← België

BELGISCHE STAAT c. ANTWERPS BEVRACHTINGS- EXPEDITIE EN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.4 Rolnummer: S.19.0022.N Zaak: BELGISCHE STAAT c. ANTWERPS BEVRACHTINGS- EXPEDITIE EN Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-09-26 Raadplegingen: 545 - laatst gezien 2026-06-16 04:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.4 Fiche 1 De Belgische Staat staat in voor de instelling en goede werking van de paritaire comités en subcomités en de verzoeningsbureaus binnen die comités, maar het zijn de vertegenwoordigers van de in die organen vertegenwoordigde werknemers- en werkgeversorganisaties die in de schoot van die organen de beslissingen nemen, zodat die niet aan de Belgische Staat kunnen worden toegerekend

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PARITAIR COMITE Vrije woorden: Instelling - Werking - Beslissingen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Artt. 35, 37, 38, eerste lid, 2°, 39, 40, 44, 46, 47 en 49 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 KB 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités - 06-11-1969 - Artt. 19 en 20 - 01 ELI link Pub nr 1969110606 Fiche 2 De Belgische Staat heeft niet de vereiste hoedanigheid om als verweerder op te treden in vorderingen gericht tegen beslissingen van de paritaire comités, subcomités en de organen opgericht in de schoot van die comités en subcomités
(1).
(1)Zie conl. OM. Thesaurus CAS: PARITAIR COMITE Vrije woorden: Verzoeningsbureau - Vertegenwoordiging in rechte - Belgische Staat Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Artt. 35, 37, 38, eerste lid, 2°, 39, 40, 44, 46, 47 en 49 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 KB 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités - 06-11-1969 - Artt. 19 en 20 - 01 ELI link Pub nr 1969110606 Tekst van de conclusie S.19.0022.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden: 1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Gent, afdeling Gent, gewezen op 5 november 2018. Door eiser worden er twee middelen aangevoerd. 2. Probleemstelling. Aan de basis van huidige procedure ligt een beslissing van het Bestendig Bureau
(1)van het Gewestelijk Paritair Comité van de haven van Antwerpen waarbij toepassing wordt gemaakt van artikel 806 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 december 2004 betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden van de havenarbeiders van het algemeen contingent, genaamd Codex Algemeen Contingent. Dit betreft een niet algemeen verbindend verklaarde cao. Deze beslissing werd genomen ten aanzien van verweerster wegens het niet-naleven van de wettelijke of reglementaire bepalingen die gelden in het Antwerps havengebied. Verweerster diende op grond van deze beslissing een aanvullende bijdrage te betalen van 14.410,74 euro. Zij ging onder voorbehoud tot betaling over. Huidige procedure betreft de terugvordering van dit bedrag. Voor uw Hof stelt zich vooreerst de vraag of de Belgische Staat als tegenpartij kan weerhouden worden. 3. Beoordeling. De opdrachten van de paritaire comités is vastgelegd in de cao-wet. Inzonderheid is dit aan te treffen in artikel 38. De opdrachten zijn de volgende
(2):
  1. collectieve arbeidsovereenkomsten door de vertegenwoordigde organisaties tot stand te doen komen;
  2. geschillen tussen werkgevers en werknemers te voorkomen of bij te leggen;
  3. de Regering, de Nationale Arbeidsraad, de Centrale Raad voor het bedrijfsleven of de bedrijfsraden, op hun verzoek of op eigen initiatief, te adviseren over aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren;
  4. elke andere taak te vervullen die hun door of krachtens de wet is toevertrouwd. Het Bestendig Bureau waarvan hoger sprake situeert zich in de schoot van het Nationaal Paritair Comité voor de Haven van Antwerpen. Het werd opgericht bij, het in deze toepasselijke, koninklijk besluit van 26 november 1968 tot oprichting van een Bestendig Bureau bij het Gewestelijk Paritair Comité voor de haven van Antwerpen, genaamd Nationaal Paritair Comité der Haven van Antwerpen
