id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.6 Rolnummer: S.20.0050.N Zaak: PLASTIC OMNIUM AUTO INERGY BELGIUM contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-09-26 Raadplegingen: 524 - laatst gezien 2026-06-16 04:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.6 Fiche In geval van een ontslag om dringende redenen dat niet door de arbeidsrechtbank of het arbeidshof is aanvaard, is de in artikel 10 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs bedoelde vergoeding verschuldigd indien de rechter vaststelt, ofwel, dat de redenen die de werkgever aanvoert voor het ontslag niet vreemd zijn aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur ofwel, indien als reden voor het ontslag de onbekwaamheid wordt aangevoerd van de preventieadviseur om zijn taken als preventieadviseur uit te oefenen, de werkgever die onbekwaamheid niet bewijst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: Preventieadviseur - Beschermingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs - 20-12-2002 - Artt. 3, 4, 10, eerste lid, en 11 - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 12/13, p. 1130-
- - HERMAN, Jan; Noot'Een preventieadviseur aan de kant. Een werkgever bij in het zand' Tekst van de conclusie S.20.0050.N Conclusie van Advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 24 februari
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het tweede onderdeel. a. Probleemstelling. In het huidig onderdeel betreft de problematiek de toepassing van artikel 11 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs. Meer in het bijzonder gaat het over de vraag in welke omstandigheden de preventieadviseur gerechtigd is op de beschermingsvergoeding zo hij ontslagen is geweest om dringende reden. Het arbeidsgerecht erkent die reden echter niet. b. Beoordeling. Ingevolge artikel 3 van de vermelde wet van 2002 kan de werkgever enkel tot ontslag van de preventieadviseur overgaan indien de redenen die aan de grondslag van het ontslag liggen vreemd zijn aan de onafhankelijkheid van de betrokkene of wanneer het ontslag gegrond is op het feit dat hij onbekwaam is om de functie uit toe oefenen. De werkgever is bij het desbetreffende ontslag, volgens hetzelfde artikel gehouden de door de wet voorgeschreven procedures te volgen. Het artikel 4 van de wet van 2002 stelt dat, in de aldaar opgesomde omstandigheden en dus als uitzondering van wat te lezen is in artikel 3, de werkgever niet gehouden is om de voorgeschreven procedures te volgen. Eén van deze omstandigheden is het ontslag om dringende reden. De situaties waarin de werkgever een beschermingsvergoeding aan de preventieadviseur verschuldigd is, alsook de omvang van deze vergoeding is aan te treffen in artikel 10 van de wet van
- De omstandigheden die opgesomd worden in dit artikel hebben betrekking op aspecten van de door de werkgever na te leven procedure en zijn dus voor huidig geschil niet relevant daar het een ontslag om dringende reden betreft. Van belang, in huidige context, is evenwel artikel 11 van de hoger aangehaalde wet. De werkgever ging over tot ontslag om dringende reden, doch het arbeidshof erkent die dringende reden niet. In toepassing van artikel 11 is de werkgever enkel dan een beschermingsvergoeding verschuldigd wanneer het arbeidsgerecht oordeelt dat de redenen van het ontslag betrekking hebben op de onafhankelijkheid van de preventieadviseur of de aangevoerde redenen van onbekwaamheid, die de grondslag vormden voor het ontslag om dringende reden, niet bewezen zijn. Anders geformuleerd, zo het arbeidsgerecht oordeelt dat het ontslag om dringende reden niet kan weerhouden worden - dit oordeel kan gegrond zijn op diverse motieven, bijvoorbeeld omdat de wettelijke termijnen ter zake niet worden nageleefd, de feiten niet zwaarwichtig genoeg zijn om als dringende reden te worden aangenomen - dan dient de rechter, vooraleer er een beschermingsvergoeding kan worden toegekend een tweede toetsing te doen. Deze toetsing heeft twee afzonderlijke invalshoeken waarbij elk op zich reeds voldoende is opdat de vergoeding verschuldigd is. Een eerste mogelijkheid is dat de rechter oordeelt dat de feiten die aan de grondslag lagen van het, niet weerhouden, ontslag om dringende reden betrekking hebben op de onafhankelijkheid van de preventieadviseur. Een tweede mogelijkheid is dat deze feiten, doch die thans betrekking hebben op de onbekwaamheid om opdrachten van de preventieadviseur uit te voeren, niet bewezen zijn. Dus de ingeroepen feiten worden opnieuw beoordeeld doch nu in het licht van de twee omstandigheden, aangehaald in artikel 11, die elk op zich volstaan opdat de vergoeding verschuldigd is. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de beschermingsvergoeding niet verschuldigd is, bij niet-aanvaarding van de dringende reden, wanneer niet het bewijs wordt geleverd van redenen waaruit de onbekwaamheid om de functie van preventieadviseur uit te oefenen blijkt, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt dan ook naar recht. De appelrechters oordelen, op pagina 6 van de bestreden beslissing, dat eiseres niet het bewijs levert dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan één of meerdere feiten die dermate zwaarwichtig zijn dat ze elke verdere samenwerking tussen de partijen definitief onmogelijk heeft gemaakt. Op de bladzijden 6 tot en met 11 van de bestreden beslissing onderzoekt en beoordeelt het arbeidshof de diverse gronden die door eiseres werden aangevoerd in het kader van het ontslag om dringende reden. Op grond van de daar gedane overwegingen en vaststellingen verantwoorden de appelrechters naar recht hun oordeel, op pagina's 13 en 14, dat verweerder gerechtigd is op een beschermingsvergoeding op grond van het niet bewezen zijn van de redenen waaruit zijn onbekwaamheid blijkt om de functie van preventieadviseur verder uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. De appelrechters oordelen niet dat de ingeroepen dringende redenen niet vreemd zijn aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur. Het onderdeel gaat in zoverre uit van een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist feitelijke grondslag.
- Wat betreft het eerste onderdeel. (...) Conclusie: verwerping. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div