id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 maart 2021 EC
Art. 4
, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Artikel 4, § 6, Drugswet - Voertuig gediend om drugsmisdrijven te plegen - Rechten van derden - Derde niet veroordeeld voor het drugsmisdrijf - Goede trouw - Beoordeling - Criteria - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 4
, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Persoonlijkheid van de straf - Bijzondere verbeurdverklaring - Voertuig gediend om drugsmisdrijven te plegen - Rechten van derden - Derde niet veroordeeld voor het drugsmisdrijf - Goede trouw - Beoordeling - Criteria - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 4
, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Recht op eigendom - Strafzaken - Bijzondere verbeurdverklaring - Voertuig gediend om drugsmisdrijven te plegen - Rechten van derden - Derde niet veroordeeld voor het drugsmisdrijf - Goeder trouw - Beoordeling - Criteria - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 4
, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 5 - 7 Het feit dat artikel 4, § 6, Drugswet bepaalt dat het voor het drugsmisdrijf dienstige voertuig kan worden verbeurdverklaard zonder dat het eigendom hoeft te zijn van de veroordeelde, impliceert dat de eigenaar van dat voertuig niet zelf voor dat misdrijf moet zijn vervolgd opdat die verbeurdverklaring kan worden uitgesproken; enkel is vereist dat de betrokkene voor de rechter zijn aanspraken op dat voertuig kan laten gelden en op die grond kan opkomen tegen de verbeurdverklaring ervan waardoor het recht van verdediging is geëerbiedigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Artikel 4, § 6, Drugswet - Voertuig gediend om drugsmisdrijven te plegen - Aanspraak op dat goed door een derde - Derde niet veroordeeld voor het drugsmisdrijf - Tussenkomst of aanwezigheid in de procedure - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 4
, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Artikel 4, § 6, Drugswet - Voertuig gediend om drugsmisdrijven te plegen - Aanspraak op dat goed door een derde - Derde niet veroordeeld voor het drugsmisdrijf - Tussenkomst of aanwezigheid in de procedure - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 4
, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Artikel 4, § 6, Drugswet - Voertuig gediend om drugsmisdrijven te plegen - Aanspraak op dat goed door een derde - Derde niet veroordeeld voor het drugsmisdrijf - Tussenkomst of aanwezigheid in de procedure - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 4
, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 11, p. 1021-
- - WAETERINCKX, Patrick; Noot'De rechten van derden te goeder trouw bij de verbeurdverklaring van zaken die hen 'toebehoren'. Wat houdt het toetsingscriterium 'te goeder trouw' in... NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2022, nr. 1, p. 37-
- - TERSAGO, Peter; Noot'Een gerichte focus op malafide autoverhuurbedrijven' Tekst van de conclusie P.20.1171.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Schoeters: I. Procedurele voorgaanden.
- Bij vonnis van de correctionele rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 6 maart 2020, werd beklaagde I. op tegenspraak schuldig bevonden aan feiten van handel in verdovende middelen, meer bepaald cocaïne, dit in het kader van een vereniging. De rechtbank stelde vast dat beklaagde een gehuurde wagen gebruikte om verdovende middelen te leveren en het voertuig dus diende om de misdrijven te plegen. Eiseres, een professionele verhuurfirma van auto's, was in de procedure voor de correctionele rechtbank tussengekomen als vrijwillig tussenkomende partij om de vrijgave te bekomen van haar voertuig dat door beklaagde werd gehuurd. De rechtbank sprak op grond van artikel 42, 1° en 43 Strafwetboek en artikel 4, § 6 Drugswet, de verbeurdverklaring uit van het betrokken voertuig. De vraag van de vrijwillig tussenkomende partij werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Eiseres stelde als vrijwillig tussenkomende partij hoger beroep in tegen gemeld vonnis. De beklaagde berustte in het vonnis.
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 oktober 2020, werd het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de verbeurdverklaring van het voertuig bevestigd. Dit is het bestreden arrest. II. De middelen van eiseres.
- Eiseres voert in haar tijdig neergelegde memorie twee middelen aan. In haar eerste middel voert eiseres de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van straffen. Zij stelt dat, aangezien zij niet verantwoordelijk werd gesteld voor het plegen van het misdrijf of de deelname aan het misdrijf, zij dient te worden beschouwd als een derde te goeder trouw en het arrest het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van een straf schendt doordat het alsnog een straf oplegt aan eiseres, met name de verbeurdverklaring van haar voertuig. Het tweede middel voert de schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging. Impliciet zou het arrest vaststellen dat eiseres haar medewerking heeft verleend aan het misdrijf en aldus medeplichtig is, maar zij werd hiervoor niet vervolgd. Doordat het arrest een vermoeden van schuld uitdrukt daar waar eiseres niet werd veroordeeld voor betrokkenheid bij enig misdrijf, zou het arrest zowel vermoeden van onschuld alsmede de rechten van verdediging schenden. III. Het onderzoek van de middelen.
