← België

C. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.4 Rolnummer: C.20.0048.N Zaak: C. contra E. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 1781 - laatst gezien 2026-06-20 10:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 Fiche 1 De rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken of om een tussengeschil omtrent een dergelijke maatregel te regelen, neemt een beslissing alvorens recht te doen, ook al beslecht hij daarbij definitief een betwisting omtrent de voorafgaande maatregel

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Voorafgaande maatregel - Betwisting - Vonnis - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, en 875bis, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 4 De dwangsom is een indirect executiemiddel dat dient als financiële prikkel tot nakoming van de hoofdveroordeling en kan slechts accessoir aan die hoofdveroordeling worden opgelegd, zodat slechts samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing om accessoir aan een beslissing alvorens recht te doen een dwangsom op te leggen waarover betwisting bestaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Voorafgaande maatregel - Accessoir opgelegde dwangsom - Betwisting - Vonnis - Aard - Hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, 875bis, tweede lid, 1050, tweede lid, en 1385bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Voorafgaande maatregel - Accessoir opgelegde dwangsom - Betwisting - Vonnis - Aard - Hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, 875bis, tweede lid, 1050, tweede lid, en 1385bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.20.0048.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier Feiten en procedure Partijen zijn onverdeelde mede-eigenaar van een aantal gebouwen die zij, na renovatie wensten te verhuren aan sociale huisvestingmaatschappijen. De samenwerking tussen partijen stokt en in een poging om uit de impasse te geraken werd een dading ondertekend die onder andere betrekking had op het aanstellen van een objectieve derde die, indien een minnelijk akkoord omtrent een afrekening niet mogelijk was, bindend zal beslissen hoe de afrekening zal gebeuren. Bovendien werd gestipuleerd dat partijen uit onverdeeldheid zullen treden via een minnelijke verdeling van de gebouwen en zij, indien ze voor een vastgelegde datum hierin niet zouden slagen, een gerechtsdeskundige zullen aanstellen om de panden te schatten en hen te overtuigen om tot een minnelijke verdeling te komen. Partijen kwamen ook overeen dat indien zij niet tegen uiterlijk een bepaalde datum een gerechtsdeskundige aangeduid hebben de voorzitter van de bevoegde ondernemingsrechtbank de deskundige zal aanduiden. Gezien de uitvoering van de dading zorgde voor onenigheid ging verweerder over tot dagvaarding in kort geding waarbij hij onder meer de aanstelling van een derde beslisser vorderde. Eisers vorderden bij wijze van tegeneis de aanstelling van een deskundige conform het bepaalde in de dading. De kortgedingrechter stelde de heer F. aan als derde-beslisser en als deskundige. Naar aanleiding van betwistingen met betrekking tot de onroerende goederen ging verweerder over tot dagvaarding ten gronde met het oog op de verdeling van de huurgelden en de aanstelling van een gerechtsdeskundige. Tevens werd ook de verplichte afgifte van documenten gevorderd. Voor de eerste rechters verzetten eisers zich tegen alle gevraagde maatregelen. De eerste rechters oordelen dat er gelet op de ogenschijnlijke gebreken aan de mede-eigendom aanleiding is tot het aanstellen van een deskundige. Verweerder verzoekt om aanstelling van de heer F. die al door de kort geding rechter werd aangesteld. De eerste rechters stellen vast dat eisers verzoeken om de vordering ongegrond te verklaren maar zij geen bezwaar hebben geformuleerd tegen de heer F. zodat deze aangesteld wordt alvorens recht te doen en bij toepassing van artikel 19lid 3 Ger.W. Op het hoger beroep van eisers tegen dit vonnis van 17 juli 2019 van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel werpt verweerder op dat dit vonnis niet vatbaar is voor hoger beroep. De appelrechter oordeelt in lijn hiermee dat niet blijkt dat de eerste rechter zijn rechtsmacht over een bepaald punt uitputte, integendeel, zodat de bestreden beslissing geen eindbeslissing is waartegen hoger beroep is toegelaten. Tegen dit arrest van 18 november 2019 van het hof van beroep te Brussel voeren eisers twee middelen aan waarin zij stellen dat een gemengd vonnis, zoals te dezen voorligt, steeds appellabel is. De eerste rechters zouden immers impliciet uitspraak hebben gedaan over de door eisers opgeworpen excepties door sommige van de gevorderde maatregelen toe te kennen ( eerste middel) en zij hebben bovendien een dwangsom, waartegen eisers zich hadden verzet, aan die maatregel gekoppeld (tweede middel). 2. Bespreking 2.1. Met de “Potpourri I” wet van 19 oktober 2015
