← België

Z.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210209.2N.6 Rolnummer: P.20.1093.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2021-02-11 Raadplegingen: 1007 - laatst gezien 2026-06-18 21:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.6 Fiches 1 - 3 Uit de omstandigheid dat de mededeling door de uitkeringsgerechtigde aan zijn verzekeringsinstelling dat hij een beroepsactiviteit heeft hervat, hem zou verplichten om de inkomsten van zijn criminele activiteit op te nemen in zijn belastingaangifte, volgt niet dat hij met zijn op grond van artikel 66 KB 20 juli 1971 verplicht af te leggen verklaring zichzelf incrimineert, noch dat uit dit feitelijk gegeven kan worden afgeleid dat het om een criminele activiteit gaat

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Wetens en willens nalaten of weigeren een verplichte verklaring af te leggen om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen - Invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen - Inkomsten van een criminele activiteit - Verplicht bericht van werkhervatting - Inhoud van de informatieplicht - Zwijgrecht - Afleggen van een belastende verklaring - Grens Wettelijke bepalingen: KB van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten - 20-07-1971 - Art. 66 - 01 ELI link Pub nr 1971072008 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Zwijgrecht - Afleggen van een belastende verklaring - Wetens en willens nalaten of weigeren een verplichte verklaring af te leggen om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen - Invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen - Uitoefenen van een criminele activiteit - Verplicht bericht van werkhervatting - Inhoud van de informatieplicht - Grens Wettelijke bepalingen: KB van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten - 20-07-1971 - Art. 66 - 01 ELI link Pub nr 1971072008 Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING Vrije woorden: Wetens en willens nalaten of weigeren een verplichte verklaring af te leggen om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen - Invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen - Inkomsten van een criminele activiteit - Verplicht bericht van werkhervatting - Inhoud van de informatieplicht - Zwijgrecht - Afleggen van een belastende verklaring - Grens Wettelijke bepalingen: KB van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten - 20-07-1971 - Art. 66 - 01 ELI link Pub nr 1971072008 Fiches 4 - 6 Krachtens artikel 66, eerste lid, 2°, KB 20 juli 1971 moet de uitkeringsgerechtigde binnen de twee dagen aan zijn verzekeringsinstelling de hervatting kenbaar maken van een beroepsbezigheid; deze verplichting geldt zowel voor een gedeeltelijke als een volledige hervatting van een beroepsbezigheid; de gerechtigde is daarbij niet verplicht mede te delen welke beroepsactiviteit hij heeft hervat; de omstandigheid dat die informatie nodig kan zijn indien de gerechtigde, bij toepassing van de artikelen 23 en 23bis KB 20 juli 1971 toelating wil vragen om tijdens een periode van invaliditeit een bepaalde beroepsactiviteit te hervatten met behoud van de uitkering en dat dit tot gevolg kan hebben dat hij incriminerende verklaringen aflegt, ontslaat hem niet van de met artikel 66, eerste lid, 2°, KB 20 juli 1971 opgelegde verplichting waarvoor hij geen incriminerende verklaringen moet afleggen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Wetens en willens nalaten of weigeren een verplichte verklaring af te leggen om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen - Invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen - Hervatten van een beroepsactiviteit - Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid - Meedelen van gegevens over de aard van de beroepsactiviteit - Inkomsten van een criminele activiteit - Afleggen van een potentieel incriminerende verklaring Wettelijke bepalingen: KB van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten - 20-07-1971 - Artt. 23 en 23bis - 01 ELI link Pub nr 1971072008 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Zwijgrecht - Wetens en willens nalaten of weigeren een