← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210323.2N.2 Rolnummer: P.20.1189.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-25 Raadplegingen: 1158 - laatst gezien 2026-06-18 20:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.2 Fiche Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die gelijktijdig aan dezelfde feitenrechter worden voorgelegd en die volgens de rechter de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; de rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet voorziet die de zwaarste straf bepaalt; de rechter moet de andere hoofd- en bijkomende straffen buiten beschouwing laten, zoals de ontzetting uit rechten vermeld in artikel 382bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde rechten als bijkomende straf

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Collectief of voortgezet misdrijf - Eenheid van opzet - Toepassing van de zwaarste straf - Draagwijdte - Strengere bijkomende straf voor een minder zware telastlegging - Ontzetting uit bepaalde rechten wegens een veroordeling van verkrachting - Veroordeling wegens een misdaad waarop een zwaardere straf staat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 382bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.20.1189.N Conclusies van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De ontzetting uit bepaalde rechten wegens een seksueel misdrijf (art. 382bis Sw.) in geval van eenheid van opzet met een misdrijf waarop een zwaardere straf staat (art. 65, eerste lid, Sw.)”.
  1. Bestreden arrest
  2. Eiser wordt vervolgd wegens feiten van diefstal met geweld met verzwarende omstandigheden (A, B, C, D), verkrachting van meerderjarigen met verzwarende omstandigheden (E en F), aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging op meerderjarigen, met wapen (G), aanranding van de eerbaarheid met geweld op een minderjarige (H) en bedreigingen door gebaren (I).
  3. De correctionele rechtbank te Antwerpen heeft alle feiten bewezen verklaard en eiser wegens eenheid van opzet tot één straf veroordeeld (gevangenisstraf van 15 jaar, met bijkomend ontzetting uit rechten vermeld in art. 31, eerste lid, en 382bis Strafwetboek gedurende 10 jaar en terbeschikkingstelling strafuitvoeringsrechtbank voor 10 jaar)
(1). Eiser stelde enkel hoger beroep tegen de beslissing over de strafmaat en deed afstand van dit rechtsmiddel.
  1. Op hoger beroep van het openbaar ministerie, beperkt tot de strafmaat, heeft het hof van beroep te Antwerpen met eenparigheid van stemmen een zwaardere straf opgelegd voor het geheel van de feiten (gevangenisstraf van 20 jaar, levenslange ontzetting uit de rechten vermeld in art. 31 Sw., terbeschikkingstelling strafrechtbank voor 15 jaar en ontzetting uit de rechten van art. 382bis Sw. voor 20 jaar).
  2. Motivering straftoemeting
  3. Eiser voert aan dat het bestreden arrest niet nauwkeurig aangeeft waarom het verzoek tot probatie-uitstel wordt afgewezen, waarom de effectieve gevangenisstraf wordt verzwaard, waarom de facultatieve terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank voor 15 jaar wordt opgelegd en waarom de ontzetting uit rechten voor vermelde duurtijd wordt uitgesproken. Aldus houdt het arrest een schending in van artikelen 149 Grondwet en 195 Wetboek van Strafvordering.
  4. Beoordeling. Ieder veroordelend vonnis of arrest dient nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn de redenen te vermelden van de keuze en zwaarte van de straf die de rechter uitspreekt, als de wet hem daarover vrije beoordeling laat (art. 195, tweede lid, en 211 Sv.)
(2). 6. De strafrechter oordeelt op onaantastbare wijze, binnen de perken gesteld door de strafwet, over de strafmaat die hij in verhouding acht tot de zwaarte van de feiten en tot de individuele strafwaardigheid van elke beklaagde, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof
(3). De strafrechter dient niet bijkomend aan te geven waarom de straf opgelegd in eerste aanleg ontoereikend is
(4). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  1. Mij lijkt dat het bestreden arrest voldoende nauwkeurig is gemotiveerd. Voor de afwijzing van de vraag van probatie-uitstel en de keuze voor een gevangenisstraf van 20 jaar hielden de appelrechters onder meer rekening met de aard, veelheid en ernst van de feiten, het plaatsen van een wapen tegen de keel van slachtoffers, het uitermate gewelddadig en pervers gedrag van de beklaagde en de grote traumatische impact van zijn daden. De gunst van probatie-uitstel draagt volgens het arrest onvoldoende bij tot de bewustwording van de beklaagde dat dergelijke feiten in een geordende en beschaafde samenleving absoluut onaanvaardbaar zijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. De levenslange ontzetting uit de rechten vermeld in art. 31, eerste lid, Strafwetboek, is verplicht bij een gevangenisstraf van 20 jaar. In zoverre het middel uitgaat van de noodzaak van een specifieke toelichting, faalt het naar recht.
