id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210126.2N.5 Rolnummer: P.20.1283.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-02-03 Raadplegingen: 762 - laatst gezien 2026-06-18 14:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5 Fiches 1 - 2 Uit de bepalingen van artikel 16 Interneringswet, artikel 42, 1° en 43, eerste lid, Strafwetboek volgt dat de rechter, ook als hij een internering beveelt in beginsel verplicht is de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken van een zaak die heeft gediend of was bestemd om een misdaad of een wanbedrijf te plegen; hij mag die bijzondere verbeurdverklaring evenwel niet uitspreken indien de verbeurdverklaring tot gevolg zou hebben dat daardoor aan de veroordeelde een onredelijk zware straf wordt opgelegd. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Zaken welke bestemd waren of gediend hebben tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf - Verplichte verbeurdverklaring - Onredelijk zware straf - Invloed Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Zaken welke bestemd waren of gediend hebben tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf - Verplichte verbeurdverklaring - Onredelijk zware straf - Invloed Fiches 3 - 5 De rechter oordeelt onaantastbaar of het bevelen van de bijzondere verbeurdverklaring van een zaak die heeft gediend of was bestemd om een misdaad of een wanbedrijf te plegen tot gevolg heeft dat hij daardoor aan de veroordeelde een onredelijk zware straf oplegt; bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezen verklaarde misdrijf, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Zaken welke bestemd waren of gediend hebben tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf - Verplichte verbeurdverklaring - Onredelijk zware straf - Matigingsbevoegdheid - Criteria - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Bepaling van de sanctie - Verplichte verbeurdverklaring van zaken welke bestemd waren of gediend hebben tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf - Onredelijk zware straf - Matigingsbevoegdheid - Criteria - Wijze Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Zaken welke bestemd waren of gediend hebben tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf - Verplichte verbeurdverklaring - Matigingsbevoegdheid - Criteria - Wijze Fiches 6 - 7 De rechter dient enkel uitdrukkelijk vast te stellen dat hij door het uitspreken van de bijzondere verbeurdverklaring van een zaak die heeft gediend of was bestemd om een misdaad of een wanbedrijf te plegen geen onredelijk zware straf oplegt, indien hij daartoe door de veroordeelde wordt uitgenodigd; het komt ook de veroordeelde toe de gegevens aan te reiken welke de rechter in staat moeten stellen die beoordeling te maken. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Zaken welke bestemd waren of gediend hebben tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf - Verplichte verbeurdverklaring - Onredelijk zware straf - Vaststelling door de rechter - Wijze Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verplichte verbeurdverklaring van zaken welke bestemd waren of gediend hebben tot het plegen van een misdaad of wanbedrijf - Onredelijk zware straf - Vaststelling door de rechter - Wijze Tekst van de conclusie P.20.1283.N Conclusie van advocaat-generaal Schoeters: I. Procedurele voorgaanden. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 21 oktober 2020 werd de internering gelast van eiser, voor feiten van aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging jegens meerderjarigen (artikelen 373, lid 1, 374, 378 lid 1, en 483, Strafwetboek) en voyeurisme door opname (artikelen 371/1, lid 1, 1°, en 378, lid 1, Strafwetboek). Tevens werd de verbeurdverklaring uitgesproken overeenkomstig artikel 42, 1°, Strafwetboek van een gsm Samsung (neergelegd ter griffie onder OS nr. 2020.05320), eigendom van de inverdenkinggestelde en gediend hebbende om het misdrijf te plegen. 2. Eiser stelde een beperkt hoger beroep in tegen gemelde beschikking van de raadkamer, namelijk enkel voor wat betreft de verbeurdverklaring van de gsm Samsung. 3. Bij arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 november 2020, werd het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond verklaard en werd de beschikking van de raadkamer binnen de perken van het hoger beroep bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. II. Het enig middel. 