(1)wenste de wetgever onder andere met het oog op meer proceseconomie in verband met het hoger beroep, maatregelen te nemen om de eerste aanleg te versterken en het hoger beroep te ontmoedigen. Eén van die maatregelen betrof de tussenvonnissen “alvorens recht te doen”, dit zijn onderzoeks- en provisionele maatregelen, die niet meer onmiddellijk kunnen worden aangevochten omdat dit de procedure (kan) verlammen en in beginsel de overheveling van de hele zaak naar de appelrechter tot gevolg heeft
(2). Sedertdien bepaalt artikel 1050, tweede lid, Ger.W. dat tegen een beslissing alvorens recht te doen, tenzij de rechter anders bepaalt, slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Het begrip “beslissing alvorens recht te doen” wordt omschreven in artikel 19, derde lid, Ger.W. en betreft enerzijds de beslissingen waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen of waarin een tussengeschil wordt geregeld dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, en anderzijds de beslissingen waarbij de situatie van de partijen voorlopig wordt geregeld. Voor beide types van beslissingen werd de mogelijkheid tot het onmiddellijk aantekenen van hoger beroep dus niet voorzien. Die beslissingen blijven wel principieel vatbaar voor hoger beroep, maar niet meer onmiddellijk of afzonderlijk. De wetgever wenste hiermee zoals gezegd te voorkomen dat het hoger beroep om dilatoire redenen wordt misbruikt. De verruimde devolutieve werking van het hoger beroep tegen een tussenvonnis, waaronder een maatregel alvorens recht te doen in de zin van artikel 19 Ger.W., heeft immers tot gevolg dat het hele geschil aan de eerste rechter wordt onttrokken, zelfs de punten waarover hij (nog) geen uitspraak heeft gedaan zodat op die manier hoger beroep kan worden misbruikt om de zaak op de lange baan te schuiven
(3). De mogelijkheid tot onmiddellijk hoger beroep wordt daarom uitgesloten tenzij de rechter anders bepaalt, wat analoog is aan wat de wetgever eerder besliste met betrekking tot “beslissingen inzake bevoegdheid”
(4). Het hoger beroep tegen die beslissingen is enkel ontvankelijk indien het wordt ingesteld samen met het hoger beroep tegen een ‘eindbeslissing’ in de zin van artikel 19, eerste lid, Ger.W. Krachtens dit artikel is sprake van een eindvonnis in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput. Uit de wetsgeschiedenis en uit de rechtspraak van uw Hof volgt dat de rechter hierbij een geschilpunt over de ontvankelijkheid of over de grond van de zaak op definitieve wijze beslecht waardoor hij zijn rechtsmacht daarover uitput
(5). Uw Hof oordeelt ook dat er in de regel slechts sprake kan zijn van een eindvonnis in de zin van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek waardoor de rechtsmacht van de rechter is uitgeput, wanneer de rechter een beslissing neemt over een geschilpunt, dit is een punt waarover tussen partijen betwisting bestond en waarover zij het debat hebben gevoerd
(6). Hierbij is niet vereist dat de rechter over het gehele geschil uitspraak doet. Het volstaat dat uitspraak wordt gedaan over “een geschilpunt” opdat er in zoverre sprake is van een eindvonnis. Met een eindvonnis wordt dan ook eigenlijk een eindbeslissing bedoeld
(7). Ingeval een “gemengd vonnis” voorligt, dit is een vonnis waarin naast een beslissing alvorens recht te doen ook een eindbeslissing over een geschilpunt wordt genomen, kan wel onmiddellijk hoger beroep worden ingesteld tegen de beslissing alvorens recht te doen, voor zover althans er eveneens hoger beroep wordt ingesteld tegen de eindbeslissing
(8). De wetgever overwoog met betrekking tot tussenbeslissingen die de rechter vaak neemt op grond van (het alsdan van kracht zijnde) artikel 19 tweede lid Ger.W., dat bij ontstentenis van een eindbeslissing die verpakt is in de beslissing alvorens recht te doen, hiertegen niet onmiddellijk hoger beroep kan worden ingesteld. Het hoger beroep tegen die tussenbeslissing moet dus ook ingesteld worden samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis tenzij de rechter oordeelt dat zijn beslissing, omwille van de belangrijkheid, onmiddellijk appellabel is
(9). 2.2. Met de “Pot-Pourri I” wet heeft de wetgever ook aan artikel 875bis Ger.W. gesleuteld en de macht van de rechter om onderzoeksmaatregelen te bevelen beperkt in die zin dat de rechter een onderzoeksmaatregel slechts kan bevelen nadat de betrokken vordering ontvankelijk was verklaard. De bedoeling van de wetgever was het vermijden dat deskundigenonderzoeken worden bevolen in zaken waarin die achteraf nutteloos blijken wegens de later vastgestelde onontvankelijkheid
(10). Onder verwijzing naar de rechtspraak van Uw Hof wees de wetgever er in het kader van de totstandkoming van de wet van 6 juli 2017
(11)op dat soms uit de combinatie van de bepalingen van artikel 1050 en 875bis Ger.W.
