id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 februari 2021
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 2 Indien het vonnisgerecht, naast de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties opgeworpen door de erin vermelde partijen, zelf procedurele middelen opwerpt zoals de onontvankelijkheid van het hoger beroep van een partij of de nietigheid wegens schending van de Taalwet Gerechtszaken van een conclusie van een beklaagde waarin een procedurele exceptie wordt opgeworpen, en het vonnisgerecht die zelf opgeworpen middelen eerst moet onderzoeken en beoordelen alvorens de door de vermelde partijen aangevoerde procedurele excepties nuttig te kunnen onderzoeken en beoordelen, dan belet dit niet dat de verjaring van de strafvordering is geschorst bij toepassing van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Opwerping en behandeling van procedurele middelen door het vonnisgerecht zelf - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 3 Er is volgens artikel 24, tweede lid, tweede zin, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geen schorsing van de verjaring indien de beslissing over de daarin bedoelde exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd en de beslissing over deze excepties wordt bij de zaak zelf gevoegd en de verjaring van de strafvordering is niet geschorst indien het vonnisgerecht deze excepties beoordeelt met dezelfde beslissing als deze waarbij uitspraak wordt gedaan over de schuld van de beklaagden; de omstandigheid dat een zaak in zijn geheel wordt behandeld op een rechtszitting houdt niet in dat het vonnisgerecht de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties bij de zaak zelf heeft gevoegd
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Voeging van de beslissing over de exceptie bij de grond van de zaak - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 4 De omstandigheid dat de beslissing waarin de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties worden verworpen, tevens uitspraak doet over andere middelen dan procedurele excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid, zoals de aanneming van verzachtende omstandigheden met betrekking tot een telastlegging, de vaststelling van de verjaring van de strafvordering met betrekking tot een bepaalde telastlegging of het bepalen van de incriminatieperiode van een telastlegging, maar geen uitspraak doet over de schuld van de beklaagde, belet niet dat de verjaring van de strafvordering is geschorst bij toepassing van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing tot verwerping - Uitspraak in diezelfde beslissing over andere middelen dan de procedurele excepties - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 5 - 8 Het vonnisgerecht oordeelt onaantastbaar in het belang van een goede rechtsbedeling of het de beslissing over de door artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde excepties bij de zaak zelf voegt dan wel dat zij dat niet doet en er dus uitspraak over doet op een vroeger tijdstip dan de beslissing over de schuld en zij moet die beslissing niet bijzonder met redenen omkleden.; dat die beslissing, waaraan altijd een exceptie als bedoeld door artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, opgeworpen door een in die bepaling bedoelde partij, ten grondslag ligt, een impact kan hebben op de verjaring van de strafvordering, zoals overigens elke handeling van een met vervolging en berechting belaste overheid die krachtens de wet een daad van stuiting of schorsing van de verjaring van de strafvordering oplevert, maakt die beslissing niet willekeurig en houdt evenmin een schending in van de artikelen 6 en 13 EVRM
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafvordering - Schorsing - Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Impact op de verjaring van de strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Impact op de verjaring van de strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 10 Artikel 43quater, § 4, Strafwetboek bepaalt dat het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet worden verbeurdverklaard, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever er een bijzondere toepassing in zag van artikel 42, 1°, Strafwetboek, dat de verplichte verbeurdverklaring voorschrijft van de misdrijfinstrumenten en met dit artikel 43quater, § 4, Strafwetboek dit begrip wilde verbijzonderen tot alle activa, waarvan het duidelijk is dat zij bestemd zijn om te dienen voor de activiteiten van een criminele organisatie, zodat deze verbeurdverklaring betrekking heeft op elk goed dat ter beschikking staat van de criminele organisatie voor de uitoefening van haar activiteiten en deze verbeurdverklaring niet beperkt is tot vermogensvoordelen uit een misdrijf
