id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.5 Rolnummer: D.18.0015.N Zaak: D. contra PSYCHOLOGENCOMMISSIE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-28 Raadplegingen: 1463 - laatst gezien 2026-06-16 20:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.5 Fiche Artikel 458bis Strafwetboek is niet van toepassing in een geval waarin een hulpverlener enkel met het slachtoffer van een misdrijf in de zin van dat artikel contact heeft gehad
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEROEPSGEHEIM Vrije woorden: Hulpverlener - Patiënt - Slachtoffer van een misdrijf zoals bedoeld in artikel 458bis Strafwetboek - Melding aan de Procureur des Konings - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 458 en 458bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] - 2021, nr. 448, p. 685-
- - VANASSCHE, Sophie; Noot'Toepassing artikel 458bis sw. vereist dat hulpverlener contact had met slachtoffer en dader' T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 1, p. 41-
- - VANASSCHE, Sophie; OPGENHAFFEN, Tim; Noot'Het beroepsgeheim wanneer de patiënt slachtoffer is. Het doolhof van Cassatie' Tekst van de conclusie D.18.0015.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Eiseres deed als psychologe aangifte bij de Procureur des Konings van mogelijke feiten van seksueel misbruik van haar vierjarige patiënt door de vader van het kind. De ouders waren gescheiden en op dat ogenblik verwikkeld in een discussie over het hoederecht en het kind was op initiatief van de moeder in behandeling bij eiseres. Na klacht van de vader werd eiseres hiervoor door de tuchtoverheid gesanctioneerd. De tuchtoverheid verweet haar de voorwaarden van artikel 458bis Sw. niet te hebben nageleefd, en meer bepaald: - dat er een ernstig en dreigend gevaar moet bestaan voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of dat er aanwijzingen moeten bestaan van een gewichtig en reëel gevaar dat de persoon slachtoffer zal worden, terwijl het aangekaarte vermeende misbruik reeds lang aan de gang bleek en het voorwerp van diverse procedures uitmaakte, waardoor geen sprake was van een plots dreigend gevaar - dat zij, vooraleer de procureur des Konings in te lichten, geen andere stappen binnen de hulpverlening heeft gezet. De Raad van beroep van de psychologencommissie legde eiseres bij beslissing van 20 september 2018 een schorsing op van zes maanden wegens schending van het beroepsgeheim en inbreuk op de artikelen 5, 12 en 15 van de Deontologische Code voor psychologen. Tegen deze beslissing voert eiseres in cassatie één middel aan. In het eerste onderdeel van het enig middel verwijt eiseres de appelrechters de artikelen 5, 12 en 15 van het koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog en de artikelen 458 en 458bis Sw. te hebben geschonden door tot een schending van artikel 458bis Sw. te besluiten, terwijl het beroepsgeheim helemaal niet geldt wanneer de patiënt het slachtoffer is van een misdrijf.
- Bespreking 2.
- Krachtens voormeld artikel 5
(1)legt de psycholoog, uit zorg om de privacy van de personen en bewust van de noodzaak van de toegankelijkheid van het beroep voor allen, zichzelf een discretie op over alles wat hij door en tijdens de uitoefening van het beroep verneemt. Dit houdt minstens de naleving in van het verplichte beroepsgeheim zoals bepaald in de strafwetgeving. Het beroepsgeheim is van openbare orde: de psycholoog die een cliënt of proefpersoon onder zijn hoede heeft is in alle omstandigheden door het beroepsgeheim gebonden. Dit (voormalig
(2)) artikel 5 erkent dus in hoofde van de psycholoog een discretieplicht die minstens de naleving inhoudt van het beroepsgeheim van artikel 458 Sw. 2.2. Krachtens het terzake toepasselijk artikel 458 Strafwetboek worden (onder andere) psychologen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte (of voor een parlementaire onderzoekscommissie) getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen. De houder van het beroepsgeheim moet in principe elke vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden vermeld in artikel 458 Sw. geheimhouden. De ratio van het beroepsgeheim van zorgverleners is te vinden in de bescherming van de patiënt alsook in het maatschappelijk belang dat er in bestaat dat eenieder in alle vertrouwen een beroep moet kunnen doen op die zorgverleners. Het beroepsgeheim is tevens gegrond op het recht op eerbiediging van het privéleven zoals beschermd in artikel 8 EVRM
