id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 februari 2021
Art. 187
, §§ 4, 5, 6 en 7 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Samenloop tussen hoger beroep en verzet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, §§ 4, 5, 6 en 7 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.20.0862.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
- Eiser werd gedagvaard voor de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, om te verschijnen op 15 mei 2019 uit hoofde van de telastlegging van op 10 april 2019, te Genk, opzettelijke slagen en verwondingen met een tijdelijke ongeschiktheid tot gevolg (art. 399 Sw.) te hebben toegebracht aan C.R.. Ook werd de staat van wettige herhaling weerhouden gelet op de veroordeling door het hof van beroep te Antwerpen van 12 maart 2015 tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Op 15 mei 2019 werd de zaak bij verstek behandeld en eiser werd bij vonnis van 12 juni 2019 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden en een geldboete van 100 euro of een vervangende gevangenisstraf van 30 dagen, alsmede tot de kosten, de bijdrage aan het Bijzonder Fonds, de bijzondere vergoeding alsmede de Salduz-bijdrage. De staat van herhaling werd als niet bewezen beschouwd. Dit verstekvonnis werd op 14 juni 2019 bij toepassing van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek, tweede lid, betekend door openbaar ministerie aan openbaar ministerie.
- De eiser tekent op 9 augustus 2019 verzet aan tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 en de zaak wordt op verzet behandeld op 19 augustus 2019, waarbij niemand zich aanbiedt. Bij vonnis van 26 augustus 2019 van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, op verzet en opnieuw bij verstek, wordt het verzet als tijdig en ontvankelijk beoordeeld maar wordt het in toepassing van artikel 187, §6, 2°, Wetboek van Strafvordering, als ongedaan beschouwd. Dit vonnis wordt op 12 september 2019 door de directeur van de gevangenis te Hasselt aan de eiser, die sedert 13 juni 2019 in het kader van een ander dossier werd aangehouden, betekend
(1). Er kan worden opgemerkt dat er tegen het vonnis van 26 augustus 2019 (op verzet en bij verstek) geen hoger beroep werd aangetekend.
- Op 20 augustus 2019 wordt er hoger beroep aangetekend tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 en de zaak wordt ingeleid op de zitting van 5 december 2019 waar er conclusietermijnen worden vastgelegd en de behandeling wordt vastgesteld op 30 april
- Aangezien er op die datum, ingevolge de coronatoestand, geen zitting wordt gehouden, wordt de zaak uitgesteld op 18 juni
- Op de zitting van 18 juni 2020 werpt het hof van beroep ambtshalve een mogelijk probleem op in verband met de ontvankelijkheid van het hoger beroep en wordt de zaak in voortzetting gesteld op de zitting van 24 juni 2020 om de verdediging toe te laten hierover standpunt in te nemen. Op de zitting van 24 juni 2020 vraagt de verdediging uitstel om vooralsnog te concluderen over de regelmatigheid van de betekening op 14 juni 2019 door OM aan OM van het verstekvonnis van 12 juni 2019
(2)(zie arrest p.4, 4.4 en het proces-verbaal van de zitting van 24 juni 2020). Na beraadslaging wijst het hof van beroep het verzoek tot uitstel af en wordt de zaak behandeld en voor uitspraak gesteld op 15 juli
- Op 15 juli 2020 verklaart het hof van beroep te Antwerpen het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk. Het cassatieberoep is gericht tegen dit arrest. II .ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
- Eiser in cassatie voert één middel aan, met name de schending van artikel 203, §1, Wetboek van Strafvordering omdat het arrest het hoger beroep dat de eiser op 20 augustus 2019 heeft aangetekend tegen het bij verstek gewezen vonnis van 12 juni 2019 ten onrechte niet ontvankelijk zou hebben verklaard. De eiser houdt staande dat geen enkele wetsbepaling hem verbiedt om tegen dit vonnis zowel verzet als hoger beroep aan te tekenen, waarbij het volstond dat het hoger beroep werd ingesteld binnen de dertig dagen na de betekening van het verstekvonnis aan de eiser of aan zijn woonplaats. Tevens stelt hij dat hij op het ogenblik van het aantekenen van het hoger beroep onmogelijk kon weten dat zijn verzet bij vonnis van 26 augustus 2019 ontvankelijk maar ongedaan zou worden verklaard.