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Criminele organisatie - Doelstelling - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43quater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Straf - Verbeurdverklaring - Doelstelling - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43quater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2021, nr. 6, p. 503-
- - VERSTRAETEN, Raf; Noot'De schorsing van de verjaring van strafvordering bij het inroepen van een procedurele exceptie' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 18, p. 1715-
- - VAN DOOREN, Eric; Noot'De lange grijparm van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek' Tekst van de conclusie P.19.1057.N Advocaat-generaal Alain Winants heeft in hoofdzaak gezegd: De telastleggingen in deze zaak hebben betrekking op feiten van criminele organisatie, valsheden in geschriften en gebruik, BTW-valsheden, valsheden in jaarrekeningen en witwassen alsmede voor A. inbreuken op de wapenwet. In eerste aanleg waren de eisers I het voorwerp van twee vonnissen van de correctionele rechtbank te Tongeren, één van 2 mei 2016, zijnde het eindvonnis over de telastleggingen (zaak I) en één van 22 maart 2016, waarbij een valsheidsvordering werd afgewezen. (zaak II). Er werd door de eisers I hoger beroep aangetekend tegen beide vonnissen en door het openbaar ministerie tegen het vonnis van 2 mei
- In graad van beroep werden er in deze zaak 4 arresten uitgesproken door het hof van beroep te Antwerpen en de cassatieberoepen van de eisers I (A.A. en D.H.) zijn tegen die verschillende arresten gericht, met name: - een arrest van 12 juni 2018 (arrest I) waarbij de samenvoeging van de zaken I en II werd bevolen; - een arrest van 30 april 2019 (arrest II) waarbij verschillende excepties, geschilpunten en de valsheidsvordering werden onderzocht; - een arrest van 18 september 2019 (arrest III) waarbij een heropening van de debatten werd bevolen; - het eindarrest van 26 september 2019 (arrest IV), zijnde het eindarrest waarbij de beide eisers I werden veroordeeld voor een gedeelte van de telastleggingen tot een gevangenisstraf van 40 maanden, een beroepsverbod van 10 jaar en tot een deel van de gerechtskosten en de gebruikelijke bijdragen. Het cassatieberoep van eiser II (PROCUREUR-GENERAAL TE ANTWERPEN) is gericht tegen het arrest IV. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. ONDERZOEK VAN HET MIDDEL VAN DE EISERS I. Het middel van de eisers I voert de schending aan van de artikelen 21 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering betreffende de verjaring van de strafvordering, inzonderheid met betrekking tot de schorsing van die verjaring, om aldus te oordelen dat de verjaring van de strafvordering nog niet is ingetreden op het ogenblik van de uitspraak. De eisers stellen met name dat de behandeling in beroep van de valsheidsvordering en van de excepties opgeworpen door de eisers I, samen met andere aspecten van de zaak, opgeworpen door de appelrechters en het openbaar ministerie, niet toelaten te besluiten dat er een schorsing zou zijn in de zin van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Eisers zijn van mening dat uit deze bepaling immers volgt dat er slechts sprake is van schorsing van de verjaring van de strafvordering indien de rechter enkel moet beslissen over een of meerdere excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid, opgeworpen door een verdachte, een burgerlijke partij of een burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Van zodra die excepties bij de zaak zelf worden gevoegd, hetgeen volgens de eisers I het geval is, is er alsdan geen schorsing van de verjaring. Volgens de eisers blijkt uit de stukken dat de periode tussen 19 december 2017 en 30 april 2019 niet louter het beraad betreft over een of meerdere excepties van onontvankelijkheid geformuleerd door hen, maar ook over tal van andere geschilpunten, zoals de door de appelrechters opgeworpen ontvankelijkheid van het hoger beroep van de eisers I tegen het beroepen vonnis van 22 maart 2016, de door de appelrechters opgeworpen nietigheid van de conclusie van een medebeklaagde wegens schending van de Taalwet Gerechtszaken, verzoeken van het openbaar ministerie over onder andere de