4. Eiser voert in zijn tijdig neergelegde memorie een enig middel met twee onderdelen aan, met name de schending van artikel 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 6.1. EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM. In zijn eerste onderdeel verwijt eiser dat de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelde dat de verbeurdverklaring "moet" uitgesproken worden en aldus haar appreciatiemarge miskent gezien het hof te kennen geeft dat de wet uitgaat van een automatisme, terwijl de bijzondere verbeurdverklaring een straf is en de strafrechter op grond van artikel 85 Strafwetboek straffen mag matigen, ook de verbeurdverklaring, aldus eiser. Hij stelt dat een verbeurdverklaring dermate afbreuk kan doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige maatregel vormt ten aanzien van het ermee nagestreefde wettige doel waardoor zij een schending met zich meebrengt van het eigendomsrecht gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM. Eiser verwijst verder naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 12/2017 van 9 februari 2017
(1)en stelt dat de beoogde maatregel fundamenteel zal ingrijpen op het zeer beperkte vermogen van eiser. In zijn tweede onderdeel stelt eiser dat de kamer van inbeschuldigingstelling zijn fundamentele eigendomsrechten miskent en de maatregel niet proportioneel is met het beoogde doel, dat, gezien de internering, niet kan bestaan in de bestraffing. 5. Het middel raakt de problematiek van het evenredigheidsprincipe bij de verbeurdverklaring van zaken die gediend hebben om het misdrijf te plegen en de toetsingscriteria die de feitenrechter in acht kan nemen bij de beoordeling van dit evenredigheidsprincipe
(2). 6. Ik merk op dat de strafrechter de verbeurdverklaring niet lijkt te kunnen matigen omwille van verzachtende omstandigheden, zoals eiser in zijn memorie lijkt voor te houden. De artikelen 79 t.e.m. 85 Strafwetboek m.b.t. de verzachtende omstandigheden verwijzen nergens naar de verbeurdverklaring
(3).
- Het komt mij voor dat de rechter, wanneer hij de internering gelast, wel degelijk overeenkomstig artikel 16 Interneringswet de bijzondere verbeurdverklaring kan of moet uit te spreken in de gevallen waarbij de wet in deze verbeurdverklaring voorziet, ook al heeft de verbeurdverklaring het karakter van een bijkomende straf.
- Op grond van artikel 42, 1°, Strafwetboek wordt de bijzondere verbeurdverklaring toegepast op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en op die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn
(4). Artikel 43, lid 1, eerste zin, Strafwetboek voorziet bij misdaad of wanbedrijf in de verplichte verbeurdverklaring van de zaken bedoeld in artikel 42, 1° en 2°, Strafwetboek. Evenwel bepaalt artikel 43, lid 1, tweede zin, Strafwetboek dat de verbeurdverklaring van zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf wordt uitgesproken, behoudens wanneer dit tot gevolg zou hebben dat de veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen. 9. De tweede zinsnede van artikel 43, lid 1, Strafwetboek werd ingevoerd door artikel 19 van de wet van 18 maart 2018 houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht
(5). Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat deze wijziging van artikel 43 Strafwetboek ingevoerd werd om tegemoet te komen aan de vaststelling van ongrondwettigheid van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, gedaan door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 12/2017 van 9 februari 2017
(6). 10. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 12/2017 van 9 februari 2017, dat (oud) artikel 43, eerste lid, Strafwetboek niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM, doch enkel in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de zaak die gediend heeft om een misdaad of een wanbedrijf te plegen, wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een schending van het eigendomsrechter inhoudt. Het arrest van het Grondwettelijk Hof wekte verwondering in de rechtsleer, niet zozeer omwille van het feit dat ingevolge deze uitspraak de proportionaliteit van de straf voortaan ook zou gelden bij de verplichte bijzondere verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben om het misdrijf te plegen, doch wel omwille van het feit dat het Grondwettelijk Hof de financiële toestand van de veroordeelde naar voren lijkt te schuiven als (enig?) criterium om het al dan niet proportioneel karakter van deze bijzondere verbeurdverklaring te toetsen
(7). Dit criterium kwam als toetsingsmaatstaf voor de bestaanbaarheid met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM als dusdanig niet tot uiting in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna verder EHRM) met betrekking tot de verbeurdverklaring van een zaak die gediend heeft om het misdrijf te plegen