(12)krachtens hetwelk de rechter, behalve wanneer de maatregel betrekking heeft op het vervuld zijn van een ontvankelijkheidsvoorwaarde, slechts een onderzoeksmaatregel kan bevelen nadat de betrokken vordering ontvankelijk werd verklaard, (ten onrechte) wordt afgeleid dat de rechter steeds de ontvankelijkheid van de vordering in het kader waarvan een onderzoeksmaatregel wordt gevraagd, moet onderzoeken en erover uitdrukkelijk beslissen zelfs als die ontvankelijkheid niet wordt betwist, wat tot gevolg heeft dat het vonnis dat een onderzoeksmaatregel beveelt als het ware als gemengd vonnis een onmiddellijk appellabel eindvonnis wordt omdat ook over iets anders dan over het bevelen van een onderzoeksmaatregel wordt beslist. De wetgever wijst er evenwel op dat in die interpretatie quasi alle onderzoeksmaatregelen onmiddellijk appellabel zouden zijn want zij zouden deel uitmaken van gemengde vonnissen, maar daarbij uit het oog wordt verloren dat er geen sprake kan zijn van een eindvonnis in de zin van artikel 19, eerste lid Ger.W. als er niet werkelijk een geschilpunt wordt beslecht. Met andere woorden indien de rechter hetzij impliciet hetzij expliciet de vordering ontvankelijk verklaart ofschoon geen middel van onontvankelijkheid was aangevoerd ligt er (nog) geen onmiddellijk appellabel eindvonnis voor. Het was de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om enkel van een onmiddellijk appellabel “gemengd vonnis” te spreken indien de rechter op een werkelijke betwisting van de ontvankelijkheid moet ingaan. Indien een partij slechts pro forma een betwisting over de ontvankelijkheid opwerpt om toch een onmiddellijk appellabel gemengd vonnis te krijgen kan eventueel van rechtsmisbruik sprake zijn. Ter verduidelijking van dit standpunt werd artikel 875bis Ger.W. bij wet van 6 juli 2017 aangevuld in de zin dat de rechter, wanneer de ontvankelijkheid van de vordering wordt betwist, slechts een onderzoeksmaatregel kan bevelen nadat de vordering ontvankelijk werd verklaard, behalve wanneer de maatregel betrekking heeft op het vervuld zijn van de aangevoerde ontvankelijkheidsvoorwaarde
(13). 2.