- De middelen van eiseres raken de problematiek van de rechten van een derde die zich beroept op zijn eigendomsrecht om aanspraak te kunnen maken op een verbeurdverklaarde zaak
(1)
(2). Het Belgisch strafwetboek voorziet in verschillende gevallen waarbij een verbeurdverklaring van een zaak kan (of in sommige gevallen moet) worden uitgesproken, zelfs indien deze zaak niet de eigendom is van de veroordeelde. De meeste in de Belgische rechtspraak en rechtsleer aan bod gekomen situaties betreffen deze van de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen of vervangingsgoederen ervan (artikel 42, 3°, en 43bis Strafwetboek) en het voorwerp van het witwasmisdrijf (artikel 505 Strafwetboek). Andere gevallen betreffen deze waarbij, in afwijking van artikel 42, 1° Strafwetboek, zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen, kunnen (of moeten) worden verbeurdverklaard zonder eigendomsvereiste in hoofde van de veroordeelde, zoals voorzien in de artikelen 43quater, § 4
(3), 382ter, eerste lid, 433novies, § 6, en 433terdecies, tweede lid Strafwetboek. Ook bijzondere wetten bevatten gelijkaardige bepalingen, zoals artikel 222 AWDA en de hier in het geding zijnde bepaling van artikel 4, § 6 Drugswet. Het betreft telkenmale een objectconfiscatie die slaat op de zaak zelf die in een wettelijke relatie staat tot het misdrijf en resulteert in een eigendomsoverdracht met een zakelijk karakter. Dergelijke verbeurdverklaring kan derhalve de rechten van een derde op de zaken die het voorwerp uitmaken van de verbeurdverklaring, schaden. 5. Artikel 4, § 6 Drugswet bepaalt dat, onverminderd de toepassing van de artikelen 42 en 43 van het Strafwetboek, de rechter de verbeurdverklaring kan bevelen van de voertuigen, toestellen en instrumenten of zaken die hebben gediend of bestemd waren om de in de artikelen 2, 2°, 2bis, 2quater en 3 van de Drugswet omschreven misdrijven te plegen of die er het voorwerp van uitmaken, zelfs indien ze niet het eigendom zijn van de veroordeelde. Het gaat om een facultatieve straf, waarbij de rechter de reden voor de verbeurdverklaring dient op te geven
(4). Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 65/2014 van 3 april 2014 dat artikel 4, § 6 Drugswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het toelaat dat zaken die toebehoren aan derden te goeder trouw die niet bij het misdrijf zijn betrokken, worden verbeurdverklaard, het niet voorziet in de teruggave van de verbeurdverklaarde zaken aan die personen en het niet voorziet in de oproeping van die personen teneinde zich over de eventuele verbeurdverklaring te kunnen uitspreken
(5). 6. Onderhavige problematiek betreft niet de vraag of en hoe een derde die aanspraak maakt op de zaken die het voorwerp uitmaken van een verbeurdverklaring, kan tussenkomen in de strafprocedure en/of welke de verhaalsmogelijkheden er zijn voor deze derde
(6). Hieromtrent wordt geen discussie gevoerd. De vrijwillige tussenkomst van eiseres in de strafprocedure werd door de eerste rechter terecht ontvankelijk verklaard en ook het hoger beroep van eiseres werd door de appelrechters terecht ontvankelijk verklaard. De vraag is over welke kwaliteiten die derde moet beschikken om zich tegen de verbeurdverklaring te verzetten en zijn eigendom terug te krijgen. Algemeen wordt gesteld dat de derde niet alleen zakelijke rechten moet kunnen doen gelden op de te verbeurdverklaren zaak, maar ook dat deze derde te goeder trouw dient te zijn
(7). Volstaat het echter om beschouwd te worden als een "derde te goeder trouw" dat deze derde niet vervolgd en/of niet schuldig werd bevonden aan het misdrijf en hij het rechtmatig karakter van zijn bezit op de te verbeuren zaak kan aantonen, of is vereist dat hij te goeder trouw moet gehandeld hebben, of anders gezegd dat hij niet wist en/of niet kon weten dat zijn zaak gebruikt werd om een strafbaar feit te plegen? 7. Wanneer de wet stelt dat de verbeurdverklaring van een zaak kan uitgesproken worden zelfs indien deze niet de eigendom is van de veroordeelde, impliceert dit dat de eigenaar niet zelf voor dat misdrijf moet zijn vervolgd opdat de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken. Met andere woorden, het enkele feit dat de derde niet is veroordeeld voor het drugsmisdrijf, volstaat niet om de verbeurdverklaring ervan lastens de dader van het misdrijf te beletten. Het lijkt mij in deze context eveneens niet voldoende dat deze derde zijn rechtmatig bezit aantoont, het lijkt mij dat deze derde tevens te goeder trouw moet gehandeld hebben, met andere woorden dat hij niet wist en/of niet kon weten dat zijn zaak werd of zou worden gebruik om het misdrijf te plegen
