← België

Z. contra C.

Obsah (6)Art. 215Art. 204Art. 210Art. 162bisArt. 152Art. 235ter

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 maart 2021 EC

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 De in artikel 215 Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om uitspraak te doen over de zaak zelf is een uitzondering op de devolutieve werking van het hoger beroep, in die zin dat de rechter in hoger beroep hierdoor verplicht is te oordelen over de grond van de zaak zonder dat het beroepen vonnis hierover een beslissing heeft gewezen, maar die verplichting doet geen afbreuk aan de devolutieve werking van het hoger beroep in zoverre de rechter in hoger beroep een vonnis slechts kan tenietdoen en overgaan tot de beoordeling van de grond van de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering ten aanzien van de partijen door of tegen wie hoger beroep werd ingesteld; de beperking van het hoger beroep tot de bij toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering door de partijen aangevoerde grieven en in voorkomend geval de door de rechter in hoger beroep bij toepassing van artikel 210, tweede lid, van datzelfde wetboek ambtshalve op te werpen grieven, begrenst de saisine van de rechter in hoger beroep en impliceert dat de beslissingsonderdelen van het beroepen vonnis waartegen geen grief werd opgeworpen, niet aan het oordeel van de rechter in hoger beroep zijn onderworpen en deze beperking van de devolutieve werking van het hoger beroep door de aldus opgeworpen grieven is niet onverenigbaar met de verplichting tot evocatie bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering, die de rechter in hoger beroep immers verplicht om uitspraak te doen over de grond van de zaak zelf zonder dat hierover in het beroepen vonnis een beslissing werd gewezen, zodat hiertegen ook geen hoger beroep kon worden ingesteld

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Devolutieve werking - Tussenvonnis dat de strafvordering ontvankelijk verklaart, de excepties verwerpt en een onderzoeksmaatregel beveelt - Hoger beroep - Bevestiging van het vonnis wat betreft de ontvankelijkheid van de strafvordering en de verwerping van de excepties - Vernietiging van het vonnis wat de onderzoeksmaatregel betreft - Evocatie - Bevoegdheid van de appelrechters ten opzichte van de partijen door of tegen wie hoger beroep werd ingesteld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 210

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 De verplichting voor de rechter in hoger beroep om, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, mede over de zaak zelf te beslissen, vloeit rechtstreeks voort uit de wet, namelijk uit artikel 215 Wetboek van Strafvordering, zodat wanneer hoger beroep wordt aangetekend tegen een vonnis alvorens recht te doen, de partijen in hoger beroep er bijgevolg van op de hoogte zijn dat, wanneer de rechter in hoger beroep dit vonnis tenietdoet of wijzigt, hij zich dient uit te spreken over de grond van de zaak, zodat zij in de gelegenheid zijn hun standpunt over de grond van de zaak uiteen te zetten; die wettelijke verplichting impliceert dat de rechter in hoger beroep, behoudens wanneer hij te kennen zou hebben gegeven dat het debat over de grond van de zaak in voorkomend geval zou worden afgesplitst, na het tenietdoen of wijzigen van een vonnis alvorens recht te doen niet ertoe verplicht is hierover een afzonderlijke beslissing te wijzen en het debat te heropenen teneinde de partijen uit te nodigen zich te verdedigen over de grond van de zaak en de rechter in hoger beroep die niet de heropening van het debat beveelt en zich in dezelfde beslissing uitspreekt over de evocatie en de grond van de zaak, miskent hierdoor niet het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging; de omstandigheid dat de rechter in hoger beroep die een vonnis alvorens recht te doen tenietdoet of wijzigt de mogelijkheid heeft om hierbij het debat te heropenen, evenals de omstandigheid dat dit in een andere zaak voor dezelfde rechtsmacht in hoger beroep ook is gebeurd, doen hieraan geen afbreuk en impliceren niet dat de partijen zouden zijn verschalkt in hun rechtmatige verwachtingen

