id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.30 Rolnummer: C.20.0129.N Zaak: M. contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-09-23 Raadplegingen: 1268 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.30 Fiche 1 De buitengerechtelijke bekentenis onderstelt in hoofde van de partij die een verklaring aflegt de bedoeling of de toerekenbare schijn hiervan om de juistheid van de beweerde feiten te bevestigen, hetgeen door de rechter onaantastbaar in feite wordt beoordeeld, die daartoe de omstandigheden controleert waarin zij is afgelegd zonder rekening te houden met de inhoudelijke geloofwaardigheid van de verklaring
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis Vrije woorden: Buitengerechtelijke bekentenis - Beoordeling - Taak van de rechter - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1354 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Ingeval van verbruiklening kunnen zowel de wilsovereenstemming over de terugbetalingsverbintenis als de overdracht van de geleende zaak het voorwerp uitmaken van een buitengerechtelijke bekentenis, waarbij niet is vereist dat de verklaring wordt afgelegd na de totstandkoming van de wilsovereenstemming over de terugbetalingsverbintenis om als bekentenis van de overdracht van een geleende zaak in aanmerking te kunnen komen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis Vrije woorden: Buitengerechtelijke bekentenis - Verbruiklening - Overdracht van de geleende zaak - Verklaring - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1354 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux [JT] - 2021, n° 6864, p. 513 (arrêt), p. 501à 506 (note). - MOUGENOT, Dominique; Note'Quelques précisions concernant l'aveu judiciaire' RW-Rechtskundig weekblad - 2021-22, nr. 20, p. 785-
- - DECLERCQ, Stefaan; SAMOY, Ilse; Noot'Ook bij buitengerechtelijke bekentenis mag rechter inhoudelijke geloofwaardigheid niet beoordelen' Tekst van de conclusie C.20.129.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure M. M., de rechtsvoorganger van verweersters en WM, de rechtsvoorganger van eisers ondertekenden op 2 december 1981 een leningsovereenkomst waarvan artikel 1 luidt: "De Heer M.M. erkent bij huidige overeenkomst een bedrag van 8.000.000 frank te hebben geleend van W.M.." Partijen bedingen een jaarlijkse rente en bedingen tevens dat de lening slechts terugbetaalbaar is op het ogenblik van het overlijden van hun moeder. Na dat overlijden zal MM kunnen beslissen om de som met interest terug te betalen, dan wel zijn erfdeel in de nalatenschap van zijn moeder aan WM af te staan. Beide broers komen te overlijden voor hun moeder. Na overlijden van de moeder vragen eisers, als erfgenamen van WM en verweersters, als erfgenamen van MM, terugbetaling van de lening meer interesten. Verweersters weigeren dit. Verweersters werpen in de procedure die hierop volgt o.a. op dat geen lening is tot stand gekomen, nu geen enkel bewijs voorligt van afgifte van de geleende geldsom. De appelrechters oordelen dat niet is aangetoond dat een overeenkomst van verbruiklening is tot stand gekomen nu niet blijkt dat op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst of minstens in de periode daarrond, afgifte is gebeurd van geleende gelden, dat de inhoud van artikel 1 van de overeenkomst op dit punt ongeloofwaardig is en de erkenning van wijlen MM in dit artikel 1 evenmin kan worden toegelaten als een buitengerechtelijke bekentenis, vermits niet blijkt dat de verklaring werd afgelegd na het tot stand komen van de rechtshandeling en deze verklaring alleszins ongeloofwaardig is. Tegen dit arrest van 13 november 2018 van het hof van beroep te Brussel voeren eisers 1 middel aan, bestaande uit zes onderdelen.
- Bespreking 2.
- Met het eerste, tweede, vijfde en zesde onderdeel komen eisers op tegen het oordeel dat de inhoud van artikel 1 van de overeenkomst ongeloofwaardig is. 2.1.