(3). De opdracht van het Bestendig Bureau is zeer specifiek. Ingevolge artikel 6 van het KB van 1968 is het Bestendig Bureau gelast met de opdracht die voorzien is bij artikel 5, b, van het besluit van de Regent van 15 oktober 1945 waarbij de algemene modaliteiten van de werking der paritaire comités bepaald worden
(4). Het artikel 5, b, stelt dat de paritaire comités aan de minister mogen voorstellen om een vast verzoeningsbureau op te richten dat handelt krachtens de bevoegdheid welke het paritair comité, waarvan het afhangt, er op overdraagt. Die bevoegdheid wordt, luidens de laatste zin van artikel 5, b, bekrachtigd bij het KB dat tot instelling van het verzoeningsbureau overgaat. Dit KB tot instelling legt dus de krijtlijnen van de bevoegdheid van het Bestendig Bureau vast. De overgedragen bevoegdheid is aan te treffen in artikel 6, tweede lid van het KB van 1968. Dit wordt als volgt omschreven: Het Bestendig Bureau zoekt op vraag en in aanwezigheid van de belanghebbenden naar oplossing van alle moeilijkheden die betrekking hebben op de toepassing van de door het Gewestelijk Comité vastgestelde arbeidsvoorwaarden. De bevoegdheid is derhalve zeer specifiek. Het betreft een bemiddelend optreden betreffende de regelgeving inzake arbeidsvoorwaarden die voortvloeien uit de werkzaamheden van het Paritair Comité zelf
(5). Het gaat dus concreet om de eigen regelgeving. Deze beperkte bevoegdheid bleef gehandhaafd tot de opheffing van het KB 2 juni 2015
(6). Ze is inderdaad beperkter dan wat aan te treffen is in artikel 38, 2°, cao-wet. Voor deze laatste bepaling is er geen afgrenzing betreffende de regelgeving die aan de oorsprong ligt van het conflict. Gelet op het voorgaande is het aangewezen om een nadere blik te werpen op de aard van de niet-nageleefde regels die aan de grond liggen van de beslissing. Ingevolge artikel 806 van de Codex verbinden de werkgevers zich ertoe om de wettelijke of reglementaire bepalingen die op sociaal vlak gelden in de haven na te leven. Bij tekortkoming op dit vlak kan, onverminderd de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken, het Bestendig Bureau beslissen dat de werkgever een aanvullende bijdrage dient te betalen. Het betreft een conventionele boete die wordt opgelegd bij overtreding van een collectieve arbeidsovereenkomst
(7). Wat betreft de inbreuken blijkt, uit de stukken waar uw Hof acht op mag slaan, dat deze in te delen zijn in twee soorten. De klachten hebben enerzijds betrekking op het niet-naleven van veiligheidsaspecten en, anderzijds, het niet-respecteren van de wettelijke rusttijden
(8). Wat de eerste type van tekortkoming betreft, gaat het om de minimale samenstelling van de laad- en losploegen van een schip. Te weten het gebruiken van werknemers van een andere beroepscategorie dan vereist onder de codex. Bij de tweede soort gaat het om het overschrijden van de maximale dagelijkse arbeidsduur van de Arbeidswet
(9). De eerste categorie betreft dus regels inzake de, niet algemeen verbindend verklaarde, hoger aangehaalde cao van 6 december 2004. Bij de tweede categorie gaat het hem om de handhaving van de arbeidswet. De inbreuken op deze wet kunnen aanleiding geven tot strafvervolging. Het betreft immers strafrechtelijk beteugelde normen
(10). Hiermede gaat, wat betreft de tweede categorie van feiten, het Bestendig Bureau buiten het aan hem overgedragen, en bij KB vastgesteld, bevoegdheidsdomein betreffende de verzoening. a. Eerste middel. In het eerste middel stelt zich de vraag of eiser de vereiste hoedanigheid heeft om als verweerder op te treden. Inderdaad de vereiste van hoedanigheid, artikel 17 Gerechtelijk Wetboek, stelt zich tevens in hoofde van de verweerder. De paritaire (sub)comités hebben geen rechtspersoonlijkheid. Zij kunnen derhalve niet als eiser of verweerder optreden in het kader van een rechtsgeding. De bestreden beslissing oordeelde dat het Bestendig Bureau een orgaan is van de Belgische Staat met een toegewezen bevoegdheid en dat bij het bestrijden van een beslissing van het paritair comité dit orgaan vertegenwoordigd wordt door de Belgische Staat in de persoon van de minister van Arbeid. De appelrechters oordeelden verder dat het aspect aansprakelijkheid Belgische Staat niet