verplichte verklaring af te leggen om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen - Invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen - Hervatten van een beroepsactiviteit - Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid - Meedelen van gegevens over de aard van de beroepsactiviteit - Inkomsten van een criminele activiteit - Afleggen van een potentieel incriminerende verklaring Wettelijke bepalingen: KB van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten - 20-07-1971 - Artt. 23 en 23bis - 01 ELI link Pub nr 1971072008 Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING Vrije woorden: Wetens en willens nalaten of weigeren een verplichte verklaring af te leggen om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen - Invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen - Hervatten van een beroepsactiviteit - Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid - Meedelen van gegevens over de aard van de beroepsactiviteit - Inkomsten van een criminele activiteit - Afleggen van een potentieel incriminerende verklaring Wettelijke bepalingen: KB van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten - 20-07-1971 - Artt. 23 en 23bis - 01 ELI link Pub nr 1971072008 Tekst van de conclusie P.20.1093.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: "De verplichte mededeling van een beroepsactiviteit om een invaliditeitsuitkering te behouden (art. 233, § 1 Sociaal Strafwetboek). Geldt deze plicht ook bij een criminele activiteit?" 1. Verloop rechtspleging 1. Eiser geniet na een beroepsactiviteit van 10 jaar als zelfstandige van een volledige invaliditeitsuitkering, vanaf maart 2012. Op 26 maart 2018 werd eiser veroordeeld wegens feiten van invoer, opslag en verkoop van cannabis. Uit het veroordelend vonnis, gevoegd aan dit dossier van sociaal strafrecht, bleek dat eiser als koerier betrokken was bij de uitvoer van aanzienlijke hoeveelheden cannabis van Marokko naar Spanje, in de periode van 16 augustus 2015 tot 15 maart 2017
(1). De veroordeling van 26 maart 2018 wegens drughandel is definitief.
  1. Op basis van deze veroordeling stelde de arbeidsauditeur te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, een strafvordering in wegens sociaalrechtelijke inbreuken, strafbaar met een sanctie van niveau 4: A. ...in de periode van 16 augustus 2015 tot en met 15 maart 2017 (eenieder) die wetens en willens nagelaten of geweigerd heeft om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden (inbreuk op art. 233, eerste lid, Sociaal Strafwetboek). B. ...in de periode van 16 augustus 2015 tot en met 15 maart 2017 Wetens en willens een sociaal voordeel bekomen hebben waarop men geen of slechts gedeeltelijk recht heeft ingevolge een verklaring bedoeld bij artikel 233, eerste lid, §1, 1° van het Sociaal Strafwetboek, het nalaten of het weigeren van het afleggen van een verklaring of het verstrekken van inlichtingen bedoeld bij artikel 233, eerste lid, §1, 2° van hetzelfde wetboek of met een akte bedoeld bij de artikelen 232 en 235 van dat wetboek (inbreuk op art. 233, eerste lid, §1, 3° Sociaal Strafwetboek).
  2. De correctionele rechtbank van West-Vlaanderen, afd. Brugge, sprak op 11 oktober 2019 eiser vrij van beide telastleggingen. De rechtbank stelde: "Naar het oordeel van de rechtbank staat de door artikel 233 Sociaal Strafwetboek gesanctioneerde verplichting een uitbetalingsinstelling op de hoogte te brengen van een economisch, rendabele activiteit en/of de inkomsten hieruit haaks op het zwijgrecht in de zin van art. 6 EVRM, wanneer het bekendmaken van deze activiteit en/of de inkomsten eruit gegenereerd realistisch gezien een inherente en noodzakelijke zelfincriminerende verklaring uitmaakt, zoals in casu".
  3. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld en een omstandig grievenformulier ingediend. De appelrechters namen op 1 oktober 2020 aan dat eiser in die periode van vastgestelde inbreuken op de Drugswet "beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend waardoor hij niet langer als arbeidsongeschikt kon worden beschouwd in de zin van artikelen 19 en 20 KB van 20 juli 1971" (p. 10).