uitbreiding van diverse incriminatieperiodes, beslissingen over onder andere het aannemen van verzachtende omstandigheden en het al dan niet voorhanden zijn van door het openbaar ministerie aangevoerde schorsingsgronden. Zij leiden daaruit af dat de door hen opgeworpen excepties werden gevoegd bij de zaak zelf zodat er geen sprake kan zijn van een schorsing van de verjaring. De bepaling van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, werd ingevoerd door artikel 48 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Uit de wetsgeschiedenis van die bepaling blijkt dat de wetgever wilde vermijden dat deze partijen om dilatoire redenen misbruik zouden maken van de in dat artikel opgesomde procedurele middelen. De woorden "gedurende de behandeling" in deze bepaling viseren de periode tussen het tijdstip waarop volgens de procedurestukken een partij een dergelijke procedurele exceptie opwerpt en het tijdstip waarop het vonnisgerecht er uitspraak over doet
(1). Tijdens die periode is de verjaring van de strafvordering in beginsel geschorst. Het vonnisgerecht heeft in deze zaak, naast de door de in artikel 24, tweede lid, Wetboek van Strafvordering door de erin vermelde partijen opgeworpen procedurele excepties, zelf een aantal procedurele middelen opgeworpen zoals de ontvankelijkheid van het hoger beroep van een partij of de nietigheid wegens schending van de Taalwet Gerechtszaken van een conclusie van een beklaagde waarin een procedurele exceptie wordt opgeworpen. Het vonnisgerecht heeft het noodzakelijk geacht die zelf opgeworpen middelen te onderzoeken en te beoordelen samen met de door de vermelde partijen aangevoerde procedurele excepties, maar ik ben de mening toegedaan dat dit niet belet dat de verjaring van de strafvordering is geschorst bij toepassing van artikel 24, tweede lid, eerste zin, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Er is volgens artikel 24, tweede lid, tweede zin, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geen schorsing van de verjaring van de strafvordering indien de beslissing over de daarin bedoelde exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, hetgeen mijns inziens betekent dat de verjaring van de strafvordering niet zou zijn geschorst indien het vonnisgerecht de excepties zou beoordelen hetzij in dezelfde beslissing als deze waarmee de schuldvraag van de beklaagden wordt beantwoord
(2), hetzij in de eindbeslissing op de strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. - Uit de stukken waarop uw hof vermag acht te slaan en uit het verloop van de strafprocedure volgt dat dat de behandeling van de door eisers I opgeworpen excepties van onontvankelijkheid een aanvang heeft genomen op de rechtszitting van 19 december 2017
(3)en dat de door eisers I opgeworpen excepties betreffende de onontvankelijkheid van de strafvordering niet bij de zaak zelf zijn gevoegd. Bijgevolg is de beslissing dat de strafvordering was geschorst van 19 december 2017 tot 30 april 2019, datum waarop het arrest II deze procedurele excepties van de eisers I heeft verworpen, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. - Het eindarrest IV (p. 283-284) oordeelt dat de verjaring van de strafvordering voor de bewezen verklaarde telastleggingen A.3, E, F en I.4, waarvan wordt aangenomen dat die de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, een aanvang heeft genomen op 28 november 2008, dat zij nuttig is gestuit op 20 september 2013 door de vordering van de procureur des Konings voor de raadkamer en het door de raadkamer op die dag verleende uitstel, zodat wanneer men de schorsingsperiode op grond van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering aanvaardt, het arrest IV naar recht beslissen dat de verjaring van de strafvordering op de datum van het arrest nog niet is ingetreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. -In zoverre het middel opkomt tegen de beslissing dat de verjaring van de strafvordering geschorst was met één dag tussen 21 en 22 maart 2016 en dat noch de beslissing over de valsheidsvordering, noch de behandeling van het hoger beroep tegen deze beslissing, konden doen besluiten tot een schorsing van de verjaring van de strafvordering, is het gericht tegen overtollige redenen die de overige zelfstandige redenen, op grond waarvan de strafvordering geschorst was tussen 19 december 2017 en 30 april 2019 op grond van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de verjaring van de strafvordering voor de bewezen verklaarde telastleggingen A.3, E, F en I.4 aldus nog niet is ingetreden, onaangetast laten en is het bijgevolg niet ontvankelijk. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN VAN EISER II. Het eerste middel, eerste onderdeel