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Evocatie - Gevolgen - Recht van verdediging - Heropening van de debatten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Hoger beroep - Evocatie - Gevolgen - Heropening van de debatten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Hoger beroep - Evocatie - Gevolgen - Heropening van de debatten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 10 De in artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om, wanneer hij ambtshalve een grief opwerpt bij toepassing van het tweede lid van die bepaling, de partijen te verzoeken om zich hierover uit te spreken, strekt ertoe het recht van verdediging te vrijwaren van de partijen in hoger beroep aangezien deze niet kunnen voorzien welke grieven in voorkomend geval ambtshalve zullen worden opgeworpen door de rechter in hoger beroep; de situatie van een partij in hoger beroep die wordt geconfronteerd met een bij toepassing van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering door de rechter in hoger beroep ambtshalve opgeworpen grief, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij die bij een hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen ervan op de hoogte is dat, wanneer de rechter in hoger beroep het beroepen vonnis tenietdoet of wijzigt, de grond van de zaak zal worden beoordeeld in hoger beroep, zodat hij hierover verweer kan voeren, zodat de prejudiciële vraag die betrekking heeft op niet-vergelijkbare rechtstoestanden niet dient te worden gesteld

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Saisine van de appelrechter - Grieven - Ambtshalve grief opgeworpen door de appelrechter - Artikel 210 Wetboek van Strafvordering - Gevolg - Verzoek aan de partijen om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen grieven - Doelstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Hoger beroep - Saisine van de appelrechter - Grieven - Ambtshalve grief opgeworpen door de appelrechter - Verzoek aan de partijen om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen grieven - Doelstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Evocatie - Gevolgen - Recht van verdediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Hoger beroep - Evocatie - Gevolgen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting - Grenzen - Niet-vergelijkbare rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 11 De in artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om, wanneer hij ambtshalve een grief opwerpt bij toepassing van het tweede lid van die bepaling, de partijen te verzoeken om zich hierover uit te spreken, strekt ertoe het recht van verdediging te vrijwaren van de partijen in hoger beroep aangezien deze niet kunnen voorzien welke grieven in voorkomend geval ambtshalve zullen worden opgeworpen door de rechter in hoger beroep; de situatie van een partij in hoger beroep die wordt geconfronteerd met een bij toepassing van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering door de rechter in hoger beroep ambtshalve opgeworpen grief, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij die bij een hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen ervan op de hoogte is dat, wanneer de rechter in hoger beroep het beroepen vonnis tenietdoet of wijzigt, de grond van de zaak zal worden beoordeeld in hoger beroep, zodat hij hierover verweer kan voeren, zodat de prejudiciële vraag die betrekking heeft op niet-vergelijkbare rechtstoestanden niet dient te worden gesteld .

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting - Grenzen - Niet-vergelijkbare rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 12 Uit artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering volgt dat wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van een burgerlijke partij, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij, ook al zijn de beklaagden hoofdelijk gehouden tot vergoeding van dezelfde schade; de omstandigheid dat een in het gelijk gestelde burgerlijke partij slechts de hoofdelijke veroordeling of een in solidum-veroordeling vordert van de in het ongelijk gestelde beklaagden of de veroordeling van de ene bij gebreke aan de andere, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Strafzaken - Meerdere beklaagden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek

Art. 162bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 13 - 14 Uit de enkele omstandigheid dat de rechter in hoger beroep de beslissing van de eerste rechter vernietigt, de zaak tot zich trekt en zelf uitspraak doet over de grond van de zaak, kan geen schending van artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM worden afgeleid; de omstandigheid dat België bij de goedkeuring en de bekrachtiging van artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM geen voorbehoud heeft geformuleerd met betrekking tot de in artikel 215 Wetboek van Strafvordering bedoelde evocatie, doet hieraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Evocatie - Gevolgen - Zevende aanvullend protocol EVRM - Recht op hoger beroep - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende Aanvullend Protocol - Artikel 2 - Recht op hoger beroep - Evocatie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 15 - 17 Een conclusie over de strafvordering die werd neergelegd of meegedeeld na het verstrijken van de bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering vastgelegde conclusietermijnen, kan niet zonder het akkoord van alle partijen en van het openbaar ministerie in het debat worden behouden.; de enkele omstandigheid dat de rechter, na te hebben vastgesteld dat het openbaar ministerie weigert akkoord te gaan met de laattijdige neerlegging van de conclusie van een partij, die conclusie uit het debat weert terwijl eerder in de procedure een laattijdig neergelegde conclusie van een andere partij met het akkoord van alle partijen wél in het debat werd behouden, levert geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces en op gelijkheid van wapens