  4. Het hof van beroep te Gent heeft, met de vereiste eenparigheid van stemmen, eiser veroordeeld tot een geldboete van 600 euro op grond van vermelde sociaalrechtelijke inbreuken. Tevens veroordeelde het hof van beroep te Gent hem ambtshalve tot het terugbetalen van ten onrechte ontvangen uitkeringen aan het ziekenfonds LOZ, op basis van art. 236 Sociaal Strafwetboek (voor een bedrag van 17.301,54 euro ).
  5. De verplichte mededeling over het hervatten van een beroepsactiviteit
  6. In een eerste middel voert eiser aan dat hij niet kan worden gestraft omdat hij heeft nagelaten de verzekeringsinstelling (LOZ) op de hoogte te brengen van zijn druggerelateerde feiten, aangezien de overheid geen druk op een verdachte mag uit te oefenen om zichzelf te beschuldigen, en het onder dwang van een geldboete "aangeven van inkomsten uit een illegale activiteit", zelfs zonder detaillering, hem zou ontmaskeren De veroordeling houdt volgens eiser een schending in van de artikelen 6.1 EVRM en 14 IVBPR en miskenning in van het recht op een eerlijk proces en het zwijgrecht.
  7. In een eerste onderdeel stelt eiser dat volgens het bestreden arrest hij verplicht was aan zijn verzekeringsinstelling te melden "dat hij zich bezig hield met het plegen van druggerelateerde misdrijven" en dat hij is veroordeeld "omdat hij de verzekeringsinstelling of de adviserend geneesheer niet heeft ingelicht over het feit dat hij zich schuldig maakte aan druggerelateerde feiten".
  8. Beoordeling. Het arrest oordeelt niet zoals in het middel aangegeven. Het oordeelt dat eiser alleen de hervatting van zijn beroepsactiviteiten moest meedelen aan de verzekeringsinstelling, niet het uitoefenen van een criminele activiteit (p. 11-13). Ook diende eiser aan de verzekeringsinstelling geen gegevens mee te delen die zijn drugactiviteiten zouden kunnen ontmaskeren (p. 12). Het eerste onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag.
  9. In een tweede onderdeel komt eiser op tegen het oordeel dat eiser geen voor zichzelf belastende of zelf-incriminerende verklaringen diende af te leggen. Eiser stelt: "het aangeven van inkomsten uit een illegale activiteit, zelfs zonder verdere detaillering van deze activiteit, is uiteraard steeds zelfincriminerend aangezien het gaat over informatie met betrekking tot strafbare feiten gepleegd door concludent". Verder wijst eiser op de verplichting van ambtenaren van het RIZIV om strafbare feiten dadelijk te melden aan de procureur des Konings (art. 29 Sv.). Eiser kon bijgevolg redelijkerwijze verwachten dat "het meedelen aan de verzekeringsinstelling dat hij zich schuldig maakte aan de invoer en handel in verdovende middelen", hem in verdenking zou stellen, waardoor zijn positie in het strafrechtelijk onderzoek in gevaar wordt gebracht.
  10. Beoordeling. Artikel 233 Sociaal Strafwetboek, met als hoofding "Onjuiste of onvolledige verklaringen betreffende de sociale voordelen", bepaalt dat: "§
  11. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die wetens en willens: 1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden; 2° heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden; 3° een sociaal voordeel heeft bekomen waarop hij geen of slechts gedeeltelijk recht heeft ingevolge een verklaring bedoeld bij het eerste lid, 1°, het nalaten of het weigeren van het afleggen van een verklaring of van het verstrekken van inlichtingen bedoeld bij het eerste lid, 2°, of met een akte bedoeld bij de artikelen 232 en
  12. Wanneer de inbreuken bedoeld in het eerste lid begaan zijn door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een sociaal voordeel waarop de werknemer geen recht heeft te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. §
  13. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die wetens en willens nagelaten heeft te verklaren dat hij niet langer recht heeft op een sociaal voordeel, zelfs indien dit slechts gedeeltelijk is, om ten onrechte een sociaal voordeel te behouden"
(2).