- Eerste onderdeel In het eerste onderdeel verwijten de eisers de appelrechters artikel 1 van de leningsovereenkomst niet als bewijs van afgifte van de geleende geldsom in aanmerking te willen nemen, ondanks het feit dat dit artikel die afgifte vaststelt. De leningsovereenkomst zou niet alleen als volledig bewijs van de teruggaveverbintenis gelden, maar ook als volledig bewijs van de erin vastgestelde rechtsfeiten, meer bepaald de overhandiging van de geleende zaak. 2.1.1.
- Vooreerst lijkt het mij anders dan waarvan eiser uitgaat niet zo te zijn dat de appelrechters hebben aangenomen dat de rechtsvoorganger van verweersters in artikel 1 heeft erkend dat hij het geleend bedrag heeft overhandigd gekregen. Zij oordelen in tegendeel dat uit de door de eisers overgelegde stukken niet blijkt dat wijlen MM 8.000.000 BEF heeft ontvangen op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst op 2 december 1981, en al evenmin in een tijdspanne rond de sluiting ervan vermits geen bewijs van betaling voorligt in de periode tussen 31 januari 1979 en 2 december
- De hierop volgende overwegingen dat de inhoud van artikel 1 van de leningsovereenkomst op dit punt ongeloofwaardig is en de erkenning van MM in artikel 1 van de overeenkomst evenmin kan worden toegelaten als een buitengerechtelijke bekentenis en deze verklaring alleszins ongeloofwaardig is benadrukt in die zin het ongeloofwaardige van de stelling van eisers als zou artikel 1 moeten geïnterpreteerd worden als een erkenning van de materiële overhandiging van het geleende geld. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 2.1.1.
- Maar zelfs uitgaande van het standpunt van eisers kan het onderdeel niet worden aangenomen. Zoals de appelrechters terecht en in lijn met de rechtspraak van Uw Hof oordelen is de leningsovereenkomst een zakelijke overeenkomst, die slechts definitief tot stand komt door de materiële afgifte van de geleende zaak
(1). Hij die het bewijs wil leveren van het bestaan van een leningsovereenkomst moet bijgevolg zowel het bewijs leveren van een overeenkomst waaruit een terugbetalingsverbintenis blijkt als van de materiële afgifte van de geleende zaak
(2). Het bewijs van wilsovereenstemming waaruit een terugbetalingsverbintenis blijkt dient te worden geleverd in overeenstemming met het gereglementeerd bewijsstelsel zoals voorzien in de artikelen 1315 tot 1369 B.W. Overschrijdt de terugbetalingsverbintenis het bedrag van 375 euro, dan is in principe een onderhandse leningsovereenkomst vereist om het bewijs van de terugbetalingsverbintenis te kunnen leveren. Het bewijs door getuigen en vermoedens is overeenkomstig artikel 1341 B.W. niet toegelaten. Een tegenbewijs geleverd tegen een onderhandse akte is krachtens artikel 1341 B.W. mogelijk, maar enkel middels een andere akte of middels een begin van bewijs door geschrift dat aangevuld wordt met getuigen of feitelijke vermoedens, met een eed of met een bekentenis
(3). De materiële afgifte van een geleende zaak daarentegen is een rechtsfeit
(4)en aldus aan het vrij bewijsstelsel onderworpen
(5). De traditionele opvatting luidt dat rechtsfeiten door alle middelen van recht kunnen worden bewezen en dat de rechter een feit als bewezen mag aannemen van zodra hij persoonlijk overtuigd is van de waarachtigheid ervan, zonder gebonden te zijn aan enig voorschrift dat formeel een bewijswaarde toekent aan een bepaald bewijsmiddel. Eisers gaan er, op grond van artikel 1320 BW van uit dat wanneer een authentiek of onderhands geschrift zowel de teruggave verbintenis als de overdracht van de zaak vaststelt het geschrift tussen partijen niet alleen als volledig bewijs van de teruggaveverbintenis geldt maar ook als volledig bewijs van