← België

K. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210216.2N.15 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210202.2N.13 Rolnummer: P.20.1191.N Zaak: K. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 671 - laatst gezien 2026-06-18 14:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15 Fiches 1 - 4 Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 425, § 1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, moet ook een partij die zelf advocaat is en zelfs als die houder is van het getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures in strafzaken, een beroep doen op een ander advocaat houder van het bedoelde getuigschrift om cassatieberoep in strafzaken in te stellen en om zijn middelen in een door die advocaat ondertekende memorie aan te voeren aangezien alleen van een dergelijk advocaat kan worden verwacht dat hij, zonder zelf in de zaak enig belang te hebben dat zijn perceptie over de feiten en het recht kan vertekenen, met voldoende afstand en terughoudendheid cassatiemiddelen kan aanvoeren met een redelijke kans op slagen en deze verplichting dient gelet op de bijzondere aard en de rol van het Hof van Cassatie in strafzaken, een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling en die verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doel

(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikelen 425, § 1 en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering - Doelstelling - Draagwijdte - Partij die advocaat is - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Partij die advocaat is - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Memorie - Partij die advocaat is - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Cassatieberoep in strafzaken - Partij die advocaat is - Voorziening in cassatie en memorie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 Advocaten bij het Hof, die ministerieel ambtenaar zijn, kunnen in de gevallen waarin hun tussenkomst wettelijk is vereist, cassatieberoepen of daarmee verband houdende geschriften ondertekenen “op vordering en concept”; in strafzaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof niet vereist en is de advocaat geen ministerieel ambtenaar, zodat hij niet de hoedanigheid heeft om een memorie te ondertekenen “op vordering en concept” en de ondertekening van een memorie 'op vordering en concept' door een advocaat bij het Hof voldoet niet aan de door de artikelen 425, §1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vereiste noodzaak houder te zijn van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken om cassatieberoep in te stellen in strafzaken en middelen aan te voeren in een memorie
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikelen 425, § 1 en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering - Doelstelling - Advocaat bij het Hof - Ondertekening van een memorie op vordering en concept - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Memorie - Advocaat bij het Hof - Ondertekening van de memorie op vordering en concept - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE Vrije woorden: Cassatieberoep in strafzaken - Memorie - Ondertekening van de memorie op vordering en concept - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 8 Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dient de eiser in cassatie zijn memorie in te dienen binnen twee maanden na het instellen van het cassatieberoep en in elk geval vijftien dagen vóór de rechtszitting en deze termijnen zijn noodzakelijk opdat de tegenpartij verweer zou kunnen voeren, de advocaat-generaal en het Hof voldoende tijd zouden hebben voor het onderzoek van de middelen en het Hof binnen een redelijke termijn uitspraak zou kunnen doen; de termijnbepaling, waarvan de niet-naleving wordt gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de memorie, dient een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling en de verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doel
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Memorie - Doelstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 9 Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken moet worden ingediend binnen de door artikel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen om een memorie in te dienen en die termijnvereiste getuigt niet van een excessief formalisme maar beoogt een efficiënte behandeling binnen een redelijke termijn en is dan ook verantwoord door de eis van een behoorlijke rechtsbedeling
