id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.8 Rolnummer: C.20.0317.N Zaak: Stadsontwikkeling Gent sogent contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-14 Raadplegingen: 817 - laatst gezien 2026-06-19 02:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.8 Fiches 1 - 2 Artikel 2.4.3, §1,Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt een weerlegbaar vermoeden van algemeen nut in voor elke onteigening ter uitvoering van een ruimtelijk uitvoeringsplan maar stelt geen vermoeden in dat een onteigening ter uitvoering van een ruimtelijk uitvoeringsplan noodzakelijk is voor het realiseren van het met dat plan nagestreefde doel van algemeen nut
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Verwezenlijking van ruimtelijk uitvoeringsplan - Onteigening van algemeen nut - Weerlegbaar vermoeden - Draagwijdte Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG Vrije woorden: Verwezenlijking van ruimtelijk uitvoeringsplan - Onteigening van algemeen nut - Weerlegbaar vermoeden - Draagwijdte Tekst van de conclusie C.20.0317.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Eiseres wenste, in het kader van de realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening grootstedelijk gebied Gent, over te gaan tot onteigening van verweerster. Met dagvaarding van 26 maart 2013 steunde zij zich op de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte en op de machtiging die haar bij besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2007 werd verleend. Eiseres maakte in de procedure voor de appelrechters melding van het feit dat het, bij besluit van 16 december 2005 goedgekeurd, RUP "afbakening grootstedelijk gebied Gent" dat ter griffie werd neergelegd, werd gewijzigd omwille van gewijzigde sociaal economische omstandigheden en onteigeningsproblemen. Die op 19 december 2014 goedgekeurde wijziging deed volgens eiseres geen afbreuk aan het algemeen belang van de onteigening en aan de onteigeningsnoodzaak. De appelrechters oordelen evenwel dat eiseres de onteigening vordert op basis van het besluit van 19 juli 2007 maar ter realisatie van een (wijzigend) plan, pas vastgelegd bij besluit van 19 december 2014 en dat niet ter griffie was (en kon zijn) neergelegd. Zij oordelen dat artikel 1 van de Onteigeningswet 1835 is geschonden omdat niet voor de dagvaarding "het besluit en het aanwijzingsplan van de werken en de te onteigenen percelen, evenals de stukken van de administratieve gedingopstellingen" ter griffie zijn neergelegd. Tegen dit arrest van 27 september 2016 van het hof van beroep te Gent voert eiseres één middel aan.
- Bespreking (...) 2.
- Tweede onderdeel In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat de appelrechters die oordelen dat eiseres niet voldoende haar stelling hard maakt dat de onteigening ook conform het nieuwe plan noodzakelijk blijft en om die reden de onteigening onregelmatig verklaren, de artikelen 1315 BW, 870 Ger.W. en 2.4.3, §1 VCRO miskennen omdat het wegvallen van de noodzaak moet worden bewezen door verweerster. 2.2.