(3)van degene die iemand in vertrouwen neemt, soms over iets heel persoonlijks
(4). Het beroepsgeheim van artikel 458 Sw. is evenwel niet absoluut en hierop bestaan een aantal uitzonderingen, sommige van wettelijke oorsprong, andere van jurisprudentiële oorsprong, waarvan de voor onderhavige zaak belangrijkste hieronder nader worden geduid. Uit de tekst zelf van artikel 458 Sw. blijken al volgende uitzonderingen
(5)op het beroepsgeheim: - de houder van een beroepsgeheim kan de geheimen die hem werden toevertrouwd, bekendmaken in het geval hij geroepen is om te getuigen in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie; - de houder van een beroepsgeheim moet de geheimen die hem werden toevertrouwd, bekendmaken wanneer hij daartoe wettelijk verplicht is, bv. in het kader van de regels omtrent schuldig hulpverzuim (artikel 422bis Sw.). Daarnaast erkende de rechtspraak in de context van een hulpverlener die in de uitoefening van zijn beroep kennis neemt van (mogelijk) strafbare feiten (onder meer) de volgende bijkomende uitzonderingen op het beroepsgeheim: - Uw Hof
(6)erkende het recht voor de houder van een beroepsgeheim om de geheimen die hem werden toevertrouwd, bekend te maken in geval van noodtoestand. Het voorhanden zijn van een noodtoestand vereist: o dat er een ernstig en dreigend (i.e. nakend of dadelijk) gevaar bestaat voor de maatschappelijke veiligheid, de fysieke of psychische integriteit van personen, de eer en goede naam van een persoon, etc. en de houder van het beroepsgeheim oordeelt dat hij ter vrijwaring van dat hoger belang verplicht of gerechtigd is zijn beroepsgeheim te doorbreken. o Het beroepsgeheim mag slechts doorbroken worden wanneer zulks noodzakelijk is en de enige manier om voormelde belangen te garanderen en de houder van het beroepsgeheim geen andere hulp kan bieden. Het doorbreken van het beroepsgeheim op basis van noodtoestand moet m.a.w. steeds een ultimum remedium zijn. Uw Hof heeft de leer van het doorbreken van het beroepsgeheim op grond van noodtoestand sindsdien herhaaldelijk bevestigd.
(7)Uit die arresten van het Hof blijkt dat dit leerstuk werd ontwikkeld voor het geval een hulpverlener tijdens de uitoefening van zijn beroep kennis neemt van strafbare feiten ten laste van zijn patiënt
(8)en het beroepsgeheim niet geldt indien de patiënt slachtoffer is van een misdrijf
(9), zodat een geneesheer steeds de feiten waarvan zijn patiënt het slachtoffer is, mag meedelen, zonder dat het bestaan van enige rechtvaardigingsgrond, zoals een noodtoestand, moet worden aangetoond
(10). Door bepaalde rechtspraak en het merendeel van de rechtsleer werd er evenwel (minstens impliciet) van uit gegaan dat het leerstuk van noodtoestand zowel van toepassing is in het geval waarin een hulpverlener kennis krijgt van strafbare feiten waarvan zijn patiënt dader is als die waarvan zijn patiënt slachtoffer is
(11). Mocht het beroepsgeheim niet gelden in het geval waarin de patiënt het slachtoffer van een misdrijf is, wordt gevreesd dat dit mogelijks de vertrouwensrelatie tussen hulpverlener en patiënt zal aantasten nu de patiënt, hoewel slachtoffer, toch niet altijd zal willen dat de hulpverlener zijn beroepsgeheim doorbreekt. Daarom wordt er op gewezen
(12)dat het in elk geval, niet zozeer om strafrechtelijke redenen, maar wel om tuchtrechtelijke redenen, aangewezen dan wel verplicht
(13)is, dat de hulpverlener die zijn beroepsgeheim in het belang van de patiënt-slachtoffer wil doorbreken, die patiënt - in de mate van het mogelijke
(14)- vooraf van dat voornemen inlicht en, wanneer het slachtoffer echt geen aangifte wil doen, de hulpverlener zijn beroepsgeheim slechts doorbreekt wanneer ook aan de voorwaarden voor een andere uitzondering, zoals noodtoestand, is voldaan. De hulpverlener is er immers (tuchtrechtelijk) toe gehouden de vertrouwensrelatie tussen hem en zijn patiënt voorop te stellen en doet hij zulks niet is hij tuchtrechtelijk sanctioneerbaar wegens de tekortkoming aan deontologische verplichtingen zoals de discretieplicht