  3. Ook de terbeschikkingstelling van 15 jaar van de strafuitvoeringsrechtbank (art. 34quater Sw.) en de levenslange ontzetting uit het kiesrecht (art. 31, tweede lid, Strafwetboek) lijken mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  4. Ontzetting uit rechten van art. 382bis Sw.
  5. De vraag rijst of het Hof een ambtshalve middel dient aan te nemen op basis van de artikelen 65, eerste lid, en 382bis Strafwetboek, over de bijkomende straf van ontzetting opgelegd aan eiser voor een termijn van 20 jaar, waarbij hij werd ontzet uit drie rechten die niet in art. 31 Strafwetboek zijn voorzien, namelijk 1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt; 2°deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is; 3°een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging.
  6. Elke veroordeling wegens aanranding van de eerbaarheid kan volgens artikel 382bis Strafwetboek leiden tot een ontzetting van bepaalde rechten. Het gaat dus om een facultatieve ontzetting van bijkomende rechten, die niet zijn opgenomen in artikel 31 Strafwetboek, en specifiek verband houden met het contact met minderjarigen.
  7. Het Strafwetboek kent twee vormen van straftoemeting, naar de vrije keuze van de strafrechter, voor het geval de beklaagde in hetzelfde strafproces wordt vervolgd voor verschillende misdrijven, elk met een andere strafbaarstelling. De strafrechter kan kiezen voor afzonderlijke bestraffing van feiten in die reeks, volgens de regels van meerdaadse samenloop, binnen bepaalde grenzen (art. 58-64 Sw.)
(5)of hij kan alle feiten samensmelten tot één geheel en daarvoor één straf opleggen, de zwaarste (art. 65, eerste lid, Sw.). In dit laatste geval, meestal toegepast in de praktijk
(6), neemt de strafrechter aan dat afzonderlijke misdrijven met elkaar zijn verbonden door eenheid van opzet, ook eenheid van doel en verwezenlijking genoemd. Alle feiten samen vormen dan één voortgezet en collectief misdrijf
(7). 13. De strafrechter oordeelt onaantastbaar of een geheel van bewezen verklaarde strafbare feiten de uiting zijn van een zelfde opzet en één voortgezet misdrijf uitmaken, met wettigheidscontrole van de motieven door het Hof
(8). 14. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die gelijktijdig aan dezelfde feitenrechter worden voorgelegd de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken
(9). 15. Om uit te maken op welk misdrijf in een reeks van feiten de zwaarste straf staat, geven de hoofdstraffen de doorslag
(10). Daarbij wordt de hoogte van de maximum gevangenisstraf vergeleken en bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf
(11). Voor het bepalen van de zwaarste straf wordt in de regel geen rekening gehouden met de zwaarte van een bijkomende straf, zoals de ontzetting uit rechten
(12).
  1. Over de zwaarste hoofdstraffen is er in deze zaak geen discussie. De feiten waarvoor ontzetting uit de rechten vermeld in art. 382bis Sw. mogelijk is, namelijk aanranding van de eerbaarheid met geweld op een minderjarige ouder dan 16 jaar (telastlegging H, art. 373 Sw.), worden minder zwaar bestraft dan de feiten van diefstal met geweld met verzwarende omstandigheden (telastlegging A, artt. 461, 468, 471, 472 en 473 Sw.).
  2. Wanneer de strafrechter ervoor kiest één straf op te leggen voor een geheel van afzonderlijke misdrijven, heeft dit gevolgen voor de bijkomende straffen wegens feiten in dit geheel, zoals de ontzetting uit rechten en het beroepsverbod. Alles hangt af van de strafbare feiten waarop de zwaarste straf is gesteld.