  1. Artikel 66 KB 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van zelfstandigen, laatst gewijzigd door art. 4 KB 30 juli 2018, BS 10 augustus 2018, bepaalt: "De gerechtigde moet binnen de twee dagen aan zijn verzekeringsinstelling kenbaar maken: 1°....; 2° de hervatting van een beroepsbezigheid, tenzij de gerechtigde deze activiteit slechts hervat na de einddatum van de periode van arbeidsongeschiktheid die ter kennis is gebracht door de adviserend arts van de verzekeringsinstelling, de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de Geneeskundige raad voor invaliditeit".
  2. Vermelde bepalingen houden voor de begunstigde van een invaliditeitsuitkering voor een zelfstandige een spreekplicht in voor het melden van een beroepsbezigheid. Het gaat om een wettelijke verplichting het einde van arbeidsongeschiktheid aan het ziekenfonds of het RIVIV mee te delen
(3). De term ‘beroepsbezigheid' is niet nader toegelicht. Mij lijkt de term in te houden dat de uitkeringsgerechtigde moet melden dat hij vanaf een bepaalde datum het werk heeft hervat. Wat betreft invaliditeit voor werknemers, wordt onder beroepsbezigheid verstaan: "elke activiteit die gericht is op de productie van diensten of goederen, waaruit rechtstreeks of onrechtstreeks een economisch voordeel kan worden gehaald door degene die de arbeid verricht of voor iemand anders"
(4). Wie van een uitkering geniet wegens invaliditeit en toch arbeid verricht, dient de ten onrechte bekomen uitkeringen terug te betalen
(5). 13. Mocht de term ‘beroepsbezigheid' van art. 66, 2° KB 20 juli 1971 en de eraan verbonden aangifteplicht beperkt zijn tot een ‘legale beroepsactiviteit', voltijds of deeltijds, dan zou dit leiden tot onbillijke situaties
(6), moeilijk verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, de openbare orde en de solidariteit waarop het systeem van invaliditeit is gebaseerd. Het kan niet zijn dat een zelfstandige die invalide is zijn uitkering verliest als hij legaal als transporteur aan de slag gaat, na verplichte aangifte van hervatting van de beroepsactiviteit, en zijn uitkering behoudt als hij verdovende middelen vervoert, omdat hij onder het mom van het zwijgrecht vrijgesteld zou zijn van aangifte. 14. Het zwijgrecht, als onderdeel van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM), houdt in dat de verdachte niet mag worden verplicht mee te werken aan zijn eigen veroordeling
(7). Het Hof oordeelde hierover: "Het zwijgrecht, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 en 14.3.g IVBPR, houdt niet alleen het recht in om niet tegen zichzelf te getuigen, maar ook het recht van iedere persoon die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd om niet mee te werken aan zijn eigen beschuldiging. Aangezien een vervolgde persoon niet kan worden gedwongen om mee te werken aan het bewijs van de gegrondheid van de beschuldiging die tegen hem zal worden ingebracht, kan hij niet gestraft worden voor het niet-meedelen van gegevens die hem zullen ontmaskeren"
(8).
  1. De informatieplicht die op de uitkeringsgerechtigde rust om werkhervatting mee te delen, waarvan nalatigheid aanleiding geeft tot strafsancties, is beperkt tot het mededelen van een beroepsactiviteit (art. 66, 2° KB 20 juli 1971). Er rust op de uitkeringsgerechtigde geen enkele verplichting om de concrete aard van die activiteit mee te delen of om gegevens aan te brengen die de verzekeringsinstelling of sociale inspecteurs op het spoor brengen van een criminele activiteit. Voor de invaliditeitsverzekering is de vraag welke arbeid de uitkeringsgerechtigde verricht niet relevant. Het gaat erom dat de uitkeringsgerechtigde aangeeft dat door een beroepsactiviteit hij niet langer arbeidsongeschikt is, zodat het ziekenfonds de betaling van uitkeringen kan stopzetten. Het probleem van het zwijgrecht is niet aan de orde. Vermelde bepaling verplicht eiser niet informatie over een criminele beroepsactiviteit mee te delen, die nadien tegen hem wordt gebruikt, in een strafprocedure over die activiteit. In zoverre het onderdeel aanvoert dat eiser verplicht was om deelname aan drughandel te melden aan zijn verzekeringsinstelling (§19), faalt het naar recht.