(8). Men kan zich immers de vraag stellen wat de draagwijdte is van een verbeurdverklaring zonder eigendomsvereiste, indien het volstaat dat de eigenaar niet vervolgd werd en zijn rechtmatig bezit kan aantonen om de verbeurdverklaring te verhinderen. Dit lijkt elke zin te ontnemen aan een nochtans duidelijke wettekst. De verbeurdverklaring bedoeld in artikel 4, § 6 Drugswet werd ingevoegd bij wet van 9 juli 1975 tot wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen of antiseptica (BS 26 september 1975). In de memorie van toelichting werd gesteld dat deze bepaling werd ingevoerd omdat het in de praktijk vrij vaak voorkomt "dat de sluikhandel in verdovende middelen met geleende voertuigen geschiedt" en verder dat de strijd tegen de drugshandel een grotere gestrengheid vereist
(9). Hoe beknopt de memorie van toelichting ook zij, het lijkt mij de wil van de wetgever te zijn geweest dat ook voertuigen die rechtmatig toebehoren aan een derde maar uitgeleend worden, wetende of behorende te weten dat deze gaan gebruikt worden om de verboden handel in verdovende middelen uit te voeren, moeten kunnen worden verbeurdverklaard, en dit ongeacht of de rechtmatige eigenaar van dit voertuig mee vervolgd wordt voor de drugsfeiten. 8. De rechtspraak van het Hof inzake illegale vermogensvoordelen en het voorwerp van een witwashandeling lijken op het eerste zicht echter tot een andere conclusie te leiden. In een arrest van 29 mei 2001 oordeelde het Hof dat de bijzondere verbeurdverklaring van zaken bedoeld in artikel 42, 3° Strafwetboek, door de rechter in elk geval om reden van hun delictuele oorsprong kan worden uitgesproken, zonder dat zij daarom eigendom moeten zijn van de veroordeelde, en onverminderd de rechten die derden krachtens hun rechtmatig bezit (eigen onderlijning) op die zaken kunnen doen gelden
(10). In latere arresten inzake witwassen voegde het Hof hier het begrip "goede trouw" aan toe. Zo kan verwezen worden naar de arresten van het Hof van 4 maart 2014
(11)en 15 december 2015
(12). Evenwel dient hierbij voor ogen gehouden te worden dat de beoordeling van het rechtmatig bezit en de goede trouw van derde die in het bezit is gekomen van illegale vermogensvoordelen of een voorwerp van een witwasmisdrijf, in wezen erop neer komt dat de wijze waarop deze derde in het bezit is gekomen van of rechten heeft verkregen op deze zaken, onder de loep wordt genomen. Deze derde zal hierbij te goeder trouw moeten gehandeld hebben. Of zoals J. Rozie en P. Waeterinckx het verwoorden zal de rechter bij deze beoordeling van de goede trouw van de derde, de facto een quasi-witwas toets maken
(13). In die zin verschilt dit mijns inziens niet zo fundamenteel als het lijkt, met het onderzoek dat de rechter zal uitvoeren om de goede trouw te beoordelen van een derde wiens zaak gebruikt werd om het misdrijf te plegen. 9. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna genoemd "EHRM") heeft zich reeds verschillende malen uitgesproken over de verenigbaarheid van een nationale wetgeving die voorziet in de verbeurdverklaring van een goed dat rechtmatig toebehoort aan een derde die niet werd vervolgd of veroordeeld, met artikel 1 Eerste Aanvullend Proctocol EVRM
(14)
(15). Specifiek met betrekking tot de verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf als sanctie opgelegd in een strafprocedure aan een veroordeelde, kan nuttig verwezen worden naar het arrest Űnsped Paket Servisi SaN. Ve TiC. A.Ș. t. Bulgarije van 13 oktober 2015
(16). Deze zaak had betrekking op de verbeurdverklaring van een vrachtwagen als sanctie opgelegd aan de vrachtwagenchauffeur die de vrachtwagen had gebruikt voor een drugssmokkel, zonder dat de eigenaar van de vrachtwagen had deelgenomen aan het plegen van het strafbare feit en hiervoor ook niet vervolgd werd. Enkel de vrachtwagenchauffeur werd strafrechtelijk vervolgd en tijdens de strafprocedure werd door de strafrechter een "plea bargain agreement" (overeenkomst tot schulderkenning) bekrachtigd waarbij de chauffeur schuld erkende en akkoord ging met de verbeurdverklaring van de gesmokkelde drugs én de vrachtwagen. Door het EHRM werd Bulgaarse strafwetgeving