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Termijn - Doelstelling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 10 - 11 De vereiste van de tussenkomst van een gespecialiseerde advocaat voor het instellen van cassatieberoep in strafzaken en het indienen van memories, gelet op het technisch en specifiek karakter van de procedure voor het Hof, geldt ook voor een valsheidsvordering die ter gelegenheid van een cassatieberoep in strafzaken wordt ingesteld en een dergelijke vordering is dan ook slechts ontvankelijk als ze is ondertekend door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures; de ondertekening van een valsheidsvordering door een advocaat bij het Hof “op vordering en concept” voldoet niet aan de vereiste van ondertekening door een advocaat houder van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Ondertekening op vordering en concept door een advocaat bij het Hof - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Ondertekening op vordering en concept door een advocaat bij het Hof - Draagwijdte - Gevolg Fiche 12 Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken is slechts ontvankelijk wanneer de van valsheid betichte stukken niet van valsheid konden worden beticht voor de feitenrechter in hoogste aanleg en ze is evenmin ontvankelijk indien de valsheidsvordering werd voorgelegd aan de feitenrechter in hoogste aanleg die ze heeft beoordeeld; deze voorwaarden getuigen niet van een excessief formalisme maar houden verband met de bijzondere rol van het Hof van Cassatie als instantie wiens wezenlijke taak bestaat in de beoordeling van de wettigheid van in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissingen en die niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt en zij zijn verantwoord door de eis van een behoorlijke rechtsbedeling
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Voorlegging aan de feitenrechter in hoogste aanleg - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de conclusie P.20.1191.N Advocaat-generaal Alain Winants heeft in hoofdzaak gezegd:
  1. Het cassatieberoep van eiseres is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 november 2020, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 12 maart
  2. Bij het arrest van het hof van beroep te Antwerpen werd eiseres veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden uit hoofde van opzettelijke slagen en verwondingen met uitstel gedurende drie jaar, tot de gerechtskosten en de gebruikelijke bijdragen. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
  3. De verweerster werpt op dat het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk is omdat de eiseres geen advocaat meer is. Er kan hier worden opgemerkt dat eiseres zelf in haar memorie (zie infra) stelt dat zij ‘sinds februari 1999 advocaat is aan de balie Brussel en zonder kennisgeving, onderzoek of proces in februari 2014 van het tableau werd geschrapt’.
  4. Volgens artikel 425, §1, Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep in strafzaken behoudens in hier niet toepasselijke gevallen worden ingesteld door het afleggen door een verklaring ter griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III, van het Wetboek van Strafvordering.
  5. Er blijkt uit de verklaring van cassatieberoep dat het cassatieberoep namens de eiseres is ingesteld door mr. Willy Huber, advocaat bij de balie Antwerpen, houder van een getuigschrift van een opleiding van cassatieprocedures in strafzaken, zoals vereist door artikel 425, §1, Wetboek van Strafvordering. Er is aldus voldaan aan de voorschriften van dit artikel wat betreft het instellen van het cassatieberoep. De omstandigheid dat de memorie inhoudende de middelen tot cassatie niet is ondertekend door een advocaat houder van het bedoelde getuigschrift, hetgeen verder in mijn uiteenzetting zal ter sprake komen, doet hieraan geen afbreuk. Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk, hetgeen dus ook een ambtshalve onderzoek door het Hof van de wettigheid van de beslissing en de naleving van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zal impliceren. Ontvankelijkheid van de door of namens de eiseres ingediende geschriften
  6. Dat het cassatieberoep in se ontvankelijk is betekent evenwel niet noodzakelijkerwijze dat de door de eiseres ingediende geschriften dat ook zouden zijn en het past dan ook deze aan een onderzoek terzake te onderwerpen. Het gaat met name over de memorie, de memorie van wederantwoord en de valsheidsvordering. A) De memorie en de memorie van wederantwoord.