  3. Het is vaststaande rechtspraak dat het misdrijf waarop overeenkomstig artikel 65, eerste lid, Strafwetboek de zwaarste straf is gesteld niet alleen de toepasselijke hoofdstraffen, maar ook de bijkomende straffen bepaalt
(13). 19. Over dit laatste aspect oordeelde het Hof, in een zaak over het beroepsverbod wegens een faillissementsmisdrijf: “Krachtens artikel 65 Strafwetboek kan de bodemrechter, wanneer hij in feite vaststelt dat meerdere misdrijven de uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, slechts één straf opleggen, namelijk de zwaarste. De toepassing van deze bepaling verplicht de rechter in de regel om de voor de lichtere misdrijven voorgeschreven straffen buiten beschouwing te laten, zelfs als die straffen voorzien in een bijkomende sanctie die zwaarder is dan die welke samen met de opslorpende straf kan worden opgelegd”
(14). 20. Het Hof oordeelde op 21 januari 2020 en 5 januari 2021, op basis van een ambtshalve middel: “Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet gelijktijdig aan eenzelfde feitenrechter worden voorgelegd, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. De rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet”
(15). Wanneer de regels over ontzetting uit rechten zwaarder zijn voor een misdrijf dat in het geheel van de feiten geen aanleiding geeft voor de zwaarste straf, dan kunnen die regels bij het opleggen van één straf voor de ganse reeks feiten niet worden toegepast. De rechter mag voor de ontzetting als bijkomende straf bijgevolg alleen rekening houden met artikel 31 Strafwetboek, voor zover deze bijkomende straf is verbonden met het bewezen verklaarde misdrijf waarop de zwaarste straf staat”
(16). 21. Hieruit volgt dat als de strafrechter voor een geheel aan bewezen verklaarde feiten slechts één straf oplegt, wegens eenheid van opzet (art. 65, eerste lid, Sw.), hij volledig en consequent het stelsel van straffen moet toepassen dat op het zwaarste misdrijf is gesteld
(17). Bijkomende straffen verbonden aan een lichter misdrijf blijven buiten beschouwing, zelfs al zijn deze zwaarder dan de bijkomende straffen die de rechter voor het zwaarste misdrijf kan opleggen
(18). Zij verdwijnen, worden opgeslorpt door de hoofdstraffen voor het zwaarste misdrijf in de reeks van feiten, en de bijkomende straffen die aan dit zwaarste misdrijf zijn gekoppeld
(19). 22. Uit de parlementaire voorbereidingen van art. 382bis Sw. kan men afleiden dat de ontzetting uit de erin vermelde rechten geen beveiligingsmaatregel is, maar een repressief doel heeft
(20), bijgevolg een bijkomende straf is die gepaard kan gaan met een seksueel misdrijf. Vermelde bepaling, ingevoegd door art. 3 Wet 13 april 1995 betreffende het seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen, BS 25 april 1995, werd oorspronkelijk ingediend als een bijkomende straf in het algemeen deel (Boek I) van het Strafwetboek (als art. 31bis Sw.)
(21)De Minister van Justitie stelde dat de ontzetting van rechten in geval van bepaalde seksuele misdrijven “een logisch gevolg is van de feiten waarvoor men wil vervolgen, wat niet wegneemt dat de genade en het eerherstel tot de mogelijkheden behoren”
(22). Een beveiligingsmaatregel kan niet door genade (art. 110 G.W.) of eerherstel verdwijnen (art. 621 Sv.)
