id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.2 Rolnummer: C.20.0095.N Zaak: MISSIONARISSEN VAN HET HEILIG HART vzw contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-12-17 Raadplegingen: 794 - laatst gezien 2026-06-16 04:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.2 Fiche De ontvankelijkheid van een vordering inzake pacht en het recht van voorkoop is afhankelijk van een voorafgaande poging tot minnelijke schikking die ertoe strekt procedures te vermijden, zodat een louter verzoek tot oproeping met het oog op een minnelijke schikking niet volstaat en de eiser het resultaat van de poging tot minnelijke schikking dient af te wachten vooraleer tot dagvaarding over te gaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Begrip. Aard van wetgeving Vrije woorden: Vordering inzake pacht en het recht van voorkoop - Verplichte voorafgaande oproeping met oog op een minnelijke schikking - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1345, eerste, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor agrarisch recht [T.Agr.R.] - 2021, nr. 2, p. 99-
- - MEERSMAN, Jacqueline; Noot onder cassatie. Tekst van de conclusie S.20.0095.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiseres eigenaar was van een aantal percelen die door verweerder werden gepacht. Toen eiseres de percelen aan een derde verkocht was verweerder van mening dat zijn recht van voorkoop als pachter was miskend. Hij legde op 20 februari 2003 ter griffie van het vredegerecht een verzoekschrift tot minnelijke schikking neer in toepassing van artikel 1345 Ger.W. De griffie ging binnen de 8 dagen, namelijk bij schrijven van 28 februari 2003 over tot oproeping ter minnelijke schikking en de zaak werd vastgesteld op de zitting van 20 maart
- Verweerder ging evenwel bij exploot van 24 februari 2003, dus 4 dagen na het verzoek tot minnelijke schikking en vooraleer de oproeping dan wel een poging tot minnelijke schikking plaatsvond, over tot dagvaarding teneinde de eiseres te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het miskennen van zijn voorkooprecht als pachter. De verzoeningszitting vond plaats op 20 maart 2003, waarbij het PV van de zitting vermeldt dat geen minnelijke schikking tussen partijen werd bereikt. De zaak werd naar de algemene rol verwezen. Op 25 maart 2016 liet verweerder de zaak opnieuw op de rol brengen. Eiseres dagvaardde de koper in gedwongen tussenkomst en vrijwaring op 25 oktober
- Nadat de vrederechter de hoofdeis van verweerder onontvankelijk verklaarde wegens miskenning van artikel 1345 Ger.W. verklaarde de appelrechter die hoofdvordering wel ontvankelijk en deels gegrond en werd eiseres veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens het miskennen van het voorkooprecht van verweerder. Tegen dit vonnis van 21 oktober 2019 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, voert eiseres één middel aan waarin zij stelt dat de appelrechter de artikelen 731 en 1345 Ger.W. schendt door te oordelen dat voor de ontvankelijkheid van de rechtsvordering bedoeld in artikel 1345, eerste lid Ger.W. enkel vereist is dat de toekomstige eiser aan de rechter voorafgaandelijk een verzoek tot oproeping in verzoening heeft geformuleerd terwijl dergelijke rechtsvordering, indien zij werd ingeleid vooraleer de verplichte verzoeningszitting heeft plaatsgehad en hiervan proces-verbaal werd opgesteld dan wel vooraleer de rechter partijen ter minnelijke schikking heeft opgeroepen, onontvankelijk is.
- Bespreking Hoewel Uw Hof reeds herhaaldelijk uitspraak heeft gedaan over de toepassing van artikel 1345 Ger.W. en het hieraan voorafgaand artikel 59 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, werd de thans gestelde rechtsvraag, die nochtans aanleiding geeft tot controverse, nog niet beantwoord. 2.