  7. De eiseres heeft een door haar zelf ondertekend geschrift met als titel “memorie” ter griffie van het Hof ingediend, aldaar ontvangen op 11 januari
  8. Zij voert daarin een aantal elementen aan met betrekking tot de ontvankelijkheid van de memorie en die ik denk in het kort als volgt te kunnen samenvatten: a) zij stelt dat zij van beroep advocaat is en dat zij in deze zake namens zichzelf optreedt en dan ook de memorie zelf heeft ondertekend. Zij verklaart zich daarbij te steunen op het arrest van het EHRM van 1 februari 2014, Masirevic t. Servië
(1)en leidt met name uit dat arrest af en houdt voor dat haar dat recht ontzeggen een schending zou uitmaken van artikel 6.1. EVRM;
  1. b)zij is sinds februari 1999 advocaat aan de balie Brussel en werd zonder kennisgeving, onderzoek of proces in februari 2014 van het tableau geschrapt;
  2. c)zij argumenteert dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de toegang tot de rechter niet mag worden belemmerd door overdreven formalisme en door regels die niet kunnen worden verantwoord door de vereiste van rechtszekerheid en behoorlijke rechtsbedeling;
  3. d)zij beroept zich op het principe “nood breekt wet”, alsook op het proportionaliteitsbeginsel omdat volgens haar uit de door haar ingediende strafklacht BR.53.98.1592-17/D1
(2)blijkt dat zij alles heeft gedaan om een advocaat te vinden, maar dat advocaten die haar willen verdedigen worden afgedreigd om dit niet te doen.
  1. Op de griffie van het Hof is tevens op 29 januari 2021 een geschrift met als titel “memorie van wederantwoord” ontvangen. Volgens deze memorie van wederantwoord wordt de eiseres bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof, die de memorie blijkt te hebben ondertekend “op vordering en concept”. De zes middelen die de eiseres in haar memorie heeft aangevoerd worden in de memorie van wederantwoord hernomen en bovendien is een afschrift van deze memorie als bijlage gevoegd. Hierin herhaalt de eiseres haar standpunt betreffende ontvankelijkheid van de door haar of namens haar ingediende geschriften en voert zij ook nog aan dat het feit dat mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof, bereid is gevonden de memorie van antwoord op vordering en concept te ondertekenen, met zich brengt dat de in de memorie opgenomen middelen worden 'geregulariseerd' en dat het Hof verplicht is ze te beantwoorden.
  2. Volgens de artikelen 425, §1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering
(3)kan het cassatieberoep in strafzaken, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen slechts worden ingesteld door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III van het Wetboek van Strafvordering en kan de eiser in cassatie zijn middelen slechts aanvoeren in een memorie die door een dergelijke advocaat is ondertekend. De ratio legis van deze verplichting bestaat erin dat de wetgever wilde vermijden dat cassatieberoepen in strafzaken te lichtzinnig zouden worden ingesteld en memories met cassatiemiddelen te lichtzinnig zouden worden ingediend. Er mag met name van een advocaat, houder van het getuigschrift, worden verwacht dat hij de partijen die cassatieberoep in strafzaken wensen in te stellen en die een memorie wensen in te dienen, wijst op het specifieke karakter van het cassatieberoep en de bijzondere taak die de grondwetgever aan het Hof van Cassatie heeft opgedragen als instantie die de wettigheid van de bestreden rechterlijke beslissing toetst zonder in de beoordeling van de feiten zelf te treden. De uiteindelijk beoogde doelstelling is dat aan het Hof enkel goed gestructureerde en juridisch onderbouwde cassatiemiddelen zouden worden voorgesteld, zodat het Hof zich niet heeft in te laten met kansloze cassatiemiddelen. 10. Daar de achterliggende doelstelling er eigenlijk op neerkomt dat de advocaat de eerste rechter is van de zaak die desgevallend aan het Hof zou worden voorgelegd, vereist dat dan ook in zijnen hoofde een zekere terughoudendheid en afstand ten opzichte van de feitelijke en juridische toedracht van de zaak, hetgeen mijns inziens uiteraard niet mogelijk is als hij er zelf persoonlijk in is betrokken. Vandaar dat ook een partij die zelf advocaat is, zelfs al zij houder is van het bedoelde getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures in strafzaken – hetgeen weze opgemerkt in casu voor de eiseres niet het geval is - een beroep moet doen op een ander advocaat houder van het bedoelde getuigschrift. Het Hof heeft dit reeds beslist in een tweetal arresten van 22 maart 2016
(4), die weliswaar betrekking hebben op de hoedanigheid van advocaat zelf en niet van attesthouder, maar waar de redenering lijkt mij mutadis mutandis dezelfde is.