(4),voert de schending aan van artikel 43quater, §4, Strafwetboek omdat het eindarrest beslist dat het niet kan ingaan op de vordering van de eiser II tot verbeurdverklaring van het vermogen van de criminele organisatie omdat er geen afdoende elementen zijn om een voldoende precieze inschatting te maken van de door de criminele organisatie verworven criminele opbrengsten. Eiser I houdt staande dat met deze reden het arrest het vermogen dat ter beschikking staat van de criminele organisatie beperkt tot de illegale vermogensvoordelen die voortvloeien uit de criminele organisatie. De wetsgeschiedenis van artikel 43quater, §4, Strafwetboek toont aan dat de wetgever hierin een bijzondere toepassing zag van artikel 42, 1°, Strafwetboek, dat de verplichte verbeurdverklaring voorschrijft van de misdrijfinstrumenten. De bedoeling van de wetgever met artikel 43quater, §4, Strafwetboek bestond er met name in dit begrip tot alle activa, waarvan het duidelijk is dat zij bestemd zijn om te dienen voor de activiteiten van een criminele organisatie, uit te breiden
(5), zodat die verbeurdverklaring betrekking heeft op elk goed dat ter beschikking staat van de criminele organisatie voor de uitoefening van haar activiteiten en derhalve niet is beperkt tot vermogensvoordelen uit een misdrijf
(6). Het arrest IV verklaart de eisers I schuldig als deelnemer aan de voorbereiding of uitvoering van een geoorloofde activiteit van een criminele organisatie (telastlegging A.3). Het grondt de afwijzing van de op artikel 43quater, §4, Strafwetboek gesteunde vordering van het openbaar ministerie tot bijzondere verbeurdverklaring op het gegeven dat onvoldoende informatie beschikbaar is over de opbrengsten van de criminele organisatie. Op die manier beperkt het aldus onwettig het toepassingsgebied van deze bepaling dat slaat op het gehele vermogen dat ter beschikking staat van de criminele organisatie. Het onderdeel is gegrond. Het tweede middel voert de schending van artikel 149 Grondwet, artikel 197 Strafwetboek en artikel 127, 1° en 2°, Wetboek van Vennootschappen, thans opgenomen onder de artikelen 3:43 en 3:44, 1° en 2°, Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, omdat het arrest IV de incriminatieperiode van telastlegging F (opmaak en gebruik van valse jaarrekeningen) ten onrechte tot 31 december 2007 beperkt en dit oordeel grondt op de doorslaggevende reden dat het openbaar ministerie zelf de faillietverklaring van de betrokken vennootschap heeft gevorderd en dit ook eerder had kunnen doen; Het bedrieglijk opzet van die telastlegging bestaat erin om aan de hand van de jaarrekening te kunnen voorhouden dat er werkelijk handel werd gedreven en het nuttig gevolg van deze valse jaarrekening heeft minstens voortgeduurd tot op de datum waarop de betrokken vennootschap failliet werd verklaard (4 oktober 2010). Eiser II stelt dan ook dat tot op die datum de buitenwereld werd voorgehouden dat de vennootschap daadwerkelijk de activiteiten ontwikkelde zoals deze werden geboekt, zodat aldus de werkelijke situatie verborgen werd gehouden. Aangezien het arrest IV de eisers I schuldig verklaart aan de feiten van de telastleggingen A3, E, F en I.4 en hen daarvoor tot straf veroordeelt, komt het mij voor dat de door het middel aangevoerde onwettigheid die beslissing niet kan beïnvloeden. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. De overige grieven van eiser II die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie van het arrest IV, behoeven geen antwoord. CONCLUSIE: geen ambtshalve middelen - VERWERPING CB I; cassatie op basis van het eerste middel van eiser II. _______________________________
(1)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 259, 141-142; A. JACOBS, "La prescription en matière pénale" in E. VIEUJEAN (ed.), La prescription, Formation Permanente CUP, 1998,
(115)129; A. MASSET, "Une nouvelle hypothèse de suspension de la prescription de l'action publique" in M. FRANCHIMONT (ed.), La loi du 12 mars 1998 réformant la procédure pénale, Collection Scientifique de la Faculté de Droit de Liège, 1998,
(355)363; J. MEESE, De duur van het strafproces, Gent, Larcier, 2006, 207; F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2014, nr. 2123, 515; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2012, nr. 252, 153.