- Het tweede onderdeel betreft de omvang van en de bewijslast met betrekking tot het vermoeden dat zou volgen uit artikel 2.4.3, §1, VCRO krachtens hetwelk elke verwerving van onroerende goederen vereist voor de verwezenlijking van een RUP door onteigening ten algemene nutte tot stand worden gebracht. Uit rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State blijkt dat artikel 2.4.3, §1, VCRO een weerlegbaar
(1)vermoeden installeert dat een onteigening ter uitvoering van een ruimtelijk uitvoeringsplan tot algemeen nut strekt
(2). Uit die rechtspraak blijkt evenwel niet dat het vermoeden zo ver gaat dat ook wordt vermoed dat de onteigening noodzakelijk is om het doel van algemeen nut te bereiken
(3). De noodzaak tot het onteigenen voor een doel van algemeen nut is immers nog iets anders dan het doel van algemeen nut op zich
(4). Volgende argumenten pleiten tegen een verruimd vermoeden van noodzakelijkheid. Als grondwettelijke uitzondering op een grondwettelijk beschermd eigendomsrecht behoort een onteigening strikt omkaderd te zijn. Die omkadering is ook strikt te interpreteren
(5). Van die omkadering maken het doel van algemeen nut en de onteigeningsnoodzaak deel uit. Hoe meer van de omkadering er vermoed wordt te zijn voldaan, hoe meer afbreuk er wordt gedaan aan het uitzonderlijke karakter van de onteigening
(6). Een dergelijk verruimd vermoeden van noodzakelijkheid is dus vooreerst in algemene zin verregaand in zijn aantasting van het uitzonderlijk karakter van een onteigening. Bovendien zou een vermoeden van onteigeningsnoodzaak kunnen slaan op heel wat verschillende elementen met name op de afwezigheid van een minnelijke regeling (wordt een mislukte poging vermoed?), op het onteigeningsdoel (ligt het doel niet op een andere wijze binnen bereik?), op het te verwerven eigendomsrecht (en dus geen ander recht?), op het te verwerven specifiek geviseerde goed (en niet andermans goed of een goed waarvan de overheid zelf al eigenaar is?), op het tijdstip van onteigening (waarom is er nu de noodzaak om het eigendomsrecht in handen te krijgen?)
(7)en komt ook in die zin een vermoeden van noodzakelijkheid verregaand voor. Tenslotte maar niet in het minst volgt uit de rechtspraak van Uw Hof dat, in verband met onteigeningen, de motivering moet vermelden waarom de onteigening noodzakelijk is, hetgeen impliceert dat de motivering moet berusten op werkelijke feiten, dat uit de motivering een redelijk verband tussen de voorgenomen onteigening en het vooropgestelde doel kan worden afgeleid en dat, naargelang het geval, uit die motivering blijkt dat de genomen beleidsopties afgewogen werden
(8). Die vereiste uitdrukkelijke motivering pleit tegen het bestaan van een wettelijk vermoeden. Zonder vermoeden, is het aan de onteigenende overheid om op objectieve, zorgvuldige en redelijke wijze te verantwoorden waarom de onteigening noodzakelijk is om een doel van algemeen nut te realiseren
(9). In de onteigeningsmachtiging moet de overheid dus motiveren waarom de onteigening noodzakelijk is
(10). 2.2.2. De appelrechters oordelen dat de stelling van eiseres dat de wijzigingen aan het RUP uit 2014 geen invloed hebben op het algemeen nut en de onteigeningsnoodzaak en de onteigening ook noodzakelijk blijft conform het nieuw goedgekeurde plan "niet zomaar kan worden gevolgd. Niet alleen wordt deze bewering niet hard gemaakt, maar het algemeen nut en de noodzaak tot onteigening dienen beoordeeld te worden in functie van het (juiste) uit te voeren plan". Eiseres leest dit oordeel in die zin dat volgens de appelrechters eiseres niet voldoende haar stelling hard maakt dat de onteigening ook conform het nieuwe plan noodzakelijk blijft en zij om die reden de onteigening onregelmatig verklaren, terwijl het wegvallen van de noodzaak moet worden bewezen door verweerster. De aangevoerde grief betreft dus niet het algemeen nut van de onteigening, maar wel de noodzakelijkheid van de onteigening om dat algemeen nut te bereiken. Het onderdeel dat er van uitgaat dat de noodzakelijkheid van de onteigening in uitvoering van een ruimtelijk uitvoeringsplan conform artikel 2.4.3, §1, VCRO wordt vermoed, zodat verweerster de vermoede noodzakelijkheid kan/moet weerleggen, faalt, gelet op wat voorafgaat, naar recht. Conclusie: verwerping. ___________________________________
(1)RvS 14 maart 2016, nr. 234.122: "Het vermoeden van algemeen nut dat die bepaling instelt, wordt in voorliggend geval door de verzoekers niet weerlegd"; RvS 25 oktober 2016, nr. 236.265 "Eenmaal vaststaat dat de onteigening in uitvoering van het ruimtelijk uitvoeringsplan geschiedt, staat het aan de verzoekende partij die het algemeen nut van de onteigening betwist, om daarvan het bewijs te leveren"; T. DE WAELE, "Het algemeen nut als voorwaarde tot onteigening: hoe rekbaar is de elastiek?", AJT 1999-2000, 748.