  1. De uit de artikelen 425, §1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting dat elkeen, ook een advocaat indien hij partij en dus belanghebbende is in een strafzaak, zich voor het indienen van een cassatiememorie in strafzaken, moet laten bijstaan door een ander advocaat die houder is van het bedoelde getuigschrift, dient zoals hierboven uiteengezet gelet op de bijzondere aard en de rol van het Hof van Cassatie in strafzaken, een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling. Die verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doel en getuigt evenmin van een overdreven formalisme.
  2. Advocaten bij het Hof, die ministerieel ambtenaar zijn, kunnen in de gevallen waarin hun tussenkomst wettelijk is vereist, cassatieberoepen of daarmee verband houdende geschriften ondertekenen “op vordering en concept”. Evenwel is in strafzaken de tussenkomst van een advocaat bij het Hof niet vereist en is de advocaat daarenboven geen ministerieel ambtenaar, zodat hij ook niet de hoedanigheid heeft om een memorie te ondertekenen “op vordering en concept”. Hierbij dient mijns inziens bijkomend te worden opgemerkt dat de notie zelf van een ondertekening “op vordering en concept” erop wijst dat de advocaat de memorie zelf niet heeft opgesteld, zodat niet vaststaat dat hij zich de inhoud ervan eigen heeft gemaakt. Dit staat haaks op de hierboven vermelde doelstelling van de wet, namelijk dat de ondertekenende advocaat het cassatieberoep heeft afgewogen, instemt met de in de memorie vervatte middelen en die aldus tot de zijne maakt
(5).
  1. Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dient de eiser in cassatie zijn memorie in te dienen binnen de twee maanden na het instellen van het cassatieberoep en in elk geval vijftien dagen voor de rechtszitting. Die termijnen zijn noodzakelijk opdat de tegenpartij verweer zou kunnen voeren, de advocaat-generaal en het Hof voldoende tijd zouden hebben voor het onderzoek van de middelen en het Hof binnen een redelijke termijn uitspraak zou kunnen doen. De niet-naleving van die termijn wordt gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de memorie en ook die termijn dient een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling, en ook die verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doelen getuigt evenmin van een overdreven formalisme.
  2. Uit de stukken waarop uw hof vermag acht te slaan blijkt mijns inziens niet dat de eiseres op het ogenblik van het indienen van haar memorie de hoedanigheid van advocaat had en de omstandigheid dat zij hierover het tegendeel voorhoudt levert uiteraard geen bewijs op. Daarenboven dient er toch op te worden gewezen dat uit de stukken die het Hof vermag in aanmerking te nemen, blijkt dat in de voorliggende zaak de eiseres, die wordt vervolgd om naar aanleiding van een rechtszaak aan een gerechtsgebouw aan een ander advocaat opzettelijk slagen te hebben toegebracht, tijdens de verschillende fasen van de procedure reeds op meerdere advocaten van verschillende balies een beroep heeft gedaan, maar dat al die advocaten de verdediging van de eiseres uiteindelijk niet verder wensten op zich te nemen. Ook de raadsman die namens de eiseres het cassatieberoep heeft ingesteld, wenste voor haar en ondanks haar klaarblijkelijk aandringen geen memorie in te dienen en ik ben de mening toegedaan dat enkel kan worden vastgesteld dat de eiseres tegen talrijke personen – onder meer advocaten, magistraten en politiemensen – die haar opvattingen, haar beoordeling en interpretatie van de feiten en van het recht niet bijtreden – telkenmale klacht indient en dat aan al die klachten welke volgens de eiseres zouden zijn gegroepeerd in een dossier BR.53.98.1592-17/D1 volgens haar ten onrechte geen gevolg is gegeven. Wanneer de eiseres dan ook beweert dat er wel degelijk advocaten zijn die haar zouden willen verdedigen, maar dat zij dit onder bedreiging niet doen, dan is dit niet meer of minder dan een loutere bewering, die op geen enkel stuk wordt gebaseerd en niet in het minst aannemelijk wordt gemaakt.