- Het lijkt me niet onbelangrijk de problematiek in onderhavige zaak duidelijk af te bakenen, temeer daar de memorie van de eiser terzake mijns inziens enige onduidelijkheid laat bestaan. Waar eiser op pagina 4 van zijn memorie lijkt te suggereren dat er een buitengewone termijn van hoger beroep zou bestaan, zou hieruit desgevallend kunnen worden afgeleid dat de tijdigheid van het hoger beroep hier ter discussie zou staan, ingevolge een mogelijke betwisting aangaande de betekening op 14 juni 2019 van het verstekvonnis van 12 juni
- Dit lijkt mij evenwel niet het geval te zijn. Alhoewel uit het arrest van het hof van beroep te Antwerpen (p. 4, 4.4) en uit de hierboven weergegeven vermeldingen op het zittingsblad van 24 juni 2020 alsmede uit de memorie van de eiser kan blijken dat er twijfels bestaan over de regelmatigheid van die betekening, kan uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan niet worden afgeleid dat deze problematiek ook werd behandeld en bevat het dossier ook geen elementen die uitsluitsel zouden kunnen geven over de al dan niet regelmatigheid van de betekening en de gevolgen daarvan op de (laat)tijdigheid van het hoger beroep. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest het beroep onontvankelijk heeft verklaard wegens laattijdigheid berust het dan ook op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het argument van het hof van beroep te Antwerpen om het hoger beroep tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 niet-ontvankelijk te verklaren is dat wanneer twee rechtsmiddelen worden aangewend tegen hetzelfde vonnis, rechtsgevolg wordt verleend aan het rechtsmiddel dat het eerst is ingesteld, op voorwaarde dat het ontvankelijk is. In casu werd het verzet tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 weliswaar ongedaan verklaard maar een ongedaan verzet impliceert wel degelijk de ontvankelijkheid ervan. Daaruit volgt dan ook volgens het hof van beroep dat de beklaagde die een ontvankelijk verklaard verzet heeft aangetekend tegen een verstekvonnis, nadien tegen datzelfde verstekvonnis geen ontvankelijk hoger beroep kan aantekenen. De problematiek die hier ter sprake wordt gebracht is die van van de samenloop van de rechtsmiddelen van verzet en van hoger beroep en het is een materie die reeds geruime tijd aandacht heeft gekregen in de rechtspraak en rechtsleer.
- R. HAYOIT DE TERMICOURT schrijft in zijn studie over het verzet dat een verstekdoende partij weliswaar de keuze heeft tussen de rechtsmiddelen van verzet en hoger beroep, maar dat de keuze voor het ene het verzaken aan het andere impliceert
(3). Hij overloopt dan de verschillende gevallen van cumul van deze rechtsmiddelen waarbij hij een onderscheid maakt tussen een gelijktijdig of een opeenvolgend gebruik ervan. Met betrekking tot het hoger beroep ingesteld na het verzet tegen een verstekvonnis is hij van oordeel dat in principe dit beroep niet ontvankelijk is en dat hoger beroep enkel mogelijk is tegen het vonnis uitgesproken op het verzet
(4). Hij maakt evenwel een uitzondering voor de hypothese waarin het hoger beroep tegen het verstekvonnis werd ingesteld nadat het verzet daartegen niet ontvankelijk werd verklaard, omdat een dergelijke handeling, die noch het gerecht in beroep noch de eerste rechter kan vatten, geen keuze en geen verzaking kan impliceren
(5). Gaat het om een gelijktijdig gebruik van de rechtsmiddelen is hij de mening toegedaan dat hieruit geen verzaking kan worden afgeleid en dat de voorrang dient te worden gegeven aan het verzet, vermits de betrokkene nadien tegen het vonnis op verzet nog beroep kan aantekenen