- Het principe van de voorafgaande poging tot minnelijke schikking was vroeger ruim van toepassing en niet beperkt tot enkele bijzondere rechtsplegingen zoals de pacht. Zo schreef artikel 48 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering een algemene verplichting tot een verzoeningspoging voor bij de vrederechter
(1). Uiteindelijk werd deze algemene verplichting afgeschaft maar bleef in een beperkt aantal gevallen wel een verplichte poging tot minnelijke schikking bestaan. Zo bepaalde artikel 59 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering in 1951 inzake de pacht
(2): “Aucune action en matière de bail à ferme n’est recevable sans qu’au préalable le demandeur ait présenté au juge une requête écrite ou verbale aux fins de faire appeler le futur défendeur en conciliation". Hoewel de tekst van de wet duidelijk de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de vordering
(3)voorzag in geval van miskenning van dit artikel, bestond toen reeds discussie of een vergetelheid hieromtrent kon worden rechtgezet tijdens de procedure
(4). Over de precieze vraag of het volstond dat men de tegenpartij had ‘verzocht op te roepen’ in minnelijke schikking vooraleer men overging tot dagvaarding dan wel of daadwerkelijk een poging tot minnelijke schikking afgewacht diende te worden, werd in de rechtsleer zelden uitdrukkelijk stelling ingenomen
(5). Uit de voorbereidende werken kon wel de verplichting tot het houden van een ‘voorafgaande procedure tot minnelijke schikking’ afgeleid worden
(6). Uw Hof lijkt dit te bevestigen
(7)door het middel gegrond te verklaren dat aanvoert dat, bij toepassing van artikel 59 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering,(…) een vordering in zake het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen,(…) slechts ontvankelijk is na een rechtspleging in verzoening”. 2.2. Artikel 1345 Ger.W. heeft artikel 59 WBR vervangen. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat artikel 1345 Ger.W. bijna woordelijk artikel 59 WBR overneemt en de enige wijzigingen in het artikel enkel tot doel hebben de tekst in overeenstemming te brengen met het geheel van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
(8)zodat een aantal zaken die voorop werden gesteld met betrekking tot artikel 59 WBR kunnen worden doorgetrokken naar het nieuwe artikel 1345 Ger.W.
(9)dat luidt als volgt: “Inzake pacht, recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen (recht van uitweg) en tenzij bij tussenvordering, inzake uitgesteld loon in land- en tuinbouw) wordt geen enkele rechtsvordering toegelaten, indien de eiser niet tevoren aan de rechter een schriftelijk of mondeling verzoek heeft gedaan om de toekomstige verweerder ter minnelijke schikking te doen oproepen. De griffie stelt van die vordering proces-verbaal op. Binnen acht dagen na het verzoek roept de rechter de partijen op ter minnelijke schikking; van het verschijnen wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien overeenkomst wordt bereikt, worden de bewoordingen ervan vastgesteld in het proces-verbaal en de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging. Wat de termijnen betreft, die bij de wet verleend worden, heeft het verzoek, ingediend zoals hiervoren wordt gezegd, de gevolgen van een gerechtelijke dagvaarding, mits deze wordt uitgebracht binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen. Gedurende deze voorafgaande poging tot minnelijke schikking kan de rechter, op eigen initiatief of op verzoek van partijen, het advies inwinnen van een technisch adviseur. De bezoldiging van de door de rechter aangewezen technische adviseur wordt vastgesteld volgens een tarief bepaald door de Koning. Zij komt voor de helft ten laste van elke partij, behalve dat zij bij gebreke van minnelijke schikking en in geval van geschil, op verzoek van de winnende partij ten laste wordt gebracht van de verliezende partij, onverminderd artikel 1017.” 2.3. Ook na de inwerkingtreding van artikel 1345 Ger.W. blijft er kritiek op deze procedure