(2)RvS 9 april 2004, nr. 130.212: "Overwegende dat ingevolge deze bepaling [artikel 69 DRO] de onteigening ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan uit kracht van het decreet van algemeen nut lijkt te zijn"; RvS 26 maart 2013, nr. 222.989: "Deze decretale bepaling stelt een vermoeden van algemeen nut in voor elke onteigening ter uitvoering van de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Vanaf het ogenblik dat er zo een plan voorhanden is, kan derhalve het nut van de geplande onteigening ter uitvoering van (een deel van) dit plan in principe niet worden betwist"; RvS 2 juli 2013, nr. 224.217: "Deze bepaling [artikel 2.4.3 VCRO] stelt een vermoeden van algemeen nut in voor de onteigening ter uitvoering van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Derhalve kan het nut van de geplande onteigening ter uitvoering van het gewestelijk RUP, in principe, niet worden betwist"; RvS 2 juni 2015, nr. 231.401: "artikel 2.4.3, §1, VCRO stelt een vermoeden van algemeen nut in voor de onteigening ter uitvoering van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Derhalve moet het algemeen nut van de geplande onteigening ter uitvoering van een dergelijk plan, in beginsel aangenomen worden"; RvS 14 maart 2016, nr. 234.122: "Het vermoeden van algemeen nut dat die bepaling instelt, wordt in voorliggend geval door de verzoekers niet weerlegd"; RvS 25 oktober 2016, nr. 236.265: "de onteigening tot verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt uit kracht van het decreet zelf geacht van openbaar nut te zijn. GwH 8 december 2011, nr. 186/2011 "Derhalve bestaat in voorkomend geval een decretaal vermoeden van openbaar nut". Zie ook: O. COOPMAN, "Onteigening" in Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2020, Mechelen, Kluwer, 2019, 405; S. VERBIST, De onteigening ten algemenen nutte als instrument van de ruimtelijke ordening, Antwerpen, Intersentia, 2011, 371.
(3)Zie meerdere arresten waarin de Raad van State enerzijds stelt dat het algemeen nut wordt vermoed bij een onteigening ter uitvoering van een RUP, doch anderzijds nagaat of de noodzaak aan onteigening voldoende is gemotiveerd: RvS 9 april 2004, nr. 130.212; RvS 19 april 2012, nr. 218.950; RvS 26 maart 2013, nr. 222.989, RvS 2 juli 2013, nr. 224.217; RvS 14 maart 2016, nr. 234.122; RvS 25 oktober 2016, nr. 236.265.
(4)Artikel 3, §1 (algemeen nut) en §3 (noodzaak) van het Vlaams Onteigeningsdecreet 24 februari 2017; GwH 18 oktober 2018, nr. 143/2018; O. COOPMAN, "Onteigening" in Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2020, Mechelen, Kluwer, 2019, 405; G. VAN HOORICK, Handboek Ruimtelijk bestuursrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 99; S. VERBIST, "Zelfrealisatie en onteigeningsnoodzaak bij de verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen", TROS, 2009, 9; S. VERBIST, "Zelfrealisatie en onteigening ten algemenen nutte in Vlaanderen en Nederland. Wettelijk kader, principes en recente beslissingen", TBO, 2010, 282; S. VERBIST, "Vlaamse Omzendbrief Onteigeningen 2011. Een kritische analyse", T.Gem. 2013, 11.
(5)Zie in dezelfde zin: S. VERBIST, "Administratiefrechtelijke aspecten inzake onteigening. De onteigeningsvoorwaarden. Rechtsbescherming in de administratieve fase. Milieurecht en onteigening", CABG 2004, 13.