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vaststelling van conclusietermijnen - Neerlegging van een conclusie na verstrijken van de conclusietermijnen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vaststelling van conclusietermijnen - Neerlegging van een conclusie na verstrijken van de conclusietermijnen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Wapengelijkheid - Vaststelling van conclusietermijnen - Neerlegging van een conclusie na verstrijken van de conclusietermijnen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 18 - 20 De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering over het toezicht op de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie is bindend voor de vonnisrechter; wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling naar aanleiding van dit toezicht een bij conclusie aangevoerd verweer beantwoordt over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode, is de rechter ten gronde aan wie datzelfde verweer wordt voorgelegd, niet gehouden hierop te antwoorden

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Controle bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Vrije woorden: Observatie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Bijzondere opsporingsmethode - Observatie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 21 - 22 Behoudens uitzonderingen die de wet bepaalt, kan het openbaar ministerie in beginsel hoger beroep aantekenen tegen elk in eerste aanleg gewezen vonnis in strafzaken, waaronder een vonnis alvorens recht te doen waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen; uit de omstandigheid dat het openbaar ministerie een onderzoeksmaatregel laat uitvoeren die inhoudelijk overeenkomt met de in een vonnis alvorens recht te doen bevolen onderzoeksmaatregel, kan niet worden afgeleid dat het door het openbaar ministerie tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep geen belang of geen voorwerp meer zou hebben

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Openbaar ministerie - Draagwijdte Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Hoger beroep - Strafzaken - Draagwijdte Tekst van de conclusie P.20.1057.N Advocaat-generaal Alain WINANTS heeft in hoofdzaak gezegd:
  1. De eisers werden in deze zaak vervolgd voor de correctionele rechtbank te Brussel uit hoofde van feiten van drugshandel die zowel betrekking hadden op een cocaïne -luik als op een cannabis-luik en de daarmee verband houdende criminele organisatie, waarbij eisers I.1 en I.2 en IV betrokken waren in het cannabis-luik, terwijl eisers, V en VI betrokken waren in het cocaïne-luik.
  2. Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 13 september 2018 werd de zaak nopens het cocaïne luik inzake eisers V en VI afgesplitst van de overige beklaagden in dat luik, werd ten gronde over de eisers V en VI beslist, werd de strafvordering ontvankelijk verklaard en werden alle excepties verworpen, werden de eisers V en VI voor deze tenlasteleggingen vrijgesproken en werd voor alle andere betrokkenen in het cannabis-luik een college van toxicologische deskundigen aangesteld om de THC-waarde van de cannabis te bepalen en werd de zaak in voortzetting geplaatst.
  3. Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend door het openbaar ministerie tegen alle beklaagden, alsmede door de eisers I.1 en I.2 en eiser IV. De procedure in beroep gaf aanleiding tot 3 arresten, met name een arrest van de KI Brussel van 30 juni 2015 (arrest II dat betrekking heeft op eisers I.1, I.2 en IV)) dat een BOM-controle betreft in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, een arrest van de KI Brussel van 26 juli 2017 (arrest III dat betrekking heeft op eiser I.1) houdende afwijzing van een verzoek tot aanvullend onderzoek op basis van artikel 61quinquies Wet- boek van Strafvordering en het eindarrest van 30 september 2020 (arrest I) waarbij het bestreden vonnis werd bevestigd in zoverre de strafvordering ontvankelijk werd verklaard en de excepties werden verworpen, maar waarbij voor het overige het bestreden vonnis werd vernietigd (de aanstelling van het college van deskundigen werd niet noodzakelijk bevonden) en het hof op basis van artikel 215 Wetboek van Strafvordering de zaak evoceerde.
