id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.3 Rolnummer: D.20.0008.N Zaak: B. contra ORDE DER ADVOCATEN BIJ HET HOF VAN BEROE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-02-17 Raadplegingen: 713 - laatst gezien 2026-06-19 03:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.3 Fiche 1 Wanneer de tuchtprocedure niet de kenmerken vertoont van een strafvervolging, wat wel het geval is wanneer deze vervolging beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het intern recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeft, staan noch het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, noch de artikelen 14.7 IVBPR en 4.1, Protocol nr. 7 EVRM in de weg aan het opleggen van een tuchtsanctie voor feiten die eerder hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" - Strafrechtelijke veroordeling - Nadien opleggen van een tuchtsanctie - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel 'non bis in idem' Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Fiches 2 - 3 De schrapping van het tableau van de advocaten is een tuchtrechtelijke sanctie die naar intern recht niet wordt gekwalificeerd als een strafrechtelijke sanctie, die enkel geldt voor advocaten en ertoe strekt de eer van de Orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven, en is bijgevolg geen strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Tuchtsanctie - Schrapping van het tableau - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 455, 456, eerste lid, en 460, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Tuchtsanctie - Schrapping van het tableau van de advocaten - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 455, 456, eerste lid, en 460, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie D.20.0008.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Nadat eiser strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld werd wegens valsheden in het kader van vergoedingen voor tussenkomst van een tolk bij zijn werkzaamheden als advocaat werd hij bij wijze van tuchtrechtelijke sanctie geschrapt van het tableau van advocaten. Er werden hem tuchtrechtelijk tekortkomingen verweten aan de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen meer bepaald het misbruiken van het wettelijk systeem van tweedelijnsbijstand. Tegen deze beslissing van 19 mei 2020 van de Nederlandstalige tuchtraad van beroep voor advocaten voert eiser één middel aan bestaande uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat de beslissing tot schrapping op de grond dat de tuchtprocedure geen strafrechtelijke vervolging uitmaakt in de zin van artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem niet wettig verantwoord is. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat de bestreden beslissing nalaat na te gaan of met eerbiediging van het proportionaliteitsbeginsel, de beide vervolgingen met het oog op de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang elkaar aanvullende doelen nastreven die betrekking hebben op verschillende aspecten van hetzelfde inbreukmakende gedrag.
- Bespreking 2.
- Verweerder werpt in de memorie van antwoord terecht de niet-ontvankelijkheid van het middel op in zoverre schending wordt aangevoerd van de artikelen 50, 51 en 52 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 6 VEU en de artikelen 102 en 288 VWEU. 2.
- Krachtens artikel 4.1van het Protocol nr.7 bij het EVRM wordt niemand opnieuw berecht of bestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat. Ook artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte. 2.
- Indien twijfel bestaat over de al dan niet strafrechtelijke kwalificatie van sancties die naar intern recht niet van strafrechtelijke aard zijn, zoals dit het geval is voor tuchtsancties, wordt de aard van de (tuchtrechtelijke) sanctie, voor de toepassing van het non bis in idem beginsel dat wordt uitgedrukt in voormelde artikelen, ontleed op basis van de zogenaamde Engel-criteria van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(1). Die criteria zijn met name de juridische kwalificatie van het vergrijp in het nationale recht, de aard van het vergrijp en de zwaarte van de sanctie die kan worden opgelegd. Volgens de rechtspraak van het EHRM is het eerste criterium noodzakelijk maar niet determinerend en zijn het tweede en derde criterium alternatief en niet noodzakelijk cumulatief. Het tweede criterium is wel doorslaggevend daar de vervulling ervan voldoende kan zijn om te concluderen dat er sprake is van strafvervolging, zelfs als het derde criterium niet is vervuld