(23). Bij de wijziging van art. 382bis Sw. door art. 4 Wet 10 april 2014 (BS 30 april 2014) werd uitdrukkelijk bepaald dat art. 382bis SW. “voorziet in bijkomende straffen die kunnen worden opgelegd aan daders van seksuele feiten gepleegd ten aanzien van minderjarigen”
(24). Ook in de rechtsleer wordt de ontzetting uit rechten van art. 382bis Sv. opgevat als bijkomende straf, niet als beveiligingsmaatregel
(25). 23. Op deze theorie van ‘opslorping’ door de zwaarste straf bestaan uitzonderingen, voor zover die steunen op een specifieke bepaling. Het Hof oordeelde op dit punt: “Wanneer, krachtens artikel 65 Strafwetboek, verschillende feiten wegens eenheid van opzet een zelfde strafbaar feit opleveren, kan de rechter alleen de zwaarste straf uitspreken. Hij kan daar enkel een voor een andere telastlegging bepaalde bijkomende straf aan toevoegen als een specifieke bepaling hem daartoe machtigt
(26)”. 24. In drie gevallen is die uitzondering op art. 65 Strafwetboek duidelijk
(27). a) Artikel 64 Strafwetboek bepaalt dat de straffen van bijzondere verbeurdverklaring wegens verscheidene misdaden, wanbedrijven of overtredingen altijd samen worden opgelegd. Hieruit volgt dat als de bijzondere verbeurdverklaring verplicht is of mogelijk is wegens een feit waarop niet de zwaarste straf staat in het geheel van feiten, de rechter deze bijkomende straf moet of kan uitspreken
(28). b) Artikel 38 KB 16 maart 1968 (Wegverkeerswet) bepaalt in welke gevallen de strafrechter het verval van het recht tot sturen kan opleggen, als straf. Art. 39 Wegverkeerswet bepaalt: “Indien ingevolge samenloop van misdrijven de bij deze gecoördineerde wetten bepaalde vrijheidsstraffen en geldboeten niet uitgesproken worden, is dit nochtans wel het geval voor het verval van het recht tot sturen onder de voorwaarden als bepaald in deze wetten
(29). c) Art.34quater Sw. laat de strafrechter toe de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank uit te spreken voor bepaalde misdrijven ‘in geval de artikelen 62 en 65 Strafwetboek worden toegepast”.
  1. Het aspect van samenloop met andere misdrijven (art. 58-65 Sw.) komt niet aan bod in artikel 382bis Strafwetboek, zoals laatst gewijzigd door art. 12 Wet 1 februari 2016, BS 19 februari
  2. De aanhef van deze bepaling luidt: “Onverminderd de toepassing van artikel 382 kan elke veroordeling wegens feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 377, 377quater, 379 tot 380ter, 381 en 383 tot 387, gepleegd op de persoon van een minderjarige of met zijn deelneming, de ontzetting meebrengen van het recht om, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar:…”. Ook in de parlementaire voorbereidingen van art. 382bis Sw. ontbreekt duidelijkheid over het opleggen van de ontzetting uit rechten indien het seksueel delict deel uitmaakt van een voortgezet of collectief misdrijf en de strafrechter de beklaagde ook schuldig acht voor een misdrijf waarop zwaardere straffen staan
(30). Er is niet aangegeven dat in dat geval de facultatieve ontzetting uit rechten van art. 382bis Sw. mogelijk is, als uitzondering op art. 65, eerste lid, Strafwetboek. 26. Mij komt voor dat art. 382bis Strafwetboek, ondanks de term ‘elke veroordeling’, niet toelaat af te wijken van de regels over straftoemeting bij een voortgezet of collectief misdrijf. Geven de feiten van seksueel misbruik geen aanleiding tot de zwaarste (hoofd)straf, dan kan de ontzetting uit rechten vermeld in art. 382bis Sw. niet als bijkomende straf worden bevolen, indien de strafrechter voor alle bewezen verklaarde feiten één straf oplegt, wegens eenheid van opzet (art. 65, eerste lid, Sw)
(31). Er is dan ook reden om een ambtshalve middel aan te voeren op basis van art. 65 en 382bis Sv., conform het arrest van 5 januari 2021 over toepassing van art. 65 en 382 Strafwetboek
(32). 27. Mijn advies is cassatie zonder verwijzing, beperkt tot de ontzetting uit rechten vermeld in art. 382bis Sw., en verwerping van het cassatieberoep voor het overige. ___________________________________________________________________
(1)Eisers stellen m.i. ten onrechte (p.6) dat de eerste rechter geen ontzetting uit rechten uitsprak op basis van artikelen 31, eerste lid Sw. en 382bis Sw.