  4. Bij éénparigheid werden de verschillende eisers veroordeeld tot gevangenisstraffen, de gewoonlijke bijdragen en verschillende verbeurdverklaringen. De cassatieberoepen zijn voor alle eisers gericht tegen het eindarrest van 30 september 2020 en wat betreft eiser I.1 en I.2 tevens tegen het arrest van 30 juni 2015 (arrest II), maar zij doen beiden afstand van dit cassatieberoep en door eiser I.1 ook tegen het arrest van 26 juli 2017 (arrest III).
  5. Het eerste middel, eerste onderdeel van de eerste memorie van eisers I.1 en I.2 voert een schending aan van artikel 215 Wetboek van Strafvordering omdat de eisers van mening zijn dat de appelrechters die overgaan tot evocatie en uitspraak doen over de grond van de zaak dit niet vermochten te doen aangezien zij de beroepen beslissing slechts gedeeltelijk teniet deden en ze voor het overige gedeeltelijk bevestigden met overname zelfs van de motieven van het vonnis. De problematiek die hier ter discussie staat is dus deze van de evocatie
(1)die wordt behandeld in het artikel 215 Wetboek van Strafvordering dat stelt: Indien het vonnis wordt teniet gedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, beslist het hof mede over de zaak zelf beslist. 6. Eisers halen ter ondersteuning van hun standpunten twee arresten aan van het Hof van Cassatie, die mij evenwel niet terzake dienend lijken te zijn. Het eerste arrest dateert van 26 juni 1967
(2)en stelt dat de rechter in hoger beroep die het tussenvonnis waartegen beroep niet tenietdoet maar zich er integendeel bij aansluit, het artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering schendt als hij over de zaak zelf beslist en recht doet over de grond van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. Dit lijkt mij voor de hand liggend te zijn maar het is uiteraard niet de casus die thans voorligt. Het tweede arrest dateert van 23 oktober 1984
(3)en betreft een afhandeling van burgerlijke belangen waarbij de eerste rechter in feite reeds volledig had beslist over de grond van de zaak (met name de toepassing van de kapitalisatie) maar om de omvang van de vergoeding te bepalen een vonnis alvorens recht te doen had gewezen houdende voorlegging van stukken betreffende de beroepsinkomsten. In beroep werd het vonnis bevestigd met evenwel een wijziging van het toegekende bedrag en werd ook de onderzoeksmaatregel beaamd. Het Hof besliste dat de appelrechters in deze situatie niet vermochten te evoceren hetgeen me correct lijkt aangezien de eerste rechter de grond van de zaak reeds had beslist. 7. In de casus die thans voorligt is de toestand evenwel gans anders aangezien de eerste rechter geen uitspraak ten gronde heeft gedaan tegen eisers I.1 en I.2 (alsmede tegen eiser IV), maar zich wat hen betreft heeft beperkt, na het ontvangen van de strafvordering en het ver- werpen van de excepties, tot het bevelen van een deskundig onderzoek. Het arrest bevestigt ten dele dat tussenvonnis wat betreft de ontvankelijkheid van de straf- vordering en de verwerping van de excepties, maar vernietigt het voor het overige. We staan dus voor een partiële vernietiging en de vraag is dus of die aanleiding kan geven tot evocatie. Zoals reeds hierboven vermeld zijn de door eisers aangehaalde cassatiearresten zeker niet van aard om, zoals eisers het stellen, te besluiten tot een negatief antwoord en daarenboven aanvaardt ook de rechtspraak de mogelijkheid van een evocatie wanneer er slechts een partiële vernietiging van het vonnis is
(4). 8. Er zou kunnen gesteld worden dat dit standpunt indruist tegen het cassatiearrest van 20 december 2017
(5), maar ook hier leert een nadere studie dat dit niet noodzakelijk zo is omdat de situatie die aanleiding gaf tot dat arrest verschillend is van de voorliggende casus. Het ging inderdaad om een deskundig onderzoek bevolen door de politierechtbank, dat door de correctionele rechtbank in beroep werd bevestigd maar met een wijziging van de omschrijving van de deskundige opdracht en de aanstelling van een andere deskundige, waarna de zaak voor verdere afhandeling teruggestuurd werd naar de politierechtbank. Deze laatste verklaarde zich onbevoegd omdat het oordeelde dat de correctionele rechtbank op basis van artikel 215 Wetboek van Strafvordering zelf had dienen te beslissen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat in casu de beslissing van de politierechtbank niet werd vernietigd maar integendeel bevestigd, weze het gedeeltelijk, maar het is niet onbelangrijk aan te stippen dat advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE in zijn strijdige conclusie van oordeel was dat een evocatie ook tot de mogelijkheden behoorde.