(8). 11. De verplichte bijzondere verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben om het misdrijf te plegen (evenals andere vermogensstraffen) houdt een inmenging in in het eigendomsrecht van diegene die getroffen wordt door deze straf. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM vormt de supranationale rechtsbron met directe werking waaraan deze inmenging dient getoetst te worden
(9). Overeenkomstig de vaste rechtspraak van het EHRM heeft de overheid het recht om onder bepaalde voorwaarden de eigendom te ontnemen of het gebruik ervan te reguleren mits de overheidsinmenging
(1)een wettelijke basis heeft,
(2)een rechtmatig doel nastreeft en
(3)er een evenredige verhouding bestaat tussen het beoogde doel en de ingezette middelen
(10). De bescherming die deze verdragsbepaling garandeert ten aanzien van bestaande eigendomsrechten van (rechts)personen, laat derhalve een gerechtvaardigde inmenging door de Staat toe. Het is vereist dat die inmenging een juist evenwicht bewerkstelligt tussen de vereisten van het algemeen belang van de gemeenschap en de noodzaak om de fundamentele rechten van het individu, i.e. het eigendomsrecht, te beschermen. Er moet bijgevolg een redelijke verhouding bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. In casu mag de verbeurdverklaring derhalve niet onevenredig zijn met het nagestreefde doel
(11). Het EHRM laat een ruime appreciatiemarge toe aan de wetgever zowel om de nadere regels voor de inwerkingstelling te kiezen als om te oordelen of de gevolgen ervan in het algemeen belang verantwoord zijn door de zorg om de doestelling van de in het geding zijnde wet te bereiken
(12). In deze "fair balance-test" reikt het EHRM in de rechtspraak inzake de verbeurdverklaring van goederen die onrechtmatig gebruikt werden, enkele richtsnoeren om na te gaan of een billijk evenwicht wordt gevonden tussen het algemeen en individueel belang, waaronder de betrokkenheid en houding van de eigenaar en de gevolgde procedure
(13). In andere arresten, betrekking hebbende op vermogensstraffen, wees het EHRM op de ernst van het misdrijf en de impact van de maatregel op de financiële toestand van de betrokkene
(14). Het evenredigheidsprincipe zal steeds moeten worden getoetst in het licht van de bewezen verklaarde inbreuk. Het betreft de evenredigheid tussen het misdrijf en de bestraffing, niet tussen de bestraffing en de financiële toestand
(15). 12. Wat betreft de legaliteit en legitieme doelstelling lijkt het mij dat de bijzondere verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben om het misdrijf te plegen, zoals voorzien in artikel 42, 1° en 43 Strafwetboek, de toetssteen van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol doorstaat. Dit staat hier ook niet ter discussie
(16). De door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid lijkt mij tevens niet voort te vloeien uit het verplichte karakter van de bijzondere verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben om het misdrijf te plegen, maar uit de afwezigheid van matigingsbevoegdheid van de rechter. Het Hof van Cassatie oordeelde overigens dat artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM de verplichte verbeurdverklaring, krachtens de wet, van de zaken welke gediend hebben tot het plegen van misdaden of wanbedrijven, niet verbiedt
(17). Sinds de wetswijziging bij gemelde wet van 18 maart 2018 is de wetgever eveneens tegemoet gekomen aan de vereisten van proportionaliteit aangezien de wet de feitenrechter niet toelaat de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken indien de verbeurdverklaring tot gevolg zou hebben dat daardoor aan de veroordeelde "een onredelijk zware straf" wordt opgelegd. Voor de doorgevoerde wijziging heeft de wetgever zich laten inspireren door een bestaande terminologie in andere bepalingen van het Strafwetboek met betrekking tot de verbeurdverklaringen en waarvoor er ook een matigingsbevoegdheid bestaat, met name de rechtstreekse verbeurdverklaring of bij equivalent van de vermogensvoordelen (artikel 43bis, laatste lid, Strafwetboek), de rechtstreekse verbeurdverklaring of bij equivalent van de bijkomende vermogensvoordelen (artikel 43quater, §3, laatste lid, Strafwetboek) en de verbeurdverklaring bij equivalent van het voorwerp van het witwassen (artikelen 505, zesde lid, Strafwetboek)
(18). Bij de invoering van de matigingsbevoegdheid van de rechter in respectievelijk artikel 43bis, laatste lid, Strafwetboek
(19), en artikel 505, zesde lid, laatste zin, Strafwetboek