(6). Ook R. DECLERCQ
(7)deelt die opvatting en verwijst daarbij naar het cassatiearrest van 16 maart 2010
(8)dat stelt dat wanneer dezelfde partij én verzet én hoger beroep instelt tegen een verstekvonnis, enkel rechtsgevolg wordt toegekend aan het rechtsmiddel dat het eerst werd ingesteld, op voorwaarde dat het ontvankelijk is en dat het ontvankelijk verklaren van het verzet tot gevolg heeft dat het hoger beroep geen voorwerp meer heeft. Uit deze klassieke leer kunnen dus de volgende principes worden afgeleid met betrekking tot het gelijktijdig of opeenvolgend gebruik van de rechtsmiddelen van verzet en hoger beroep: *) voorrang voor het eerst ingestelde rechtsmiddel op voorwaarde van ontvankelijkheid; **) voorrang voor het verzet ingeval van gelijktijdig gebruik van de rechtsmiddelen; ***) een ontvankelijk verklaard verzet impliceert dat het hoger beroep tegen de verstekbeslissing niet ontvankelijk is, vermits daardoor deze beslissing van rechtswege wordt vernietigd
(9). Deze principes worden ook in de meer recente rechtsleer vooropgesteld en zijn niet betwist
(10). 8. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat in de voorliggende casus de situatie toch verschillend is, vermits het verzet hier als ongedaan wordt beschouwd. Het hof van beroep te Antwerpen stelt hierover: "Het feit dat het verzet ongedaan werd verklaard omdat de beklaagde als verzetdoende partij niet is verschenen, houdt in dat het verzet ontvankelijk was. Het hoger beroep van een beklaagde tegen een verstekvonnis waartegen hij voordien ontvankelijk verzet heeft aangetekend is niet ontvankelijk." Het hof van beroep maakt hier dus toepassing van het hierboven onder ***) uiteengezette principe, maar de vraag is of dat terzake wel juist is wanneer het gaat om een ongedaan verzet. De klassieke leer heeft de hypothese van het ongedaan verzet ook in ogenschouw genomen. Zo stelt R. HAYOIT DE TERMICOURT in zijn reeds aangehaalde studie dat het verzet dat als ongedaan wordt beschouwd impliceert dat het ontvankelijk was
(11)maar ook inhoudt dat hier wel degelijk een valabele keuze tussen de rechtsmiddelen werd gemaakt door de betrokken partij zodat het hoger beroep tegen het verstekvonnis niet ontvankelijk is en hoger beroep enkel openstaat tegen het vonnis dat het verzet ongedaan verklaart
(12). 9. Dit standpunt werd ook bijgetreden in de rechtspraak, met name in de arresten van het Hof van Cassatie van 7 april 1987
(13)en 2 oktober 2007
(14)en het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 oktober 2009
(15). Voor de duidelijkheid bespreek ik heel kort de toedracht in deze drie zaken.
- a)Het eerste arrest van 7 april 1987 betrof een veroordeling bij verstek waartegen de beklaagde verzet aantekende, maar waarbij dit verzet wegens niet-verschijning ongedaan werd verklaard. De beklaagde tekende nadien hoger beroep aan tegen het oorspronkelijke verstekvonnis, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard gelet op het ongedaan verklaarde verzet. Naderhand tekende hij nog laattijdig beroep aan tegen het vonnis op verzet en tenslotte nog eens een nieuw verzet tegen het oorspronkelijk verstekvonnis, die beiden onontvankelijk werden verklaard.
- b)Het arrest van 2 oktober 2007 betrof opnieuw een beslissing bij verstek waartegen de betrokkene verzet aantekende dat wegens zijn afwezigheid ongedaan werd verklaard. Tegen het vonnis op verzet tekende hij hoger beroep aan, maar dit beroep werd niet ontvankelijk verklaard. Het Hof van Cassatie vernietigde deze beslissing.