  1. De situatie die ons hier bezighoudt is evenwel niet dezelfde aangezien er hier wel een bevestiging is van het tussenvonnis op punten die geen betrekking hebben op de beslissing alvorens recht te doen, met name de ontvankelijkheid van de strafvordering en de verwerping van de excepties, maar er een volledige hervorming is van de beslissing alvorens recht te doen. Het komt me dan ook voor dat de evocatie in dit geval volledige uitwerking moet krijgen, zodat wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen een vonnis dat geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering maar alvorens recht te doen een onderzoeksmaatregel beveelt, de rechter in beroep die dat vonnis tenietdoet of wijzigt, bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering verplicht is de zaak aan zich te trekken en te beslissen over de grond van de zaak. Hieraan wordt mijns inziens in generlei mate afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het beroepen vonnis ook reeds oordeelt over bepaalde aspecten van de ontvankelijkheid of regelmatigheid van de strafvordering en de rechter in hoger beroep die beslissing, al dan niet met overname van de redenen ervan, bevestigt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  2. Het eerste middel, tweede onderdeel van de eerste memorie van eisers I.1 en I.2 voert schending aan van de artikelen 210, tweede lid, en 215 Wetboek van Strafvordering omdat volgens hen de appelrechters de zaak aan zich trekken en uitspraak doen ten gronde, terwijl ingevolge het grievenstelsel de devolutieve werking van het hoger beroep wordt beperkt. Zij zijn dan ook van oordeel dat het grievenstelsel niet verenigbaar is met de toepassing van de evocatie en stellen voor daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof luidend als volgt: Schendt artikel 215 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheidsbeginsel) doordat het tot gevolg heeft dat de beklaagde die hoger beroep aantekent tegen een vonnis alvorens recht te doen zijn hoger beroep niet kan beperken tot bepaalde grieven tegen het beroepen vonnis, terwijl de beklaagde die hoger beroep aantekent tegen een eindvonnis dat wel kan overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering?
  3. De in artikel 215 Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om uitspraak te doen over de zaak zelf is een uitzondering op de devolutieve werking van het hoger beroep
(6), in die zin dat de rechter in beroep hierdoor verplicht is te oordelen over de grond van de zaak zonder dat het beroepen vonnis hierover een beslissing heeft gewezen en waarbij hij dus ertoe gebracht zal worden te statueren buiten en boven de devolutieve werking van het hoger beroep. Anderzijds evenwel wordt er geen afbreuk gedaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep in zoverre de appelrechter een vonnis slechts kan tenietdoen en overgaan tot de beoordeling van de grond van de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering ten aanzien van de partijen door of tegen wie hoger beroep werd ingesteld
(7). De saisine van de rechter in hoger beroep wordt beperkt tot de bij toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering door de partijen aangevoerde grieven en in voorkomend geval de door de rechter in beroep bij toepassing van artikel 210, tweede lid, van datzelfde wetboek ambtshalve op te werpen grieven. Dit houdt derhalve in dat de onderdelen van de beslissingen van het beroepen vonnis waartegen geen grief werd opgeworpen, niet aan het oordeel van de rechter in hoger beroep zijn onderworpen. Het komt mij dan ook voor dat de beperking van de devolutieve werking van het hoger beroep door de aldus opgeworpen grieven niet onverenigbaar is met de verplichting tot evocatie bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering, die de rechter in hoger beroep immers verplicht om uitspraak te doen over de grond van de zaak zelf zonder dat hierover in het beroepen vonnis een beslissing werd gewezen, zodat hiertegen ook geen hoger beroep kon worden ingesteld
(8). In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  1. Wat de voorgestelde prejudiciële vraag betreft lijkt het mij dat ze geen betrekking op de hypothese van een hoger beroep dat door het openbaar ministerie wordt aangetekend maar louter op een beweerde ongelijke behandeling van beklaagden die hoger beroep aantekenen. Daarenboven gaat zij er mijns inziens ten onrechte van uit dat een beklaagde zijn hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen niet zou kunnen beperken tot bepaalde grieven. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat de prejudiciële vraag niet dient te worden gesteld.