overdracht van de zaak, gezien de overdracht van de geleende zaak rechtstreeks verband houdt met de verbintenis tot teruggave van de geleende zaak. De onderhandse leningsovereenkomst zou met andere woorden ook volledige bewijswaarde hebben voor de erin vastgelegde overdracht van de zaak. Het tegenbewijs zou bijgevolg enkel kunnen worden geleverd door middel van een andere akte of door middel van een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met getuigen, feitelijke vermoedens, een eed of een bekentenis. Krachtens artikel 1320 Burgerlijk Wetboek levert de akte, zij het een authentieke of een onderhandse, tussen partijen bewijs op, zelfs van hetgeen daarin slechts bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits die vermelding rechtstreeks verband houdt met de beschikking. Vermeldingen buiten verband met de beschikking kunnen alleen dienen tot begin van bewijs. Onder ‘beschikking' - waarvoor de volledige bewijskracht van de akte geldt - moet worden verstaan de beschikkende handelingen, d.w.z. de rechtshandeling(en) waartoe de ondertekenaar van de akte zich verbindt. Dit begrip heeft niet alleen betrekking op de primaire rechtshandeling (waartoe de akte hoofdzakelijk werd opgemaakt), maar ook op eventuele secundaire rechtshandelingen die de primaire rechtshandeling voorafgaan of daarop aansluiten (bv. de kwijting bij een verkoopakte), maar die in ieder geval daarmee rechtstreeks verband houden. Het moet gaan om daadwerkelijke wilsverklaringen en niet om louter feitelijke verklaringen. Om volledige bewijskracht te verwerven, volstaat het dus niet dat een in de akte vermelde clausule kadert in de context van de akte. Zij moet rechtstreeks in verband staan met de rechtshandeling waartoe de ondertekenaar zich hoofdzakelijk verbindt
(6). De ratio van de regel dat enkel vermeldingen van een geschrift die rechtstreeks verband houden met de beschikking delen in de wettelijke bewijswaarde van het geschrift, is vanzelfsprekend. De vermeldingen of mededelende handelingen van een overeenkomst die overbodig of toevallig zijn en die geen verband houden met de beschikking van de overeenkomst, zijn vermeldingen waarop de partijen mogelijkerwijs geen acht hebben geslagen bij ondertekening van het geschrift en aan hun aandacht zijn ontsnapt. Partijen hebben derhalve geenszins de bedoeling gehad ze vast te stellen. Derhalve mogen zij geen bijzondere bewijswaarde genieten en moet het tegenbewijs kunnen worden geleverd met alle middelen van recht. Zij kunnen enkel als begin van bewijs door geschrift in aanmerking worden genomen
(7). Uit deze ratio vloeit voort dat de bodemrechter soeverein oordeelt over de vraag of een vermelding in een geschrift al dan niet rechtstreeks verband houdt met het negotium waarvan het geschrift de veruitwendiging is. Het komt de bodemrechter toe om op basis van de omstandigheden van het geval te oordelen of een welbepaalde vermelding in een geschrift een vermelding is waarop partijen mogelijkerwijs geen acht hebben geslagen
(8). Met het oordeel dat: - de leningsovereenkomst een eenzijdige en zakelijke overeenkomst is; - uit het eenzijdig karakter van de overeenkomst volgt dat de lening enkel verbintenissen schept in de persoon van de lener, vermits alleen hij zich verbindt tot teruggave; dat de uitlener weliswaar de zaak aan de lener moet afgeven, maar dit de voorwaarde uitmaakt om de zakelijke overeenkomst te doen ontstaan, terwijl er voor het overige voor de uitlener geen verbintenissen zijn; - uit het zakelijke karakter van de overeenkomst volgt dat ze tot stand komt niet door de loutere wilsovereenstemming tussen partijen, maar wel door de materiële overdracht van de geleende zaak; - uit de door de eisers overgelegde