(2). In het kader van een tuchtsanctie verfijnde het EHRM, met betrekking tot het tweede, noodzakelijke criterium van de aard van het vergrijp, zijn rechtspraak enerzijds door invoering van de relevante indicator dat dit vergrijp, zoals het geformuleerd was in het nationale recht, zich richt tot een groep personen en niet tot alle burgers
(3). Specifiek met betrekking tot het tuchtrecht voor advocaten hield het Hof, naast het gegeven dat het vergrijp slechts betrekking had op één specifieke beroepsgroep en niet op de hele bevolking, rekening met het gegeven dat de sanctie werd opgelegd door een rechtbank zonder betrokkenheid van politie of vervolgende instantie, dat de tenlastelegging betrekking had op het professioneel gedrag en de professionele organisatie en de nadruk werd gelegd op gedragsstandaarden die passend werden geacht voor advocaten
(4). Anderzijds werd ook het doel van de maatregel binnen dit criterium als belangrijk element benadrukt, meer bepaald dat niet het bestraffen op zich maar wel het vermijden dat betrokkene bij het uitoefenen van zijn professionele activiteiten schade zou berokkenen of het vertrouwen van het publiek in het beroep zou schaden van doorslaggevend belang is
(5). 2.4. Het klassieke internrechtelijke uitgangspunt is dat de disciplinaire functie te onderscheiden is van de functie van het strafrecht, ook al delen beide functies een repressieve ratio. Het feit dat disciplinair recht te onderscheiden is van het strafrecht, is terug te voeren op het feit dat het disciplinair recht groepsrecht is, en dus autonoom, en daarom onderscheiden van zowel het strafrecht als het civiel recht. Die (internrechtelijke) autonomie verklaart de stelling dat een zelfde gedrag tegelijk strafrechtelijk, civielrechtelijk en disciplinair kan gesanctioneerd worden en dat de regel ne bis in idem op zich dergelijke cumul niet belet
(6). Anders dan de strafvordering die tot doel heeft inbreuken op de maatschappelijke orde te doen bestraffen en wordt uitgeoefend in het belang van de maatschappij, heeft de tuchtvordering meer bepaald tot doel te onderzoeken of de titularis van een openbaar ambt of degene die een vrij beroep uitoefent de deontologische of disciplinaire regels heeft overtreden of afbreuk heeft gedaan aan de eer of de waardigheid van zijn ambt of beroep. Een tuchtvordering wordt daarom ook uitgeoefend in het belang van een beroep. Waar de strafvordering enkel betrekking kan hebben op feiten die door de wet als misdrijf zijn omschreven heeft de tuchtvordering betrekking op gedragingen en tekortkomingen die niet noodzakelijk het voorwerp zijn van een precieze definitie. De tuchtsanctie kan de betrokkene geheel of gedeeltelijk raken in het uitoefenen van zijn beroep
(7). In de rechtspraak van Uw Hof wordt aangenomen dat de toepasselijkheid van het penale luik van artikel 6 EVRM ten opzichte van tuchtvervolgingen echter niet zonder meer uitgesloten is. In dergelijk geval moet de beoordeling gebeuren aan de hand van de ENGEL-criteria
(8). Meer specifiek oordeelt Uw Hof, in het kader van voormelde artikelen 4.1van het Protocol nr.7 bij het EVRM en 14.7 IVBPR, het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem dat dezelfde draagwijdte heeft en in lijn met de Engel-criteria, dat er sprake is van een strafvervolging zoals bedoeld in artikel 6.1. EVRM wanneer deze vervolging beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het interne recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeft. Een combinatie van een strafvervolging en een veroordeling na een tuchtprocedure waarin een uitspraak is gewezen zal dus niet worden belet door voormeld algemeen rechtsbeginsel noch door voormelde bepalingen wanneer die tuchtprocedure niet de kenmerken vertoont van een strafvervolging. De omstandigheid dat de opgelegde tuchtstraf als een straf moet worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM doet hieraan geen afbreuk