  1. Eerste middel (…) 2.
  2. Tweede middel 2.4.
  3. Nog steeds in het kader van de beweerde onmiddellijke appellabiliteit van het voorliggend “gemengd vonnis” voeren eisers in het tweede middel aan dat zij zich hadden verzet tegen het opleggen van een dwangsom en de beslissing om die dwangsom toch op te leggen altijd appellabel is. In zoverre eisers hiermee aanvoeren dat de artikelen 19, eerste en derde lid, iuncto 1050, tweede lid, Ger.W. in die zin moeten worden begrepen dat, wanneer in het kader van een maatregel alvorens recht te doen tussen de partijen – énige – betwisting heeft bestaan, de beslissing van de rechter hierover moet gekwalificeerd worden als een eindbeslissing (in de zin van artikel 19, eerste lid, Ger.W.) en niet als een beslissing alvorens recht te doen (in de zin van artikel 19, derde lid, Ger.W.), zodat hiertegen onmiddellijk hoger beroep kan worden ingesteld, faalt dit standpunt mijns inziens naar recht om volgende redenen. De tekst van artikel 19, derde lid, Ger.W. maakt zelf geen onderscheid al naargelang wél of geen betwisting bestaat tussen de partijen over de gevorderde voorlopige maatregel
(14). Voormeld standpunt valt ook moeilijk te rijmen met het sinds 2007
(15)gewijzigde artikel 19, derde lid, Ger.W., waarbij uitspraken die een “tussengeschil” beslechten met betrekking tot een onderzoeksmaatregel uitdrukkelijk werden gekwalificeerd als beslissingen alvorens recht te doen. De notie “tussengeschil” veronderstelt immers precies dat er over (de uitvoering van) die maatregel een betwisting bestaat. De eerder vermelde doelstelling van de wetgever om met de wijziging van artikel 1050, tweede lid, Ger.W., misbruik van hoger beroep te voorkomen door de zaak op de lange baan te schuiven bij de appelrechter, wordt nagenoeg volledig uitgehold indien wordt aangenomen dat om het even welke betwisting tussen partijen volstaat om de gevraagde beslissing alvorens recht te doen te “transformeren” in een eindbeslissing. In dat geval zou artikel 1050, tweede lid, Ger.W alleen nog kunnen slaan op beslissingen over voorafgaande maatregelen waarover tussen de partijen geen betwisting bestond. Aan het begrip ‘beslissing alvorens recht te doen’ zou dan geen werkelijke betekenis meer toekomen. Het standpunt dat élke beslissing over een betwisting tussen partijen een eindbeslissing is, ook al betreft de beslissing louter het bevelen of de uitvoering van een voorafgaande maatregel, valt bovendien moeilijk te rijmen met de betekenis die Uw Hof toekent aan het rechtsbegrip “eindbeslissing” in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, namelijk “een beslissing waarbij de rechter door uitspraak te doen over een betwisting, een principe aanneemt dat de latere beslissing over de vordering, ook al wordt deze pas later in haar geheel beslecht, zal beïnvloeden”
(16). 2.4.2. Evenwel volgt uit de rechtspraak van Uw Hof dat in bepaalde gevallen de beslechting van een tussengeschil over een beslissing alvorens recht te doen een “eindbeslissing op tussengeschil” kàn zijn en de aard van de betwisting daarbij doorslaggevend is
(17). Waar de beslissing over een voorlopige maatregel in de regel géén eindbeslissing oplevert
(18)is dit, aldus Uw Hof, immers wel het geval bij een beslissing over (een betwisting over) de legitimiteit of de toelaatbaarheid van de voorafgaande maatregel
(19)of de wettigheid of toelaatbaarheid
(20)van een bewijsmiddel
(21). Deze procedurele betwistingen houden immers nauw verband met de grond van de zaak. Uit de motieven en de doelstelling van de wijziging van artikel 1050 Ger.W. volgt mijns inziens evenwel dat het louter feit dat over de opportuniteit van een gevorderde maatregel énige betwisting bestond tussen partijen, niet volstaat om van de beslissing over die betwisting een onmiddellijk voor hoger beroep vatbare eindbeslissing te maken. Een beslissing die is ingegeven door loutere opportuniteitsoverwegingen, kan niet als juist of fout worden aangezien. In die optiek heeft het weinig zin om het opportuniteitsoordeel van de eerste rechter nogmaals te laten toetsen door de appelrechter”.
