id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 januari 2021
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 2 - 3 De omstandigheid dat de schade het gevolg is van een voortdurende fout, verhindert niet dat de schade dag per dag ontstaat en de vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid ontstaat naargelang de schade zich voordoet, zodat de verjaring van een vordering tot schadevergoeding ingeval van een voortdurende fout van de overheid niet pas begint te lopen zodra het foutief handelen van de overheid heeft opgehouden te bestaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Voortdurende fout van de overheid - Ontstaan van de schade - Verjaring van de vordering - Aanvang Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Voortdurende fout van de overheid - Niet voorzien in een aangepaste en geschikte behandeling - Ontstaan van de schade - Verjaring van de vordering - Aanvang Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.10.0547.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Situering Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser in de periode van 11 januari 1993 tot 21 april 2015 onafgebroken als geïnterneerde verbleef in de gevangenis. Hij vordert thans van verweerder een schadevergoeding wegens inbreuken op de artikelen 3 en 5.1.e) EVRM, meer bepaald wegens het niet voorzien in een voor hem aangepaste en geschikte behandeling. De appelrechters stellen vast dat verweerder niet betwist dat hij een fout heeft begaan door eiser gedurende deze periode vast te houden in de psychiatrische afdeling van de gevangenis zonder het nodige te doen voor de terbeschikkingstelling van een aangepaste therapie, eiser vergoedbare schade heeft geleden door dit gebrek aan aangepaste en geschikte therapie gedurende die periode en er een oorzakelijk verband is tussen fout en schade. Zij kennen de vordering van eiser toe voor de periode vanaf 1 januari 2011 en verklaren het deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van schade die zich voorafgaand aan 1 januari 2011 voordeed, verjaard op grond van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit. Wat de in eerste aanleg gevallen kosten betreft worden de rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd. Tegen dit arrest van 11 maart 2019 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiser drie middelen aan.
- Eerste middel Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van de appelrechters dat de vordering voor wat betreft de periode vóór 1 januari 2011 verjaard is op grond van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit. Krachtens dit artikel, zoals te dezen van toepassing
(1), verjaart een schuldvordering ten aanzien van de Staat waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied, binnen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar in de loop waarin deze is ontstaan. Krachtens artikel 101 wordt deze verjaring gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht. De appelrechters oordelen dat de vordering tot schadeloosstelling van eiser als buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering een schuldvordering is die voor de verweerder geen vaste uitgave is zodat zij onderworpen is aan deze overleggingsplicht, maar hij voor wat betreft het deel van zijn vordering tot schadeloosstelling dat betrekking heeft op schade voorafgaand aan 1 januari 2011 nooit het nodige heeft gedaan om ofwel zijn vordering over te leggen, ofwel de verjaring te stuiten. 2.
- Eerste onderdeel 2.1.
- In het eerste onderdeel voert eiser aan dat wanneer de fout van de overheid voortduurt, de verjaringstermijn niet eerder begint te lopen dan op de eerste januari van het begrotingsjaar tijdens hetwelk het schuldig gedrag is opgehouden zonder dat hierbij vereist is dat er sprake is van ondeelbaar verbonden feiten. Door niettegenstaande de vastgestelde voortdurende fout van verweerder anderszins te beslissen hebben de appelrechters de artikelen 100, eerste lid, 1° en 101 van de Wet Rijkscomptabiliteit, alsook de artikelen 1382 tot 1384 en 2262bis BW geschonden. 2.1.