(15),
(16). Verder is het de hulpverlener enkel toegestaan zijn beroepsgeheim in het belang van zijn patiënt-slachtoffer te doorbreken door de desbetreffende feiten aan de bevoegde gerechtelijke (en eventueel tuchtrechtelijke) overheden te melden en niet aan andere instanties
(17). Ook Uw Hof oordeelt dat hoewel de geneesheer verplicht is om, tenzij daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, te zwijgen over het misdrijf dat zijn patiënte heeft gepleegd en dat hij bij haar behandeling heeft ontdekt, het hem niet verboden is om het gerecht in te lichten over feiten waarvan zijn patiënte zelf het slachtoffer is geworden
(18). Terecht wordt er in de rechtsleer op gewezen dat een hulpverlener zich niet op deze regel kan beroepen wanneer zowel het slachtoffer als de dader zijn patiënt zijn wat vaak het geval zal zijn bij contextuele of gezinsgerichte hulpverlening. In dat geval kan de hulpverlener zijn beroepsgeheim slechts doorbreken wanneer aan de voorwaarden voor een andere rechtvaardigingsgrond zoals noodtoestand is voldaan
(19). 2.3. Met de invoeging
(20)van artikel 458bis in het Strafwetboek werd voorzien in een bijkomende uitzondering op het beroepsgeheim specifiek voor welbepaalde (voornamelijk seksuele) misdrijven gepleegd ten aanzien van minderjarigen en andere kwetsbare personen. Deze toevoeging vond plaats in de nasleep van de zaak Dutroux en was bedoeld zowel voor de hypothese waarin de patiënt slachtoffer is, de hypothese waarin de patiënt dader is en zelfs de hypothese waarin de patiënt een derde, noch slachtoffer noch dader, is
(21). Tijdens de bespreking van een door de regering voorgestelde amendement werd door de minister toegelicht dat het amendement ertoe strekt kindermishandeling op een efficiëntere en op een geïntegreerde manier te benaderen
(22). Door het jurisprudentiële karakter van o.a. de noodtoestand zou het voor de geheimplichtige niet steeds duidelijk zijn of in een concrete situatie de voorwaarden zijn voldaan opdat er sprake zou zijn van een gerechtvaardigde bekendmaking van confidentiële gegevens zodat nu gemakshalve het stilzwijgen wordt bewaard. Door één en ander wettelijk te verankeren, wil de regering aan die bezorgdheden tegemoet komen
(23). Artikel 485bis Sw., vormt aldus de wettelijke grondslag van de noodtoestand, ter bestrijding van kindermishandeling en heeft dus tot gevolg dat indien de erin vermelde voorwaarden zijn vervuld er een wettelijke schulduitsluitingsgrond bestaat en het wederrechtelijk karakter van de bekendmaking komt te vervallen
(24). Ook werd er op gewezen dat het regeringsamendement vooral het sexueel misbruik van minderjarigen binnen het gezin beoogt, met andere woorden de hypothese waarin een hulpverlener zowel de dader als het slachtoffer van een misdrijf als patiënt of cliënt bijstaat, hetgeen doorgaans het geval is bij gezinsgebonden hulpverlening
(25), op zijn minst de hypothese dat een hulpverlener - zo hij de dader en het slachtoffer niet beiden actief behandelt - met zowel de dader als het slachtoffer in aanraking komt wat het geval is als bijvoorbeeld de mishandelende ouder zich met het misbruikte kind bij een hulpverlener aanbiedt, ter behandeling van het kind en niet van de ouder. De hulpverlener die met dader en slachtoffer in aanraking komt, kan zich dus niet zomaar beroepen op de regel dat het beroepsgeheim niet geldt wanneer zijn patiënt het slachtoffer is van een misdrijf (vermits ook de dader zijn patiënt is), tenzij er een noodtoestand voorhanden is. Het regeringsamendement verankert de regel dat in dergelijk geval een noodtoestand voorhanden moet zijn opdat de hulpverlener zijn beroepsgeheim zou kunnen doorbreken, in de wet. Voortbouwende op het voormeld amendement van de regering werd uiteindelijk volgende tekst aangenomen: De in het eerste lid bedoelde personen mogen evenwel een misdrijf, zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 425bis, gepleegd op een minderjarige, en waarvan zij kennis hebben genomen door het slachtoffer te onderzoeken of doordat het slachtoffer hen in vertrouwen heeft genomen, ter kennis brengen van de procureur des Konings op voorwaarde dat er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of de psychische integriteit van de betrokkene en zij die zelf of met hulp van anderen onvoldoende kunnen vrijwaren