(22)De beslissing over de opportuniteit van een voorafgaande maatregel blijft dus in het licht van de hervorming en ondanks de gevoerde betwisting, een beslissing alvorens recht te doen die niet door de bestaande betwisting transformeert tot een eindbeslissing op tussengeschil 2.4.3. Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun standpunt naar een aantal arresten van Uw Hof waaruit door de rechtsleer wordt afgeleid dat het Hof aanvaardt dat het volstaat dat een gevorderde beslissing alvorens recht te doen in eender welk opzicht wordt betwist opdat die beslissing transformeert en door die betwisting een zgn. “eindbeslissing (op tussengeschil)” wordt. Het primeren van het ” feit dat over de maatregel betwisting bestond” op “de aard van de maatregel”
(23), wat die beslissing onmiddellijk vatbaar maakt voor hoger beroep gaf aanleiding tot herhaalde kritiek
(24). Een dergelijke verregaande interpretatie is, zeker in het licht van de doelstellingen van de wetgever, niet houdbaar en de kritiek komt dan inderdaad als terecht voor. De vraag is evenwel of dergelijk algemeen en verregaand standpunt uit die arresten kàn worden afgeleid en of het Hof niet eerder heeft willen benadrukken dat slechts van een eindbeslissing sprake kan zijn voor zover er een betwisting tussen partijen bestond en de rechter bij het beslechten van die betwisting zijn rechtsmacht heeft uitgeput en dus een eind aan het geschilpunt heeft gemaakt
(25). Niettemin verdient het, in het licht van de aanhoudende kritiek van de rechtsleer, aanbeveling dat het Hof zijn standpunt hierover zou verduidelijken. 2.4.4. Verder lijken eisers de dwangsomveroordeling te beschouwen als een van de hoofdveroordeling afzonderlijk gegeven dat, omwille van een beslechte betwisting, een eindbeslissing vormt. Ook dit standpunt faalt evenwel naar recht. De dwangsomveroordeling is een indirect executiemiddel dat dient als geldelijke prikkel tot nakoming van de hoofdveroordeling. Zij is dus accessoir aan die hoofdveroordeling
(26)en volgt als accessorium het procedureel lot van de hoofdveroordeling
(27). Zij wijzigt evenmin de aard van de hoofdveroordeling
(28). Tegen de veroordeling tot betaling van een dwangsom als accessorium aan een beslissing alvorens recht te doen kan dus slechts samen met het hoger beroep tegen de eindbeslissing hoger beroep worden aangetekend. Het onderdeel dat er van uitgaat dat altijd hoger beroep kan aangetekend worden tegen de beslissing tot oplegging van een dwangsom ook al is het hoger beroep tegen de hoofdveroordeling (nog) niet mogelijk gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting. 2.4.5. Het tweede onderdeel voert om dezelfde redenen als waarvan sprake in het derde onderdeel van het eerste middel een schending van de bewijskracht van de conclusies van eisers aan. Bijgevolg mist dit onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Conclusie: Verwerping. ____________________________________
(1)Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake Justitie (BS 22 oktober 2015, Inw. 1 november 2015). Deze bepaling geldt overeenkomstig de regels van het overgangsrecht (art. 3 Ger.W.) voor uitspraken vanaf die datum gewezen (P. TAELMAN & K. BROECKX, “Rechtsmiddelen na Potpourri I” in B. ALLEMEERSCH (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 147, nr. 54).
(2)Parl.St. Kamer, Verslag van de commissie voor de Justitie, Doc 54/1219/008, 8.
(3)Parl.St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 23.Zie Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0615.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4, AC 2015, nr. 356.
(4)Parl.St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 24. Sinds de wet van 3 augustus 1992 luidt de vaste rechtspraak van uw Hof over het hoger beroep tegen beslissingen inzake bevoegdheid dat “tegen een vonnis waarbij de rechter zich enkel bevoegd of onbevoegd verklaart, geen onmiddellijk hoger beroep openstaat en een dergelijk hoger beroep slechts mogelijk is nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard, of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid” (zie bv. Cass. 20 maart 2015, AR C.14.0298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.1, AC 2015, nr. 210; Cass. 3 oktober 2014, AR C.13.0164.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2, AC 2014, nr. 574; Cass. 25 maart 2010, AR C.09.0554.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5, AC 2010, nr. 221).
(5)Parl.St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-2015, nr. 54/-1219/1, 24.
(6)Cass.13 december 2019, AR C.19.0054.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191213.1F.9, AC 2019, nr. 669; Cass.12 juni 2014, AR C.13.0465.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140612.8, AC 2014, nr. 423.
(7)J. LAENENS et al, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, nr. 1499; P. TAELMAN & K. BROECKX, “Rechtsmiddelen na Potpourri I” in B. ALLEMEERSCH (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 126, nr. 29).