- c)Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 oktober 2009 tenslotte betrof een veroordeling bij verstek waartegen verzet werd gedaan dat ongedaan werd verklaard wegens afwezigheid. Het beroep tegen het oorspronkelijk verstekvonnis werd niet ontvankelijk verklaard. De principes die uit deze rechtspraak kunnen worden afgeleid zijn: *) Het hoger beroep van een beklaagde tegen een verstekvonnis waartegen hij een ontvankelijk verzet heeft ingesteld, dat ongedaan werd verklaard, is niet ontvankelijk. **) Het hoger beroep van een beklaagde tegen het vonnis op verzet dat zijn verzet wegens niet-verschijning ongedaan verklaart is ontvankelijk. ***) Wanneer een beklaagde bij verstek werd veroordeeld en zijn verzet daartegen wegens niet-verschijning ongedaan is verklaard, is een nieuw verzet tegen de oorspronkelijke verstekbeslissing niet ontvankelijk. 10. Twee arresten lijken hier op het eerste zicht van af te wijken, maar een nadere studie ervan toont aan dat dit niet het geval is. Er is vooreerst een arrest van het Hof van Cassatie van 6 juni 1995
(16)dat met betrekking tot een ongedaan verzet als volgt besliste: "Wanneer het verzet ongedaan wordt verklaard wegens het niet-verschijnen van de verzetdoende partij, houdt die beslissing weliswaar in dat het verzet ontvankelijk was, doch niet dat het vonnis waartegen verzet was ingesteld teniet is gegaan; dat integendeel het niet-verschijnen van de opposant op zijn verzet tot gevolg heeft dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd, dit wil zeggen dat het als vervallen wordt beschouwd met als gevolg dat het verstekvonnis waartegen het verzet was gericht onaangetast blijft. Hieruit volgt dat het hoger beroep dat tegen het verstekvonnis was ingesteld niet zonder voorwerp wordt." Dit lijkt met name in te druisen tegen het hierboven sub *) aangehaalde principe, maar bij lezing blijkt dat de appelrechters hier ten onrechte het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk hadden verklaard op grond van de redenering dat impliciet de ontvankelijkheid van het verzet was aangenomen en dus het vonnis was tenietgedaan. Het tweede arrest is een cassatiearrest van 18 november 2003
(17)dat betrekking heeft op een persoon die bij verstek wordt veroordeeld tot een geldboete wegens inbreuken op de verkeerswetgeving. Tegen dat verstekvonnis tekent het openbaar ministerie hoger beroep aan, terwijl de beklaagde er verzet tegen aantekent. Het verzet wordt ongedaan verklaard wegens niet-verschijning van de opposant en hiertegen tekent de beklaagde dan hoger beroep aan. De appelrechters verklaren de beide beroepen ontvankelijk en veroordelen uiteindelijk de beklaagde tot een zwaardere straf. Beklaagde tekende hiertegen cassatieberoep aan met als middel dat verzet tegen het verstekvonnis weliswaar ongedaan werd verklaard maar dat dit de ontvankelijkheid ervan impliceerde zodat het verstekvonnis teniet werd gedaan en het hoger beroep geen voorwerp meer had. Het Hof verwerpt deze stelling op basis van dezelfde argumentatie als in het arrest van 6 juni 1995. 11. De essentie van het debat ligt in het feit dat er een verschil is qua gevolgen al naargelang het verzet ontvankelijk, niet-ontvankelijk of ongedaan wordt verklaard. Wanneer het verzet ontvankelijk is wordt de veroordeling bij verstek voor niet bestaande gehouden
(18)en zal de rechter opnieuw de grond van de strafvordering dienen te beoordelen. Wanneer het verzet niet-ontvankelijk is dient de rechter vast te stellen dat de beslissing bij verstek al haar effect zal ressorteren, maar de rechter mag de grond van de zaak noch het vonnis bij verstek beoordelen
(19). Het ongedaan verzet heeft enerzijds hetzelfde gevolg als een niet-ontvankelijk verzet, met name dat de verstekbeslissing blijft bestaan, maar anderzijds veronderstelt het ongedaan verklaren van het verzet dat het - vaak trouwens impliciet - ontvankelijk wordt verklaard
(20). Het verzet is dus wel ontvankelijk maar het leidt, wegens de negatieve proceshouding van de beklaagde, niet tot een nieuw proces en het is dus eigenlijk een procedurele sanctie