  2. Art. 66, 2° KB 20 juli 1971 houdt ook geen verplichting in om een beroepsinkomen aan te geven, legaal of niet. Alleen hervatting van een beroepsactiviteit moet aan de verzekeringsinstelling worden meegedeeld. In zoverre het onderdeel aanvoert (§17) dat eiser "inkomsten uit een criminele activiteit" moest meedelen, faalt het naar recht.
  3. Op eisers verweer over het zwijgrecht biedt het arrest voldoende antwoord. De appelrechters oordeelden, met verwijzing naar het blanco exemplaar ‘bericht van arbeidshervatting', dat alleen de datum van aanvang van een beroepsactiviteit moet worden meegedeeld (p. 11) en dit document enkel dient om de verzekeringsinstelling op de hoogte te brengen dat de invaliditeitsuitkeringen kunnen worden stopgezet (p. 11). Eiser dient op het document niet te vermelden welke beroepsactiviteit wordt hervat en diende geen voor zichzelf belastende verklaring af te leggen, "zodat hij zich niet kan beroepen/verschuilen achter zijn zwijgrecht (art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR)" (p. 12). Het bestreden arrest is aldus naar recht verantwoord. In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen.
  4. Verstrekken van informatie over gedeeltelijke arbeid aan de adviserende geneesheer
  5. Het tweede middel heeft betrekking op de te verstrekken informatie over gedeeltelijke werkhervatting. Eiser stelt dat in de vereiste formulieren wordt gevraagd naar de aard en duur van de werkzaamheden, ‘zo concreet mogelijk'. Het bestreden oordeel dat eiser melding had moeten maken van ‘beroepsbezigheden in het algemeen', en hij geen aanspraak meer maakte op een invaliditeitsuitkering, voegt een extra voorwaarde toe aan de artikelen 23 en 23bis KB 20 juli
  6. Beoordeling. Van belang is het onderscheid tussen de verschillende rechten en verplichtingen van de uitkeringsgerechtigde zelfstandige om informatie te verstrekken als hij terug een beroepsactiviteit uitoefent. De uitkeringsgerechtigde mag volgens artikelen 19 en 20 vermeld KB geen andere beroepsbezigheid uitoefenen, hetzij als zelfstandige of helper, hetzij in een andere hoedanigheid
(9). Wanneer de uitkeringsgerechtigde terug "een beroepsbezigheid" uitoefent, is hij wettelijk verplicht te melden vanaf welke datum hij een beroepsactiviteit heeft hervat, er aan zijn arbeidsongeschiktheid een einde kwam, zonder enige toelichting (art. 66, 2° KB 20 juli 1971 en art. 233 Sociaal Strafwetboek). 20. Een andere situatie is het gedeeltelijk verrichten van arbeid tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, met behoud van een deel van de uitkering. Na toelating van de adviserende geneesheer kan de uitkeringsgerechtigde gedeeltelijk het werk hervatten, voor zover verenigbaar met zijn algemene gezondheid, met of zonder het oogmerk van re-integratie in het beroepsleven (art. 23 en 23bis KB 20 juli 1971)
(10). Deze geneesheer neemt in deze gevallen een beslissing over de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van een beroepsactiviteit. Daarvoor is de geneesheer aangewezen op de informatie die de uitkeringsgerechtigde verstrekt over de arbeid die hij wil verrichten.
