← België

NV GROEP HUYZENTRUYT contra B.S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.24 Rolnummer: F.19.0103.N Zaak: NV GROEP HUYZENTRUYT contra B.S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-09-14 Raadplegingen: 920 - laatst gezien 2026-06-19 01:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.24 Fiche 1 Uit artikel 1, § 10, Btw-wetboek blijkt dat, om te kunnen vaststellen dat inzake btw sprake is van misbruik, ten eerste vereist is dat de betrokken verrichtingen, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door het Btw-wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend; ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Rechtsmisbruik - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 1, § 10 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 Ter beoordeling van het misbruik kan de rechter het abnormaal of louter artificieel karakter van de verrichte handelingen in aanmerking nemen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Rechtsmisbruik - Begrip - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 1, § 10 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.19.0103.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering Eiseres is actief als bouwonderneming en projectontwikkelaar. De artikelen 1quater tot 1sexies van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 voorzien in een tijdelijke verlaging van het BTW-tarief voor werkzaamheden in de bouw naar 6% en dat voor een periode die start op 1 januari 2009 en eindigt op 31 december 2010 (voor een eerste schijf van 50.000 euro). Om het voordeel van het verlaagd tarief te genieten, besliste eiseres bepaalde diensten die zij pas na 31 december 2010 zou verrichten, vooruit te factureren (in 2010). Krachtens artikel 38, §1, lid 2 WBTW moet het toepasselijke BTW-tarief immers worden bepaald op het ogenblik dat de BTW opeisbaar is. Krachtens artikel 22 WBTW is de BTW opeisbaar op het ogenblik dat de goederen of diensten worden geleverd, tenzij in geval van vooruitbetaling of vooruitfacturatie, in welk geval de BTW op het ogenblik van vooruitbetaling resp. vooruitfacturatie opeisbaar is. Volgens de administratie maakt een dergelijke handelswijze rechtsmisbruik in de zin van artikel 1, §10, WBTW uit, nu de enige bedoeling van deze vooruitfacturatie door eiseres er zou in bestaan te genieten van het verlaagd tarief van 6%. Het hof van beroep te Gent volgt in het bestreden arrest dd. 2 april 2019 de administratie in haar standpunt en oordeelt dat er sprake is van rechtsmisbruik in de zin van artikel 1, §10 WBTW. Eiseres komt op tegen dit arrest met een middel tot cassatie.
  2. Bespreking van het enig middel 2.
  3. Eiseres voert de schending aan van de artikelen 1, §10, 22, §2, en 38, §§1 en 3 WBTW, 1quater, 1quinquies en 1sexies KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. De overwegingen van de appelrechter dat eiseres "abnormaal" zou hebben gehandeld, dat eiseres heeft afgeweken van de primaire oorzaken van de opeisbaarheid van de BTW enkel en alleen met het oog op het toepassen van een bepaald fiscaal gunstregime en het verkrijgen van een fiscaal voordeel en dat er geen andere reden was voor de vooruitfacturatie dan het verkrijgen van een fiscaal voordeel, namelijk het voordeel van een verlaagd tarief, kunnen volgens het middel niet de beslissing wettigen dat er in casu rechtsmisbruik was. Volgens het middel zou, opdat er sprake kan zijn van rechtsmisbruik in de zin van artikel 1, §10, WBTW, het niet volstaan dat de handelingen in wezen het verkrijgen van een fiscaal voordeel tot doel hebben, maar dienen de verrichte handelingen bovendien te resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel, in strijd met de doelstelling beoogd door de betrokken maatregel, hetgeen niet het geval is nu het door eiseres beoogde fiscaal voordeel strookt met het doel gesteld door de Economische Herstelwet van 27 maart
  4. Door te beslissen dat de facturatie gebeurde in strijd met de door de wet voorziene hoofdoorzaak van de opeisbaarheid van de BTW op het ogenblik waarop de diensten worden verricht en waarop het belastbaar feit zich voordoet, dat de werkelijke bedoeling van de subsidiaire oorzaken van de opeisbaarheid van de BTW hier niet toepasselijk was en dat dit een misbruik inhoudt, zou de appelrechter artikel 1, §10, WBTW hebben geschonden. Door de verrichte facturaties te herdefiniëren zodat de situatie wordt hersteld zoals zij zou geweest zijn zonder de transacties die misbruik vormen, zou de appelrechter niet alleen artikel 1, §10, WBTW hebben geschonden, maar ook de artikelen 22, §2, en 38, §§1 en 3 WBTW, evenals de artikelen 1quater, 1quinquies en 1sexies van het KB nr. 20 van 20 juli
  5. 2.