- De bevrijdende verjaring houdt in dat de afdwingbaarheid van een vermeende schuldvordering is teloorgegaan ingevolge het verloop van de tijd. De verjaring heeft onder andere tot doel bij te dragen tot een goede rechtsbedeling die verlangt dat feiten na verloop van tijd niet meer in rechte worden behandeld, tenzij de beweerde schuldenaar er zich niet tegen verzet
(2). Uw Hof oordeelt dat gezien verjaring een verweer is tegen een laattijdige vordering, deze niet kan beginnen lopen vooraleer de vordering is ontstaan
(3). De verjaring van een rechtsvordering kan dus niet beginnen lopen als de rechtsvordering nog niet is ontstaan en dus ook niet kan worden uitgeoefend. Vandaar dat het vertrekpunt van een verjaringstermijn in de regel de opeisbaarheid van een rechtsvordering is tenzij de wetgever een specifieke verjaringstermijn aan een ander vertrekpunt heeft gekoppeld. Hoewel het ogenblik waarop de schuldvordering ontstaat vaak, maar niet altijd samen loopt met het ogenblik waarop de schuldvordering opeisbaar is en de eraan verbonden rechtsvordering kan worden uitgeoefend
(4), wordt wel algemeen aangenomen dat met het tijdstip van het ontstaan van een schuldvordering het tijdstip wordt bedoeld waarop de schuldvordering opeisbaar wordt
(5), met name het ogenblik waarop voor de schuldeiser het recht ontstaat om een rechtsvordering in te stellen
(6). Ingeval van een buitencontractuele vordering tot schadevergoeding is dit zodra fout, schade en causaal verband aanwezig zijn
(7). Uit de rechtspraak van uw Hof volgt dat een schuldvordering tot schadevergoeding op grond van een onrechtmatige overheidsdaad in de regel tot stand komt op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking, naar redelijke verwachting, vaststaat
(8). De omstandigheid dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies kan worden bepaald of vaststaat, doet hieraan geen afbreuk
(9). 2.1.3. Ingeval van een voortdurende, onrechtmatige daad waardoor voortdurend schade ontstaat wordt, in het kader van de vijfjarige verjaringstermijn voorzien in artikel 2262bis BW, aangenomen dat wanneer de benadeelde onmiddellijk en dagelijks kennis heeft van de schade, deze schade intreedt van dag tot dag, zodat de vijfjarige verjaringstermijn dagelijks met elke bijkomende eenheid van schade begint te lopen
(10). Indien in dat geval de fouten gedurende jaren voortduren terwijl de benadeelde er kennis van heeft maar hij pas na verloop van zes jaar een vordering instelt dan zal hij slechts vergoeding kunnen vorderen voor de schade verwekkende feiten van de vijf jaar voorafgaand aan de dagvaarding. De vordering die gebaseerd is op feiten die zich meer dan vijf jaar voordien hebben voorgedaan zal dan verjaard zijn
(11). Deze regel kent een uitzondering ingeval er sprake is van "ondeelbaar verbonden feiten" (des faits indivisibles), wat evenwel een beperkt toepassingsgebied krijgt, zodat hierover weinig rechtspraak bestaat. Uw Hof oordeelde in die zin in het kader van een vereffenaar die, via opeenvolgende wandaden, de insolvabiliteit uitlokte zodat aangenomen werd dat de verjaringstermijn slechts een aanvang neemt bij het laatste feit waarmee de fout werd voltrokken
(12). Ook het Arbitragehof oordeelde dat wanneer de aansprakelijkheidsvordering is gebaseerd op een ondeelbaar geheel van feiten, de verjaringstermijn pas aanvangt wanneer de fout is voltrokken door het laatste van die ondeelbare feiten
(13). Er is dus slechts sprake van "ondeelbaar verbonden feiten" indien in een reeks van opeenvolgende feiten een laatste feit leidt tot het voltrekken van de fout. Dit laatste feit is dan het vertrekpunt van de verjaringstermijn. Ook het arrest van 2 februari 2017
(14)van Uw Hof, dat door eiseres wordt aangehaald ter ondersteuning van haar voorziening, dient in die zin te worden begrepen. Niettegenstaande in dit arrest geen melding wordt gemaakt van de ondeelbaarheidsvereiste blijkt uit de door uw Hof aangenomen vaststellingen dat zich met betrekking tot een te volgen selectieprocedure opeenvolgende feiten voordeden die uiteindelijk hebben geleid tot het vastlopen van de procedure. Uw Hof oordeelde in dat geval dat de appelrechters niet naar recht konden beslissen dat de verjaringstermijn inging bij het eerste feit. Het uitzonderingsregime van de "ondeelbaar verbonden feiten" mag dus niet zomaar worden uitgebreid tot alle "voortdurende" feiten en is te dezen niet aan de orde. Ook een tweede hypothese, die de situatie viseert waarbij er ingevolge eenzelfde onrechtmatige overheidsdaad nieuwe schadegevolgen optreden waarvan de toekomstige verwezenlijking bij het ontstaan van de eerste schade niet naar redelijke verwachting vaststaat, in welk geval de verjaringstermijn slechts een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar waarin deze bijkomende schuldvordering voor de nieuwe schadegevolgen is ontstaan
(15), is in de huidige zaak niet aan de orde. 2.1.4. Artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit bepaalt uitdrukkelijk dat een schuldvordering ten aanzien van de Staat verjaart wanneer de overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij is ontstaan. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar
(16). Die termijn geldt in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat
(17)en is een verjaring van openbare orde die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit
(18). De omstandigheid dat de verjaringstermijn reeds een aanvang neemt op de eerste januari van het jaar in de loop waarvan zij is ontstaan en bijgevolg daadwerkelijk bijna steeds voordat de vordering is ontstaan vloeit voort uit het specifiek criterium dat wordt gehanteerd om de verjaringstermijn te berekenen en wordt verantwoord door de eigenheid van de Staat
(19). Voor het bepalen van het ontstaan van de schuldvordering tegen de Staat wordt rekening gehouden met het tijdstip waarop de schuldvordering opeisbaar wordt
(20), namelijk het ogenblik waarop voor de schuldeiser het recht ontstaat om de vordering in te stellen. Aldus begint de verjaring van de rechtsvordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid te lopen vanaf de eerste januari van het kalenderjaar waarin de schade ontstaat, ongeacht het ogenblik van de veruitwendiging van de schade of van de kennisname ervan door de aanspraakgerechtigde
(21). Die berekeningswijze levert een concrete verjaringstermijn op van ten minste vier jaar na het ontstaan van de schuldvordering, namelijk vanaf het ogenblik dat de constitutieve elementen fout, schade en oorzakelijk verband tussen beide aanwezig zijn
(22). De appelrechters oordelen dat verweerder een fout heeft begaan door eiser vast te houden in de psychiatrische afdeling van de gevangenis zonder het nodige te doen voor de terbeschikkingstelling van een aangepaste therapie. Hij heeft door dit gebrek aan aangepaste en geschikte therapie vergoedbare schade geleden. Het oorzakelijk verband tussen fout en schade staat vast. De aldus vastgestelde fout doet zich dag aan dag voor en veroorzaakt dag aan dag schade. De vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid ontstaat naargelang de schade zich voordoet, dan wel haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachtingen vaststaat. De omstandigheid dat de schade het gevolg is van een voortdurende fout doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding ingeval van dergelijke voortdurende fout van de overheid pas begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar tijdens hetwelk het schuldig gedrag van de overheid is opgehouden, faalt het naar recht. 2.1.
- De tweede grief, volgens hetwelk de appelrechters eveneens de artikelen 100, eerste lid, 1°, en 101 Wet Rijkscomptabiliteit, alsook de artikelen 1382, 1383, 1384 en 2262bis BW schenden door te vereisen dat er sprake is van ondeelbaar verbonden feiten opdat de verjaring pas bij het ophouden van het voortdurend foutief handelen zou beginnen lopen, is mijns inziens afgeleid uit de eerste grief en mitsdien niet ontvankelijk. (...)
- Derde middel Eiser voert in het derde middel terecht aan dat de appelrechters niet hebben geantwoord op het door hem gevoerd verweer dat de rechtsplegingsvergoedingen niet konden worden gecompenseerd gelet op de manifeste inbreuk op zijn mensenrechten en zijn kwetsbare positie als geïnterneerde en aangezien er geen sprake is van een gelijkmatigheid tussen zijn procesrechtelijke gelijk en het gelijk van de verweerder. De appelrechters beslissen tot compensatie van de in eerste aanleg gevallen rechtsplegingsvergoedingen zonder dit verweer te beantwoorden. Het middel komt in zoverre gegrond voor. Conclusie: gedeeltelijke vernietiging met verwijzing. _____________________________
(1)De verjaringsregeling van artikel 100 werd opgeheven door de wet van 22 mei 2003 die in werking trad op 1 januari 2012. Artikel 131, lid 1 van deze wet voorziet in een overgangsbepaling in die zin dat artikel 100, lid 1 Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing blijft op schuldvorderingen tegen de Federale Staat die ontstaan zijn voor de inwerkingtreding van deze wet. Dit impliceert dat schuldvorderingen tegen de staat die op datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet reeds zijn ontstaan maar nog niet verjaard zijn onder toepassing blijven vallen van artikel 100, lid 1 Wet Rijkscomptabiliteit. Dit geldt zowel voor schuldvorderingen die op het ogenblik van inwerkingtreding reeds in rechte zijn ingesteld als voor schuldvorderingen die op dat ogenblik nog niet in rechte zijn ingesteld. Zie J. BAECK Verjaring en overheidsaansprakelijkheid" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(129)175.
(2)I. CLAEYS, "Overzicht van rechtspraak bevrijdende verjaring", TPR, 2018, 610-611.
(3)Cass. 18 maart 2013, AR S.12.0069.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.9, AC 2013, nr. 195.
(4)I. CLaeys, "Overzicht van rechtspraak bevrijdende verjaring", TPR, 2018, 729.
(5)J. BAECK, "Verjaring en overheidsaansprakelijkheid" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(129)148 met verwijzing naar Parl. St. Kamer 1964-65, nr. 971-1, 12; I. CLAEYS, "Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(31)46; Bestendig handboek verbintenissenrecht, 176; C. LEBON en M. DE RUYSSCHER, Artikel & Commentaar. Verjaring, Mechelen, Wolters Kluwer, 2018, 22-23.