  1. Ook in geval van gedeeltelijke werkhervatting in het stelsel van invaliditeit is de uitkeringsgerechtigde niet verplicht melding te maken van een criminele activiteit. Het staat hem vrij een aanvraag in te dienen om een uitkering gedeeltelijk te behouden en, zo hij die stap zet, niet te antwoorden op vragen van de adviserende geneesheer over de aard van de beroepsactiviteit. Het niet- aanvragen van toelating voor deeltijdse arbeid kan overigens geen aanleiding zijn voor een strafsanctie op basis van art. 233 Sociaal Strafwetboek, dat alleen geldt voor verplichte aangiftes.
  2. Eiser wordt alleen vervolgd wegens het niet meedelen van een beroepsactiviteit, van een arbeidshervatting (artt. 66, 2° KB 20 juli 1971 en 233 Sociaal Strafwetboek. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt niet dat eiser een aanvraag heeft ingediend voor gedeeltelijke werkhervatting tijdens de periode van invaliditeit, op basis van de artikelen 23 en 23bis KB 20 juli
  3. In zoverre het middel betrekking heeft op de bepalingen over gedeeltelijke werkhervatting tijdens de arbeidsongeschiktheid, mist het feitelijke grondslag.
  4. Het feit dat van de uitkeringsgerechtigde een aanvraag tot gedeeltelijke werkhervatting kan indienen, om een deel van zijn uitkering te behouden, staat los van de verplichting een beroepsactiviteit te melden aan de verzekeringsinstelling. Deze laatste mededeling, het invullen van het formulier "Bericht van arbeidshervatting" (st. 12 dossier), brengt niet steeds een onderzoek mee door de adviserende geneesheer over de aard van de beroepsactiviteiten. Dit onderzoek komt er alleen als de uitkeringsgerechtigde zelf een (ander) formulier "Aanvraag van een gedeeltelijke werkhervatting tijdens arbeidsongeschiktheid" invult (st. 14 dossier).
  5. De artikelen 23 en 23bis KB 20 juli 1971 geven duidelijk aan dat de adviserend geneesheer alleen toelating geeft voor een bepaalde beroepsactiviteit in het stelsel van invaliditeit als de uitkeringsgerechtigde daartoe een aanvraag indient. Het invullen van het formulier over werkhervatting heeft dus niet tot gevolg dat de uitkeringsgerechtigde zelfstandige een bijkomend formulier moet invullen over een ‘gedeeltelijke werkhervatting', dat hem zou verplichten tot een belastende verklaring over een criminele (neven)activiteit
(11). In zoverre het tweede middel ervan uitgaat dat er bij een gedeeltelijke werkhervatting ‘hoe dan ook sprake is van een zelf-incriminerende verklaring', faalt het naar recht.
  1. Mij komt voor dat de appelrechters naar recht hebben geoordeeld dat: 1°enkel bij een gedeeltelijke hervatting van beroepsbezigheden de beklaagde uitleg moet verschaffen over de aard en omvang van die activiteiten, wil hij zijn invaliditeitsuitkering gedeeltelijk behouden, en 2°als de uitkeringsgerechtigde alleen melding maakt van het feit dat hij zijn beroepsbezigheden heeft hervat (in het algemeen), hij hierbij niet de minste uitleg moet verschaffen, en dus ook geen zelfincriminerende verklaring hoeft af te leggen (p. 12). De motivering voegt aan de bepalingen over gedeeltelijke werkhervatting geen bijkomende voorwaarde(n) toe. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Verder kan de (facultatieve) aanvraag voor gedeeltelijke werkhervatting alleen betrekking hebben op een legale beroepsactiviteit, ook al is dit aspect niet expliciet vermeld in de artikelen 23 en 23bis KB 20 juli 1971 over de invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen. Het is evident, gelet op onder meer de regels over mededaderschap (art. 66 en 67 Sw.), dat de adviserende geneesheer geen toelating kan geven om in het stelsel van invaliditeit een criminele activiteit uit te oefenen. In de conclusie voor de appelrechter stelde eiser "in eerste instantie rijst de vraag of er in casu sprake was van een volledige dan wel een gedeeltelijke werkhervatting. Concludent mag dan wel druggerelateerde activiteiten hebben uitgevoerd, dit is nog geen bewijs dat hij opnieuw fulltime aan het werk zou zijn geweest". Deze vraag lijkt mij niet van belang. De strafrechter dient niet te onderzoeken of een criminele activiteit ‘voltijds' of ‘deeltijds' zou zijn, omdat in geen van deze gevallen de uitkeringsgerechtigde toelating kan bekomen om deze activiteit met behoud van een (gedeeltelijke) uitkering uit te oefenen. In zoverre faalt het middel over een gedeeltelijke werkhervatting naar recht.