  6. Krachtens artikel 1, §10 WBTW, zoals in casu van toepassing, is er voor de toepassing van dit Wetboek sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben. Artikel 1, §10, WBTW werd ingevoegd om het Wetboek BTW te conformeren aan de Halifax-rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. In het arrest Halifax werd meer bepaald door het Hof van Justitie beslist dat er sprake is van misbruik, ten eerste, indien de betrokken handelingen, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Zesde Richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting daarvan, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend (objectief criterium). Ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijk doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen (subjectief criterium)
(1). Om in een concreet geval te oordelen of er sprake is van misbruik kan de rechter het abnormaal of louter artificieel karakter van de verrichte handelingen in aanmerking nemen
(2). Op basis van analyse van het misbruikbegrip in de rechtspraak van het Hof van Justitie kan worden gesteld dat de Belgische wetgever in artikel 1, §10 WBTW een gelijkluidende definitie heeft opgenomen
(3). 2.3. De appelrechter diende in de onderhavige zaak de rechtsvraag te beantwoorden of eiseres rechtsmisbruik heeft gepleegd, en diende daarbij na te gaan of:
(1)de facturatie door eiseres met toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6% zoals voorzien artikel 1quater tot 1sexies KB nr. 20 vóór 31 december 2010 met betrekking tot diensten die slechts na 31 december 2010 werden verricht, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door artikel 38, §1 juncto artikel 22, §2, WBTW, ertoe leidt dat in strijd met het door artikel 38, §1 juncto artikel 22, §2, WBTW beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend, met name het verlaagd BTW-tarief van artikel 1quater tot sexies koninklijk besluit nr. 20 (onderzoek naar het objectief element);
(4)en
(2)uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van deze voortijdige facturatie erin bestaat het verlaagd BTW-tarief van 6% te verkrijgen (onderzoek naar het subjectief element). Wat het eerste aspect betreft stelt de appelrechter vast en oordeelt hij dat: * de voortijdige facturatie van nog uit te voeren werken aan het op het tijdstip van facturatie geldende BTW-tarief in beginsel is toegestaan, zelfs indien dit de BTW-belastingplichtige een fiscaal voordeel verschaft, aangezien de Koning deze subsidiaire oorzaak van de opeisbaarheid van BTW niet conform artikel 28, §3 WBTW heeft uitgesloten; * die vaststelling niet uitsluit dat misbruik kan worden gemaakt van de subsidiaire oorzaken van opeisbaarheid van BTW en de tijdelijke tariefverlaging in strijd met de doelstelling van de wetgever en dat zelfs als de belastingplichtige normconform handelt, er sprake kan zijn van rechtsmisbruik, indien zijn handelen abnormaal is; * de subsidiaire oorzaken van opeisbaarheid van BTW werden voorzien om te vermijden dat de BTW niet zou kunnen worden opgeëist hoewel reeds een deel van de prijs werd gefactureerd of betaald. * de werkelijke bedoeling van de subsidiaire oorzaken van de opeisbaarheid van de BTW hier niet toepasselijk was en werd miskend enkel en alleen om een fiscaal voordeel te verkrijgen. De appelrechter stelt vast met betrekking tot het tweede aspect dat: * eiseres, door de facturen niet uit te schrijven na de voltooiing van de diensten of de afwerking van een bepaalde bouwfase, duidelijk heeft afgeweken van haar normale en contractuele handelsgebruiken en bovendien heeft gehandeld in strijd met de concrete contracten met de klanten; * de door eiseres gehanteerde handelswijze, in die concrete context, als niet gebruikelijk en louter kunstmatig aan te merken is. Uit voormelde vaststellingen heeft de appelrechter m.i. wettig kunnen afleiden dat het wezenlijk doel van de betrokken transacties erin bestond een belastingvoordeel te verkrijgen (subjectief criterium). 2.4. De appelrechter heeft derhalve wettig beslist, enerzijds, dat de litigieuze vooruitfacturatie was gebeurd in strijd met zowel de werkelijke doelstellingen van de subsidiaire oorzaken van de opeisbaarheid van BTW en anderzijds dat eiser met die vooruitfacturatie hoofdzakelijk een fiscaal voordeel heeft nagestreefd nu blijkt dat de bedoelde vooruitfactureringen kunstmatig waren en abnormaal. Op die gronden kon de appelrechter naar mijn mening naar recht oordelen dat er sprake was van rechtsmisbruik in de zin van artikel 1, §10 WBTW waardoor de verrichte facturaties geherdefinieerd dienden te worden teneinde de situatie te herstellen zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen. Het enig middel faalt m.i. naar recht. 3. Besluit: Verwerping. _________________________
(1)HvJ, 21 februari 2006, C-255/02, Halifax, r.o. 74-76.
(2)HvJ 21 februari 2006, C-255/02, Halifax, r.o. 80-81. Zie ook o.a. HvJ 22 december 2010, C-277/09, The Commissioners for her Majesty's Revenue and Customs Ltd./RBS, r.o. 50.
(3)Zie H. VAN DEN BERGH (ed.), Btw-handboek editie 2019, Intersentia, Brussel, 2020, p. 119-123 en de verwijzingen aldaar, 125.
(4)De vraag of eiseres misbruik heeft gemaakt van artikel 1quater tot sexies koninklijk besluit nr. 20 is m.i. niet relevant. Het door eiseres aangewende middel om zich te verzekeren van een belastingvoordeel is immers de regeling inzake voorfacturatie. Het is dit middel dat moet worden getoetst op misbruik en niet artikel 1quinquies koninklijk besluit nr. 20 (het verlaagd tarief van 6%). De doelstelling van artikel 1quinquies is m.i. derhalve irrelevant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.24 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.24 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.