(2)Cass. 27 februari 2019, AR P.18.1090.F, AC 2019, nr. 124 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.2; Cass. 9 oktober 2007, AR P.07.0578.N, AC 2007, nr. 464 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.3. Zie alg. J. DE CODT, “Présentation des moyens en cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 190-193; F. VAN VOLSEM, “De straftoemeting in geval van een ontkennende maar schuldige beklaagde”, RABG 2013, 817-827; D. HOLSTERS, “Motivering van de straf : waarborg voor de beklaagde?”, in Liber amicorum Jean du Jardin, Kluwer, 2001, 31-48; J. ROZIE, “Actualia omtrent de bepaling en de motivering van de straf”, NC 2007, 177-188; J. DU JARDIN, « Motivering van vonnissen en arresten in strafzaken”, in Comm. Sr., Kluwer, 2008, 37; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1183-1191; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 143-147; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 752-760; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 118-119; T. DE MEESTER, “Straftoemeting”, in Handboek voor de advocaat-stagiairs 2019-20, Kluwer, 2020, 175-206; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1366-1376.
(3)J. DU JARDIN, “Motivering van vonnissen en arresten in strafzaken”, in Comm. Sr. 2008, 30.
(4)Cass. 14 november 2000, AR P.98.1412.N, AC 2000, nr. 618 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.10; Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1915.N, AC 2012, nr. 322 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.9. Zie D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 144; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr. 1780.
(5)Vb. Cass. 25 april 2012, AR P.12.0178.F, AC 2012, nr. 255 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120425.3.
(6)V. FRANSSEN, J. VANHEULE en F. VERBRUGGEN, “Wie heeft het gedaan en wat daarmee gedaan? Sprokkelen in rechtspraak over strafbaarheid en bestraffing”, in Recente ontwikkelingen in het strafrecht, Larcier, 2008, 40; C. DEPREZ en A. MASSET, “Le cumul de qualifications pénales dans les pratiques belge en internationale”, in La CVDW. Liber amicorum Chris Van den Wyngaert, Maklu, 2017, 111.
(7)Over het aspect eenheid van opzet Cass. 8 februari 2012, AR P.11.1918.F, AC 2012, nr. 92 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120208.8; Cass. 25 november 2008, AR P.08.1239.N, AC 2008, nr. 668 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.9; Cass. 1 maart 1994, A.R. nr. 6354, AC 1994, nr. 102 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940301.11. Over het voortgezet of collectief misdrijf en het opleggen van één straf, de zwaarste, voor het geheel van feiten zie C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, Gent, Story-Scientia, 1968, II, 613-614; L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Leuven, Acco, 1990, 491-492; L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR, 2002, 87-88; C. DEPREZ en A. MASSET, “Le cumul de qualifications pénales dans les pratiques belge en internationale”, in La CVDW. Liber amicorum Chris Van den Wyngaert, Maklu, 2017, 109-126; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Éléments de droit pénal, Brugge, Die Keure, 2019, 360-364.
(8)Cass. 12 mei 2015, AR P.14.1934.N, AC 2015, nr. 306 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.5; Cass. 13 november 2007, AR P.07.1092.N, AC 2007, nr. 550 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.2; Cass. 9 maart 2005, AR P.04.1591.F, AC, 2005, nr. 145 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050309.4. Zie C. VAN DEN WYNGAERT, S.VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel Svacina, 2019, 524.
(9)Over het aspect zwaarste straf Cass. 25 september 2007, AR P.07.0461.N, AC 2007 nr. 431 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.1.
(10)J. ROZIE, “Is het onderscheid tussen hoofd- en bijkomende straffen nog gefundeerd”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Kluwer, 2011, 751-764 (p. 757).
(11)Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N, AC 2020, nr. 59 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3, NC 2020, 288; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0018.N, RABG 2019, 593 noot B. SPRIET, “Penaal beroepsverbod ex KB nr. 22 van 24 oktober 1934, mede bij een voortgezet misdrijf”.
(12)Cass. 15 juni 2005, AR P.05.0278.F, AC 2005, nr. 344, p.1335 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050615.25.
(13)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1095.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 met concl. van advocaat-generaal SCHOETERS; Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N, AC 2020, nr. 59, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3, NC 2020, 288; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0018.N, RABG 2019, 593 noot B. SPRIET; Cass. 25 januari 2018, AR P.11.1821.F, AC 2018, nr. 68 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120125.6.
