id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210312.1N.7 Rolnummer: F.18.0060.N Zaak: BELGIAN FRUIT FORWARDING COMPANY c. BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-09-14 Raadplegingen: 866 - laatst gezien 2026-06-18 18:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.7 Fiche Op grond van artikel 55, § 4, tweede lid, Btw-wetboek is de aansprakelijke vertegenwoordiger met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens het Btw-wetboek; deze hoofdelijke gehoudenheid beoogt, ook in zoverre zij de aan de btw-plichtige opgelegde administratieve boete betreft, niet de bestraffing van de aansprakelijke vertegenwoordiger en is bijgevolg geen straf in de zin van artikel 6 EVRM
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Niet in België gevestigde belastingplichtige - Aansprakelijke vertegenwoordiger - Hoofdelijke gehoudenheid voor opgelegde administratieve boete - Aard Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 55 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.18.0060.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...)
- Bespreking van het tweede middel 3.
- Het tweede middel komt op tegen de beslissing van de appelrechters dat eiseres op grond van het artikel 55 WBTW hoofdelijk aansprakelijk is voor de aan haar principaal opgelegde proportionele geldboete, begroot op 100 % van de niet afgedragen en verschuldigde BTW, omdat artikel 6 EVRM en de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van elke straf en het vermoeden van onschuld verhinderen dat verschillende personen tot dezelfde straf veroordeeld worden (Schending van artikel 6 van het Verdrag van 13 december 2007 betreffende de Europese Unie (oud art. 6 VEU), artikel 6, lid 1 en lid 2 EVRM, het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is en het algemeen rechtsbeginsel houdende het vermoeden van onschuld, artikel 86 Sw. en 20 V.T.Sv. en de artikelen 55, §4, en 70, §1 en §2 WBTW), op straffe van discriminatie en miskenning van het gelijkheidsbeginsel (Schending van artikel 10 en 11 G.W.). 3.
- De niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige moet, alvorens in België enige andere handeling te verrichten dan een handeling waarvoor de belasting krachtens artikel 51, §2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, verschuldigd is door de medecontractant, en andere dan een handeling waarvoor de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58ter van toepassing is, door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde een in België aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen (artikel 55, §1, eerste lid, WBTW). De niet in België gevestigde belastingplichtige, gevestigd in een andere lidstaat van de Gemeenschap, kan, door of vanwege de Minister van Financiën, een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen, wanneer deze belastingplichtige hier te lande handelingen verricht die, indien zij door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige werden verricht, de erkenning van een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger ingevolge §1, zouden vereisten (artikel 55, §2, WBTW). De aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in §§1 of 2 wordt in de plaatst gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ten uitvoering van dit wetboek (artikel 55, §4, eerste lid, WBTW). Die vertegenwoordiger is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens onderhavig wetboek (artikel 55, §4, tweede lid, WBTW). Het karakter van die hoofdelijke gehoudenheid is aan de orde in het tweede middel. Met name voert eiseres aan: "Deze hoofdelijke gehoudenheid van de krachtens de wet in de plaats gestelde vertegenwoordiger dient beschouwd te worden als een strafsanctie in de zin van artikel 6.1 EVRM, wanneer zij hetzij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft, hetzij indien uit de aard van de inbreuk, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, hetzij indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat zij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft" (voorziening, p. 16, nr. 3, eerste alinea). Het strafrechtelijk karakter van de hoofdelijke gehoudenheid wordt door eiseres aldus gekoppeld aan het strafrechtelijk karakter van de boete, gevorderd krachtens artikel 70, §§1 en 2 WBTW, waartoe zij hoofdelijk gehouden is. 3.