(8)Zie Parl.St. Kamer, Verslag. 2014-15, nr. 54-1219/1, 198: “De vraag rijst wat er met “gemengde vonnissen” gebeurt …(zoals) een vonnis waarin beslist wordt over de verjaring en over een onderzoeksmaatregel. Er wordt van uit gegaan dat het recht om onmiddellijk hoger beroep in te stellen in dat geval gehandhaafd blijft” Parl.St. Kamer, Verslag van eerste lezing, 2014-15, nr. 54-1219/5, 110; J. LAENENS et al, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, 732, nr. 1502.
(9)Parl.St. Kamer, Verslag van de commissie voor de Justitie, 2014-15, Doc 54/1219/008, 107.
(10)B. ALLEMEERSCH en A.-S. HOUTMEYERS, “De onderzoeksmaatregelen en het nieuwe burgerlijk bewijsrecht”, in P. TAEMAN en B. ALLEMEERSCH (eds.), Het burgerlijk proces opnieuw hervormd, Intersentia, 2019, 123.
(11)Parl.St. Kamer, Wetsontwerp houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Doc. 54-2259/001, p. 116.
(12)Ingevoegd bij wet van 19 oktober 2015 en gewijzigd bij wet van 6 juli 2017.
(13)Parl.St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 24.
(14)B. VANLERBERGHE, “Het hoger beroep tegen vonnissen alvorens recht te doen en de moeilijke toepassing van artikel 1050, tweede lid, Ger.W.”, T.Fam. 2016, 220, nr. 9. In dezelfde zin: A. HOC en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, “Un jugement avant dire droit n’est jamais un jugement définitif” (noot onder Brussel 6 oktober 2017), JT 2017, 821 (“cette disposition définit toutes les mesures avant dire droit, contestées ou non, de la même manière, et les soumet par conséquent au même régime”).
(15)Zie wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand (BS 12 juni 2007).
(16)Cass. 26 februari 2014, AR P.13.1637.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.6, AC 2014, nr. 152. Zie ook (in de context van (oud) artikel 1050, tweede lid, Ger.W.: Cass. 3 oktober 2014, AR C.13.0164.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2, AC 2014, nr. 574 en Cass. 25 maart 2010, AR C.09.0554.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5, AC 2010, nr. 221.
(17)Zie vb Cass. voltallige zitting 9 november 2018, AR C.17.0315.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.5 waarin het Hof oordeelde dat artikel 963§1 Ger.W. inhoudt dat een beslissing die het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek regelt en niet valt onder een van de in die bepaling vermelde uitzonderingen, niet kan worden aangevochten middels een gewoon rechtsmiddel, ongeacht of die beslissing dient te worden aangezien als een eindbeslissing, waarbij de rechter een tussen partijen gevoerde betwisting beslecht en hierdoor zijn rechtsmacht hieromtrent volledig uitput; Zie ook Cass.9 november 2018, AR C.18.0070.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 waarbij het Hof oordeelde in het kader van een bevestiging van een onderzoeksmaatregel dat de beslissing waarbij de appelrechter zich uitspreekt over de devolutieve kracht van het hoger beroep en beslist om de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek te verwijzen naar de eerste rechter, een eindbeslissing op tussengeschil is in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat.; Zie ook J. VAN DONINCK, “De eindbeslissing in het burgerlijk proces: tijd om te beslissen”, RW 2019-20, 1478, nr. 3.
(18)Hetgeen niet impliceert dat de – per definitie – voorlopige maatregelen die door de kortgedingrechter (of de voorzitter van de rechtbank ex art. 584 Ger.W.) worden bevolen, ‘beslissingen alvorens recht te doen’ zouden zijn. Wanneer de kortgedingrechter uitspraak doet over de ontvankelijkheid of de grond van de gevorderde voorlopige maatregel velt hij een eindbeslissing, waarmee hij zijn rechtsmacht uitput. Deze beslissingen zijn, anders dan de in artikel 19, derde lid, Ger.W. bedoelde provisionele uitspraken, bekleedt met het gezag van gewijsde, met dien verstande dat de kortgedingrechter een eerder gevelde beschikking, bij gewijzigde omstandigheden, kan intrekken of aanpassen . Zie P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde, 2001, 411, nr. 522 e.v.; zie ook: Cass. 7 september 2018, AR C.17.0060.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.2-C.17.0421.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.2-C.18.0178.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.2, AC 2018, nr. 449: “Het voorlopig karakter van de maatregelen die de kortgedingrechter neemt laat hem toe die maatregelen in te trekken of te wijzigen wanneer er zich nieuwe of gewijzigde omstandigheden voordoen”).