stukken niet blijkt dat wijlen MM 8.000.000 BEF heeft ontvangen op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst op 2 december 1981, en al evenmin in een tijdspanne rond de sluiting ervan vermits geen bewijs van betaling voorligt in de periode tussen 31 januari 1979 en 2 december 1982 en dat de inhoud van artikel 1 van de leningsovereenkomst op dit punt ongeloofwaardig is; - dat de erkenning van MM in artikel 1 van de overeenkomst evenmin kan worden toegelaten als een buitengerechtelijke bekentenis en deze verklaring alleszins ongeloofwaardig is. geven de appelrechters impliciet maar zeker te kennen dat MM aan de vermelding in artikel 1, die de erkenning inhoudt van het overhandigd hebben gekregen van de geleende som, bij ondertekening niet noodzakelijk aandacht heeft besteed of moest hebben besteed en dit een louter feitelijke verklaring en geen wilsverklaring betreft. In het licht van wat voorafgaat verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (...) 2.2.1. Derde onderdeel In het derde onderdeel voeren eisers in essentie aan dat voor de beoordeling van de vraag of een verklaring als dan niet als een erkenning kan worden beschouwd, enkel op basis van de omstandigheden waarin de verklaring werd afgelegd, mag worden nagegaan of de partij die de verklaring heeft afgelegd, de bedoeling had om een bekentenis af te leggen, en dat de geloofwaardigheid van de inhoud van die verklaring daarbij niet in aanmerking mag worden genomen. Aan de orde is derhalve de vraag of de rechter bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een buitengerechtelijke bekentenis ook rekening mag houden met de inhoudelijke geloofwaardigheid van de bekentenis. Traditioneel wordt aangenomen dat de buitengerechtelijke bekentenis volledig bewijs oplevert tegen degene die de bekentenis heeft gedaan en bindend is voor de rechter. Een tegenbewijs zou niet toegelaten zijn. Derhalve mag de bekentenis niet op haar inhoudelijke geloofwaardigheid worden getoetst. In lijn met de rechtspraak van Uw Hof
(9)erkent ook de rechtsleer dat de rechter in geval van een beweerde buitengerechtelijke bekentenis, in tegenstelling tot hetgeen bij een gerechtelijke bekentenis het geval is, wel moet nagaan of de erkenning ‘oprecht' is, i.e. of de desbetreffende verklaring in dusdanige omstandigheden werd afgelegd dat zij als geloofwaardig overkomt. Daarmee wordt bedoeld dat de rechter op basis van de omstandigheden waarin de verklaring werd afgelegd, moet nagaan of het geloofwaardig is dat de verklarende partij daadwerkelijk een feit heeft willen erkennen met andere woorden of het geloofwaardig is dat in hoofde van de verklarende partij de geldige, oprechte en ernstige wil voorlag om een feit te erkennen. Maar zodra de kwalificatie als buitengerechtelijke bekentenis wordt weerhouden, dringt de inhoud ervan zich aan de rechter op, net zoals het geval is bij een gerechtelijke bekentenis, en mag de rechter de bekentenis niet op haar inhoudelijke geloofwaardigheid toetsen
(10). Ook artikel 8.31 NBW kent de buitengerechtelijke bekentenis dezelfde wettelijke bewijswaarde als de gerechtelijke bekentenis toe, hetgeen betekent dat de rechter, eenmaal hij aanneemt dat er sprake is van een buitengerechtelijke bekentenis, die buitengerechtelijke bekentenis niet op haar inhoudelijke geloofwaardigheid mag toetsen. Wel wordt in artikel 8.32 NBW bevestigd dat de rechter soevereine appreciatiebevoegdheid heeft ten aanzien van het oprechte karakter van de bekentenis en dat hij derhalve mag nagaan of in hoofde van de ‘erkennende partij' daadwerkelijk een geldige en oprechte wil voorlag om een buitengerechtelijke bekentenis af te leggen