  3. Voor het overige komt eiser op tegen een overtollige redenen van het arrest, en is het middel niet-ontvankelijk. Het gaat om de motivering (p. 12) dat eiser geen uitleg moet verschaffen bij het enkel "melden dat hij zijn beroepsbezigheden (in het algemeen) heeft hervat-waardoor hij in feite enkel meldt dat hij geen aanspraak meer maakt op uitkeringen ten laste van de sociale zekerheid". Het is immers aan de adviserend geneesheer om na te gaan of de uitkeringsgerechtigde, op zijn vraag, na het deels hervatten van een beroepsactiviteit nog aanspraak maakt op een invaliditeitsuitkering. De appelrechters hebben correct geoordeeld dat eiser ingevolge art. 66 KB 20 juli 1971 verplicht was mee te delen dat hij vanaf een bepaalde datum "een" beroepsactiviteit heeft hervat zonder de aard van die activiteit te verduidelijken, zodat hij geen belastende verklaring diende af te leggen (p.11 en 13).
  4. Er zijn geen ambtshalve middelen. Mijn advies is verwerping. ____________________________
(1)De correctionele rechtbank nam aan dat eiser in 49 weken met huurvoertuigen 69.469 km afgelegd, ... en betrokken is in een organisatie van teelt van cannabis in Marokko en smokkel van cannabis naar Nederland, met loodsen in Spanje en afnemers in België, ....
(2)H. VANDERLINDEN, "Het Sociaal strafwetboek", in CBR-Jaarboek 2010-11, Intersentia, 2011, 280.
(3)Het in te vullen formulier "Bericht van arbeidshervatting-Uitkeringsverzekering voor zelfstandigen" is aan het dossier gevoegd (st. 12 en 15). De uitkeringsgerechtigde dient enkel mee te delen "een beroepsactiviteit te hebben hervat" vanaf .... Bovenaan het formulier is als toelichting vermeld: "Vul dit formulier in als u de arbeid hervat VOOR of OP de einddatum van de periode van arbeidsongeschiktheid die door uw ziekenfonds of door het RIZIV is gebracht...Deze verklaring moet uw ziekenfonds toelaten om de betaling voor de erkende ziekteperiode stop te zetten".
(4)W. VAN EECKHOUTTE, Sociale zekerheidsrecht met fiscale notities, Kluwer, 2018, 1307, met verwijzing naar Arbrb. Antwerpen 28 november 1997, Inf. RIZIV, 1998, 199.
(5)W. VAN EECKHOUTTE, Sociale zekerheidsrecht met fiscale notities, Kluwer, 2018, 1309.
(6)J. PACOLET en F. DE WISPELAERE, "Uitkeringsfraude binnen de sociale en fiscale fraude", in De Orde van de Dag, Kluwer, 2010, 39-48.