(6)Zie T. DE WAELE, "Het algemeen nut als voorwaarde tot onteigening: hoe rekbaar is de elastiek?", AJT 1999-2000, 750 ("Als één ding immers zeker is, is het dat het instrument van de onteigening bij uitstek een uitzonderingskarakter heeft en in de huidige redactie van de Grondwet ook moet blijven hebben. Elke ingreep die tot doel en tot gevolg heeft om iemand te ontzetten uit diens private eigendomsrecht, moet worden gedragen door zwaarwichtige motieven die hun grondslag moeten vinden in het algemeen nut in zijn beperkende betekenis, zoals dit het geval is voor de interpretatie van elke uitzonderingsmaatregel").
(7)Zie S. VERBIST, "Administratiefrechtelijke aspecten inzake onteigening. De onteigeningsvoorwaarden. Rechtsbescherming in de administratieve fase. Milieurecht en onteigening", CABG 2004, 24-25; S. VERBIST, "Zelfrealisatie en onteigeningsnoodzaak bij de verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen", TROS 2009, 10; S. VERBIST, "Vlaamse Omzendbrief Onteigeningen 2011. Een kritische analyse", T.Gem. 2013, 10.
(8)Cass. 7 september 2017, AR C.16.0360.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170907.2, AC 2017, nr. 452; Cass. 11 september 2003, AR C.01.0114.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7, AC 2003, nr. 426; Cass. 3 februari 2000, AR C.96.0380.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5, AC 2000, nr. 89.
(9)J. VAN DER MEENEN, "De onteigeningsmachtiging en de samenstelling van het administratief dossier. Een praktische benadering" in R. PALMANS, K. WAUTERS en J. GHYSELS (eds.), Grondverwerving en onteigening door lokale besturen, Antwerpen, Intersentia, 2012, 9; S. VERBIST, "Zelfrealisatie en onteigening ten algemenen nutte in Vlaanderen en Nederland. Wettelijk kader, principes en recente beslissingen", TBO 2010, 283; S. VERBIST, De onteigening ten algemenen nutte als instrument van de ruimtelijke ordening, Antwerpen, Intersentia, 2011, 98. Zie eveneens artikel 28, §1, 5°, van het Vlaams Onteigeningsdecreet 24 februari 2017, dat vastlegt dat de onteigenende instantie in het definitieve onteigeningsbesluit op straffe van nietigheid de onteigeningsnoodzaak omschrijft en motiveert.
(10)Zie de Omzendbrieven 2011 inzake onteigeningen: S. VERBIST, "Vlaamse Omzendbrief Onteigeningen
- Een kritische analyse", T.Gem. 2013, 8 ("In de omzendbrief wordt, wat de formele motivering betreft, een onderscheid gemaakt tussen de motivering van het algemeen nut, van de onteigeningsnoodzaak en van de hoogdringendheid"). Naast de cassatierechtspraak vermeld onder voetnoot 8 zie ook Cass. 8 maart 1979, AC 1978-79, 808, Rec.gén.enr.not. 1980, 248 ("Overwegende dat ingevolge artikel 1 van de wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, vervat in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en de concessies voor de bouw van autosnelwegen, de Koning in beginsel de noodzaak en de urgentie van de onteigening moet vaststellen en de onteigenende overheid bijgevolg die noodzaak en urgentie niet moet aantonen voor het gerecht"; E. CAUSIN, Droits des victimes d'expropriation et d'autres privations de propriété, Limal, Anthemis, 2011, 143 ("D'autre part, quant à son fondement en fait, le décret d'expropriation doit mentionner "pourquoi l'expropriation est nécessaire"); S. VERBIST, De onteigening ten algemenen nutte als instrument van de ruimtelijke ordening, Antwerpen, Intersentia, 2011, 411-412 en
- PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170907.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div