(21). Deze kwestie lijkt me in de afgelopen jaren aan belang te hebben gewonnen nu met name de wet van 5 februari 2016, de zogenaamde Potpourri II-wet
(22), de materie van het verstek en verzet in strafzaken grondig heeft aangepast en inzonderheid de mogelijkheden om een verzet ongedaan te verklaren toch gevoelig heeft uitgebreid. En het komt me voor dat deze omstandigheid ook heeft meegespeeld in de kentering die zich zal voordoen in de rechtspraak. 12. Ik verwijs hier met name naar het arrest van het Hof van Cassatie van 25 januari 2017
(23). In deze zaak was de eiser veroordeeld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, tot een gevangenisstraf van 4 jaar met onmiddellijke aanhouding. Hij tekende op 30 juni 2016 in de gevangenis verzet aan tegen dit verstekvonnis en zijn raadsman stelde op 1 juli 2016 ook nog eens hoger beroep in tegen datzelfde vonnis bij verstek. Het openbaar ministerie stelde op zijn beurt hoger beroep in op 5 juli 2016 tegen het verstekvonnis. Op 7 juli 2016 verklaarde de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, dat het verzet, in toepassing van artikel 187, §6, Wetboek van Strafvordering, ongedaan was en dat de hogere beroepen van de beklaagde en van het openbaar ministerie zonder voorwerp waren geworden. Het Hof van Cassatie vernietigde deze beslissing op basis van een ambtshalve middel wegens schending van de artikelen 187, §4 en 6, 199, 2020, 203 en 203bis, Wetboek van Strafvordering, en ik ben de mening toegedaan dat deze beslissing dient te worden bijgetreden. Artikel 187, §4, Wetboek van Strafvordering, zoals het werd gewijzigd door de hogervermelde wet van 5 februari 2016, stelt dat ten gevolge het verzet de veroordeling voor niet bestaande wordt gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in de paragrafen 5 tot 7. Paragraaf 5 heeft betrekking op het onontvankelijk verzet, terwijl paragraaf 7 de afstand of de beperking van het verzet beoogt. Paragraaf 6 heeft betrekking heeft op het ongedaan verzet, dat de zwaartekracht vormde van de hervorming door Potpourri II van de regels inzake het verzet
(24)en inzonderheid paragraaf 6, 2° van dat artikel met betrekking tot het nogmaals verstek laten gaan is van belang voor onze problematiek.
- De essentie ligt hierin dat een ongedaan verzet de ontvankelijkheid ervan impliceert, maar dat het niet tot gevolg heeft dat de vesrstekbeslissing tenietgaat maar wel integendeel dat deze verstekbeslissing herleeft en volle uitwerking geniet. Vanaf het ogenblik dat een beslissing blijft bestaan lijkt het mij vrij logisch dat het beroep daartegen dan ook ontvankelijk is. Men zou daartegen kunnen inbrengen dat het hoger aangehaalde karakter van procedurele sanctie hierdoor teniet wordt gedaan, maar die sanctie slaat uiteraard op het rechtsmiddel van het verzet en niet op dat van het hoger beroep. Men kan zich ook de vraag stellen of een hoger beroep tegen de oorspronkelijke beslissing op verstek, nadat het verzet daartegen ongedaan werd verklaard, wel mogelijk moet zijn nu er in de nieuwe regeling een mogelijkheid is om de zaak in haar geheel door een beroepsinstantie te laten beslechten, met name het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen het vonnis dat het verzet ongedaan verklaart (art. 187, §9, 2°). Sluit deze nieuwe regeling een hoger beroep tegen de oorspronkelijke beslissing uit? Ik ben de mening toegedaan dat dit niet het geval is want mocht dit de wil geweest zijn van de wetgever, dan had hij dit mijns inziens duidelijk in de wet kunnen laten opnemen, zoals hij het gedaan heeft voor de hypothese waarin er eerst een ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld en nadien een verzet tegen dezelfde beslissing. In dat laatste geval heeft de wetgever uitdrukkelijk bepaald (art. 187, §5, 3°) dat alsdan het verzet niet ontvankelijk is. A contrario zou men dus uit de omstandigheid dat de omgekeerde hypothese (eerst verzet, dan hoger beroep) niet wordt uitgesloten kunnen afleiden dat zij wel degelijk mogelijk is.