(19)Zie bijvoorbeeld - Cass. 14 februari 1994, AR S.93.0089.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940214.13, AC 1994, nr. 79 waarin het Hof oordeelt dat de beslissing, waarbij het arbeidshof zelf de geneesheer aanwijst om het medisch onderzoek inzake tegemoetkoming aan mindervaliden uit te voeren (i.p.v. de zaak in dat opzicht te verwijzen naar de toenmalige Dienst voor Tegemoetkomingen aan Gehandicapten met het oog op de aanstelling van een geneesheer) een eindbeslissing is, waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat. - Cass. 10 januari 1997 AR C.95.0448.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970110.12, AC 1997, nr. 25: de betwisting tussen partijen voor de feitenrechter betrof het recht van de verweerder om alsnog een getuigenverhoor uit te lokken na zijn eerder foutieve passieve houding in een voorafgaande (straf)procedure. Het Hof oordeelde dat, door het gevorderde getuigenverhoor toch te bevelen, de appelrechters beslissen over de toelaatbaarheid van een bewijsmiddel en hierdoor een eindbeslissing over een tussengeschil nemen. - Cass. 16 september 2016 AR C.15.0378.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160916.6, AC 2016, nr. 503 waarbij de toelaatbaarheid van een deskundigenonderzoek ter discussie stond: de eiseressen voerden aan dat verweersters, door een daad van aanvaarding te stellen (nl. het nalaten van het laten doen van wederzijdse vaststellingen kort na het incident en het eenzijdig volledig wegmaken van het te onderzoeken voorwerp), hun recht om een deskundigenonderzoek te vorderen verwerkt hadden en dat het hierdoor onmogelijk was geworden om de oorzaak van de litigieuze mislukte betonstorting te achterhalen. Door het deskundigenonderzoek niettemin te bevelen op de grond dat verweersters hun recht op een deskundigenonderzoek niet hadden verwerkt en de mogelijkheid om de oorzaak van het schadegeval te achterhalen niet uitgesloten was, doen de appelrechters, aldus het Hof, definitief uitspraak op tussengeschil over de toelaatbaarheid van het deskundigenonderzoek.
(20)zie Cass. 13 december 2019, AR C.19.0054.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191213.1F.9, AC 2019, nr. 669: “La notion de jugement définitif implique que le point sur lequel porte la décision ait été soumis au débat. Le demandeur a conclu devant la cour d’appel au rejet de la demande de la première défenderesse tendant à entendre ordonner une expertise génétique, non seulement pour des raisons d’opportunité, mais aussi sur la base de l’irrecevabilité de cette demande compte tenu du lien de filiation qui unit la première défenderesse au défendeur, en faisant valoir qu’elle « ne pourrait être examinée que dans l’hypothèse où [la cour d’appel] viendrait à mettre à néant les jugements [entrepris] du 27 novembre 2014 et du 28 mars 2017 ». En considérant que « la mesure sollicitée peut être admise dès lors que [la première défenderesse], dont l’action en contestation de la paternité [du défendeur] est accueillie par le présent arrêt, justifie d’un intérêt apparent suffisant pour rechercher la paternité d’un autre homme; [qu’]en effet, dès lors que la cour [d’appel] réforme le jugement entrepris du 28 mars 2017 (notamment) en ce qu’il a statué sur le fondement de l’action en contestation de la paternité [du défendeur] introduite par [la première défenderesse], et qu’elle dit cette action fondée, le droit sur lequel [la première défenderesse] se fonde et qu’elle soutient être ‘gravement menacé’, au sens de l’article 18, alinéa 2, du Code judiciaire, n’est plus purement hypothétique; que l’autorité de la chose jugée dont le jugement entrepris du 28 mars 2017 était revêtu ne peut plus [lui] être opposée et qu’il importe peu que le présent arrêt ne soit pas passé en force de chose jugée, dès lors que la ‘menace objective et actuelle’ d’un litige est établie », la cour d’appel a épuisé sa juridiction sur la recevabilité de la demande d’expertise génétique. Elle a ainsi rendu une décision définitive qui peut faire l’objet d’un pourvoi immédiat.” (eigen onderlijning)
(21)zie P. TAELMAN & K. BROECKX, “Rechtsmiddelen na Potpourri I” in B. ALLEMEERSCH (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 120-121, nr. 20); T. LYSENS & L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken in Recht en praktijk, 2018, 99, nr. 182.