aan de orde is. Het gaat, volgens de appelrechters, enkel over de vraag of de Belgische Staat het Bestendig Bureau in rechte kan vertegenwoordigen. Bij deze beoordeling maakt het betreden arrest abstractie van de concrete inhoud van de genomen beslissing hetgeen, volgens de appelrechters, de grond van de zaak betreft. Het standpunt van het bestreden arrest kan niet onderschreven worden. Inderdaad, op grond van de regelgeving inzake de totstandkoming, de samenstelling en de bevoegdheid van de paritaire comités kan niet besloten worden tot het feit dat het Bestendig Bureau een orgaan is van de Belgische Staat. De bevoegdheid van het vast verzoeningsbureau, zijnde het Bestendig Bureau, vloeit voort uit artikel 38, 2° cao-wet. Het gaat om het voorkomen of bijleggen van geschillen. Dit is een logische verderzetting, en gevolg, van de in artikel 38, 1° cao-wet vervatte bevoegdheid. Het gaat dus terug op het sociaal overleg. Er is inderdaad een nauwe band tussen het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en de verzoenende opdracht van de paritaire comités. De regie, in beide gevallen, is in handen van de sociale partners. Dit werd duidelijk verwoord in het Herenakkoord van 28 maart 2002 waarbij het protocol inzake het regelen van collectieve geschillen, onder andere, voorzag dat: - de goede werking van het sociaal overleg in de eerste plaats onder de verantwoordelijkheid van de sociale gesprekspartners valt; - de paritaire comités een belangrijke schakel vormen in het sociaal overlegsysteem; - de paritaire comités en hun verzoeningsbureau het principe bevestigen van de autonomie van de sociale gesprekspartners om te onderhandelen en cao's te sluiten alsmede om collectieve arbeidsgeschillen te voorkomen en te regelen. Dus bemiddeling en de normale collectieve onderhandelingen tussen sociale partners zijn derhalve niet los van elkaar te zien
(11)
(12). Inderdaad, de procedure voor het verzoeningsbureau betreft een vorm van collectieve sociale bemiddeling waarbij de sociale partners de meester van de situatie zijn. Het zijn zij die zullen trachten het conflict op te lossen
(13). De regelgever heeft, door de cao-wet, zowel voor het overleg als voor de verzoening enkel een institutioneel kader geschapen. Daar waar dit kader oorspronkelijk uit een historische context evolueerde
(14)is het thans de uitvoering van internationaal rechtelijke verplichtingen
(15)of aanbevelingen van internationale instellingen
(16). De principes die aan het overleg ten grondslag liggen zijn aan te treffen in artikel 5 van de cao-wet. Het betreft een overleg tussen één of meer werknemersorganisaties en één of meer werkgeversorganisaties of werkgever(s) waarbij individuele en collectieve betrekkingen tussen werkgevers en werknemers worden vastgesteld en de rechten en plichten van de contracterende partijen worden geregeld. Dit wordt vastgelegd in een akkoord zijnde een collectieve arbeidsovereenkomst. Het is duidelijk dat de overheid hier op geen enkele actieve wijze tussenkomt. Daar de werking van de verzoeningsbureaus, zoals het Bestendig Bureau, gebaseerd zijn op dezelfde principes als deze van de sociale onderhandelingen treden zij volledig onafhankelijk op. De overheid komt niet tussen in het verzoeningsproces bij collectieve arbeidsconflicten, maar zorgt alleen voor een infrastructuur waarbinnen de partijen kunnen zoeken naar een oplossing
(17)
(18). In de uitoefening van het sociaal overleg en het optreden van het verzoeningsbureau treedt het paritair comité op als onderhandelingsorgaan en dus de emanatie van de sociale partners
(19). Zij zijn derhalve niet te beschouwen als een orgaan van de Belgische Staat. Er is tevens geen sprake van enige hiërarchische verhouding tussen de minister van Arbeid en de paritaire comités of de verzoeningsbureaus. Inderdaad, het feit dat in artikel 49 van de cao-wet in het tweede lid bepaalt dat de minister toezicht houdt op de werking van de paritaire comités en subcomités of dat de voorzitter van het paritair comité, en dus ook het verzoeningsbureau, een ambtenaar is van de FOD Werk, zijnde een lid van het Korps van sociaal bemiddelaars