- Daarenboven wil ik ook verwijzen naar de eensluidende conclusie van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 25 januari
- Hij meent met name dat het zou getuigen van een overdreven formalisme om in de gegeven omstandigheden (zie supra 12) - die quasi identiek zijn aan deze van onze casus - te eisen dat de partij die verzet aantekende dat ongedaan werd verklaard ook tegen dat vonnis hoger beroep zou aantekenen. Ik meen dat deze stellingname moet worden bijgetreden. Er dient hier te worden gewezen op het feit dat het EHRM toch vrij streng is wanneer het gaat om formalistische bepalingen die het gebruik van rechtsmiddelen zouden kunnen beperken en aldus een aantasting uitmaken van het recht op toegang tot de rechter en zouden indruisen tegen artikel 6.1 EVRM
(25). Men zou hier tegen kunnen inbrengen dat de wet, na Potpourri II, uitdrukkelijk dit rechtsmiddel voorziet zodat men moeilijk zou kunnen stellen dat het gebruik maken van een door de wet aangeboden rechtsmiddel excessief formalisme kan uitmaken. Anderzijds is het echter zo dat het niet zeer logisch overkomt om een partij die er bewust voor kiest bij haar verzet tegen een verstekvonnis opnieuw verstek te laten gaan, te verplichten om een rechtsmiddel tegen de beslissing die dat verzet ongedaan verklaart in te stellen, terwijl die beslissing ingevolge haar proceshouding volkomen terecht is en zij er dus geen grief heeft tegen in te brengen, temeer dat zij al beroep had ingesteld tegen de oorspronkelijke verstekbeslissing. Het is dus zo dat in de gegeven omstandigheden de verzetdoende partij die opnieuw verstek laat gaan over twee mogelijkheden beschikt om de zaak in haar integraliteit voor te leggen aan het appelgerecht: ofwel door een hoger beroep tegen het oorspronkelijke verstekvonnis ofwel door een hoger beroep tegen het vonnis dat het verzet ongedaan verklaart. Het feit dat daardoor die partij kan kiezen tussen deze twee hogere beroepen lijkt me niet echt een probleem te zijn gelet op het identieke gevolg dat deze beide beroepsmogelijkheden hebben.
- Samenvattend kan aldus gesteld worden dat artikel 187, §4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ten gevolge van het verzet de veroordeling bij verstek voor niet bestaande wordt gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in paragrafen 5 tot
- Paragraaf 6 heeft betrekking op het geval waarin het verzet als ongedaan wordt beschouwd. Wanneer het verzet bij toepassing van artikel 187, §6, Wetboek van Strafvordering als ongedaan wordt beschouwd, blijft de veroordelende beslissing bij verstek bestaan. Het na het verzet aangetekende hoger beroep tegen die beslissing behoudt dan ook zijn voorwerp, ook al werd dit hoger beroep ingesteld vóór er uitspraak werd gedaan over het verzet. Hieruit volgt dat het gerecht in hoger beroep, dat kennisneemt van een regelmatig ingesteld hoger beroep tegen het verstekvonnis waartegen verzet werd aangetekend dat ongedaan werd verklaard, uitspraak moet doen over de zaak zelf binnen de grenzen van de grieven die in het bij artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verzoekschrift worden aangevoerd. Door eisers hoger beroep tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 niet ontvankelijk te verklaren omdat de eiser tegen datzelfde vonnis een ontvankelijk verzet had aangetekend dat evenwel ongedaan werd verklaard, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. III. CONCLUSIE. Ik concludeer dan ook tot de vernietiging van het arrest met verwijzing. ______________________________
(1)Deze betekening blijkt uit de stukken die gevoegd zijn aan het andere dossier P.20.0863.N.
(2)Het zittingsblad geeft de motivering aan van het verzoek tot uitstel: "...daar de verdediging pas op heden kennis heeft gekregen van het feit dat de beklaagde op 13 juni 2019 werd aangehouden in een ander dossier en dat het bestreden vonnis toch werd betekend door het Openbaar ministerie aan het openbaar ministerie op 14 juni 2019".
(3)R. HAYOIT DE TERMICOURT, "Etude sur l'opposition aux décisions rendues par les juridictions correctionnelles et les tribunaux de police", RDP 1932, p. 993, nr. 56.