  2. Het eerste middel, derde onderdeel van de eerste memorie van eisers I.1 en I.2 voert schending van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 210, derde lid, en 215 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, omdat de eisers menen dat er ingeval van evocatie opnieuw conclusietermijnen dienden te worden verleend teneinde de eisers toe te laten hun verweer te voeren over de grond. Ook hier wordt een prejudiciële vraag voorgesteld, luidens als volgt: Schendt artikel 215 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheidsbeginsel), in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, doordat het niet voorziet in de verplichting voor de appelrechters die een hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een vonnis alvorens recht te doen gegrond verklaren en na evocatie beslissen over de grond van de zaak, om de partijen uit te nodigen om zich uit te spreken over de grond van de zaak, terwijl de appelrechters die op grond van artikel 210 Wetboek van Strafvordering beslissen tot het ambtshalve opwerpen van grieven tegen een beroepen vonnis, wel de verplichting hebben om de partijen uit te nodigen zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen?
  3. De verplichting voor de rechter in hoger beroep om, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, mede over de zaak zelf te beslissen, vloeit rechtstreeks voort uit de wet, met name uit artikel 215 Wetboek van Strafvordering. Dat houdt derhalve in dat wanneer hoger beroep wordt aangetekend tegen een vonnis alvorens recht te doen, de partijen in hoger beroep er bijgevolg van op de hoogte zijn dat, wanneer de rechter in hoger beroep dit vonnis tenietdoet of wijzigt, hij zich dient uit te spreken over de grond van de zaak, zodat zij in de gelegenheid zijn hun standpunt over de grond van de zaak uiteen te zetten. Dat impliceert mijns inziens dan ook dat de rechter in hoger beroep, wanneer hij het vonnis alvorens recht te doen tenietdoet of wijzigt, niet verplicht is hierover een afzonderlijke beslissing te wijzen, noch het debat te heropenen teneinde de partijen uit te nodigen zich te verdedigen over de grond van de zaak. Het is de rechtspraak van uw Hof dat wanneer de rechter dat niet doet daardoor noch het recht op een eerlijk proces, noch het recht van verdediging worden geschonden
(9). Het feit dat die rechter de mogelijkheid heeft om dat wel te doen of de omstandigheid dat dit in een andere zaak voor dezelfde rechtsinstantie in hoger beroep wel zou zijn gebeurd, doen hieraan geen afbreuk en impliceren niet dat de partijen zouden zijn verschalkt in hun rechtmatige verwachtingen. Het onderdeel, dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht.