(9). 2.5. In de zaak die thans voorligt doet zich de omgekeerde situatie voor waarop evenwel dezelfde principes kunnen worden toegepast. Aldus dient te worden nagegaan of de tuchtprocedure die volgt op een definitieve strafrechtelijke veroordeling te dezen een verboden toepassing van het non bis in idem beginsel uitmaakt. Krachtens het artikel 455 Ger.W. heeft de raad van de Orde de opdracht om de eer van de Orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven. Ingeval van inbreuken kan de tuchtraad krachtens artikel 460, eerste lid Ger.W. een sanctie van waarschuwing, berisping, schorsing voor een termijn van ten hoogste één jaar of schrapping van het tableau opleggen. Eiser voert in dit verband aan dat die sancties in het kader van een tuchtvervolging de handhaving beogen van normen met een algemene draagwijdte en dus de bescherming van het algemeen belang, door te kunnen beschikken over een onberispelijke advocatuur wat ook beschermd wordt door het strafrecht, en die sancties repressief en preventief van aard zijn omdat zij geen herstel van schade beogen maar wel het bestraffen van de overtreder en het voorkomen dat hij zich in de toekomst nog aan dergelijke feiten schuldig maakt, wat dus zeer zware gevolgen kan hebben omdat de overtreder de mogelijkheid ontnomen wordt zijn beroep verder uit te oefenen. Gelet op deze kenmerken concludeert eiser dat de tuchtvervolging een vervolging met strafrechtelijk karakter uitmaakt. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn aanvoering dat de tuchtsanctie de handhaving beoogt van normen met een algemene draagwijdte die geldt voor alle burgers. In het licht van de autonomie van de tuchtvordering is het duidelijk dat een tuchtprocedure naar nationaal recht niet als een strafvordering wordt beschouwd
(10). De tuchtsanctie van schrapping van het tableau van advocaten wordt naar het interne recht niet gekwalificeerd als strafrechtelijke sanctie. Maar bovendien betreft de tuchtprocedure gevoerd wegens de schending van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van het gereglementeerd beroep van advocaat niet alle burgers maar enkel de advocaten, en geldt de tuchtsanctie die hierop volgt, zelfs al raakt zij betrokkene in de uitoefening van zijn beroep, enkel voor advocaten. Zij strekt er enkel toe de eer van de Orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven. Met de overwegingen in lijn hiermee, aangevuld met de overweging dat hoewel de schrapping van het tableau de zwaarste maar de kenmerkende sanctie is voor een ernstig tuchtvergrijp en het aan de tuchtrechter toekomt te oordelen of de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid het nog toestaan dat een persoon het beroep van advocaat nog mag uitoefenen, verantwoordt de raad van de Orde naar recht zijn oordeel dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem noch de artikelen 4.1 Protocol nr.7 EVRM, noch artikel 14.7 BUPO zich verzetten tegen een tuchtrechtelijke procedure na een eerdere strafvervolging. 2.6. Met betrekking tot het tweede onderdeel voert verweerder terecht aan dat dit onderdeel nieuw is, mitsdien niet ontvankelijk. Voor de tuchtraad in beroep heeft eiser inderdaad geen miskenning van het proportionaliteitsbeginsel aangevoerd. Conclusie: Verwerping. _________________________
(1)EHRM 8 juni 1976, Engel t. Nederland.
(2)I. OPDEBEECK en S. DE SOMER, Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem belet niet de combinatie van een strafrechtelijke sanctie en een (klassieke) tuchtstraf, RW 2016, 699-670.
(3)EHRM 28 juni 1984, Campbell en Fell t. Verenigd Koninkrijk; EHRM 24 februari 1994, Bendenoun t. Frankrijk.
(4)EHRM 24 november 1998, Brown t. Verenigd Koninkrijk.
(5)EHRM 11 december 2007, Haarvig t. Denemarken.
(6)Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3, AC 2013, nr. 67, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF.
(7)Zie Arbitragehof 7 december 1999, arrest nr. 129/99.
(8)Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3, AC 2013, nr. 67, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF.
(9)Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3, AC 2013, nr. 67.
(10)Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3, AC 2013, nr. 67, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div