(4)o.c., p. 994, nr. 56.
(5)Hij stelt het als volgt: "L'on ne peut considérer comme démonstratif d'un choix exercé entre les juridictions compétentes pour connaître d'une cause et comme une renonciation à saisir l'une de ces juridictions, un acte qui n'a pu en saisir aucune".
(6)o.c., pp. 995-996, nr. 61.
(7)R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, p. 1447, nrs. 3736-3737.
(8)Cass. 16 maart 2010, AR P.09.1837.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100316.6, AC 2010, nr. 187, T. Strafr. 2010/04, 208-209.
(9)Cass. 7 december 2016, AR P.16.0650.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161207.2, AC 2016, nr. 701 met concl van advocaat-generaal M. NOLET de BRAUWERE op datum in Pas. Er kan opgemerkt worden dat in het arrest van 16 maart 2010 de term 'zonder voorwerp' wordt gebruikt voor het hoger beroep.
(10)O. MICHIELS, L'opposition en procédure pénale, Brussel, Larcier, 2004, p. 116; B. DE SMET, "Samenloop van verzet en hoger beroep", noot onder Antwerpen, 14 oktober 2009, RW, 2010-2011, p.65-68; M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY et D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Bruxelles, La Charte, 2017, pp. 1530-1532.
(11)o.c., pp. 864-866, nr. 56.
(12)o.c., pp. 993-994 nr. 58.
(13)Cass. 7 april 1987, AR nr. 1283, AC 1987, nr. 475.
(14)Cass. 2 oktober 2007, AR P.07.0701.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.3, AC 2007, nr. 447.
(15)Antwerpen, 14 oktober 2009, R.W., 2010-2011 met noot van B. DE SMET, "Samenloop van verzet en hoger beroep", p.65-68.
(16)Cass. 6 juni 1995, AR P.95.0369.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950606.16, AC 1995, nr. 277, RW 1995-1996, 568-569 met noot van L. VAN OVERBEKE, "Gevolgen van het ongedaan verklaren van het verzet", AJT 1995-96, 437-439, met noot van P. TRAEST, "De gevolgen en de betekenis van het ongedaan verzet".
(17)Cass. 18 november 2003, AR P.03.0937.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18, AC 2003, nr. 576.
(18)R. DECLERCQ, o.c., pp. 1431-1434F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch Strafprocesrecht, die Keure, 2017, pp. 265-266; Cass. 7 december 2016, AR P.16.0650.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161207.2, AC 2016, nr. 701 met concl van advocaat-generaal M. Nolet de Brauwere op datum in Pas.
(19)M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY et D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Bruxelles, La Charte, 2017, pp. 1473-1474; B. DE SMET, Verstek en verzet in strafzaken, CABG 2020, Intersentia, pp. 129-131.
(20)"La déchéance de l'opposition du prévenu en matière correctionnelle", noot (niet getekend) onder Cass. 12 februari 2003, RDP 2003, p. 918.
(21)B. DE SMET, o.c., pp. 139 e.v.
(22)Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 19 februari 2016; A. WINANTS, "Potpourri II: de nieuwe regels inzake verstek en verzet in strafzaken", NC 2016, 333-339; A. WINANTS, "Verzet in strafzaken na het arrest van het grondwettelijk Hof van 21 december 2017, " NC 2018, 38-43.
(23)Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1126.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9, AC 2017, nr. 55 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., T. Strafr. 2018/6, 363 met noot van E. DE BOCK, "Samenloop van verzet en hoger beroep door eenzelfde partij in strafzaken".
(24)Zie A. WINANTS, "Potpourri II: de nieuwe regels inzake verstek en verzet in strafzaken", NC 2016, 333-339, inz. 336-338.
(25)EHRM, Pérez de Rada Cavanilles t. Spanje, 28 oktober 1998; EHRM, Kaufmann t. Italië, 19 mei 2005; EHRM, Guérin t. Frankrijk, 29 juli 1998;EHRM, Regalova t. Tjechië, 3 juli 2008. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210202.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950606.16 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100316.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161207.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div