(26). De zinsnede en waarvan zij kennis hebben genomen door het slachtoffer te onderzoeken of doordat het slachtoffer hen in vertrouwen heeft genomen werd uitdrukkelijk toegevoegd om verklikking op basis van loutere geruchten tegen te gaan en aldus te vermijden dat het gezin geen hulp zou zoeken. Die toevoeging beoogde dus niet het toepassingsgebied van het artikel te beperken tot gevallen waarin een hulpverlener enkel met het slachtoffer van een misdrijf in aanraking komt. Door die bijkomende voorwaarde te stellen, stelt het artikel zich strenger op dan de leer van noodtoestand (die die vereiste niet stelt). Er werd ook voor geopteerd de exceptie op te nemen in een afzonderlijk artikel van het Strafwetboek, waardoor dus niet wordt getornd aan het basisprincipe. De uitzondering wordt bewust afzonderlijk geregeld voor de vermelde specifieke misdrijven en de bijzondere bescherming hiertegen van de minderjarige slachtoffers
(27). Er werd duidelijk benadrukt dat de rechtspraak en rechtsleer die op dit ogenblik de materie van het beroepsgeheim beheerst, (zoals vervat in artikel 458 van het Strafwetboek) niet wordt aangetast, althans niet in de door het huidig artikel bedoelde omstandigheden. 2.4. In de nasleep van de misbruikzaken in de Kerk werd het toepassingsgebied van artikel 458bis Sw. bij wet van 30 november 2011
(28)uitgebreid tot andere personen dan minderjarigen die zich eveneens in een zwakkere toestand bevinden. De werkingssfeer van het artikel werd ook verruimd tot alle potentiële slachtoffers. De zinsnede en waarvan zij kennis hebben genomen door het slachtoffer te onderzoeken of doordat het slachtoffer hen in vertrouwen heeft genomen werd opnieuw geschrapt, teneinde de uitzondering van artikel 458bis Sw. ook open te stellen voor de kennisname van geheimen die aan de houder van het beroepsgeheim worden onthuld door de dader of door een derde en niet meer uitsluitend door het slachtoffer
(29). Deze wijziging beoogde de uitbreiding van het spreekrecht nu het beroepsgeheim al te vaak een alibi vormde voor het schuldig zwijgen in het bijzonder wanneer het gaat om ontoelaatbare feiten ten aanzien van kinderen of andere kwetsbare personen
(30). 2.5. Artikel 458bis Sw. tast mijns inziens evenwel geenszins de jurisprudentiële regel aan volgens dewelke het beroepsgeheim niet geldt wanneer de patiënt het slachtoffer is van een misdrijf
(31)en doet evenmin afbreuk aan de andere deontologische verplichtingen van de hulpverlener zoals de discretieplicht. De vaststelling dat een zorgverlener in het raam van de uitoefening van zijn beroep kennis neemt van feiten waarvan zijn minderjarige patiënt het slachtoffer zou zijn geworden verhindert dus niet dat deze informatie vertrouwelijk is en onder de bescherming van artikel 485 Sw. valt maar verhindert evenmin dat de zorgverlener deze informatie in het belang van de patiënt kan meedelen aan de gerechtelijke overheid. Die uitzondering wordt gerechtvaardigd in het kader van een goede rechtsbedeling en vermijdt dat de vermoedelijke dader zich kan onttrekken aan vervolging
(32). Er anders over oordelen zou immers tot gevolg hebben dat aan het spreekrecht voor een hulverlener strengere voorwaarden worden opgelegd indien de patiënt het kwetsbaar en minderjarig slachtoffer is van één de misdrijven bedoeld in artikel 458bis Sw. dan wanneer dit niet het geval is. De hulpverlener die een niet kwetsbaar slachtoffer (of een kwetsbaar slachtoffer van een ander misdrijf dan de misdrijven opgesomd in artikel 458bis Sw.) behandelt, kan zijn beroepsgeheim immers steeds doorbreken, ook wanneer niet aan de voorwaarden van noodtoestand is voldaan, terwijl de hulpverlener die een kwetsbaar slachtoffer van een