getoetst aan artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. De in het geding beoordeelde bepalingen van de Bulgaarse strafwet voorzien in een persoonlijkheid van de straffen (artikel 35 van de Bulgaarse Strafwet) en in de verbeurdverklaring van het voertuig dat gediend heeft voor de smokkel, zelfs indien het geen eigendom is van de veroordeelde, behalve wanneer de waarde van het voertuig duidelijk niet overeenstemt met de ernst van het misdrijf (artikel 242, § 8 van de Bulgaarse Strafwet). In het arrest concentreerde het EHRM zich, na de algemene beginselen van het eigendomsrecht te hebben geanalyseerd, op procedurele aspecten en oordeelde dat een verbeurdverklaring van een voertuig van een persoon die niet mocht interfereren in de strafrechtelijke procedure, een schending inhoudt van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. Het EHRM overwoog hierbij onder meer: "45. ... Nor did they examine the conduct of the confiscated lorry's owner or the relationship between the conduct of the latter and the offence. There is no evidence before this Court suggesting that the owner could or should have known of an offence being committed and the owner was clearly not given an opportunity to put its case. "(vrij vertaald: "Evenmin onderzochten zij het gedrag van de eigenaar van de in beslag genomen vrachtwagen of de relatie tussen het gedrag van laatstgenoemde en het strafbare feit. Er is voor dit Hof geen bewijs dat suggereert dat de eigenaar had kunnen of moeten weten dat er een overtreding is begaan en dat de eigenaar duidelijk niet de gelegenheid heeft gekregen om zijn zaak voor te leggen)". In een gelijkaardige zaak (de verbeurdverklaring van een vrachtwagen voor internationaal vervoer waarbij de bestuurder in Bulgarije werd aangeklaagd en veroordeeld voor de smokkel van een muntschat) werden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie, onder meer over de verenigbaarheid van diezelfde bepaling 242, § 8 van het Bulgaarse Strafwetboek met artikel 17, eerste lid van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
(17). Met het stellen van deze prejudiciële vraag wenste de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, eerste lid van Kaderbesluit 2005/212 van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen
(18)
(19), gelezen in het licht van artikel 17, eerste lid van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op basis waarvan een hulpmiddel dat werd gebruikt voor een ernstig geval van smokkel en dat toebehoort aan een derde die geen kennis had noch kennis had moeten of kunnen hebben van het feit dat zijn werknemer het betrokken strafbare feit zou plegen, kan worden verbeurdverklaard. In zijn arrest van 14 januari 2021 oordeelde het Hof van Justitie dat artikel 2, eerste lid van kaderbesluit 2005/212, gelezen in het licht van artikel 17, eerste lid van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op basis waarvan een hulpmiddel dat werd gebruikt voor een ernstig geval van smokkel en dat toebehoort aan een derde te goeder trouw, kan worden geconfisqueerd
(20). Het Hof van Justitie kwam tot dit oordeel na volgende overwegingen: "
- Gelet op de aanzienlijke aantasting van de rechten van personen die de confiscatie van een voorwerp met zich meebrengt, namelijk de definitieve ontneming van het recht op eigendom ervan, dient echter te worden opgemerkt dat een dergelijke confiscatie ten aanzien van een derde te goeder trouw die niet wist en niet kon weten dat zijn voorwerp werd gebruikt om een strafbaar feit te plegen, gelet op het nagestreefde doel, een onevenredige en onduldbare ingreep oplevert waardoor zijn recht op eigendom in de kern wordt aangetast". De advocaat-generaal M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA ging in zijn gelijkluidende conclusie bij dit arrest dieper in op het begrip "goede trouw" en stelde daaromtrent het volgende: "
- In ieder geval acht ik het dienstig om mij nader te buigen over het begrip goede trouw in deze context. Ik erken dat dit gebied bij uitstek vatbaar is voor casuïstiek en dat het aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen of er al dan niet sprake was van goede trouw (hetgeen door hem in de eerder aangehaalde krachtige bewoordingen is bevestigd). Wat ik wil opmerken is dat de afwezigheid van opzet niet volstaat: in bepaalde omstandigheden kan ook verwijtbare nalatigheid de goede trouw tenietdoen.