(10)die wordt omschreven als nodeloos en omslachtig en blijft er discussie over de toepassing ervan, onder meer over de betekenis van de term ‘toegelaten’ zijn van de rechtsvordering
(11). Sommige rechtsleer ging er van uit dat deze term afweek van de vroegere bewoordingen ‘ontvankelijkheid’ in artikel 59 WBR
(12), en de term ‘niet toegelaten’ in de zin van artikel 1345 Ger.W. betekende dat er louter sprake zou zijn van een tijdelijk ‘obstakel’ zodat de rechter de zaak diende te schorsen tot aan deze voorwaarde is voldaan
(13)waarna de procedure weer doorgang kon vinden. Uw Hof
(14)oordeelde evenwel dat uit de parlementaire voorbereidingen van artikel 1345 Ger.W. niet blijkt dat de wetgever door het gebruik van de term ‘toelaatbaarheid van de vordering’ er een andere betekenis aan heeft willen geven dan de ontvankelijkheid ervan
(15). Dit impliceert dat een regularisatie in de loop van het geding uitgesloten is
(16)en een gemis aan verzoek dus niet tijdens de procedure kan worden rechtgezet omdat de vordering moet zijn voorafgegaan door het verzoek tot oproeping in minnelijke schikking. Evenwel wordt niet gespecifieerd of het verzoek daarbij volstaat dan wel of er werkelijk een poging tot minnelijke schikking moet hebben plaatsgevonden. Ook andere arresten van Uw Hof bevestigen enkel dat de vordering vooraf moet zijn gegaan door een (verzoek tot) oproeping in minnelijke schikking
(17)maar doen geen uitspraak over de te dezen aangevoerde rechtsvraag of het enkel gaat over het “verzoek” dan wel over de “oproep” die moet worden gedaan voor de dagvaarding
(18). Uw Hof oordeelde
(19)wel uitdrukkelijk dat deze wetsbepaling ”tot doel heeft procedures te vermijden”. Hoewel de appelrechter dit aspect ook heeft onderkend geeft hij toch de voorkeur aan een letterlijke, strikte lezing van de tekst van artikel 1345 Ger.W. om te oordelen dat enkel vereist is dat de eiser van tevoren een schriftelijk of mondeling verzoek heeft gedaan om de toekomstige verweerder ter minnelijke schikking te doen oproepen. In die interpretatie vereist artikel 1345, eerste lid, Ger.W. geen daadwerkelijke mogelijkheid om over te gaan tot minnelijke schikking noch een oproeping door de griffie vooraleer mag worden overgegaan tot dagvaarding. De uitdrukking ‘toekomstige verweerder’ in artikel 1345, eerste lid, Ger.W. slaat dan op het feit dat de dagvaarding nog niet mag zijn betekend op het ogenblik dat het verzoekschrift tot verzoening wordt neergelegd. Aansluitend bij deze stelling betoogt sommige rechtsleer dat het regime van de ontvankelijkheidsvereisten, zoals hier voorgeschreven in artikel 1345, eerste lid, Ger.W., van strikte toepassing is omdat het zo’n ernstige, niet-remedieerbare sanctie teweegbrengt, namelijk de niet ontvankelijkheid van de vordering
(20). Een ander argument ter ondersteuning van deze stelling zou ook kunnen zijn dat de ratio legis van het artikel niet onderuit wordt gehaald door toe te staan dat onmiddellijk na een verzoek tot oproeping in verzoening mag worden gedagvaard, gezien dit niet verhindert dat partijen nadien toch nog op een verzoeningszitting trachten tot een minnelijke schikking te komen. Een dergelijke dagvaarding zou aldus niet betekenen dat de eiser totaal niet openstaat voor enige verzoening. 2.4. Nochtans dreigt een te letterlijke en strikte lezing artikel 1345 Ger.W. te degraderen tot een nutteloze en tijdrovende formaliteit
