id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.8 Rolnummer: F.19.0030.N Zaak: B.S. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-09-14 Raadplegingen: 743 - laatst gezien 2026-06-15 04:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.8 Fiche De uitgaven van een bedrijfsleider zijn slechts aftrekbare beroepskosten van de bedrijfsleider wanneer ze inherent zijn aan zijn activiteiten als bedrijfsleider binnen de vennootschap en niet aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap; daartoe moet worden nagegaan of de uitgaven in hoofdzaak aan de bedrijfsleider dan wel aan de vennootschap ten goede komen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Vrije woorden: Bedrijfsleider - Afschrijving gebouw - Aftrekbaarheidsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.19.0030.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering De betwisting heeft betrekking op twee aanslagen in de personenbelasting die voor respectievelijk het aanslagjaar 2012 en 2013 werden gevestigd in hoofde van verweerders. Verweerders zijn beiden notaris. Zij oefenen hun beroep uit binnen een professionele vennootschap, namelijk de BVBA D. en V., waarvan zij beiden bedrijfsleiders zijn. Het notariskantoor is gevestigd in gebouwen die volledig persoonlijke eigendom zijn van verweerders. Verweerders hebben elk voor de helft het kantoorgebouw van het notariaat als beroepsactief gekwalificeerd en de afschrijvingen ervan als beroepskosten voor het bekomen van hun bedrijfsleidersbezoldiging in aftrek genomen in de personenbelasting. De fiscale administratie aanvaardde deze aftrek als beroepskost echter niet. De betwisting van de gevestigde aanvullende aanslagen resulteerde in een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 5 juni
- De appelrechter oordeelde dat de afschrijvingen wel degelijk als beroepskost in aftrek konden worden genomen, vernietigde de betwiste aanslagen en beval de herberekening ervan. Eiser komt op tegen dit arrest met een middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel 2.
- In het enig cassatiemiddel voert eiser de schending aan van het artikel 49 WIB92, de artikelen 1, 2 en 61 van het Wetboek van vennootschappen en artikel 149 van de Grondwet. Eiser laat gelden dat een bedrijfsleider overeenkomstig artikel 49 WIB92 slechts beroepskosten in mindering kan brengen als deze verband houden met de uitoefening van het mandaat van de bedrijfsleider. Het bestreden arrest heeft evenwel geen onderscheid gemaakt tussen de activiteit van de vennootschap en de activiteit van de bedrijfsleider en zou derhalve ten onrechte uitgaven hebben aanvaard welke niet inherent zijn aan de beroepsactiviteit van verweerders. Door de kosten door de bedrijfsleiders te laten dragen negeert de appelrechter de juridische werkelijkheid. Verweerders hebben immers de notarisactiviteit ondergebracht in de vennootschap, zodat alle kosten inherent aan deze activiteit tevens ten laste moeten komen van deze vennootschap; aldus eiser. 2.
- Overeenkomstig artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Uw Hof oordeelde reeds meermaals dat uit deze wetsbepaling volgt dat uitgaven kunnen worden beschouwd als aftrekbare beroepskosten wanneer ze inherent zijn aan de uitoefening van het beroep. Inzake bezoldigingen betaald aan gezinsleden oordeelde Uw Hof dat deze uitgaven slechts aftrekbare beroepskosten van de bedrijfsleider zijn wanneer ze inherent zijn aan diens activiteiten als bedrijfsleider binnen de vennootschap en niet aan de maatschappelijke activiteit van de vennootschap. Daartoe moet worden nagegaan of de activiteiten van de gezinsleden in hoofdzaak aan de bedrijfsleider dan wel aan de vennootschap ten goede komen
(1). Deze rechtspraak van Uw Hof lijkt mij van overeenkomstige toepassing te zijn op de aftrek van de afschrijvingen als beroepskost die te dezen ter discussie staat. Dit houdt in dat er voor een bedrijfsleider derhalve geen keuze bestaat om een kost in aftrek te nemen hetzij van de belastbare inkomsten in de vennootschapsbelasting hetzij van zijn bedrijfsleidersbezoldiging in de personenbelasting. Een zogenaamde hoofdzakelijkheidstoets dringt zich op om te bepalen aan welke activiteit de kost inherent is, deze van de vennootschap of deze van de bedrijfsleider. Uit de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de notarispraktijk wordt uitgeoefend middels een vennootschap en dat de opbrengsten van de notarispraktijk als belastbaar inkomen toekomen aan deze vennootschap. De afschrijvingskosten betreffende deze gebouwen waarin de notarispraktijk wordt uitgeoefend, staan aldus onmiskenbaar in een rechtstreeks verband met het verkrijgen of te behouden van belastbare inkomsten van de vennootschap. Daar deze rechtstreekse band ontbreekt bij de bedrijfsleiders, die het verworven inkomen uit de notarispraktijk slechts gedeeltelijk en in secundaire orde verwerven onder de vorm van bedrijfsleidersbezoldigingen, meen ik dat de afschrijvingskosten in hoofdzaak aan de vennootschap ten goede komen en zij inherent zijn aan de activiteit van de vennootschap en niet aan de bezoldigde activiteit van verweerders als bedrijfsleiders. Dat verweerders een indirect economisch belang hebben bij de kost doordat zij werkzaam zijn als bedrijfsleider in het gebouw ten behoeve van de vennootschap en uit de vennootschap bedrijfsleidersbezoldigingen ontvangen (zelfs, in gevolge het attractiebeginsel, deels ter vergoeding van operationele activiteiten), maakt nog niet dat deze kosten inherent zijn aan hun activiteit als bedrijfsleider. Verweerders genieten een wettelijke categorie van inkomsten, onderscheiden van die van de vennootschap, die, voor wat de toepassing van artikel 49 WIB92 betreft, tot een eigen finaliteitsbeoordeling noopt in functie van die categorie van inkomsten. (...) In zoverre komt het middel mij gegrond voor. De overige grieven kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden. 3. Besluit: Vernietiging __________________
(1)Cass. 23 november 2018, AR F.17.0082.N, AC 2018, nr. 662, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181123.3; Cass. 25 januari 2019, AR F.17.0058.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 21 september 2017, AR F.16.0142.N, AC 2017, nr. 493, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170921.4; Cass. 7 april 2016, AR F.14.0088.N, AC 2016, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.4, met concl. van advocaat-generaal Thijs, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160407.4. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.4 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160407.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170921.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181123.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div