- Zo kan de gedraging van een derde die niet weet dat het voertuig dat hij uitleent aan een ander zal worden gebruikt om een concreet smokkeldelict (of een drugsdelict) te plegen, maar dat voertuig overdraagt terwijl hij heel goed had kunnen weten dat de andere persoon zich gewoonlijk met dergelijke activiteiten bezighoudt, moeilijk als te goeder trouw worden aangemerkt
(21)". Uit deze Europese rechtspraak lijkt te kunnen worden afgeleid dat het enkele feit dat de derde bewijst eigenaar te zijn van het voertuig, niet volstaat om de verbeurdverklaring uitgesproken lastens een beklaagde te beletten, maar dat bovendien vereist is dat de derde te goeder trouw gehandeld heeft, dit wil zeggen niet wist en/of niet kon weten dat zijn goed werd gebruikt om een strafbaar feit te plegen, en zijn aanspraken kan doen gelden voor de rechter. 10. Het Grondwettelijk Hof lijkt in haar arrest van 3 april 2014 in dezelfde richting te wijzen, waar het Grondwettelijk Hof oordeelde dat artikel 4, § 6 Drugswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het toelaat dat zaken die toebehoren aan derden te goeder trouw die niet bij het misdrijf zijn betrokken, worden verbeurdverklaard, het niet voorziet in de teruggave van de verbeurdverklaarde zaken aan die personen, en het niet voorziet in de oproeping van die personen, teneinde zich over de eventuele verbeurdverklaring te kunnen uitspreken
(22). In een analoge zaak met betrekking tot de (oude) bepaling van artikel 222 AWDA overwoog het Arbitragehof in zijn arrest van 19 december 2001
(23)
(24): "B.5.
- Het Hof moet nog onderzoeken of die maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het eigendomsrecht van de personen die niets met de fraude te maken hebben. Doordat artikel 222 van de A.W.D.A. de verbeurdverklaring oplegt zonder dat de eigenaar mag aantonen dat hij vreemd is aan het misdrijf, is de inbreuk op het eigendomsrecht onevenredig met het nagestreefde doel van algemeen belang". In beide voormelde arresten overwoog het Grondwettelijk Hof trouwens dat het verschil in behandeling met een zaak van gemeen recht waar artikel 42, 1° Strafwetboek een eigendomsvereiste stelt, berust op een objectief criterium van onderscheid op grond van de aard van de bij de wet omschreven misdrijven.
- Het algemeen beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen impliceert dat de straf, in casu een verbeurdverklaring, zal dienen uitgesproken te worden lastens de persoon die strafrechtelijk veroordeeld wordt als dader of mededader/medeplichtige, maar lijkt mij geen afbreuk te doen aan het feit dat dergelijke verbeurdverklaring gevolgen kan hebben voor derden, voor zover hiervoor een wettelijke basis bestaat
(25). Op basis van het voorgaande ben ik van oordeel dat het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf en het recht op eigendom zich wel verzetten tegen een dergelijke verbeurdverklaring wanneer deze tot gevolg heeft dat de eigendom wordt ontnomen van een derde te goeder trouw die niet wist en/of niet kon weten dat zijn zaak werd of zou worden gebruikt om het misdrijf, in casu het drugsmisdrijf, te plegen. Het lijkt mij dat het rechtmatig karakter van het eigendomsrecht en de afwezigheid van een veroordeling niet volstaan om de verbeurdverklaring ervan lastens de dader van het (drugs)misdrijf te beletten. Deze derde dient te goeder trouw te hebben gehandeld, waarbij bij de beoordeling van de goede trouw van een derde - eigenaar de rechter mijns inziens ook rekening kan houden met de fout of zelfs verwijtbare nalatigheid waardoor die derde heeft bijgedragen tot de totstandkoming van het (drugs)misdrijf en waardoor de goede trouw teniet wordt gedaan. Ook F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH zijn dezelfde mening toegedaan
(26). Deze auteurs halen als voorbeeld van een eigenaar "te goeder trouw" aan de vader die zijn voertuig uitleent om zijn zoon om hem toe te laten naar de universiteit te gaan, terwijl de vader die zijn voertuig uitleent aan zijn zoon wetende dat hij dit gaat gebruiken om zich te bevoorraden met drugs, als te kwader trouw wordt bestempeld. In dit laatste geval zal het voertuig kunnen verbeurd verklaard worden. Het eerste middel van eiseres, in zoverre dit zou uitgaan van een andere rechtsopvatting, lijkt te falen naar recht.