misdrijf in de zin van artikel 458bis Sw. behandelt, zijn beroepsgeheim slechts mag doorbreken wanneer aan de voorwaarden voor noodtoestand is voldaan. Een dergelijke interpretatie druist in tegen de bedoeling van de wetgever die met de invoering van artikel 458bis SW juist een betere bescherming van de kwetsbare slachtoffers van de erin vermelde misdrijven beoogde en heeft willen vermijden dat hulpverleners zich achter hun beroepsgeheim zouden verschuilen om strafbare feiten die tegen die slachtoffers werden gepleegd, niet te melden. De vraag rijst trouwens of deze optie de toets van het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel kan doorstaan en of er een redelijke verantwoording voorhanden is voor de onderscheiden behandeling van enerzijds de hulpverlener die een minderjarige of kwetsbare patiënt in de zin van artikel 458bis Sw. behandelt en die slachtoffer is van één van de misdrijven opgesomd in dat artikel en anderzijds ten eerste, de hulpverlener die een minderjarige of kwetsbare patiënt in de zin van artikel 458bis Sw. behandelt die slachtoffer is van een ander misdrijf dan deze opgesomd in dat artikel en ten tweede, de hulpverlener die een slachtoffer behandelt van één van de misdrijven opgesomd in artikel 458bis Sw. maar die niet als een minderjarige of kwetsbare patiënt in de zin van dat artikel kan worden beschouwd. 2.6. De tuchtoverheid acht de inbreuken in hoofde van eiseres bewezen op grond van de redenering dat er in haren hoofde beroepsgeheim geldt conform artikel 485 Sw. en een mogelijke afwijking hiervan conform artikel 485bis Sw. enkel geldt indien voldaan is aan vier cumulatieve voorwaarden wat te dezen niet het geval is. Meer bepaald oordeelt de tuchtoverheid dat de derde voorwaarde niet vervuld is namelijk dat er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat de persoon slachtoffer zal worden van een misdrijf, minstens dat die subjectief werd ingevuld en eiseres onvoldoende naar alternatieven zocht om hulp te verlenen. De appelrechters die oordelen dat eiseres op basis van artikel 458bis Sw. haar beroepsgeheim heeft geschonden, en daarbij de regel veronachtzamen dat het beroepsgeheim niet van toepassing is wanneer het minderjarig slachtoffer patiënt is van de psycholoog, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het eerste onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _______________________________
(1)Artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog, zoals van toepassing voor de wijziging ervan door artikel 3 koninklijk besluit van 4 juni 2018.
(2)Voormeld artikel 5 werd aangepast bij artikel 3 koninklijk besluit van 4 juni 2018. Het artikel luidt thans: De psycholoog die, uit hoofde van zijn staat of beroep, in het bezit is van geheimen die hem werden toevertrouwd, is gehouden tot beroepsgeheim overeenkomstig artikel 458 Strafwetboek. De psycholoog is, te allen tijde, gehouden tot een discretieplicht, zelfs wanneer de activiteit uitgeoefend door de psycholoog niet behoort tot de categorie van activiteiten die hem verplichten tot het beroepsgeheim. Aldus lijkt het huidige artikel 5 - in tegenstelling tot het voormalige artikel 5, dat van toepassing is in onderhavig geding - de discretieplicht en de naleving van het beroepsgeheim (van artikel 458 Sw.) als twee afzonderlijke beroepsplichten te benaderen.
(3)Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.11, AC 2012, nr. 323, met concl. van eerste advocaat-generaal M. De Swaef.
(4)GwH, 26 september 2013, 127/2013, r.o.B. 3.1.
(5)Daarnaast gelden nog een aantal andere specifieke wettelijke uitzonderingen, die in onderhavige zaak niet van belang zijn en daarom niet worden besproken.
(6)Cass. 13 mei 1987, AR 5728, AC 1987, nr. 535.
(7)Cass. 18 januari 2017, AR P.16.0626.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170118.3 (impliciet), AC 2017, nr. 39; Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.11, AC 2012, nr. 323 met gelijkluidende concl. van eerste advocaat-generaal De Swaef (impliciet); Cass. 24 januari 2007, AC 2007, nr. 45; Cass. 13 november 2001, AC 2001, nr. 613; Cass. 28 april 1999, AC 1999, nr. 245.