(20), leidt niet tot de conclusie van enig hiërarchisch toezicht van de minister in het kader van het sociaal overleg of het optreden van het verzoeningsbureau. Artikel 40 cao-wet stelt, in het laatste lid, dat de voorzitter en ondervoorzitter in de uitoefening van hun opdracht onder het gezag van de minister staan. De taken van de voorzitter zijn echter van dien aard dat hij, net als wat geldt voor de regelgeving, enkel een kader creëert waarbinnen het sociaal overleg kan plaatsvinden. Zo dient hij na te gaan dat aan de wettelijke voorwaarden om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen voldaan is. Hetgeen in de notulen van de vergadering wordt opgenomen. De voorzitter leidt de vergadering maar is niet stemgerechtigd
(21). Zijn rol is derhalve, althans aangaande de inhoud van het sociaal overleg en de beslissingen van het paritair comité ter zake, en dus ook deze van het verzoeningsbureau, eerder passief
(22). Bij de werkzaamheden van het verzoeningsbureau zijn het de sociale partners die meester zijn van de situatie. De partijen zelf zullen trachten tot een oplossing te komen terwijl de voorzitter zich terughoudend zal opstellen
(23). In het kader van het sociaal overleg zal de voorzitter slechts dan een actieve rol spelen wanneer het paritair comité een beslissing zou willen nemen die manifest onwettig is. Hij dient op dat ogenblik de totstandkoming van de desbetreffende beslissing te verhinderen. Dit kan zijn door het verstrekken van raad, aanvullende adviezen inwinnen of de werkzaamheden van de vergadering schorsen of opheffen
(24). Hetzelfde geldt voor de verzoeningsbureaus. Dit optreden van de voorzitter houdt evenwel niet in dat er gezagsverhouding bestaat tussen het paritair comité en de minister. Het optreden van de voorzitter is vergelijkbaar met wat aan te treffen is in artikel 29 van de cao-wet. Zo er aan de minister een verzoek wordt gericht tot algemeen verbindendverklaring van een cao dan zijn er omstandigheden dat de minister niet op dit verzoek zal ingaan. Dit kan zijn wanneer de cao bijvoorbeeld kennelijk onwettige bepalingen bevat
(25). Het gegeven dat noch de voorzitter, noch de minister zelf inhoudelijk kunnen ingrijpen onderlijnt de onafhankelijkheid van de sociale partners in hun optreden. Het toezicht van de minister rechtstreeks, dan wel onrechtstreeks door het optreden van de voorzitter, beperkt zich tot het gegeven dat de wettelijke omstandigheden gecreëerd zijn om rechtsgeldig te beslissen en het verhinderen van onwettige beslissingen. Het ontbreken van hiërarchisch gezag komt duidelijk naar voor wanneer het gaat om het verhinderen van het nemen van onwettige beslissingen. Dit heeft immers niet plaats door een juridisch ingrijpen, maar wel door een feitelijk handelen
(26). De paritaire comités en de verzoeningsbureaus zijn dan, in de gegeven omstandigheden, niet onderworpen aan enige vorm van hiërarchisch toezicht. Inderdaad, de inhoud van het overleg, alsook de aard en de wijze van het beslissingsproces, in het kader van een paritair comité staan hieraan in de weg. De Belgische Staat heeft dan ook niet de hoedanigheid om als verweerder op te treden voor de beslissingen die genomen werden door het Bestendig Bureau. De appelrechters die er anders over oordelen schenden de in de voorziening aangehaalde bepalingen. Het middel is in zoverre gegrond. b. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie. ______________________________
(1)Het Bestendig Bureau onderscheidt zich van de Administratieve Commissie van de Haven van Antwerpen. De taken van deze laatste kaderen in de wet op de Havenarbeid. De overwegingen van onderhavige conclusie zijn derhalve niet noodzakelijk mutatis mutandis van toepassing voor de Administratieve Commissie.
(2)Een takenpakket dat deels reeds aan te treffen was in artikel 10 van de Besluitwet van 9 juni 1945 tot vaststelling van het statuut der Paritaire Comités.
(3)Voor de opheffing van dit KB bij KB van 2 juni 2015 tot opheffing van het koninklijk besluit van 26 november 1968 tot oprichting van een Bestendig Bureau bij het Gewestelijk Paritair Comité voor de haven van Antwerpen, genaamd Nationaal Paritair Comité der Haven van Antwerpen.