- Het komt de rechter toe te oordelen op grond van de concrete gegevens van de zaak of de derde die opkomt tegen de verbeurdverklaring van het voertuig op grond van artikel 4, § 6 Drugswet, te goeder trouw is, met een wettigheidstoezicht door het Hof door middel van een marginaal toetsingsrecht. In casu oordeelden de appelrechters dat eiseres niet kan worden beschouwd als een derde te goeder trouw omdat: - de eiseres als professionele verhuurder van auto's niet onwetend kan zijn van de gangbare praktijk in en rond Antwerpen, waarbij huurvoertuigen worden gebruikt door vaak jonge drugdealers voor het dealen van drugs; - de huurovereenkomst bepaalt dat de huurder/bestuurder minstens 5 jaar houder dient te zijn van een rijbewijs (evenals 2de bestuurder) en een minimumleeftijd dient te hebben van 23 jaar; de eiseres desondanks zonder enig probleem het voertuig heeft verhuurd aan de beklaagde, die op dat ogenblik slechts 18 jaar oud was en die nog maar enkele maanden beschikte over zijn rijbewijs, dit zonder enige bijkomende waarborg zoals betaling met een kredietkaart, dan wel borgstelling door een bijkomende (oudere) persoon; - de huurprijs voor de eerste maand (1.000 euro) en de waarborg (250 euro) bij de ondertekening van de huurovereenkomst cash werden betaald door deze 18- jarige huurder, hetgeen ongebruikelijk is en bij de verhuurder de nodige vragen moet doen rijzen; - het voertuig onmiddellijk werd meegegeven aan de 18-jarige huurder, terwijl enkel de eerste maand huur betaald werd en de tweede maand huur door de huurder zo snel als mogelijk zou worden betaald, hetgeen eveneens ongebruikelijk is en vragen doet rijzen. Het arrest oordeelt verder dat de verbeurdverklaring van het voertuig voor de vrijwillig tussenkomende partij, die beroepshalve voertuigen verhuurt en dus beschikt over meerdere voertuigen, geen onevenredige maatregel vormt ten aanzien van het ermee nagestreefde wettige doel. Het arrest oordeelt in fine dat het feit dat de eiseres in de procedure ten gronde zelf niet werd vervolgd als mededader of medeplichtige geen afbreuk doet aan het vermelde oordeel van de appelrechters aangezien het tot het autonome vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie behoort om te beslissen wie het vervolgt en wie niet. Deze beslissing tot verbeurdverklaring en ongegrondverklaring van het hoger beroep van de vrijwillig tussenkomende partij, lijkt mij naar recht verantwoord.
- Tenslotte wat betreft de in haar tweede middel aangevoerde schending van artikel 6 EVRM, meen ik dat het arrest met de hierboven vermelde redenen eiseres niet schuldig verklaart aan het drugsmisdrijf en het vermoeden van onschuld niet miskent. Het arrest motiveert waarom eiseres niet als derde te goeder trouw kan aanzien worden en haar verzet tegen de verbeurdverklaring bijgevolg niet gegrond is. De tussenkomst van eiseres in de strafprocedure werd terecht ontvankelijk verklaard waardoor eiseres haar aanspraken op het voertuig kon laten gelden en kon opkomen tegen de verbeurdverklaring ervan, zodat de rechten van verdediging werden gerespecteerd. Het tweede middel lijkt mij niet te kunnen worden aangenomen. CONCLUSIE Ik concludeer tot de verwerping van het cassatieberoep. _____________________________
(1)Ik merk op dat naast het eigendomsrecht er ook derden kunnen zijn die een ander zakelijk recht hebben op een verbeurdverklaard goed (bv. een pandrecht, rechten van hypothecaire schuldeisers).
(2)Over het begrip "derde" in deze context zie o.m. J. ROZIE en P. WAETERINCKX, "Actualia verbeurdverklaring (2010-2015): alles stroomt, niets is blijvend", NC 2015, p. 421-424.
(3)Het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie betreft een bijzondere toepassing van de verplichte verbeurdverklaring van het misdrijfinstrument, waarbij de wetgever dit begrip wenste te verbijzonderen tot fondsen of activa waarvan het duidelijk is dat zij bestemd waren om te dienen voor de activiteiten van de criminele organisatie (zie Parl.St. Kamer, Doc 50, 1601/001, p. 37).
(4)Cass. 3 november 2020, AR P.20.0510.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.2, AC 2020, nr. 675; A. DE NAUW, Drugs, in APR, 2012, 2de editie, p. 67, nr. 100.