(8)Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.11, AC 2012, nr. 323, met concl. van toenmalig eerste advocaat-generaal De Swaef; F. BLOCKX, Beroepsgeheim, Antwerpen, Intersentia, 2014, 366; F. BLOCKX, Medisch beroepsgeheim en strafvervolging: laat de granaat geen boemerang worden, Juristenkrant 2019, 11.
(9)Cass. 9 februari 1988, AR 1121, AC 1988, nr. 346; Uw Hof heeft deze regel sindsdien herhaaldelijk bevestigd, zie onder andere Cass. 31 oktober 2012, AR P.12.0882.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121031.3, AC 2012, nr. 582; Cass. 18 juni 2010, AR D.09.0015.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100618.4, AC 2010, nr. 439; Zie ook F. DEWALLENS en T. VANSWEEVELT, Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, 680-681.
(10)Cass. 31 oktober 2012, AR P.12.0882.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121031.3, AC 2012, nr. 582; Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.11, AC 2012, nr. 323 , met concl. van toenmalig eerste advocaat-generaal De Swaef; Cass. 18 juni 2010, AR D.09.0015.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100618.4 AC 2010, nr. 439. Zie verder o.m. H. NYS, Geneeskunde, recht en medisch handelen, Brussel, Story-Scientia, 2005, 552-553.
(11)Advies NR 4 juli 2015, Eerbiediging van het medisch geheim wanneer de arts verneemt dat zijn patiënt het slachtoffer was van een misdrijf, TNR 2015, afl. 150, www.ordomedic.be; L. BOURDOUX en O. MAZY, Secret profesionnel et police: questions choisies, Rev.dr.pén.crim. 2010, 142; F. DEWALLENS en T. VANSWEEVELT, Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, 675-676; A.-S. VERSWEYVELT, J. PUT, e.a., Beroepsgeheim en hulpverlening, Brugge, die Keure, 2018, 173; T. OPGENHAFFEN, J. PUT en A. TANS, Informatie-uitwisseling tussen artsen en hulpverleners: het beroepsgeheim als splijtzwam of bindmiddel, T. Gez. 2017-18, 17; Zie bv. T. MOREAU, La violation du secret professionnel in Les infractions, Volume 5, Brussel, Larcier, 2012, 711-712; A.-S. VERSWEYVELT en J. PUT, Wegwijzers beroepsgeheim, 4, Meldrechten en meldplichten, Brussel, Departement Welzijn, Volksgezondheid en gezin, 2018, 8.
(12)N. COLETTE-BASECQZ, Noot onder Cass. 18 juni 2010, T. Gez. 2011-12, 121; J.-M. HAUSMAN, Secret professionnel et confidentialité in Droit et déontologie de la profession de psychologue clinicien, Brussel, Bruylant, 2016, 223-224.
(13)F. BLOCKX, Beroepsgeheim, Antwerpen, Intersentia, 2013, 394, nr. 493; F. DEWALLENS en T. VANSWEEVELT, Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, 598; L. HUYBRECHTS, Medisch beroepsgeheim en gevaar voor geweldmisdrijf, NC 2012, 493; L. HUYBRECHTS, Aangifte van misdrijven in A. VANDEPLAS, P. ARNOU en S. VAN OVERBEKE (eds.), Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 2010, nr. 34; R. DIERKENS, Beroepsgeheim en recht, T. Gez., 1987, 264.
(14)In het geval de patiënt-slachtoffer bv. een minderjarige of handelingsonbekwaam is, kan zulks problematisch zijn.
(15)Zie in dat verband artikel 10 koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog, in de versie zoals van toepassing op het geding: indien een wetgeving toestaat bepaalde informatie in afwijking van het beroepsgeheim bekend te maken zonder evenwel de bekendmaking van deze informatie te verplichten, blijft de psycholoog die over dergelijke informatie beschikt onderworpen aan de discretieplicht; Zie ook zoals reeds vermeld onder voetnoot 2 artikel 5 koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog, in zijn actuele versie, krachtens hetwelk de psycholoog die, uit hoofde van zijn staat of beroep, in het bezit is van geheimen die hem werden toevertrouwd, gehouden is tot beroepsgeheim overeenkomstig artikel 458 Strafwetboek. De psycholoog is, te allen tijde, gehouden tot een discretieplicht, zelfs wanneer de activiteit uitgeoefend door de psycholoog niet behoort tot de categorie van activiteiten die hem verplichten tot het beroepsgeheim.
