id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.1 Rolnummer: C.20.0201.N Zaak: D. contra Baloise Belgium nv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2022-09-26 Raadplegingen: 825 - laatst gezien 2026-06-19 22:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.1 Fiche 1 De brandverzekering die een mede-eigenaar van een onverdeeld goed in eigen naam heeft gesloten, dekt in de regel slechts zijn aandeel in de eigendom en strekt niet tot voordeel van de overige mede-eigenaars, tenzij uit de verzekering blijkt dat de verzekeringnemer voor hun rekening heeft gehandeld
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Brandverzekering - Mede-eigendom - Derdenbeding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1122 en 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst - 25-06-1992 - Artt. 1, B, a), 22 en 38, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Fiche 2 Uit de omstandigheid dat een mede-eigenaar van een onverdeeld onroerend goed in het kader van een in zijn eigen naam afgesloten brandverzekeringsovereenkomst met betrekking tot het geheel van dit goed, premies betaalt die berekend zijn op de volledige waarde van dit goed, volgt dat de partijen niet alleen dekking voor deze mede-eigenaar hebben bedongen maar ook voor de andere mede-eigenaars
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Brandverzekering - Mede-eigendom - Omvang van de dekking Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1122 en 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst - 25-06-1992 - Artt. 1, B, a), 22 en 38, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Nota: De artikelen 22, 38 en 39 van de wet landverzekeringsovereenkomst voor de opheffing ervan bij wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2022, nr. 9/10, p. 1158-
- - VAN SCHOUBROECK, Caroline; Noot'Verzekering van mede-eigenaars die de brandverzekering niet hebben afgesloten' T.Verz.-Tijdschrift voor verzekeringen (vanaf 1987) - 2023, nr. 1, p. 71-
- - ROGGE, Jean; Noot'Brandverzekering en mede-eigendom: het Hof van Cassatie herziet zijn onbillijke rechtspraak' Tekst van de conclusie C.20.0201.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van beroep te Gent gewezen op 26 september
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het eerste onderdeel. a. Grieven. Door eisers wordt de schending aangevoerd van de artikelen 1, 22, 38 en 39 Wet Landverzekeringsovereenkomst, alsook van de artikelen 1122, 1135 en 1165 Burgerlijk Wetboek. b. Probleemstelling. In onderhavig onderdeel stelt zich het probleem van de werking van een door een verzekeringsnemer gesloten brandverzekering, voor een goed dat in onverdeeldheid is, ten behoeve van een andere deelgenoot die geen contractspartij was bij het sluiten van de brandverzekering. Het gaat er dus om in welke omstandigheden deze derde kan genieten van de gesloten verzekering. Aan de orde zijn dus de artikelen 1165 en 1121 Burgerlijk Wetboek en het artikel 22 Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals in deze van toepassing. c. Beoordeling. Eisers tot cassatie nemen het standpunt in dat de mede-eigenaars die de verzekering zijn aangegaan en het gebouw voor de volledige waarde hebben laten verzekeren, alsook de desbetreffende premie hebben betaald, geen andere bedoeling kunnen hebben gehad om de andere mede-eigenaars, zijnde huidige eisers, van deze verzekering te laten genieten. De rechtsfiguur die aan de orde is in huidig geschil is deze van het beding ten behoeve van derden. Er moet dan ook nagegaan worden of er, in casu, aan de criteria desbetreffend is voldaan. De vertrekbasis is artikel 1165 Burgerlijk Wetboek dat stipuleert dat, in de regel, overeenkomsten enkel gevolgen teweegbrengen tussen de contractspartijen. Deze overeenkomsten kunnen een derde geen nadeel toebrengen, maar enkel tot voordeel strekken in het geval bepaald in artikel 1121 Burgerlijk Wetboek. Dit betreft het beding ten voordele van een derde. In het verzekeringsrecht is het artikel 22 Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals in deze van toepassing, de omzetting voor wat de verzekeringen betreft, van de in artikel 1121 Burgerlijk Wetboek vervatte regel
(1). Daar artikel 22 Wet Landverzekeringsovereenkomst de verzekeringsrechtelijke spiegel is van artikel 1121 Burgerlijk Wetboek is de eerst vermelde bepaling onderworpen aan dezelfde principes, waarbij de kern in het huidig geschil de intentievoorwaarde is. Dus de intentie in hoofde van de partijen om voor een derde een eigen en rechtstreeks recht te scheppen