(14)Cass. 2 september 2009, AR P.09.0391.F, AC 2009, nr. 467 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090902.4.
(15)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1095.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 met concl. van advocaat-generaal SCHOETERS; Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N, AC 2020, nr. 59, NC 2020, 288.
(16)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1095.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 met concl. van advocaat-generaal SCHOETERS.
(17)V. FRANSSEN, J. VANHEULE en F. VERBRUGGEN, “Wie heeft het gedaan en wat daarmee gedaan? Sprokkelen in rechtspraak over strafbaarheid en bestraffing”, in Recente ontwikkelingen in het strafrecht, Larcier, 2008, 40; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Éléments de droit pénal, Brugge, Die Keure, 2019, 360-361; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel Svacina, 2019, 523.
(18)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1095.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 met concl. van advocaat-generaal SCHOETERS; Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N, AC 2020, nr. 59 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3, NC 2020, 288; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0018.N, RABG 2019, 593 noot B. SPRIET; Cass. 12 september 2017, AR P.15.1379.N, AC 2017, nr. 462 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.1; Cass. 16 juni 2015, AR P.14.1159.N, AC 2015, nr. 407 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.7; Cass. 25 januari 2012, AR P.11.1821.F, AC 2012, nr. 68 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120125.6; Cass. 2 september 2009, AR P.09.0391.F, AC 2009, nr. 467 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090902.4; Cass. 16 oktober 2007, AR P.07.0880.N, AC 2007, nr. 483 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.9; Cass. 13 januari 1999, AR P.98.1521.F, AC 1999, nr. 21 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990113.15; Cass. 31 mei 1977, AC 1977, 1031 en Cass. 21 oktober 1974, AC 1975, 245. Over de ‘opslorping’ van (bijkomende) straffen verbonden aan een misdrijf dat in het geheel van vermengde feiten niet het zwaarste misdrijf is, zie Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1095.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 met concl. van advocaat-generaal SCHOETERS; Cass. 8 juni 2016, AR P.16.0236.F, AC 2016, nr. 384 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; B. SPRIET, “Penaal beroepsverbod ex KB nr. 22 van 24 oktober 1934, mede bij een voortgezet misdrijf”, RABG 2019, 602; N. COLETTE-BASECQZ en N. BLAISE, Manuel de droit pénal général, Limal, Anthémis, 2016, III, 516; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Éléments de droit pénal, Brugge, Die Keure, 2019, 361; C. VAN DEN WYNGAERT, S.VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel Svacina, 2019, 523.
(19)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Leuven, Acco, 1990, 489-490.
(20)Over het verschil tussen straffen en beveiligingsmaatregelen zie C. DE ROY, “Beschouwingen over enkele beveiligingsmaatregelen in het Belgische verkeers(straf)recht”, in La CVDW. Liber amicorum Chris Van den Wyngaert, Maklu, 2017, 127-141.
(21)Amendement 8 van Senatoren Dhr. Monfils en Mevr. Herzet (Ontwerp van wet betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen, Zitting Commissie Justitie Senaat van 23 maart 1995, Parl. St. Senaat, Zitting 1994-95, Doc 1348/2, p. 43, 44 en 49, www.senate.be
(22)Wetsontwerp betreffende seksueel misbruik van minderjarigen, Verslag Commissie Justitie Kamer van zitting 10 april 1995, Parl. St. Kamer, Zitting 1991-1995, Doc 1785/003, p.12, www.dekamer.be De tussenkomst van de Minister had betrekking op art. 3 van vermeld Wetsontwerp, dat art. 382bis Strafwetboek invoert (Doc 48 1785/001).
(23)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco, 1990, 781 en 809; M. VERDUSSEN, Contours et enjeux du droit constitutionnel pénal, Bruylant, 1995, 682-683; C. VAN DEN WYNGAERt, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017, 551.