- Artikel 72, eerste lid, WBTW bepaalt dat alle geldboeten, ingesteld door het BTW-wetboek, met uitzondering van deze van de artikelen 73, 73bis en 73quater WBTW administratieve geldboeten zijn. Algemeen wordt aanvaard dat zulke administratieve geldboeten een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM kunnen vormen
(1). De appelrechters stellen te dezen vast dat de BTW-boete waartoe SARL PRV wordt veroordeeld, van strafrechtelijke aard is: "Het hof kan verder met volle rechtsmacht oordelen over de van de eigenlijke BTW-plichtige SARL PRV (gevestigd in Frankrijk) blijkbaar gevorderde BTW boete, die, hoewel administratiefrechtelijk opgelegd, van strafrechtelijke aard is" (bestreden arrest, p. 21, eerste alinea). Op grond van het strafrechtelijke karakter van die boete, voert eiseres aan dat: * de strafrechtelijke aard van een administratieve geldboete meebrengt dat de waarborgen van artikel 6 EVRM in acht moeten worden genomen (persoonlijk karakter van de straf; vermoeden van onschuld); * Artikel 6 EVRM en fundamentele beginselen van het strafrecht evenwel niet toelaten dat de aansprakelijke vertegenwoordiger, als wettelijk in de plaats gestelde van zijn lastgever, hoofdelijk wordt veroordeeld om de proportionele geldboete te voldoen die aan zijn principaal wordt opgelegd, wanneer die geldboete als strafsanctie moet worden beschouwd (voorziening, p. 16-17). 3.
- Uw Hof sprak zich m.i. nog niet uit over het karakter van de hoofdelijke gehoudenheid op grond van artikel 55, §4, WBTW. 3.
- Ook de doctrine sprak zich m.i. niet uit over de vraag of de hoofdelijke gehoudenheid van artikel 55, §4, WBTW een strafkarakter kan worden toegedicht. Wel gaan stemmen op in de doctrine tegen het ruime en onvoorwaardelijke karakter van de hoofdelijke gehoudenheid op grond van deze bepaling. In die context verwijst VANDEBERGHE naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Vlaamse Oliemaatschappij NV (C-499/10), waarin het Hof van Justitie oordeelde dat de onvoorwaardelijke hoofdelijke aansprakelijkheid van entrepothouders, ook indien deze te goeder trouw zijn of hen geen fout of nalatigheid kan worden verweten, in strijd is met het Europeesrechtelijk proportionaliteitsbeginsel
(2). VANDENBERGHE verwijst naar deze uitspraak en stelt dat de ruime en onvoorwaardelijke gehoudenheid (bedoeld wordt de hoofdelijkheid ex artikel 55, §4, BTW-wetboek) op basis van die rechtspraak (...) (zou) kunnen worden betwist"
(3). 3.6. Hoewel Uw Hof zich nog niet uitsprak over het karakter van de hoofdelijke gehoudenheid van artikel 55, §4, WBTW, sprak het zich reeds meermaals uit over het karakter van de hoofdelijke gehoudenheid van artikel 73sexies, eerste lid, WBTW, op grond waarvan de personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis WBTW werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting. Volgens Uw Hof heeft deze hoofdelijke gehoudenheid geen bestraffend, maar enkel een herstellend karakter. De hoofdelijke gehoudenheid is een civielrechtelijke sanctie die van rechtswege geldt
(4), een herstelmaatregel die van rechtswege werkt
(5), die gelijkaardig is aan de hoofdelijke gehoudenheid tot teruggave ten aanzien van alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen bepaald in artikel 50 Sw.