  3. Het lijkt mij daarentegen evident dat de eiseres geen enkel advocaat bereid vindt haar verdediging, zoals zij die ziet, met haar eigen feitelijke en rechterlijke interpretaties, op zich te nemen. Het komt mij dan ook voor dat de door haar voorgehouden onmogelijkheid om een advocaat houder van het bedoelde getuigschrift bereid te vinden om namens haar een memorie in te dienen, louter en alleen het gevolg is van haar eigen handelen en derhalve dan ook geen overmacht uitmaakt. Er anders over oordelen zou met zich meebrengen dat de hierboven uiteengezette doelstellingen van de wetgever, met name een afstandelijke, goed overwogen en bedachtzame beoordeling van cassatiemiddelen door een onafhankelijke advocaat, niet zou worden bereikt. Het feit dat het Hof in andere procedures die door de door eiseres werden gevoerd, met name in de door haar zelf ingestelde vorderingen tot onttrekking van strafzaken wegens gewettigde verdenking, deze niet onontvankelijk heeft verklaard, doet hieraan totaal geen afbreuk aangezien in het kader van die bijzondere procedure de verplichte bijstand van een advocaat, houder van een getuigschrift, niet is voorgeschreven.
  4. Concluderend kan dus worden gesteld dat de memorie en de memorie van wederantwoord beiden onontvankelijk zijn om de hiernavolgende redenen: a) De memorie van de eiseres, die enkel door haar is ondertekend en waarvan niet blijkt dat ze is ingediend door een advocaat houder van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures, is niet ontvankelijk. b) De namens de eiseres ingediende memorie van wederantwoord, in de mate dat die een herhaling of recuperatie inhoudt van de cassatiemiddelen die de eiseres tegen het arrest heeft aangevoerd in de memorie, is ingediend buiten de door artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen. Zij is dan ook wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. c) De memorie van antwoord is ook niet ontvankelijk aangezien ze niet is ondertekend door een advocaat die houder is van het getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken of die geacht wordt daarover te beschikken. De ondertekening door een advocaat bij het Hof “op vordering en concept” is geen ondertekening die aan die vereiste voldoet. B) De valsheidsvordering.
  5. De eiseres heeft op 1 februari 2021 ter griffie van het Hof een valsheidsvordering ingediend. De vordering is ondertekend door de eiseres zelf én door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof, die ook hier heeft getekend “op vordering en op concept”. Deze vordering blijkt op 28 januari 2021 te zijn betekend aan de verweerster. Volgens dit geschrift stelt de eiseres deze valsheidsvordering in tegen nader aangeduide stukken in het strafdossier dat heeft geleid tot het arrest waartegen zij cassatieberoep heeft ingesteld en stukken die zij daarmee in verband brengt. 18.Wanneer een valsheidsvordering geformuleerd wordt als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken
(6)moet zij worden ingediend binnen de door artikel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen om een memorie in te dienen
(7). Die termijnvereiste getuigt niet van een excessief formalisme maar beoogt een efficiënte behandeling binnen een redelijke termijn en wordt aldus verantwoord door de vereiste van een behoorlijke rechtsbedeling. In casu werd de valsheidsvordering door de eiseres ingediend buiten die termijn. 19. Zoals hierboven reeds uiteengezet is de tussenkomst vereist van een gespecialiseerde advocaat voor het instellen van cassatieberoep in strafzaken én het indienen van memories, gelet op het technisch en specifiek karakter van de procedure voor het Hof. Dit geldt eveneens voor een valsheidsvordering die ter gelegenheid van een cassatieberoep in strafzaken wordt ingesteld, zodat een dergelijke vordering slechts ontvankelijk is als ze is ondertekend door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures
