← België

BV BVBA EBENIUS contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.9 Rolnummer: C.19.0350.N Zaak: BV BVBA EBENIUS contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2022-09-28 Raadplegingen: 750 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.9 Fiches 1 - 3 Indien er een reden van onverenigbaarheid bestaat, kan zij enkel de weglating van de advocaat tot gevolg hebben

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Drijven van handel of nijverheid - Onverenigbaarheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 437, eerste lid, 3°, en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Advocaat - Drijven van handel of nijverheid - Onverenigbaarheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 437, eerste lid, 3°, en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Handelsvennootschap - Advocaat - Drijven van handel of nijverheid - Onverenigbaarheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 437, eerste lid, 3°, en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.19.0350.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  1. Feiten en procedure Verweerder deed beroep op meester E. in het kader van een geschil over de terugbetaling van een lening. Meester E. oefende zijn activiteit als advocaat uit in de schoot van eiseres. Wegens niet betaling van de staat van kosten en erelonen ging eiseres over tot dagvaarding van verweerder. De appelrechters stellen vast dat naast het burgerlijk doel, met name de uitoefening van het beroep van advocaat, eiseres ook de uitoefening van handelsactiviteiten tot voorwerp had, zoals de projectontwikkeling voor nieuwbouw en renovatie van gebouwen allerhande, de handel in en het verhuur van onroerend goed en het beheer van residentiële goederen en zij dan ook dient te worden beschouwd als een handelsvennootschap. Gelet op het openbare orde karakter van artikel 437, eerste lid, 3° Ger.W. krachtens hetwelk het beroep van advocaat onverenigbaar is met het drijven van handel of nijverheid, oordelen zij dat de vordering van eiseres steunt op een onrechtmatig belang en zij als niet toelaatbaar moet worden afgewezen. Tegen dit arrest van 1 april 2019 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiseres één middel aan bestaande uit drie onderdelen.
  2. Bespreking De onverenigbaarheden met het beroep van advocaat worden opgesomd in artikel 437, eerste lid Ger.W. Onder de absolute onverenigbaarheden vallen naast het uitoefenen van het beroep van 1° werkend magistraat, griffier of staatsambtenaar, 2° het ambt van notaris of gerechtsdeurwaarder ook 3° het drijven van handel of nijverheid. 2.
  3. Aan de onverenigbaarheid tussen het beroep van advocaat en het drijven van handel lag oorspronkelijk de idee ten grondslag dat dergelijke onverenigbaarheid moet worden aanvaard telkens wanneer een persoon optreedt in het kader van een functie die hem de waardigheid en de eerbaarheid ontneemt die nochtans noodzakelijk is opdat het aanzien van de Orde waartoe hij behoort niet in opspraak zou kunnen komen. Iedere situatie die een vermindering van de beroepswaardering tot gevolg zou kunnen hebben diende vermeden te worden, zelfs zo de toestand op zichzelf niet onwaardig is. Het was voldoende dat die toestand aan de basis van die vermindering van beroepswaardering zou kunnen liggen. Derhalve was iedere vorm van handel of nijverheid voor een advocaat verboden omdat de waardigheid van de Orde zou kunnen worden aangetast indien haar leden in staat van faillissement zouden kunnen worden verklaard of zouden kunnen worden vervolgd wegens bankbreuk
(1). Die onverenigbaarheid die werd overgenomen in artikel 437 Ger.W. strekte er aanvankelijk vooral toe activiteiten te verbieden die de onafhankelijkheid van de advocaat zouden kunnen verminderen of conflicten tussen de beroepsplichten en andere verbintenissen zouden kunnen creëren. Het verbod om handel te drijven werd aldus ingegeven door het gevaar dat de waardigheid loopt ingevolge de risico's verbonden aan dergelijk ondernemen
(2). In lijn hiermee volgt uit de rechtspraak van uw Hof dat de onverenigbaarheid tussen het beroep van advocaat en het drijven van handel niet enkel betrekking heeft op de handel in de enge zin van het woord, maar ook slaat op alle soortgelijke werkzaamheden die uitlopen op een geestesgesteldheid die niet strookt met de geestesgesteldheid die de beroepsethiek van de advocaat moet beheersen
(3). Evenwel wordt door Uw Hof aanvaard dat een eenmalige daad van koophandel niet kan worden bestempeld als het drijven van handel of nijverheid in de zin van artikel 437 Ger.W.