(6). Ook het Grondwettelijk Hof oordeelde reeds dat deze hoofdelijke gehoudenheid geen straf is
(7). 3.7. Eenzelfde standpunt wordt ingenomen m.b.t. artikel 458, eerste lid, WIB92 op grond waarvan personen die als daders of medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting. Deze hoofdelijkheid betreft enkel de betaling van de ontdoken belasting, en slaat dus niet op de accessoria, zoals de belastingverhogingen, boeten, interesten en kosten
(8). Ook van deze hoofdelijkheid wordt aangenomen dat deze niet van strafrechtelijk aard is
(9). 3.8. In zijn rechtspraak m.b.t. het strafrechtelijk karakter van de gehoudenheid van artikel 73sexies WBTW en artikel 458, eerste lid, WIB92 benadrukt het Grondwettelijk Hof dat "op grond van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de hoofdelijke gehoudenheid (zou) kunnen worden beschouwd als een strafsanctie in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien zij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft, of indien uit de aard van de inbreuk, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat zij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM (grote kamer), 23 november 2006, Jussila t. Finland)"
(10). In het arrest nr. 117/2009 van 16 juli 2009 van het Grondwettelijk Hof m.b.t. artikel 73sexies WBTW en artikel 458, eerste lid, WIB92, komt tot uiting dat: * de in het geding zijnde maatregel ertoe strekt de Staat te verzekeren dat de inkomsten die hij misliep door de belastingontduiking die mogelijk was door de misdrijven waarvoor de mededaders en medeplichtigen worden veroordeeld, uiteindelijk aan de Schatkist zullen toekomen. De hoofdelijke gehoudenheid dient ter compensatie van de schade die voor de Schatkist is ontstaan door de fout waaraan de mededaders en medeplichtigen deelachtig zijn. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens erkend dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, belastingverhogingen, die in sommige gevallen als een straf kunnen worden beschouwd, en, anderzijds, schadevergoedingen ter compensatie van de door de Staat geleden schade (r.o. B.6.2.); * de hoofdelijkheid zich beperkt tot de "ontdoken belasting", en niet geldt voor belastingverhogingen, administratieve boeten, interesten en kosten (r.o. B.6.3.); * een mededader of medeplichtige slechts hoofdelijk is gehouden tot de betaling van de belastingen die werden ontdoken door het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld, zodat het mogelijk is dat het niet om de totaliteit, maar slechts om een deel van de ontdoken belasting gaat (r.o. B.6.3.); * de hoofdelijkheid in wezen een burgerrechtelijke maatregel is, waarvan de rechtsgevolgen worden geregeld door het Burgerlijk wetboek (r.o. B.6.4.). 3.9. Dat de hoofdelijkheid ex artikelen 73sexies Btw-wetboek en 458, eerste lid, WIB92 zich niet uitstrekt tot de belastingverhogingen, administratieve boeten, interesten en kosten is een van de argumenten op basis waarvan het Grondwettelijk Hof besluit tot het burgerrechtelijk karakter ervan. Op grond hiervan besluit eiseres, a contrario, tot het repressief karakter van de hoofdelijkheid ex artikel 55, §4, WBTW: "Welnu, in onderhavig geval strekt de hoofdelijke gehoudenheid van eiseres zich krachtens artikel 55, §4, lid 2 BTW-Wb. niet alleen uit tot de belasting en intresten die de principaal verschuldigd is, maar ook tot de "geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens onderhavig wetboek" en dus ook tot de strafsanctie met overwegend repressief karakter in de zin van artikel 6, wanneer de litigieuze geldboete die kwalificatie heeft zoals in casu"
(11). 3.10. Dit argument overtuigt evenwel niet. M.i. kan worden verdedigd dat de hoofdelijkheid ex artikel 55, §4, WBTW geen strafrechtelijk karakter heeft (ook al is de vertegenwoordiger hoofdelijk gehouden tot de betaling van een penale geldboete). Het systeem van artikel 55, §4, WBTW beoogt m.i. immers niet als dusdanig de "bestraffing" van de hoofdelijk aansprakelijke vertegenwoordiger, maar verzekert enkel dat de door de principaal verschuldigde belasting, intrest en boete effectief wordt betaald zodat de Staat de betaling zeker niet misloopt. Dit lijkt aanvaardbaar gelet op de bijzondere positie van de aansprakelijke vertegenwoordiger die onder meer blijkt uit de procedure om erkend te worden en de mogelijkheden om de aansprakelijkheid (of de verbintenis) van de vertegenwoordiger te beperken in de tijd en tot beloop van een in onderling akkoord met de administratie bepaald bedrag
(12). Het stelsel van de aansprakelijke vertegenwoordiger beoogt in wezen de deugdelijkheid van de aangiften in het btw-systeem en de betrouwbaarheid ervan te verhogen door een bijzondere aansprakelijkheid op te leggen aan de hoofdelijk aansprakelijke vertegenwoordiger, die een professioneel is die een weloverwogen risico neemt (eventueel beperkt tot een met de fiscus onderhandeld bedrag), en waarbij de aansprakelijke vertegenwoordiger, als lasthebber van de btw-belastingplichtige, desgevallend beschikt over een verhaalsrecht tegen deze laatste. De bedoelde hoofdelijke gehoudenheid beoogt aldus, ook in zoverre zij de aan de btw-plichtige opgelegde administratieve boete betreft, niet de bestraffing van de aansprakelijke vertegenwoordiger en lijkt mij bijgevolg geen straf te zijn in de zin van artikel 6 EVRM. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, berust m.i. op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. 3. Besluit: Verwerping. _______________________________
(1)Cass. 25 mei 1999, AR P.99.0517.N, AC 1999, nr. 307, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13; zie ook K. HEYRMAN, "Strafbepalingen", in H. VANDEBERGH (ed.) Btw-Handboek, Larcier, 2019, p. 1802-1803.