(8). Dit is hier niet het geval aangezien de door de eiseres geformuleerde valsheidsvordering door haarzelf ondertekend is, alsook door een advocaat bij het Hof, die ze heeft getekend “op vordering en concept”. De argumentatie die ik hierboven reeds heb uiteengezet met betrekking tot de memorie van wederantwoord, is ook hier geldig zodat de ondertekening "op vordering en concept" ook hier niet voldoet aan de vereiste van ondertekening door een advocaat houder van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken. 20. Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken is slechts ontvankelijk wanneer de van valsheid betichte stukken niet van valsheid konden worden beticht voor de feitenrechter in hoogste aanleg
(9). Ze is evenmin ontvankelijk indien de valsheidsvordering werd voorgelegd aan de feitenrechter in hoogste aanleg en die ze heeft beoordeeld. Ook hier gaat het om een voorwaarde die verband houdt met de specifieke rol van het Hof van Cassatie als instantie belast met de taak de wettigheid van in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissingen te beoordelen en niet de feiten van de zaak zelf. Aldus komt het mij voor dat ook deze voorwaarde wordt gerechtvaardigd door de eis van een behoorlijke rechtsbedeling. 21. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar verweer voor het hof van beroep te Antwerpen sommige van de stukken die zij thans van valsheid beticht, ook als vals heeft aangemerkt en dat het door dit hof van beroep gewezen arrest dit verweer heeft ontmoet. Voor de overige stukken die in de voor het Hof geformuleerde valsheidsvordering van valsheid worden beticht, blijkt niet dat de eiseres voor het hof van beroep te Antwerpen een valsheidsvordering heeft ingediend, maar het wil me toch voorkomen dat er geen redenen voorhanden zijn waarom de eiseres dat niet zou hebben kunnen doen, daar waar ze het wel voor andere stukken heeft gedaan. Wanneer ze voorhoudt dat zij deze stukken voor de feitenrechter in hoogste aanleg niet efficiënt kon betwisten omdat haar een onderzoek werd geweigerd door elk parket in het Nederlandstalig taalgebied, ben ik de mening toegedaan dat dit onmogelijk kan gelden als valabele uitleg en verantwoording voor de afwezigheid van een valsheidsvordering voor de feitenrechter in hoogste aanleg voor de bedoelde stukken. Concluderend kan dan ook gesteld worden dat de valsheidsvordering niet ontvankelijk is. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer derhalve tot de verwerping van het cassatieberoep. __________________________________
(1)EHRM nr. 30671/08, 11 februari 2014, Masirevic t. Servië. Het betreft hier een klacht.
(2)Het gaat om een klacht die gericht is tegen verschillende magistraten, advocaten, politiemensen…, waaraan volgens haar ten onrechte geen gevolg werd gegeven.
(3)Deze bepalingen werden ingevoerd bij wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, BS 27 februari 2014; J. VERBIST, “De hervorming van de cassatieprocedure in strafzaken”, RW 2013-14/411604-1614.
(4)Cass. 22 maart 2016, AR P.15.1067.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.5, AC 2016, nr. 200, JLMB 2017, 1875 met noot F. CLOSE, NC 2016, 359; Cass. 22 maart 2016, AR P.15.0703.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.3, AC 2016, nr. 198, NC 2016, 358.
(5)Vgl. Cass. 3 november 2015, AR P.15.0311.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151103.4, AC 2015, nr. 648.
(6)F. SWENNEN, “De incidentele valsheidsvordering in strafzaken voor het Hof van Cassatie”, T. Strafr., 2003/1, 13-21.
(7)Cass. 25 oktober 1976, AC 1977, é toen uiteraard nog onder gelding van het artikel 420bis Wetboek van strafvordering.
(8)Cass. 29 mei 2019, AR P.19.0336.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.2, arrest niet gepubliceerd.
(9)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie 2014, 46449; F. SWENNEN, o.c., T. Strafr., 2003/1, 17, nr. 17. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210216.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151103.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.