(11). Uit wat voorafgaat volgt dat de rechter de buitengerechtelijke bekentenis niet op haar inhoudelijke geloofwaardigheid mag toetsen, aangezien de buitengerechtelijke bekentenis anders elke betekenis wordt ontnomen en haar bewijswaarde wordt herleid tot de bewijswaarde van een louter vermoeden. Bij de beoordeling van de vraag of er van een buitengerechtelijke bekentenis sprake is, mag derhalve geen rekening gehouden worden met de inhoudelijke geloofwaardigheid van de bekentenis. De appelrechters beoordelen de vraag of van een buitengerechtelijke betekenis sprake is, wel gedeeltelijk op basis van haar inhoudelijke geloofwaardigheid. Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechter hiermee de bewijswaarde miskent die aan de bekentenis toekomt, komt gegrond voor. 2.2.2. Vierde onderdeel Dat de appelrechters bij de beoordeling van de vraag of van een buitengerechtelijke bekentenis sprake is, geen rekening mochten houden met de inhoudelijke geloofwaardigheid van de achterliggende verklaring, laat onverlet het oordeel van de appelrechters dat de verklaring afgelegd door MM geen buitengerechtelijke bekentenis is, vermits niet blijkt dat de verklaring werd afgelegd na het tot stand komen van de rechtshandeling. In het vierde onderdeel argumenteren de eisers dat de appelrechters met laatstgenoemde overweging onterecht hebben geoordeeld dat de bekentenis van de afgifte van een geldsom pas na de totstandkoming van de overeenkomst van verbruiklening kan plaatsvinden. Aldus zouden zij het feit miskennen dat de leningsovereenkomst bestaat uit twee bestanddelen, de afgifte van de zaak en de terugbetalingsverbintenis, die elk het voorwerp kunnen uitmaken van een afzonderlijke bekentenis. Zoals hierboven vermeld, vereist de totstandkoming van een leningsovereenkomst enerzijds een wilsovereenstemming over het bestaan van een terugbetalingsverbintenis en anderzijds de materiële afgifte van de geleende zaak. Zowel het bestaan van een terugbetalingsverbintenis als de materiële afgifte van de zaak kunnen het voorwerp van een (afzonderlijke) buitengerechtelijke bekentenis uitmaken. Door te oordelen dat er geen sprake is van een buitengerechtelijke bekentenis vermits niet blijkt dat de verklaring werd afgelegd na het tot stand komen van de rechtshandeling verwarren de appelrechters de erkenning van de afgifte van de geleende zaak met de erkenning van het bestaan van een verbintenis tot terugbetaling Ook het vierde onderdeel komt gegrond voor. Conclusie: gedeeltelijke cassatie met verwijzing. ___________________________
(1)Zie recent nog Cass. 18 juni 2020, AR C.19.0140.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.5, AC 2020, nr. 414; Cass. 27 april 2020 AR C.19.0602.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.3N.38, AC 2020, nr. 250.
(2)Cass. 8 april 1976, RW 1976-77, 665.
(3)Cass. 6 december 2002, AR C.00.0099.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021206.4, AC 2002, nr. 654; S. VANDERHEYDE, "Commentaar bij artikel 1874 BW", in Artikelsgewijze commentaar bijzondere overeenkomsten, zoals bijgewerkt op februari 2016, 16.
(4)Cass. 3 oktober 2019, AR C.18.0585.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.5, AC 2019, nr. 500.
(5)S. VANDERHEYDE, "Commentaar bij artikel 1874 BW", in Artikelsgewijze commentaar bijzondere overeenkomsten, zoals bijgewerkt op februari 2016, 16.
(6)B. VAN DEN BERGH, "De paraaf als handtekening: «to sign or not to sign, that's the question»", RW 2015-16, 337.
(7)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, Mechelen, Kluwer, 2013, 344; B. VAN DEN BERGH, "De paraaf als handtekening: «to sign or not to sign, that's the question»", RW 2015-16, 337.
(8)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, Mechelen, Kluwer, 2013, 343-344.