(20), werd gesteld dat het "redelijke" van de straf door de rechter in concreto wordt beoordeeld, "onder meer op basis van de financiële draagkracht van de veroordeelde (tenzij die zich opzettelijk onvermogend heeft laten verklaren om zich te onttrekken aan de strafuitvoering) en de ernst van de gepleegde feiten"
(21). Het lijkt mij dat de wetgever de beoordeling van het redelijke karakter van de uit te spreken bijzondere verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben om het misdrijf te plegen, niet heeft willen beperken tot impact op het vermogen van de betrokkene, maar dat dit één van de toetsingscriteria kan zijn om de proportionaliteit te beoordelen. 13. Het Hof van Cassatie oordeelde in haar arrest van 24 mei 2016 dat de rechter binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie bepaalt die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader, met wettigheidscontrole door het Hof
(22). In de zaak die aanleiding gaf tot dit arrest oordeelden de appelrechters dat de opgelegde straffen, hun aard en omvang en het al dan niet effectief karakter ervan, passend en geboden zijn rekening houdende met de aard en zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, de nagestreefde of gerealiseerde wederrechtelijke financiële verrijking, de individuele rol en betrokkenheid, de persoon van de veroordeelde en hun relatief gunstig verleden. Deze beslissing schendt volgens het Hof noch artikel 3 EVRM of artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, noch artikel 49.3 Handvest.
- In het licht van de rechtspraak van het EHRM en de bedoeling van de wetgever, lijkt het mij dat de rechter, wanneer hij vaststelt dat een bepaald goed gediend heeft om het misdrijf te plegen en eigendom is van de veroordeelde, in beginsel de bijzondere verbeurdverklaring zal moeten uitspreken. Enkel wanneer deze zou leiden tot een onredelijk zware bestraffing zal hij deze niet mogen uitspreken. Bij deze beoordeling lijkt het mij dat de rechter niet alleen oog zal kunnen hebben voor de impact op de financiële toestand van de veroordeelde, maar onder meer ook rekening zal kunnen houden met de aard en zwaarwichtigheid van de feiten, de betrokkenheid van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand. Hierbij lijkt het mij niet dat de rechter al deze elementen in zijn beoordeling moet betrekken. Het lijkt mij tevens zo dat het aan de betrokkene zal behoren om de elementen en gegevens aan te reiken op grond waarvan de rechter zijn oordeel zal kunnen vormen, zo de rechter daartoe uitgenodigd wordt.
- In casu motiveerde de kamer van inbeschuldigingstelling de bijzondere verbeurdverklaring als volgt:
- Het hoger beroep is evenwel ongegrond. Ter zake beaamt het hof de motieven van de vorenstaande schriftelijke vordering van de procureur-generaal en maakt ze tot de zijne. Artikel 16 van de wet betreffende de internering bepaalt dat de bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken. In deze zaak blijkt afdoende dat de geïnterneerde de kwestieuze GSM Samsung, toestel dat zijn eigendom is, heeft gebruikt bij het plegen van de feiten van de tenlastelegging B zoals omschreven in de vorenstaande schriftelijke vordering van de procureur-generaal. Bijgevolg betreft dit een voorwerp dat moet verbeurd verklaard worden op grond van de voormelde wetsbepaling en de artikelen 42.1° en 43 Sw. Er is geen enkele reden om de verbeurdverklaring te koppelen aan enig uitstel van tenuitvoerlegging. Alzo wordt voorkomen dat de geïnterneerde het toestel nog verder zou gebruiken om gelijkaardige feiten te plegen onder invloed van zijn geestesstoornis. Bovendien blijkt uit geen enkel concreet gegeven dat hij door de verbeurdverklaring dermate in zijn financiële situatie zou worden getroffen dat die maatregel onevenredig zou zijn ten opzichte van het daarmee nagestreefde wettelijk doel." Het blijkt dan ook dat de appelrechters weliswaar wijzen op het verplicht karakter van de bijzondere verbeurdverklaring maar deze in concreto toetst op de evenredigheid ervan met het nagestreefde doel. Deze beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. De door eiser in zijn memorie aangevoerde feitelijke gegevens, zouden het hof verplichten tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. Ik heb geen ambtshalve middelen op te werpen. CONCLUSIE Ik concludeer tot de verwerping van het cassatieberoep. ________________________________
(1)GwH 9 februari 2017, nr. 12/2017, B.S. 20 maart 2017 (tweede uitgave), 38110, www.const-cour.be, Dr.pén.entr. 2018, 107, noot V. TRUILLET, NC 2017, 253, noot J. ROZIE, T.Strafr. 2017, 196, noot M. VANDERMEERSCH, NJW 2017, 271, noot S. ROYER, VAV 2017, 20, noot L. BREWAEYS.
