresse ou cas fortuit, une victime innocente. Il ne peut y avoir place pour la responsabilité pénale dans ce cas de figure"). PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.14 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990303.15 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140128.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161005.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180905.14 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190925.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.