  1. Wanneer de rechter in hoger beroep ambtshalve een grief opwerpt bij toepassing van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dan dient hij de partijen te verzoeken om zich hierover uit te spreken. De doelstelling van deze bepaling is het recht van verdediging van de partijen in hoger beroep te vrijwaren omdat zij uiteraard niet kunnen voorzien en inschatten en welke grieven in voorkomend geval ambtshalve zouden worden opgeworpen door de rechter in hoger beroep. Maar een dergelijke situatie is helemaal niet vergelijkbaar met de situatie van een partij die bij een hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen ervan op de hoogte is dat, wanneer de rechter in hoger beroep het beroepen vonnis tenietdoet of wijzigt, de grond van de zaak zal worden beoordeeld in hoger beroep, zodat hij hierover verweer kan voeren. Derhalve heeft het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil betrekking op niet-vergelijkbare rechtstoestanden, zodat de vraag niet dient te worden gesteld.. (…)
  2. Het derde middel van de eerste memorie van eisers I.1 en I.2 voert de schending van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het verbod uitspraak te doen over niet gevorderde zaken of meer toe te kennen dan gevraagd is (beschikkingsbeginsel) Het gaat met name over de veroordelingen in hoofde van elk van de eisers I.1 en I.2 tot het betalen van verschillende rechtsplegingsvergoedingen, daar waar er door de verweersters enkel een hoofdelijke veroordeling was gevraagd. Uit artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering volgt dat wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van een burgerlijke partij, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij, ook al zijn de beklaagden hoofdelijk gehouden tot vergoeding van dezelfde schade. De omstandigheid dat een in het gelijk gestelde burgerlijke partij slechts de hoofdelijke veroordeling of een in solidum -veroordeling vordert van de in het ongelijk gestelde beklaagden of de veroordeling van de ene bij gebreke aan de andere, doet daaraan geen afbreuk
(10). Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  1. Het eerste middel van de tweede memorie van eisers I.1 en I.2 voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 152, §2, 204, 210 en 215 Wetboek van Strafvordering omdat het arrest door de evocatie het recht op een dubbele aanleg zou miskennen en voorts heeft het middel ook betrekking op de mogelijkheid tot heropening van de debatten.
  2. Artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt:
  3. Eenieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.
  4. Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen een vrijspraak. Het komt mij voor dat wanneer de rechter in hoger beroep de beslissing van de eerste rechter vernietigt, de zaak tot zich trekt en zelf uitspraak doet over de grond van de zaak – hetgeen voor hem een wettelijke verplichting is voortvloeiend uit artikel 215 Wetboek van Strafvordering - dit gegeven geen schending van de voormelde verdragsbepaling inhoudt
(11). Dat België bij de goedkeuring en de bekrachtiging van artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM geen voorbehoud heeft geformuleerd met betrekking tot de in artikel 215 Wetboek van Strafvordering bedoelde evocatie, lijkt mij hier geen afbreuk aan te doen
(12). In zoverre faalt het middel naar recht. (…….)
  1. Het derde middel van de tweede memorie van eisers I.1 en I.2 voert de schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en op gelijkheid van wapens ingevolge het weren van een appelconclusie van de eiseres maar het aanvaarden van een zittingsnota van een andere beklaagde. Een conclusie over de strafvordering die werd neergelegd of meegedeeld na het verstrijken van de overeenkomstig artikel 152, §1, Wetboek van Strafvordering, vastgelegde conclusietermijnen, kan niet zonder het akkoord van alle partijen en van het openbaar ministerie in het debat worden behouden. Wanneer de rechter vaststelt dat het openbaar ministerie weigert akkoord te gaan met de laattijdige neerlegging van de conclusie van een partij en hij dientengevolge die conclusie uit het debat weert, terwijl op een ander ogenblik in de procedure een laattijdig neergelegde conclusie van een andere partij ditmaal met het akkoord van alle partijen wél in het debat werd behouden, dan volgt hieruit mijns inziens geenszins dat het recht op een eerlijk proces en het wapengelijkheidsbeginsel daardoor zouden worden geschonden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  2. Het vierde middel van de tweede memorie van eisers I.1 en I.2 voert schending aan van artikel 13 Wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat met name over de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering van de bijzondere opsporingsmethode van observatie, die volgens de eisers ten onrechte werd beperkt tot de observaties op Belgisch grondgebied, terwijl zij de onregelmatigheid hadden ingeroepen van de op Nederlands grondgebied uitgevoerde observaties.