(4). Thans wordt voormelde onverenigbaarheid veeleer dan aan de geest van handel, de aansprakelijkheid van handelaars en het gevaar voor faillissement verbonden aan het gegeven dat het een ander beroep betreft met eigen regels, risico's en geplogenheden en dat de cliënten in hun advocaat een vertrouwensman moeten ontmoeten die uit de behartiging van hun belangen, wat de stijl en de plichten van zijn werkzaamheden bepaalt, zijn beroepsinkomen verwerft
(5). Uw Hof aanvaardt dat advocaten ondernemers zijn die een economische activiteit uitoefenen. Zij bieden tegen beloning diensten aan op het gebied van rechtshulp, bestaande uit het geven van adviezen, het redigeren van contracten en andere stukken en akten alsmede het vertegenwoordigen van de cliënt in rechte, en zij zelf dragen de aan deze dienstverlening verbonden risico's
(6). Het is ook toegelaten dat een advocaat het dagelijks bestuur waarneemt in een professionele vennootschap
(7). 2.2. Het komt aan de Orde toe te waken over de eer en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden
(8). In die zin bepaalt artikel 437, tweede lid Ger.W. dat indien er een reden van onverenigbaarheid bestaat, de weglating van het tableau of van de lijst van de stagiairs wordt uitgesproken door de raad van de Orde, hetzij op verzoek van de advocaat, hetzij ambtshalve en in dit laatste geval volgens de rechtspleging in tuchtzaken. Een toestand van onverenigbaarheid kan dus enkel leiden tot een tuchtprocedure inhoudende de weglating van het tableau of van de lijst van de stagiairs. De regels met betrekking tot onverenigbaarheden hebben immers fundamenteel betrekking op de normering aangaande de onafhankelijke en waardige wijze waarop het advocatenberoep wordt uitgeoefend
(9). Het bestaan van een onverenigbaarheid heeft evenwel niet tot gevolg dat een op zich rechtmatig gestelde rechtshandeling vanuit burgerrechtelijk standpunt wordt aangetast en niet in rechte afdwingbaar is
(10). Met andere woorden en toegepast op de zaak die voorligt volgt uit het vaststellen van een onverenigbaarheid op zich niet dat de rechtsvordering van eiseres, tot uitvoering van een overeenkomst met betrekking tot het betalen van kosten en erelonen van een advocaat die zijn activiteit als advocaat uitoefent in deze onderneming en conform het doel van deze vennootschap, getuigt van een onrechtmatig belang. Het gegeven dat de vennootschap conform de statuten naast het uitoefenen van de activiteit als advocaat ook handel of nijverheid kan drijven staat daaraan niet in de weg. Eiseres voert bijgevolg in het tweede onderdeel terecht aan dat de appelrechters, die vaststellen dat eiseres op grond van haar doel moet worden beschouwd als handelsvennootschap en louter op grond van de onverenigbaarheid met het beroep als advocaat de vordering van eiseres niet toelaatbaar verklaren, hun beslissing niet naar recht verantwoorden. Het tweede onderdeel komt gegrond voor. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _________________________________
(1)Pand. B., v Avocat près les cours d'appel, nrs. 355-356.
(2)Cass. 27 oktober 2005, AR C.04.0129.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.5, AC 2005, nr. 547, met concl. van advocaat-generaal D. Thijs.
(3)Cass. 14 januari 1993, AR 9460, AC 1993, nr. 25.
(4)Cass. 27 oktober 2005, AR C.04.0129.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.5, AC 2005, nr. 547.
(5)J. Stevens en I. Vandevelde, Commentaar bij artikel 437 Ger. W., OGR, aflevering 77, 25 februari 2010, p. 110.
(6)Cass. 22 december 2005, AR C.04.0434.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.10, AC 2005, nr. 691.
(7)De Puydt R., De toegangsvoorwaarden tot het beroep, TPR 2007, 1751.
(8)Cass. 22 december 2005, AR C.04.0434.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.10, AC 2005, nr. 691.
(9)S. Voet, De advocaat en een (eenmalige) daad van koophandel, noot onder Cass. 27 oktober 2005, RW 2005-2006, 1223.
(10)Zie S. Voet, De advocaat en een (eenmalige) daad van koophandel, noot onder Cass. 27 oktober 2005, RW 2005-2006, 1223. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051222.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.