(7)EHRM 25 februari 1993, Funke t/Frankrijk, §44, EHRM 17 december 1996, Saunders t/V.K.; EHRM 21 december 2000, Heaney en Mc Guinnes t/Ierland; EHRM 2 augustus 2005, Kolu t/Turkije; EHRM 5 april 2012, Chambaz t/Zwitserland www.echr.coe.int.; GwH 17 februari 2013, arrest 6/2013; GwH 17 december 2015, arrest 178/2015; GwH 12 oktober 2017, arrest 116/2017, www.const-court.be; Cass. 13 mei 1986, R.D.P. 1986, 905 concl. van advocaat-generaal J. DU JARDIN; Cass. 5 april 2000, Pas. I, p. 228, J.T. 2000, 806; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2, AC 2013, nr. 269; Cass. 7 maart 2018, AR P.17.0558.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180307.5, AC 2018, nr. 156; Cass. 6 november 2018, AR P.18.0555.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.6, AC 2018, nr. 612; Cass. 20 november 2018, AR P.18.0688.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5, AC 2018, nr. 647. Over het zwijgrecht zie J. DE CODT, Des nullités et l'instruction et du jugement, Brussel, Larcier, 2006, 91-82; P. DUINSLAEGER, conclusie in de zaak Cass. 29 november 2011, AR P.11.0113.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.2, AC 2011, nr. 651; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 855-859; J. MEESE, "The sound of silence. Het zwijgrecht en het nemo tenetur-beginsel in strafzaken", in Zwijgrecht versus spreekplicht, Intersentia, 2013, 37-72; M. MAUS, "De moeilijke verhouding tussen meewerkingsverplichting en het zwijgrecht in fiscale (straf)zaken", in Zwijgrecht versus spreekplicht, Intersentia, 2013, 231-257; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 818; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 29-35 en 961-961; C. KONINGS, Klassiek en digital speuren naar strafrechtelijk bewijs, Antwerpen, Intersentia, 2017, p. 540-556; C. DE VALKENEER, Manuel de l'enquête pénale, Brussel, Larcier, 2018, 209-216; C. KONINGS en J. KERKHOFS, "U hebt het recht te zwijgen. Uw login kan en zal tegen u worden gebruikt? Over ontsleutelingsplicht, zwijgrecht en nemo tenetur", N.C. 2018, 466; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors, Antwerpen, Intersentia, 2018, 174 en 279; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Antwerpen, Intersentia, 2019, 101; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel & Svacina, 2019, 749-758.
(8)Cass. 20 november 2018, P.18.0688.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5, AC 2018, nr. 647, RO 8
(9)Over dit verbod, met als nuance dat bij minieme taken of vrijwilligerswerk de uitkering kan worden behouden, zie J. DE COCK e.a., "Ziekteverzekering werknemers en zelfstandigen", T.S.R. 2011, 472; S. CLAESKENS en W. VAN DAMME, "Werkhervatting na arbeidsongeschiktheid: mogelijkheden tot re-integratie in de uitkeringsverzekering voor werknemers en in de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen", in Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht, Die Keure, 2015, 285-286; J. VAN LANGENDONCK, Y. JORENS, F. LOUCKX en Y. STEVENS, Handboek socialezekerheidsrecht, Intersentia, 10e editie, 2020, 456-458.
(10)S. CLAESKENS en W. VAN DAMME, "Werkhervatting na arbeidsongeschiktheid: mogelijkheden tot re-integratie in de uitkeringsverzekering voor werknemers en in de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen", in Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht, Die Keure, 2015, 300-305; K. REYNIERS, "De uitkeringsverzekering voor werknemers en zelfstandigen", in Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 2011-2016, Die Keure, 2016, 541-543; J. VAN LANGENDONCK, Y. JORENS, F. LOUCKX en Y. STEVENS, Handboek socialezekerheidsrecht, Intersentia, 10e editie, 2020, 461-463.
(11)De appelrechters oordeelde op dit punt "bij een eigen verklaring van (volledige) werkhervatting wordt het document zelfs niet meer voorgelegd aan een adviserende arts van zijn verzekeringsinstelling, zodat de ingeroepen problematiek inzake het medisch beroepsgeheim helemaal niet aan de orde is" (p. 13). Deze motivering wordt in de cassatiememorie niet betwist. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210209.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180307.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.