  3. De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitspraak doet over het toezicht op de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethodes observatie, is bindend voor de vonnisrechter
(13). Dat houdt dus in dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling naar aanleiding van dat toezicht een bij conclusie aangevoerd verweer over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode heeft beantwoord, de rechter ten gronde aan wie datzelfde verweer wordt voorgelegd, niet gehouden is hierop te antwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. (….)
  1. Het eerste middel, eerste onderdeel van de memorie van eiser IV voert de schending aan van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek en artikel 215 Wetboek van Strafvordering omdat het arrest I op het hoger beroep van het openbaar ministerie het vonnis alvorens recht te doen waarbij een deskundigenonderzoek werd bevolen met betrekking tot de THC-waarde van de cannabisplanten tenietdoet en bij wijze van evocatie uitspraak doet over de grond van de zaak, terwijl het openbaar ministerie door een nieuwe aanstelling van deskundigen uitvoering gaf aan de onderzoeksmaatregel die in het vonnis alvorens recht te doen was bevolen, waardoor volgens de eiser het belang van het openbaar ministerie bij het hoger beroep tegen dit vonnis wegviel en dit hoger beroep zonder voorwerp werd.
  2. Het lijkt me dat het openbaar ministerie in beginsel hoger beroep kan aantekenen tegen elk in eerste aanleg gewezen vonnis in strafzaken, dus ook tegen een vonnis alvorens recht te doen waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen. Wanneer nadien het openbaar ministerie een onderzoeksmaatregel laat uitvoeren die inhoudelijk overeenstemt met de in een vonnis alvorens recht te doen bevolen onderzoeksmaatregel, dan kan mijns inziens daaruit niet worden afgeleid dat het door het openbaar ministerie tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep geen belang of geen voorwerp meer zou hebben. Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (….) CONCLUSIE: Ik heb geen ambtshalve middelen in te roepen en concludeer tot de verwerping van de cassatieberoepen. ________________________
(1)N. BAUWENS, Evocatie ingevolge artikel 215 van het Wetboek van strafvordering: een weinig vastomlijnd begrip, RW 1983- 1984, p. 753-776.
(2)Cass. 26 juni 1967, AC 1967, p. 1305.
(3)Cass. 22 oktober 1984, AR 8899, AC 1984-85.
(4)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, 2012, 5de ed., p. 1238, nr. 2511; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, Brussel, 3de ed., 2009, p. 9329; J. KERKHOFS, Evocatie ingevolge artikel 215 Wetboek van Strafvordering: het begrip iets vaster omlijnd?, T. Strafr. 2007/1, pp. 15-16.
(5)Cass. 20 december 2017, AR P.17.1170.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.6, AC 2017, nr. 723 met strijdige concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.
(6)M.-A. BEERNAERT, H.-D BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 2021, 9de ed. la Charte, pp. 1744-1746; contra J. KERKHOFS, o.c., p. 20.
(7)Cass. 4 april 2006, AR P.05.1704.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.7, AC 2006, nr. 197; Cass. 26 april 1988, AR nr. 1987, AC 1987-88, nr. 515.
(8)M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, o.c., p. 1746.
(9)Cass. 16 mei 2001, AR P.01.0305.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11, AC 2001, nr. 288; Cass. 3 november 1987, AC 1987-88, AR nr. 1841, nr. 140.
(10)Cass. 6 december 2016, AR P.15.0250.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161206.2, AC 2016, nr. 696; zie F. VAN VOLSEM, De rechtsplegingsvergoeding in strafzaken: zeven jaar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, P. TAELMAN (ed.), PUC Delva, 2016, pp. 606-608, nrs. 20-23.
(11)Cass. 7 januari 2014, AR P.12.1743.N, arrest niet gepubliceerd; vgl Cass. 3 november 1987, AR 1841, AC 1987-88, nr. 140 i.v.m. artikel 14.5 IVBPR.
(12)Vg. J. KERKHOFS, o.c., p. 16, noot 14.
(13)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0108.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7, AC 2017, nr. 265. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210302.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.22 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161206.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250604.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.