(16)N. COLETTE-BASECQZ, Le secret professionnel face à l'enfance maltraitée, Annales de droit de Louvain 2002, 24-25; T. MOREAU, La violation du secret professionnel in Les infractions, Volume 5, Brussel, Larcier, 2012, 714-715; L. NOUWYNCK, La position des différents intervenants psycho-médico-sociaux face au secret professionnel dans un contexte judiciaire - cadre modifié, principe conforté, Rev.dr.pén.crim. 2012, 607-608; A.-S. VERSWEYVELT, J. PUT, e.a., Beroepsgeheim en hulpverlening, Brugge, die Keure, 2018, 169; A.-S. VERSWEYVELT en J. PUT, Wegwijzers beroepsgeheim, 4, Meldrechten en meldplichten, Brussel, Departement Welzijn, Volksgezondheid en gezin, 2018, 12.
(17)Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.11, AC 2012, nr. 323, met concl. van toenmalig eerste advocaat-generaal De Swaef; H. NYS, Geneeskunde, recht en medisch handelen, Brussel, Story-Scientia, 2005, 552-553.
(18)Cass. 31 oktober 2012, AR P.12.0882.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121031.3, AC 2012, nr. 582.
(19)N. COLETTE-BASECQZ, Le secret professionnel face à l'enfance maltraitée, Annales de droit de Louvain 2002, 25; F. DEWALLENS en T. VANSWEEVELT, Handboek gezondheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, 598; A.-S. VERSWEYVELT, J. PUT, e.a., Beroepsgeheim en hulpverlening, Brugge, die Keure, 2018, 169-170; A.-S. VERSWEYVELT en J. PUT, Wegwijzers beroepsgeheim, 4, Meldrechten en meldplichten, Brussel, Departement Welzijn, Volksgezondheid en gezin, 2018, 12.
(20)Artikel 33 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen : Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artt. 371/1 tot 377, 377quater, 379, 380, 383bis, §§ 1 en 2, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425, 426 en 433quinquies, gepleegd op een minderjarige of op een persoon die kwetsbaar is ten gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, partnergeweld, gebruiken van geweld, gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer", een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen.
(21)Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp van 4 januari 1999 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1998-1999, DOC 1907/1 - 98/99, p. 38: Overigens wordt de aandacht gevestigd op de vereiste inzake de persoonlijke vaststelling van de feiten of persoonlijke vertrouwelijke mededelingen van het slachtoffer zonder tussenpersoon (die de bevoegde diensten in concreto en in geweten moeten beoordelen). Het komt er dus niet op aan verklikking aan te moedigen die gegrond is op geruchten. Zie ook G. GENICOT, L'article 458bis nouveau du Code pénal: le secret médical dans la tourmente, JT 2012, 720.
(22)Wetsontwerp betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen - Evocatieprocedure - Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door Mevrouw Nathalie de t'Serclaes, Parl.St. Senaat, 24 mei 2000, zittingsperiode 1999-2000, DOC 2-280/5, p. 7.
(23)Wetsontwerp betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen - Evocatieprocedure - Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door Mevrouw Nathalie de t'Serclaes, Parl.St. Senaat, 24 mei 2000, zittingsperiode 1999-2000, DOC 2-280/5, p. 21 en 24: De minister antwoordt dat artikel 458 van het Strafwetboek op de eerste plaats geen mogelijkheid laat om te spreken, behalve wanneer de wet het voorschrijft (...) en wanneer de in vertrouwen genomen persoon onder ede getuigenis aflegt voor een rechtbank, een hof of een onderzoeksrechter (maar niet de politie). Voor het overige zijn de uitzonderingen op artikel 458 zuiver creaties van de jurisprudentie. De tekst vormt een officiële bekrachtiging van de jurisprudentie, die immers een evolutief karakter heeft en geen rechtszekerheid biedt. (...) De huidige wet, rechtsleer en jurisprudentie bieden wegens hun dubbelzinnigheid en hun vaagheid onvoldoende houvast zodat men nu gemakshalve het stilzwijgen bewaart.
(24)F. BLOCKX, Beroepsgeheim, Intersentia, 2013, nr. 468.