(2)Het betreft het evenredigheidsprincipe zoals vastgesteld in supranationale en nationale rechtsbronnen; in strafzaken bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van evenredigheid (Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2, AC 2016, nr. 342).
(3)Zie J. ROZIE, "Koorddansen tussen de eerbiediging van het recht op eigendom en een rechtvaardige verbeurdverklaring", in S. DEWULF en D. PACQUEE (eds.), 60 jaar universele verklaring van de rechten van de mens: 1948-2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 141.
(4)Zie over de rechtsfiguur van de bijzondere verbeurdverklaring in het algemeen: J. ROZIE en P. WAETERINKX, "Actualia verbeurdverklaring (2010-2015): alles stroomt, niets is blijvend", NC 2015, 390-432.
(5)B.S. 2 mei 2018.
(6)Parl.St., Kamer 2017-2018, Doc 54 2753/001, pag. 58-62.
(7)J. ROZIE, "De verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf: een noodzakelijk kwaad of een onevenredige straf?", NC 2017, 255-268, V. TRUILLET, "La Cour constitutionelle sonne-t-elle le glas de la confiscation obligatoire?", Dr.pén.entr. 2018, 110-116.
(8)met name EHRM, 12 mei 2009, Tas t. België en EHRM 13 oktober 2015, ?nsped Paket Servisi SaN. Ve TiC. A.?. t. Bulgarije.
(9)Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt: "Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.".
(10)Zie o.a. EHRM 23 september 1982, Sprorrong en Lönnroth t. Zweden; EHRM 24 oktober 1986, Agosi t. Verenigd Koninkrijk; EHRM 5 mei 1995, Air Canada t. Verenigd Koninkrijk.
(11)J. ROZIE, "Koorddansen tussen de eerbiediging van het recht op eigendom en een rechtvaardige verbeurdverklaring", in S. DEWULF en D. PACQUEE (eds.), 60 jaar universele verklaring van de rechten van de mens: 1948-2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 148-151.
(12)EHRM 24 oktober 1986, Agosi t. Verenigd Koninkrijk, §52; EHRM 26 februari 2009, Grifhorst t. Frankrijk, §94, EHRM, 12 mei 2009, Tas t. België.
(13)EHRM 12 mei 2009, Tas t. België; EHRM 13 oktober 2015, ?nsped Paket Servisi SaN. Ve TiC. A.?. t. Bulgarije.
(14)EHRM 11 januari 2007, Mamidakis t. Griekenland; EHRM 26 februari 2009, Grifhorst t. Frankrijk; EHRM 9 juli 2009, Moon t. Frankrijk.
(15)J. ROZIE, "De verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf: een noodzakelijk kwaad of een onevenredige straf?", NC 2017, p.265-266, met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM.
(16)Zie ook overweging B.11 van het arrest nr. 12/2017 van het GwH: "De bijzondere verbeurdverklaring van een zaak die gediend heeft om een misdaad of een wanbedrijf te plegen, en waarvan de veroordeelde eigenaar is, uitgesproken met toepassing van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, is op zich niet onbestaanbaar met het recht op het ongestoord genot van eigendom, dat is gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens".
(17)Cass. 3 mei 2006, AR P.06.0220.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19, AC 2006, nr. 254.
(18)Parl.St., Kamer 2017-2018, Doc 54 2753/001, p. 60-61.
(19)Ingevoerd bij artikel 55 van de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I), B.S. 8 april 2014.
(20)Ingevoerd bij artikel 2, 7° van de wet van 10 mei 2007 houdende diverse maatregelen inzake de heling en inbeslagneming, B.S. 22 augustus 2007.
(21)Parl.St. Kamer 2013-2014, Doc. 53/2934/003, p. 45.
(22)Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2, AC 2016, nr. 342. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210126.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251007.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div