(9)Cass. 3 mei 2018, AR C.16.0482.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180503.1, AC 2018, nr. 280 "De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de buitengerechtelijke bekentenis wordt toegelaten, en controleert daartoe de omstandigheden waarin zij is afgelegd". Zie ook Cass. 18 april 1985, AR nr. 7248, Arr.Cass. 1985, nr.490; B. SAMYN, Privaatrechtelijk bewijs: een diepgaand en praktisch overzicht, Gent, Story Publishers, 2012, 416 en 421.
(10)B. CATTOIR, Burgerlijk Bewijsrecht, Mechelen, Kluwer, 2013, 197; B. MAES, P. VANLERSBERGHE, N. CLIJMANS en S. VAN SCHEL, "De gerechtelijke bekentenis" in S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces, Brugge, die Keure, 2015, 115; D. MOUGENOT, "Force probante de l'aveu extrajudiciaire" (noot onder Antwerpen 20 november 2006), P&B 2007, 293; D. MOUGENOT, La preuve in Rép.not., IV, Les obligations, Brussel, Larcier, 2012, 369, nr. 288; I. SAMOY en W. VANDENBUSCCHE, "Het nieuwe bewijsrecht", Themis Verbintenissenrecht Brugge, die Keure, 2018, 143-144; B. SAMYN, Privaatrechtelijk bewijs: een diepgaand en praktisch overzicht, Gent, Story Publishers, 2012, 421; S. STIJNS, Verbintenissenrecht, II, Brugge, die Keure, 2009, 178, nr. 244; W. VAN GERVEN en A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 679 en 699-670; P. VAN OMMESLAGHE, Les Obligations, III, Régime général de l'obligation. Théorie des preuves in H. DE PAGE, Traité de droit civil belge, Brussel, Bruylant, 2013, 2551. Zie ook concl. OM vòòr Cass. 3 mei 2018, AR C.16.0482.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180503.1, AC 2018, nr. 280.
(11)Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp van 31 oktober 2018 houdende invoeging van Boek 8 "Bewijs" in het nieuw Burgerlijk Wetboek, Parl. St. Kamer 2018-2019, DOC 54 3349/001, 35: "Het derde lid vult een leemte. In de huidige wet wordt de bewijswaarde van de buitengerechtelijke bekentenis immers niet verduidelijkt. Uit de Belgische rechtsleer blijkt unaniem dat de buitengerechtelijke bekentenis dezelfde bewijswaarde heeft als de gerechtelijke bekentenis, en er dus geen beoordelingsbevoegdheid van de rechter is (wat een andere oplossing is dan in Frankrijk). Dezelfde rechtsleer die eenzelfde bewijswaarde aan beide vormen van bekentenis toekent, erkent overigens wel de bevoegdheid van de rechter om te onderzoeken of de ingeroepen verklaring oprecht en vrij van arglist is (B. ALLEMEERSCH et al., "Overzicht van rechtspraak - het burgerlijk bewijsrecht 2000-2013", TPR 2015-2, 898, nr. 372). Het Hof van Cassatie heeft, bij een arrest d.d. 3 december 2007, evenwel de vrije beoordeling van de bewijswaarde door de buitengerechtelijke bekentenis door de rechter bevestigd. Beide benaderingen overlappen elkaar niet. In het kader van het onderzoek van de oprechtheid van de bekentenis is de bevoegdheid van de rechter beperkt: zodra het onderzoek is uitgevoerd, levert de bekentenis een volledig bewijs op tegen hem die de bekentenis gedaan heeft. Indien men de vrije beoordeling van de buitengerechtelijke bekentenis door de rechter aanvaardt, onderscheidt niets haar nog van het vermoeden, dat dezelfde bewijswaarde heeft. De voorgestelde tekst stelt dus duidelijk de grenzen vast van de beoordelingsbevoegdheid van de rechter door het klassieke standpunt van de rechtsleer over te nemen. De bevoegdheid van de rechter om rekening te houden met het gebrek aan oprechtheid van de bekentenis werd evenwel verplaatst naar het volgende artikel. Die voorwaarde zou immers ook moeten worden toegepast op de gerechtelijke bekentenis." PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.30 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.30 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021206.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180503.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.3N.38 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div