(22)Zie ook B. VAN DEN BERGH, “Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken” in APR, 2019, 419, nr. 700.
(23)S. SOBRIE, “Art. 19 Ger.W.” in Comm.Ger., 2019, 10, nr. 7.
(24)B. VAN DEN BERGH, “Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken” in APR, 2019, 424, nr. 708; J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “L’instruction sans obstructions? A propos de la nature de la décision prorogeant le délai pour le dépôt du rapport d'expertise” (noot onder Cass. 24 januari 2013), JT 2013, 201; B. VANLERBERGHE, noot onder Antwerpen 16 maart 2016, RW 2015-16, 1623; J. LAENENS et al, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, nr. 1499.
(25)Cass. 24 januari 2013, AR C.12.0213.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.1, AC 2013, nr. 60: “Lorsque la mesure préalable destinée à instruire la demande prise par le juge au cours de la procédure a fait l’objet d’une contestation que le juge a dû trancher, épuisant ainsi sa juridiction sur celle-ci, la décision est une décision définitive sur incident et non une décision d’avant dire droit”. In dit arrest deed het Hof in het kader van de aangevoerde niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep uitspraak over de mogelijkheid tot het aanwenden van een buitengewoon rechtsmiddel tegen een beslissing genomen na aanstelling van een deskundige en tot regeling van de verdere procedure van het deskundigenonderzoek waarin een betwisting over de ontvankelijkheid van een gevraagde maatregel werd gevoerd. Van het standpunt in dit arrest wordt door eisers bevestiging gezien in de arresten van 21 april 2016 (Cass. 21 april 2016, AR C.15.0142.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.7, AC 2016, nr. 273) en 16 september 2016 (Cass. 16 september 2016, AR C.15.0142.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.7, arrest niet gepubliceerd) waarin het Hof oordeelde dat « de omschrijving van de opdracht van de deskundige bij gebrek aan betwisting hieromtrent geen eindvonnis is » Deze regel bevestigt de eerder besproken algemene regel dat de beslissing over een voorlopige maatregel in de regel geen eindbeslissing oplevert.
(26)Beneluxhof 17 december 2009, A 2008/2, Benelux Jur. 2011, afl. 28, 25, concl. J. LECLERCQ, RABG 2010, 725, noot R. VERBEKE, TROS-Nieuwsbrief 2010, 8; Beneluxhof 17 december 2009, A 2008/3, Amén. 2010, 244, Benelux Jur. 2011, afl. 28, 45, concl. J. LECLERCQ, JLMB 2010, 834, RW 2010-11, 829, concl. J. LECLERCQ, noot K. WAGNER, TMR 2010, 473, noot P. LEFRANC, TROS-Nieuwsbrief 2010, afl. 3, 10 Cass. 4 januari 2017, Dr.pén.entr. 2018, 55, concl. M. NOLET DE BRAUWERE, noot J. KRAEWINKELS (“Il ressort des travaux préparatoires de la loi du 31 janvier 1980, portant approbation de la Convention Benelux portant loi uniforme relative à l’astreinte, que celle-ci constitue un moyen de coercition qui revêt la forme d’une condamnation accessoire”); J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, Dwangsom in Rép.not., Brussel, Larcier, 2013, 32; K. WAGNER, Artikel 1385bis Ger.W. in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1999, losbl., 72 (“De veroordeling tot een dwangsom bestaat slechts als accessorium van de veroordeling ingevolge de zijhoofdvordering”).
(27)J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, Dwangsom in Rép.not., Brussel, Larcier, 2013, 32; J. VAN DROOGHENBROECK en A. HOC, “L’appel en hochepot (pourri)”, JT 2019, 785.
(28)B. VAN DEN BERGH, Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken in APR, Mechelen, Kluwer, 2019, 421 en 425, met verwijzing naar P. TAELMAN, “Potpourri en de burgerlijke rechtspleging” in De Potpourri-wetten. Een eerste evaluatie van de waaiers aan quick wins, reparaties en grondslagen voor organisatorische vernieuwingen, Gent, Larcier, 2017, 24. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940214.13 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970110.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140612.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160916.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191213.1F.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.