(21)waarbij het voor eiser zou volstaan een formeel verzoek in te dienen zonder enigszins verplicht te zijn moeite te doen om daadwerkelijk tot een verzoening te komen. In die interpretatie wordt deze verplichte verzoeningspoging volledig uitgehold
(22)en van ieder belang ontbloot, wat geenszins beantwoordt aan de geest van de wet die er juist een geschikt middel in zag om een vordering ten gronde te vermijden. Daarom dient mijns inziens de voorkeur gegeven te worden aan een ruimere lezing van artikel 1345 Ger.W. waarbij de ontvankelijkheid van een rechtsvordering afhankelijk is van een daadwerkelijke poging tot minnelijke schikking en een louter verzoek daartoe niet volstaat. Een rechtsvordering die alsdan wordt ingesteld vóór de sluiting van de procedure tot minnelijke schikking dient bijgevolg als onontvankelijk te worden afgewezen
(23). Deze interpretatie wordt eveneens gesteund door tekstargumenten. Het eerste lid van artikel 1345, Ger.W., kan immers niet los worden gezien van de tekst die er op volgt in het tweede en derde lid. Dit toont aan dat het verzoek tot minnelijke schikking de aanzet of de eerste stap is in een procedure van voorafgaande poging tot minnelijke schikking en geen doel op zich. Meer specifiek toont de bepaling in het tweede lid, dat de termijnen betreft, aan dat het niet nodig is ten bewarende titel en vlak na het verzoek tot oproeping in minnelijke schikking een dagvaarding uit te brengen zonder enige daadwerkelijke poging tot minnelijke schikking te ondernemen. Ook de samenhang met het derde lid waarin sprake is van een “voorafgaande poging tot minnelijke schikking” tijdens dewelke de rechter het advies kan inwinnen van een technisch adviseur, toont aan dat de poging tot minnelijke schikking uiteindelijk behoort tot de taak van de rechter en niet stopt bij een verzoek hiertoe van een partij. Eiseres wijst er tevens terecht op dat artikel 1345 Ger.W., in het licht van gewenste coherentie binnen het gerechtelijk wetboek, een parallelle lezing verdient met artikel 731 Ger.W. waarin ook melding wordt gemaakt van een voorafgaande minnelijke schikking op verzoek of met instemming van de partijen
(24). Tenslotte kan met betrekking tot de ratio legis van artikel 1345 Ger.W. worden herhaald dat Uw Hof uitdrukkelijk aangaf dat dit artikel de bedoeling heeft om gerechtelijke procedures te vermijden
(25). Het lijkt mij dan ook logisch dat wil men een gerechtelijke procedure vermijden er een daadwerkelijke poging tot verzoening moet gebeuren door tussenkomst van de rechter en zolang niet door hem wordt vastgesteld dat geen verzoening mogelijk is, er geen reden is om een dagvaarding uit te brengen. Wordt voor dit tijdstip wel een dagvaarding uitgebracht kan die geen gevolg hebben. 2.5. Uit wat voorafgaat volgt dat de appelrechter, die de ontvankelijkheid van de dagvaarding louter koppelt aan het formuleren van een verzoek tot oproeping in verzoening en niet aan de procedure van poging tot minnelijke schikking, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt. Het middel komt gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ____________________________________________
(1)Zie hierover uitgebreider: C. DANIELS, “Art. 731 Ger.W” in Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk recht, Mechelen, Kluwer, 2019, nrs. 1 e.v.
(2)Ingevoerd door artikel 19, §2, van de wet van 7 juli 1951.
(3)Zie ook P. ROUARD, “L’article 59 du Code de procédure civile modifié par la loi du 7 juillet 1951”, JT 1960,
(626)626.
(4)Zie ook P. ROUARD, “L’article 59 du Code de procédure civile modifié par la loi du 7 juillet 1951”, JT 1960,
(626)626-627. Zie in de ontkennende zin: R. JACOBS, "De verzoeningspoging in pachtzaken", RW 1968,
(1106)1108.