(25)Wetsontwerp betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen - Evocatieprocedure - Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door Mevrouw Nathalie de t'Serclaes, 24 mei 2000, Parl.St. Senaat, zittingsperiode 1999-2000, DOC 2-280/5, p. 21-26: De minister (...) merkt ook op dat in tegenstelling tot wat er voor een volwassene gebeurt, er geen sprake kan zijn van een vertrouwensrelatie tussen een jong kind, en zijn arts of advocaat. (...) Het arrest-Verlaine (...) is het enige geval waarin de strafrechtbank opgetreden is om de draagwijdte van artikel 458 van het Strafwetboek te beperken, maar die jurisprudentie biedt geen enkele rechtszekerheid. Er bestaat weliswaar een ander arrest van het Hof van Cassatie waarin erkend wordt dat de arts mag spreken indien de patiënt het slachtoffer is van mishandeling. Maar dat berust allemaal op een evoluerende jurisprudentie. Het hoofdprobleem in geval van incest en mishandeling binnen het gezin is bovendien dat de arts die opgeroepen wordt, vaak de arts is die zowel het slachtoffer als de dader behandelt. Het belangrijkste onderscheid tussen het in het ontwerp voorgestelde artikel 458 en de tekst van het regeringsamendement ligt in de strenge voorwaarden die het amendement oplegt aan degene die in vertrouwen is genomen om te mogen praten. Zo wordt het beroepsgeheim beter in acht genomen. (...) Bovendien bestaat het spreekrecht alleen wanneer het om minderjarigen gaat. (...) De desbetreffende minderjarigen die in gevaar verkeren, zijn geen minderjarigen die door een onbekende aangerand worden aangezien in dat geval verslag wordt opgemaakt door een arts en tegelijkertijd klacht wordt ingediend bij de procureur des Konings. Hier worden vooral de minderjarigen beoogd die het slachtoffer zijn van geweld binnen het gezin. Volgens het amendement heeft degene die in vertrouwen is genomen, in dat geval en onder zeer beperkte voorwaarden de mogelijkheid (en niet de verplichting) om de procureur des Konings op de hoogte te stellen. Mevrouw Hirsch merkt op dat sommigen van het amendement een andere lezing zouden kunnen geven dan die van de minister. (...) De minister merkt op dat men de gevallen van misbruik binnen het gezin beoogt, waar de arts tegelijkertijd arts van de seksuele delinquenten en van de seksueel misbruikte persoon is.
(26)Wetsontwerp betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen - Ontwerp geamendeerd door de Senaat, 31 mei 2000, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1999-2000, DOC 50 0695/001, p. 19.
(27)Wetsontwerp betreffende strafrechtelijke bescherming van minderjarigen - Wetvoorstel tot wijziging van artikel 369bis van het Strafwetboek betreffende ontvoering van kinderen - Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer Jo Vandeurzen, 20 oktober 2000, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2000-2001, DOC 50 0695/009, p. 51. Zie verder ook Wetsontwerp betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen - Evocatieprocedure - Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door Mevrouw de t'Serclaes, 10 november 2000, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2000-2001, DOC 2-280/13, p. 3: De noodtoestand voor de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek blijft onverminderd bestaan. De tekst wijzigt niets aan de bestaande situatie van het beroepsgeheim. Hij beoogt enkel het minderjarige kind te beschermen bij specifieke misdrijven die duidelijk omschreven zijn, en dit onder strikt bepaalde voorwaarden, door een spreekrecht in te voeren in een afzonderlijk titel.
(28)Wet van 30 november 2011 tot wijziging van de wetgeving wat de verbetering van de aanpak van sexueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie betreft.
(29)Wetsvoorstel tot wijziging van de wetgeving wat de verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie betreft - Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de dames Valérie Déom en Kristien Van Vaerenbergh, 11 juli 2011, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2010-2011, DOC 53 1639/003.
(30)Zie Parl.St. Kamer 2010-2011, DOC 53-1639/001, p. 8.
(31)Zie ook G. MARLIER, De doorbreking van het beroepsgeheim bij familiale misdrijven, in Marlier G. Familiale misdrijven, Wolters Kluwer, 2016, 318.
(32)Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1936.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.11, AC 2012, nr. 323, met concl. van eerste advocaat-generaal M. De Swaef. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100618.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.11 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121031.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170118.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div