(2)HvJ, 21 december 2011, C-499/10, Vlaamse Oliemaatschappij nv, r.o. 26: "Dat de andere persoon dan de schuldenaar van de BTW te goeder trouw heeft gehandeld door met de zorgvuldigheid van een bedachtzame ondernemer te werk te gaan, alles heeft wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en zijn betrokkenheid bij fraude is uitgesloten, zijn derhalve factoren die in aanmerking moeten worden genomen om uit te maken of deze persoon hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de verschuldigde BTW".
(3)F. VANDENBERGHE, "Personen gehouden tot voldoening van de btw", in H. VANDEBERGH (ed.) BTW-Handboek, Brussel, Larcier, 2019, p. 1470, vn. 5066.
(4)Cass. 22 februari 2019, AR F.17.0071.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.2, AC 2019, nr. 110, r.o. 1; Cass. 6 mei 2014, AR P.13.1660.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.3, AC 2014, nr. 319, r.o. 16; Cass. 20 juni 1995, AR P.94.0580.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950620.3, AC 1995, nr. 312.
(5)Cass. 21 oktober 2008, AR P.08.0535.N, arrest niet gepubliceerd.
(6)Cass. 21 oktober 2008, AR P.08.0535.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 oktober 2002, AR P.01.1365.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021015.18, AC 2002, nr. 540.
(7)Zie vb. GwH 9 juli 2009, nr. 105/2009.
(8)Zie vb. Rb. Antwerpen 9 maart 2009, Fiscoloog 2009, afl. 1182, p. 11 (m.b.t. nalatigheidsinteresten); in dezelfde zin, zie ook L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, Story-Scientia, 2002, p. 92, nr. 178; Comm. IB92 nr. 348/5 en M. DELANOTE, Schuld en executie. Een onderzoek naar de reikwijdte van de fiscale titel, B&E 2010, p. 694, nr. 768.
(9)Zie o.m. Cass. 20 juni 1995, AR P.94.0580.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950620.3, AC 1995, nr. 312; zie ook L. HUYBRECHTS, o.c., p. 93, nr. 178; M. DELANOTE, o.c., p. 695, nr. 769.
(10)GwH arrest nr. 117/2009 van 16 juli 2009, r.o. B.5.; zie ook GwH 18 juni 2009, nr. 99/2009; GwH 9 juli 2009, nr. 105/2009; GwH 20 oktober 2009, nr. 59/2009; over deze rechtspraak, zie F. SMET, "Daders en medeplichtigen van fiscale misdrijven vinden geen soelaas bij het Grondwettelijk Hof", TFR, 2010, p. 310.
(11)Voorziening, p. 20, nr. 4, laatste alinea.
(12)Circulaire nr. 4 (E.T.103.925) dd. 4 maart 2003, nrs. 130-132. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210312.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950620.3 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021015.18 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div