(5)GwH 3 april 2014, nr. 65/2014, www.const-cour.be, NJW 2014, 645, noot E. VANDEBROEK, NC 2015, 433, T.Strafr. 2014, 244, noot T. DECAIGNY.
(6)Zie hieromtrent onder meer: Cass. 13 december 2016, AR P.15.1646.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.8, AC 2016, nr. 724, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; Cass. 31 juli 1995, AR P.95.0807.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950731.1, AC 1995, nr. 352, RW 1995-96, 1370, met noot van advocaat-generaal A. DE NAUW; Cass. 24 maart 1947, Pas. 1947, I, 123, met concl. van advocaat-generaal R. HAYOIT DE TERMICOURT; B. DEJEMEPPE, "La confiscation. L'état du droit en 2004", in Beslag en verbeurdverklaring van criminele voordelen, Antwerpen, Maklu, 2004, 93-142; J. ROZIE, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, 263-340, E. FRANCIS, "De verbeurdverklaring van andermans goed: forum shopping?", T.Strafr. 2007, 127-130; C. DESMET, "Derdenbescherming bij strafrechtelijke inbeslagname en verbeurdverklaring", T.Strafr. 2008, 245-264; K. VANDERHAUWAERT, "De bescherming van derden bij de verbeurdverklaring", T.Strafr. 2013, 370-373; F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, "Saisie et confiscation en matière pénale", in RPDB, Brussel, Bruylant, 2015, nr. 190-201.
(7)F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, "Saisie et confiscation en matière pénale", in RPDB, Brussel, Bruylant, 2015, nr. 197-201; J. ROZIE en P. WAETERINCKX, "Actualia verbeurdverklaring (2010-2015): alles stroomt, niets is blijvend", NC 2015, 425.
(8)Zie A. DE NAUW, Drugs, in APR 2012, 2de editie, p. 68.
(9)Parl.St., Senaat, 1970-1971, nr. 290, p. 4 en 9, www.senate.be.
(10)Cass. 29 mei 2001, AR P.00.1434.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010529.6, AC 2001, nr. 316.
(11)Cass. 4 maart 2014, AR P.13.1852.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.4, AC 2014, nr. 170, ro 3: "Voor het overige beoordeelt de rechter onaantastbaar in feite of het bezit dat derden op die goederen beweren te hebben, rechtmatig is. Daarbij kan de rechter rekening houden met alle voorliggende omstandigheden, zoals de deugdelijkheid van het voorgehouden bezit en de goede trouw van de derde die aanspraken op die goederen doet gelden of wiens aanspraken daarop worden uitgeoefend. Die goede trouw is aanwezig wanneer die derde kan geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen. Bijgevolg heeft het feit dat een derde niet veroordeeld is voor de feiten van witwassen of feiten die het witgewassen vermogensvoordeel hebben voortgebracht, niet noodzakelijk tot gevolg dat zijn bezit van die goederen rechtmatig is".
(12)Cass. 15 december 2015, AR P.15.1142.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.1, AC 2015, nr. 753, ro 19: "Krachtens artikel 505, derde lid Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, wordt het voorwerp van het misdrijf witwassen verbeurdverklaard, zelfs als het geen eigendom van de veroordeelde is, zonder dat die verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt. Die bepaling vereist niet dat de aldus verbeurd te verklaren goederen tot het vermogen van de veroordeelde behoren, maar laat enkel toe dat derden, dit zijn personen die niet werden veroordeeld voor het witwasmisdrijf of een eraan ten grondslag liggend misdrijf, krachtens hun rechtmatig bezit aanspraken op die goederen doen gelden. Dat rechtmatig bezit kan onder meer voortspruiten uit de goede trouw van deze derden, wanneer zij kunnen geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen".
(13)J. ROZIE en P. WAETERINCKX, "Actualia verbeurdverklaring (2010-2015): "Alles stroomt, niets is blijvend", NC 2015, 425.
(14)o.a. EHRM 24 oktober 1986, Agosi t. Verenigd Koninkrijk; EHRM 5 mei 1995, Air Canada t. Verenigd Koninkrijk.
(15)Inzake de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen: EHRM 8 oktober 2019, Balsamo t. San Marino, NC 2020, 252-271, noot P. WAETERINCKX; in dit arrest oordeelde het EHRM dat, zelfs als beklaagden die worden vervolgd voor witwassen worden vrijgesproken vanwege het onvoldoende bewijs van de wettelijk vereiste kennis van de illegale oorsprong, zulks niet verhindert dat de vermogensvoordelen hen worden ontnomen door de strafrechter. Weze opgemerkt dat het EHRM deze voordeelsontneming in casu als een maatregel beschouwde.