(4)KB opgeheven bij artikel 25 van het KB van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités.
(5)In artikel 805, eerste lid, van de Codex kan men thans een ruimer toepassingsgebied aantreffen.
(6)Artikel 69 van de cao-wet stelt dat de besluiten die genomen werden ter uitvoering van de besluitwet van 9 juni 1945 tot vaststelling van het statuut der paritaire comités van kracht blijven totdat zij worden opgeheven of totdat de geldigheid ervan is verstreken.
(7)J.L. ROMBOUTS, De wijzigende opdrachten van de paritaire comités, in Actuele problemen van het arbeidsrecht 3, p. 198.
(8)Vonnis Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen dd. 20 april 2016, p. 8.
(9)Syntheseconclusie van Het Werkgeversverbond der Belgische Havens, voor het Arbeidshof Gent, afdeling Gent, dd. 14 juni 2018, p. 12 en syntheseconclusies eiser voor het Arbeidshof Gent, afdeling Gent, 15 mei 2018, p. 5.
(10)Voor de inwerkingtreding van het Sociaal Strafwetboek werd dit gehandhaafd door artikel 53 Arbeidswet, daarna artikel 138 Sociaal Strafwetboek.
(11)J. ROMBOUTS, De moderne sociale bemiddeling. Evolutie en voornaamste kenmerken, Arbbl., 1990, p. 25.
(12)Zie desbetreffend het IAO Verdrag nr. 154, artikel 5, 2, (e). Het verdrag inwerking getreden op 11 augustus 1983 en geratificeerd bij wet van 11 juni 1987, B.S. 14 juli 1988.
(13)J. ROMBOUTS, De moderne sociale bemiddeling. Evolutie en voornaamste kenmerken, o.c., p. 28.
(14)Zie voor wat de verzoeningsbureaus betreft J. ROMBOUTS, De moderne sociale bemiddeling. Evolutie en voornaamste kenmerken, o.c., p. 23 en 24.
(15)Zo het IAO verdrag nr. 154 en Het Herziene Europees Sociaal Handvest, inwerking getreden 1 juli 1999, geratificeerd bij wet van 15 maart 2002, BS 10 mei 2004. Artikel 6 van Het Herziene Europees Sociaal Handvest regelt het aspect collectief onderhandelen.
(16)Zo de aanbeveling van de IAO R092 Voluntary Conciliation and Arbitration Recommendation.
(17)P. BRAEKMANS, Inmenging van de rechter in de sociale bemiddeling schendt het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, Or. 2005, p. 219.
(18)Een uitzondering is wanneer er een sociaal bemiddelaar tussenkomt. Dit heeft plaats als alle andere procedures zijn vastgelopen. Uitzonderlijk treedt de minister van Werk als bemiddelende instantie op (J. ROMBOUTS, De moderne sociale bemiddeling. Evolutie en voornaamste kenmerken, o.c., p. 28 en 29).
(19)J. ROMBOUTS, De juridische aard van de paritaire comités, in De paritaire organen met inbegrip van de paritaire comités, Antwerpen, Kluwer, 2005, p. 192 en 196.
(20)H. BLOCKSTEINS, De samenstelling van de paritaire comités, in De paritaire organen met inbegrip van de paritaire comités, Antwerpen, Kluwer, 2005, p. 114.
(21)Art. 47, § 2 cao-wet.
(22)M. RIGAUX, Het paritair overleg binnen en buiten de cao-wet, in De paritaire organen met inbegrip van de paritaire comités, Antwerpen, Kluwer, 2005, p. 18.
(23)J. ROMBOUTS, De moderne sociale bemiddeling. Evolutie en voornaamste kenmerken, o.c., p. 28.
(24)J. ROMBOUTS en H. BOCKSTEINS, De werking van de paritaire comités, in De paritaire organen met inbegrip van de paritaire comités, Antwerpen, Kluwer, 2005, p. 176.
(25)R. BLANPAIN, Schets van het Belgisch arbeidsrecht, Brugge, Die Keure, 1991, p. 318.
(26)Het nalaten om te handelen kan eventueel tot gevolg hebben dat de aansprakelijkheid van de Belgische Staat in het gedrang komt op grond van de artikelen 1382 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.