(24)Wetsvoorstel van 25 oktober 2012 tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op de strafrechtelijke bescherming van kinderen tegen grooming, Amendement nr. 3 van senator Mevr. C. FRANSSEN, Parl. Senaat, Doc 5-1823/2, p. 3 en Doc 5-1823/5, p. 25, www.senate.be. Tijdens de bespreking van andere wijzigingen aan art. 382bis Sw. werd niet aangegeven dat de ontzetting uit de erin vermelde rechten afwijkt van regels over bijkomende straffen en samenloop van misdrijven (Wetsontwerp betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Parl. St. Senaat, 1999-2000, Doc 2-280/5, p. 93, www.senate.be en Parl. St. Kamer, Zitting 1999-2003, Doc 50-0695/009, p. 40, www.dekamer.be; Wetsvoorstel van 20 juni tot verbetering van de aanpak van seksueel misbruik van feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie, art. 8, Parl. St. Kamer, Doc 53-2275/001, p. 8-9 en Doc 53-1175-004, p. 7; Wetsvoorstel 1 december 2015, Amendement nr. 15 van Mevr. C. VAN CAUTER, Parl. St. Kamer, Doc 54-0699/006, p. 7-8 en 0699/010, p. 5-6, www.dekamer.be).
(25)A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 5e ed., Kluwer, 2005, 142; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 466
(26)Cass. 9 mei 2018, AR P.18.0330.F, AC 2018, nr. 298 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.3 Zie hierover T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Éléments de droit pénal, Brugge, Die Keure, 2019, 361.
(27)D. SCHOETERS, conclusie in de zaak Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1095.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8.
(28)Cass. 2 september 2015, AR P.15.0552.F, AC 2015, nr. 473 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150902.2; Cass. 27 januari 2009, AR P.08.1299.N, AC 2009, nr. 66 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090127.6; Cass. 25 oktober 2006, AR P.06.0751.F, AC 2006, nr. 514 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.8. Zie F. VAN VOLSEM, “De bijzondere verbeurdverklaring”, in Strafrecht in de onderneming, Intersentia, 2016, 855-856; D. VANDERMEERSCH, conclusie in de zaak Cass. 8 juni 2016, AR P.16.0236.F, AC 2016, nr. 384 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1; J. ROZIE, “Is het onderscheid tussen hoofd- en bijkomende straffen nog gefundeerd”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Kluwer, 2011, 761.
(29)Cass. 9 mei 2018, AR P.18.0330.F, AC 2018, nr. 298, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.3; Cass. 27 november 2013, AR P.13.1178.F, AC 2013, nr. 637 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131127.3; Cass. 20 december 1982, AR 2379, AC 1982-83, 531. Zie L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Leuven, Acco, 1990, 490; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Éléments de droit pénal, Brugge, Die Keure, 2019, 361.
(30)Zie verwijzingen in voetnoten 21, 22 en 24.
(31)In het ontwerp van Wetboek van Strafrecht, thans in bespreking bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers (Wetsvoorstel van 24 september 2019 tot invoering van een nieuw Strafwetboek (Boek 1 en Boek 2), Parl. St. Kamer, 2019-2020, DOC nr. 55-1011/001, www.dekamer.be), is de ontzetting uit bepaalde rechten wegens een seksueel misdrijf behouden als bijkomende, facultatieve straf, en zou het wel mogelijk zijn om bij bestraffing van een voortgezet of collectief misdrijf, waarvoor de strafrechter dan de zwaarste hoofdstraf oplegt, nog bijkomende straffen te cumuleren (zoals de ontzetting) die op een lichter strafbaar feit zijn gesteld, binnen grenzen bepaald door de wet (nieuw art. 65 Sw.). Zie J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Commissie voor de hervorming van het strafrecht. Voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek, Brugge, Die Keure, 2016, p. 18 en 165; J. ROZIE, D. VANDERMEERSCH en J. DE HERDT, Naar een nieuw strafwetboek? Het voorstel tot hervorming van het strafrecht, Brugge, Die Keure, 2019, p. 21, 49 en 270; D. VANDERMEERSCH, “De hervorming van de wetboeken in strafzaken: een noodzakelijke sprong van de 19de naar de 21ste eeuw”, Mercuriale uitgesproken voor het Hof van Cassatie op 2 september 2020, RW 2020-21, 406-407, mercuriale 2020, p. 8.
(32)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.1095.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 met concl. van advocaat-generaal SCHOETERS. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210323.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940301.11 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990113.15 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050309.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050615.25 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.9 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090127.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090902.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120125.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120208.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120425.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131127.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150902.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.