(16)EHRM 13 oktober 2015, Űnsped Paket Servisi SaN. Ve TiC. A.Ș. t. Bulgarije.
(17)Artikel 17, eerste lid van het Handvest luidt: "Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist." De inhoud van deze bepaling is vergelijkbaar met die van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
(18)Artikel 2, eerste lid van Kaderbesluit 2005/212, verplicht de lidstaten tot het nemen van de maatregelen die nodig zijn om gehele of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van hulpmiddelen en opbrengsten die verkregen zijn uit feiten waarop een vrijheidsstraf van meer dan één jaar is gesteld, of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten.
(19)Dit Kaderbesluit 2005/212 werd gedeeltelijk vervangen door Richtlijn 2014/42 van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie.
(20)HvJ C-393/19, 14 januari 2021, www.curia.eu.
(21)Conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 25 juni 2020, www.curia.eu.
(22)GwH, 3 april 2014, arrest nr. 65/2014, ro B.7: B.7.1 Er moet nog worden onderzocht of die maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de personen die niets met het misdrijf te maken hebben. B.7.
- Het fundamentele beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen vereist dat een straf slechts kan worden opgelegd aan degene die het misdrijf heeft gepleegd of eraan heeft deelgenomen (EHRM, 29 augustus 1997, A.P., MP. en T.P. t. Zwitserland, § 48). Dat beginsel wordt geschonden indien een strafsanctie wordt opgelegd aan een derde die niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het misdrijf. Het beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen is eveneens van toepassing op bijkomende straffen. B.7.
- De verbeurdverklaring van het voertuig dat heeft gediend of bestemd was om de in de artikelen 2, 2°, 2bis, 2quater en 3 van de Drugswet omschreven misdrijven te plegen, treft de veroordeelde dader slechts voor zover dat voertuig aan hem toebehoort. Indien dat voertuig daarentegen toebehoort aan een derde te goeder trouw die niet was betrokken bij het misdrijf, treft de verbeurdverklaring niet de dader, maar een onschuldige derde, zelfs indien de verbeurdverklaring formeel lastens de veroordeelde dader wordt uitgesproken. B.7.
- Artikel 4, § 6, van de Drugswet staat de rechter toe de verbeurdverklaring uit te spreken van het instrument van het misdrijf, ongeacht de goede trouw en de betrokkenheid bij het misdrijf van de derde aan wie dat instrument toebehoort. In die mate is die bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen".
(23)Arbitragehof (GwH) 19 december 2001, arrest nr. 162/2001, www.const-cour.be, T.Strafr. 2003, 108, noot. G. STESSENS.
(24)Artikel 222, §§ 1 en 3 AWDA bepaalt dat schepen en vaartuigen, alsmede de rijtuigen, wagen en andere vervoermiddelen en hun gewoon gespan, die tot smokkel worden aangewend of in gebruik gesteld, wanneer de niet aangegeven goederen in geheime bergplaatsen werden verstopt, of wel wanneer geen enkel deel van de landing werd aangegeven en de behoorlijk aangegeven goederen en koopwaren in vrij verkeer, die klaarblijkelijk dienen om smokkelwaar te verbergen, worden verbeurd verklaard. Deze bepaling werd bij artikel 12 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en houdende diverse fiscale bepalingen (BS 28 juli 2005) aangevuld met een § 4 luidende in zijn eerste lid: "In afwijking van § 1 worden de vervoermiddelen niet verbeurd verklaard indien de eigenaar ervan aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf".
(25)J. ROZIE, "Koorddansen tussen de eerbiediging van het recht op eigendom en een rechtvaardige verbeurdverklaring", in S. DEWULF en D. PACQUEE (eds.), 60 jaar universele verklaring van de rechten van de mens: 1948-2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 154; zie in gelijkaardige zin de conclusie van advocaat-generaal R. Loop bij Cass. 14 januari 2004, AR P.03.1185.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040114.15, AC 2004, nr. 20, op datum in Pas.
(26)F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, "Saisie et confiscation en matière pénale", in RPDB, Brussel, Bruylant, 2015, nrs. 196 t.e.m. 201; inzake artikel 433terdecies Strafwetboek lijkt F. LUGENTZ een ander standpunt in te nemen: F. LUGENTZ, "le régime des saisies et des confiscations en matière de répression de la traite des êtres humains et des pratiques dites des marchands de sommeil", in Traite des êtres humains, Actes du Colloque du 26 mai 2010, Brussel, La Charte, 2010, 178-182. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210309.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950731.1 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010529.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040114.15 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251112.2F.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div