(6)J. BAECK, "Verjaring en overheidsaansprakelijkheid" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(129)148; K. TOBBACK en J. VAN CAEYZELLE, "Het bijzondere verjaringsregime van vorderingen tegen de overheid: wat was, wat is, wat blijft en wat verdwijnt? Een overzicht voor de praktijkjurist", T.Aann. 2012, afl. 4,
(8)17.
(7)Cass. 16 oktober 2017, AR C.16.0189.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171016.3, AC 2017, nr. 561; GwH arrest nr. 17/2008 van 14 februari 2008; I. CLAEYS, "Overzicht van rechtspraak bevrijdende verjaring (1992-2017)", TPR 2018, 731-732; I. CLAEYS, "Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(31)47; K. TOBBACK en J. VAN CAEYZELLE, "Het bijzondere verjaringsregime van vorderingen tegen de overheid: wat was, wat is, wat blijft en wat verdwijnt? Een overzicht voor de praktijkjurist", T.Aann 2012, afl. 4,
(8)- In dezelfde zin m.b.t. artikel 2262 BW (oud): I. BOONE, "De verjaring van de vordering tot schadeherstel op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid en van de burgerlijke vordering uit een misdrijf" in H. BOCKEN, I. BOONE, B. CLAESSENS, e.a. (eds.), De herziening van de bevrijdende verjaring door de wet van 10 juni
- De gelijkheid hersteld?, Antwerpen, Kluwer, 1998,
(93)107-108.
(8)Cass. 2 februari 2017 AR C.15.0298.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170202.1F.2, AC 2017, nr. 80; Cass. 24 april 2015, AR F.13.0153.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.2, AC 2015, nr. 274; Cass. 16 februari 2006, AR C.05.0022.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8, AC 2006, nr. 98; Cass. 20 december 2007, AR C.06.0385.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.2, AC 2007, nr. 651; Cass.16 februari 2006, AR C.05.0022.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8, AC 2006, nr. 98; Cass. 29 september 2005, AR C.03.0317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.6, AC 2005, nr. 465.
(9)Cass. 24 april 2015, AR F.13.0153.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.2, AC 2015, nr. 274; Cass. 20 december 2007, AR C.06.0385.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.2, AC 2007, nr. 651; Cass. 16 februari 2006, AR C.05.0022.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8, AC 2006, nr. 98; Cass.29 september 2005, AR C.03.0317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.6, AC 2005, nr. 465. Niet de veruitwendiging van de schade, maar het ontstaan ervan is de gebeurtenis die de aansprakelijkheidsvordering opeisbaar maakt, zie I. CLAEYS, "Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(31)49 en J. BAECK, "Verjaring en overheidsaansprakelijkheid" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(129)148.
(10)I. CLAEYS, "Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(31)67; T. TANGHE, "De verjaring van buitencontractuele rechtsvorderingen tot schadevergoeding wegens kartelinbreuken : een intrigerend drieluik", TPR, 2018
(1383)1400-1401; I. BOONE, "De verjaring van de vordering tot schadeherstel op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid en van de burgerlijke vordering uit een misdrijf" in H. BOCKEN, I. BOONE, B. CLAESSENS, e.a.(eds), De herziening van de bevrijdende verjaring door de wet van 10 juni 1998. De gelijkheid hersteld?, Antwerpen, Kluwer, 1998
(93)110.
(11)I. CLAEYS, "Overzicht van rechtspraak bevrijdende verjaring", TPR, 2018, 747.
(12)Cass. 14 februari 1935, Pas. 1935, I, 159.; zie ook concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE vòòr Cass.12 oktober 2012, AR C.11.0571.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121012.2, AC 2012, nr. 526.
(13)Arbitragehof 21 maart 2007, nr. 47/2007, B.8.3., p. 10.
(14)Cass. 2 februari 2017, AR C.15.0298.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170202.1F.2, AC 2017, nr. 80.
(15)Cass. 20 december 2007, AR C.06.0385.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.2, AC 2006, nr. 651.
(16)J. BAECK, "Verjaring en overheidsaansprakelijkheid" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(129)148
(17)Cass.16 februari 2006, AR C.05.0022.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8, AC 2006, nr. 98.
(18)GwH, arrest nr. 90/2007 van 20 juni 2007, r.o. B.4, 9.
(19)GwH, arrest nr. 90/2007 van 20 juni 2007, r.o. B.4, 10.
(20)Parl. St. Kamer, Advies van de Raad van State, 1964-65, nr. 971-1, 12.
(21)J. BAECK, "Verjaring en overheidsaansprakelijkheid" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005,
(129)148.
(22)GwH, arrest nr. 90/2007 van 20 juni 2007, r.o. B.4, 10. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121012.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170202.1F.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171016.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div