(5)Zie bijvoorbeeld wel P. ROUARD, “Le préliminaire obligatoire de conciliation de l’article 1345 du Code judiciaire” (noot onder Cass. 29 juni 1979), JT 1981,
(256)256 ("Quel sens aurait le procès-verbal obligatoire de non-conciliation, en cas d’échec, si une citation était déjà signifiée à ce moment? (…) Le rapport au nom des commissions de l’agriculture et de la justice du Sénat est absolument décisif: “ces dispositions contiennent deux innovations: 1. L’organisation d’une comparution en conciliation devant le juge de paix préalable à toute action contentieuse”). Zie ook in deze zin: RPDB, v° Bail à ferme, Compl., T. I, Brussel, Bruylant, 1964, nr. 248 (“la procédure préalable de conciliation est toujours obligatoire. Même si une séance de conciliation a eu lieu avant l’envoi du congé, une nouvelle conciliation doit être tentée avant l’intentement de l’action”).
(6)Rapport au nom des commissions de l’agriculture et de la justice du Sénat, Pas. 1951, p. 625, nr. 127, « Elles ont maintenu l’obligation d’une procédure de conciliation préalable à toute action » zie ook nr. 124: “L’article 12 du projet de loi fixe les règles de procédure applicables aux contestations en matière de bail à ferme. Ces dispositions sont introduites dans le titre Ier du Code de procédure civile sous un article 1erbis. Elles contiennent les deux innovations suivantes: 1. L’organisation d’une comparution en conciliation devant le juge de paix préalable à toute action contentieuse"; Zie ook het rapport van M. DISCRY voor de commissie, Pas. 1951, p. 643, nr. 186: “Cette procédure [l’expertise en conciliation] permettre d’éviter que les plaideurs ne soient obligés de recourir à l’assignation lorsqu’il n’existe entre eux qu’une divergence sur un point de fait ou une constatation matérielle”. Zie hierover ook P. ROUARD, “Le préliminaire obligatoire de conciliation de l’article 1345 du Code judiciaire” (noot onder Cass. 29 juni 1979), JT 1981,
(256)256.
(7)Cass. 25 juni 1971, AC 1971, 1092.
(8)Memorie van toelichting bij het ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek door VAN REEPINGHEN, Parl.St. Senaat 1963-64, BS 1964, nr. 1045, p. 291.
(9)R. VANCRAENENBROECK, “Rechtspleging inzake pacht, Art. 1345 Ger.W.” in Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk Recht, Mechelen, Kluwer, 1998,
(1)4, nr. 1.
(10)Zie bv. C. BUELENS, “Knelpunten bij de verplichte voorafgaande oproeping inzake pacht kritisch bekeken”, T.Agr.R. 2000,
(75)75, nr. 1.1; K. DEVOLDER, “Over de vordering inzake pacht en recht van voorkoop ex artikel 1345, eerste lid Ger.W.”, RABG 2008,
(615)618-619; R. VANCRAENENBROECK, “Rechtspleging inzake pacht, Art. 1345 Ger.W.” in Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk Recht, Mechelen, Kluwer, 1998,
(1)4, nr. 2. Zie ook: BOULARBAH, “La tentative de conciliation préalable à l’introduction de l’instance” in G. DE LEVAL et al. (eds.), Droit judiciaire, II, Brussel, Larcier, 2015, 301, nr. 3.4 en voetnoot 1153.
(11)Zie hierover uitgebreid: R. VANCRAENENBROECK, “Rechtspleging inzake pacht, Art. 1345 Ger.W.” in Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk Recht, Mechelen, Kluwer, 1998,
(1)117-118, nr. 9.
(12)A. FETTWEIS en A. KOHL, “L”exception dilatoire tirée de l’omission de l’appel en conciliation en matière de bail à ferme” (noot onder Rb. Hoei 2 oktober 1974), JT 1975,
(365)366.
(13)A. FETTWEIS en A. KOHL, “L”exception dilatoire tirée de l’omission de l’appel en conciliation en matière de bail à ferme” (noot onder Rb. Hoei 2 oktober 1974), JT 1975,
(365)366-367. Contra: H. CLOSON, Le bail à ferme, Brussel, Bruylant, 1970, 395, nr. 203; H. D’UDEKEM D’ACOZ en I. SNICK, Het pachtrecht, Brussel, Larcier, 1970, 367 (“Hieruit volgt dat iedere nalatigheid hieromtrent niet kan worden rechtgezet”); J. VAN COMPERNOLLE, “Le Code Judiciaire et la théorie des nullités” (noot onder Arbh. Luik 15 november 1976), RCJB 1977,
(606)620-621, voetnoot 64.