(2). Het hoger aangehaalde standpunt van eisers steunt, voor wat betreft de intentievoorwaarde, op objectieve elementen zijnde de verzekering van het gehele gebouw en de betaling van de hiermee overeenstemmende premies waaruit het subjectieve element, zijnde de bedoeling van de andere mede-eigenaars/verzekeringsnemers, wordt afgeleid. In uw arrest van 27 september 1974
(3)oordeelde uw Hof dat een derdenbeding niet wordt vermoed en zonder twijfel uit de overeenkomst moet blijken. Het is echter voor de hand liggend dat dit ook impliciet kan zijn. Eén en ander gaat terug op het relativiteitsbeginsel. Overeenkomsten kunnen immers, in principe, zoals blijkt uit het aangehaalde artikel 1165 Burgerlijk Wetboek, enkel gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen
(4). De vraag die zich dan stelt wat met het aspect objectieve elementen, voor de intentievoorwaarde, waar het onderdeel op steunt? Desbetreffend moet onmiddellijk worden onderlijnd dat een zuiver objectieve benadering van de intentievoorwaarde in het Belgisch recht geen steun vindt
(5). Inderdaad, er wordt bij het bepalen of er al dan niet sprake is van een derdenbeding een strikte invulling gehanteerd van de subjectieve wil
(6). In zoverre het onderdeel uitgaat van een objectieve invulling van de intentievoorwaarde faalt het naar recht. In hoofde van de contracterende partijen moet dus de wil aanwezig zijn geweest om voor een derde te bedingen. Dit kan, zoals gezegd, ook impliciet zijn. Bij de verzekeringsnemer zou deze wil kunnen blijken uit het voorwerp van de overeenkomst
(7). Zo zou inderdaad de wil impliciet kunnen afgeleid worden uit het gegeven dat het een verzekeringsovereenkomst betreft voor het gehele onroerend goed en de hiermee overeenstemmende premies. Echter ook de wil van de verzekeraar moet vaststaan. De intentievoorwaarde is inderdaad tweezijdig
(8). Dus ook in hoofde van de verzekeraar moet deze, minstens impliciet, aanwezig zijn. Of er al dan niet sprake is van de aanwezigheid van een subjectieve intentievoorwaarde is een feitenkwestie die door de rechter op onaantastbare wijze wordt beoordeeld
(9). De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verzekeringsnemers op het ogenblik van het aangaan van de overeenkomst aan de verzekeraar niet gemeld hebben dat zij slechts voor de helft eigenaars waren en dat eisers de andere mede-eigenaars waren en deze als derde begunstigden wilden verzekeren; - de verzekeringsnemers de volledige waarde van het gebouw laten verzekeren en de daarmee corresponderende premie betalen; - de verzekeringsnemers door het volledige gebouw te verzekeren geen andere bedoeling hebben gehad dan ook eisers het voordeel van de verzekering te laten genieten; - die wil niet alleen duidelijk en ondubbelzinnig moet bestaan aan de zijde van de verzekerden, maar ook aan de zijde van de verzekeraar; - opdat verweerster stilzwijgend zou hebben ingestemd met de derde begunstiging, zij minstens weet moeten hebben gehad dat de verzekeringsnemers niet de enige eigenaars waren; - niets wijst daarop zodat verweerster niet geacht kan worden daarmee, op het ogenblik van het afsluiten van de polis daarmee te hebben ingestemd; - het feit dat de premie werd aangerekend ter verzekering van het volledige gebouw en de daarmee gepaard gaande risico's doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Met deze overwegingen verantwoorden de appelrechters naar recht hun oordeel om de vordering van eisers af te wijzen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 3. Wat betreft het tweede onderdeel. (...) 4. Wat betreft het derde onderdeel. (...) Conclusie: verwerping. ____________________________
(1)De wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekering in het algemeen voorzag geen zulkdanige regel maar het beding ten voordele van derden werd ook onder de gelding van die wet mogelijk zij het dan op grond van artikel 1121 Burgerlijk Wetboek. (P. ALLARY, Art. 77 Wet Verzekeringen - Beding ten behoeve van derden, in Verzekeringsrecht - Artikelsgewijze commentaar, Kluwer-Wolters, Mechelen, Losbl., p. 13).
(2)P. ALLARY, o.c., p. 8 en N. CARETTE, o.c., p. 291.
(3)Cass. 27 september 1974, AC 1975, 125.
(4)G. HEIRMAN, Verzekering van goederen in mede-eigendom: wanneer zijn mede-eigenaars die de verzekeringsovereenkomst niet onderschreven hebben ook gedekt?, noot onder Cass., RW, 2015-16, p. 980 en N. CARETTE, Derdenbeding, Intersentia, Antwerpen, 2011, p. 25.
(5)G. HEIRMAN, o.c., p. 980 en N. CARETTE, o.c., p. 333.
(6)Waar het Franse Hof van Cassatie in het verleden een objectief derdenbeding genegen was, keert het in de recente rechtspraak terug naar een striktere subjectieve opvatting en dus naar de visie van het Belgische recht (N. CARETTE, o.c., p. 355).
(7)G. HEIRMAN, o.c., p. 981.
(8)G. HEIRMAN, o.c., p. 981 en N. CARETTE, o.c., p. 289.
(9)G. HEIRMAN, o.c., p. 981. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div