(2)Zie A. JACOBS, "La prescription en matière pénale" in E. VIEUJEAN (ed.), La prescription, Formation Permanente CUP, 1998,
(115)129 : "cette suspension de la prescription n'aura toutefois pas lieu, d'une part, si le juge décide de joindre l'incident au fond et que celui-ci est donc tranché par la même décision que celle qui statue sur la culpabilité (...)"; L. VERSLYPPE, "De verjaring van de strafvordering", N.C. 2018, nummer ‘Nullum Crimen prijs 2018', nr. 98, 27stelt dat de exceptie de verjaring alleen dan schorst indien de vonnisrechter deze ongegrond verklaart bij tussenvonnis; F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2014, nr. 2123, 515, stellen dat er enkel sprake is van schorsing wanneer het vonnisgerecht hierover uitspraak doet bij wijze van vonnis of arrest alvorens recht te doen, waarbij de exceptie wordt verworpen; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2012, nr. 252, 153.
(3)Alvorens uitspraak te doen over de middelen van onontvankelijkheid van de strafvordering, dienden de appelrechters eerst te onderzoeken of het hoger beroep van de beklaagden en het openbaar ministerie ontvankelijk was én dat de verjaring van de strafvordering nog niet was ingetreden én dat de conclusie van één van de beklaagden niet (ambtshalve) nietig diende te worden verklaard ingevolge de schending van de Taalwet Gerechtszaken. Dus is het niet onlogisch dat eerst het onderzoek van deze aspecten werd behandeld alvorens de procedurele excepties van onontvankelijkheid van de strafvordering te behandelen maar dat neemt niet weg dat dit voorafgaand onderzoek is vervat in de duur van de behandeling van deze excepties. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt immers dat de zaak in zijn geheel werd gepleit op de zitting van 19 december 2017. Gelet op de middelen die de eisers I hebben opgeworpen in conclusies, kan hieruit worden besloten dat zij deze hebben opgeworpen gedurende deze zitting van 19 december 2017, zodat het arrest deze datum m.i. terecht als aanvangspunt van de behandeling van de excepties van onontvankelijkheid van de eisers heeft beschouwd.
(4)Cass. 24 maart 2020, AR P.19.0571.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1, AC 2020, nr. 211, ro 46.Vgl. Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340, ro 162 en 167 (zie ook de verwijzingen in het voorontwerp van J. DE HERDT, die in de hiernavolgende voetnoten worden hernomen);
(5)MvT, Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 1601/1, 37.
(6)E. FRANCIS, "Algemene principes van de bijzondere verbeurdverklaring en het beslag in strafzaken", T.Strafr. 2011, 316; E. FRANCIS, Commentaar bij artikel 43quater Sw., in M. DE BUSSCHER, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Duiding strafrecht 2012, Brussel, Larcier, 2012, 39. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210223.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.17 citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div