(14)Cass. 20 juni 1979, AC 1978-79, 1253, en JT 1981, 255, met noot P. ROUARD.
(15)Zie memorie van toelichting bij het ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek door VAN REEPINGHEN, Parl.St. Senaat 1963-64, BS 1964, nr. 1045, p. 291.
(16)Zie bv. ook na dit arrest: C. BUELENS, “Knelpunten bij de verplichte voorafgaande oproeping inzake pacht kritisch bekeken”, T.Agr.R. 2000,
(75)76, nr. 1.3 en 80, nr. 3.b.1.; H. D’UDEKEM D’ACOZ et al., De Pachtovereenkomst, Gent, Larcier, 2019, 769, nr. 1528; A. JAMAR DE BOLSÉE, “Rechtspleging in geval van betwisting” in G. BENOIT et al. (eds.), De landpacht, Brugge, die Keure, 2010,
(401)404-405; J. LAENENS et al., Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 202 in fine en voetnoot 986; N. VANDEBEEK, De landpacht, Mechelen, Kluwer, 2017, 270 en 272. Contra: B. ALLEMEERSCH, “Bemiddelen en verzoening in het burgerlijk proces”, TPR 2003,
(409)423.
(17)Zie bv. vóór het cassatiearrest van 20 juni 1979: Cass. 16 oktober 1974, AC 1974, 228 (spreekt van een ‘oproeping’ tot minnelijke schikking). Zie bv. na het cassatiearrest van 20 juni 1979: Cass. 9 maart 1984, AR 4061, AC 1983-84, 878; Cass. 23 december 1988, AR 6112, AC 1988-89, 517 (“Dat derhalve bij ontstentenis van oproeping tot minnelijke schikking het vonnis dat de vordering van verweerder ontvankelijk verklaart, de bepaling van artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek schendt”). Zie ook recenter nog: Cass. 6 oktober 2005, AR C.04.0594.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.12, AC 2005, nr. 488.
(18)Zie vb. Cass. 19 september 1991, AR 9030, AC 1991-92, 73.
(19)Cass. 23 februari 2001, AR C.98.0328.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010223.7, AC. 2001, nr. 110.
(20)G. DE LEVAL, “La défense” in G. DE LEVAL et al. (eds.), Droit judiciaire, II, Brussel, Larcier, 2015, 238, nr. 2.90.
(21)E. STASSIJNS, Pacht, in APR, 1997, p. 661.
(22)Zie ook F. BAUDONCQ en T. VIAENE, Procedurele knelpunten inzake privaatrechtelijke erfdienstbaarheden, Not.Fisc.M, 2008 afl. 7, p. 215.
(23)P. BAUDINET en G. CLUDTS, “Conciliation et exception d’incompétence territoriale” (noot onder Bastenaken 10 januari 2014), T.Agr.R. 2015,
(15)17.
(24)Zie ook in deze zin m.b.t. artikel 731 Ger.W.: C. DANIELS, “Art. 731 Ger.W.” in Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk recht, Mechelen, Kluwer, 2019,
(1)5, nr. 5 (“Hieruit kan worden afgeleid dat de voorafgaandelijke poging tot minnelijke schikking plaatsvindt vóórdat de vordering wordt ingesteld”); zie in dezelfde zin als DANIELS: P. HEURTERRE, “De minnelijke schikking”, TPR 1980,
(195)198; Zie ook: W. VEROUGSTRAETE, “Gerechtelijk Wetboek. Art. 731 tot 733 Minnelijke schikking – Vóór of na de dagvaarding”, RW 1969-70,
(303)303-304.
(25)Cass. 23 februari 2001, AR C.98.0328.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010223.7, AC 2001, nr. 110. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010223.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div