id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 april 2021 EC
Art. 203
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 205
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Politierechtbank - Instellen van hoger beroep door een parketjurist - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 162, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Art. 203
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 205
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Uitoefening van de strafvordering - Politierechtbank - Delegatie van bevoegdheden van de korpschef aan een parketjurist - Instellen van hoger beroep - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 162, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Art. 203
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 205
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2021, nr. 428,p.
- - VASSEUR, Roeland; Noot'Parketjurist kan geen hoger beroep aantekenen in strafzaken' Tekst van de conclusie P.21.0006.N Conclusie van advocaat-generaal Bart De Smet Het instellen van hoger beroep tegen een vonnis van de politierechtbank door een parketjurist.
- Besteden beslissing
- Verweerder G. wordt vervolgd wegens dronkenschap achter het stuur en het negeren van een bevel van de politie (inbreuk op artikelen 34 § 2, 35 Wegverkeersreglement en art. 4.1 Wegverkeersreglement).
- De politierechtbank te Limburg, afd. Tongeren, heeft verweerder op 22 oktober 2019 vrijgesproken wegens telastlegging A (inbreuk art. 35 Wegverkeerswet) en tot één straf veroordeeld wegens telastleggingen B en C (inbreuk op artikelen 34, § 2 Wegverkeerswet en 4.
- Wegverkeersreglement). De strafvordering werd uitgeoefend door S., parketjuriste.
- Parketjuriste S. stelde op 29 oktober 2019 hoger beroep in tegen dit vonnis en ondertekende een akte van hoger beroep ter griffie, met als vermelding ‘S., parketjurist'. Op dezelfde datum diende parketjuriste S. een grievenformulier in ter griffie, met als aangekruiste rubrieken ‘Schuld' (tenlastelegging A is wel bewezen) en ‘Straf en/of maatregel' (tenlasteleggingen B & C: onvoldoende beteugeld). Boven haar handtekening is vermeld Voor de Procureur des Konings, parketjuriste. De beklaagde, berecht op tegenspraak, stelde geen hoger beroep in.
- De correctionele rechtbank te Limburg, afdeling Tongeren, heeft op 2 december 2020 het hoger beroep van het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het appelgerecht volgt uit de artikelen 12 Grondwet en 162, § 2 Gerechtelijk Wetboek dat een parketjurist(e) niet bevoegd is om een akte van beroep of een grievenformulier te ondertekenen.
- Middel
- Op 11 december 2020 stelde de Procureur des Konings te Limburg cassatieberoep in tegen dit vonnis, waarbij dit cassatieberoep tijdig aan verweerder werd betekend. In de memorie, tijdig ter kennis gebracht aan verweerder, wordt schending aangevoerd van de artikelen 162, § 2, 3e en 4e lid Gerechtelijk Wetboek, art. 12 Grondwet en artikelen 174, lid 2, 202, 5°, en 203, § 1 Wetboek van Strafvordering.
- Eiser voert aan dat het aantekenen van hoger beroep namens het openbaar ministerie tegen een vonnis van de politierechtbank, met uitzondering van een zaak van onopzettelijke doding, toekomt aan een parketjurist en niet behoort tot de lijst van ‘uitgesloten bevoegdheden' van parketjuristen. Het aantekenen van hoger beroep ter griffie van de politierechtbank behoort tot ‘het uitoefenen van de strafvordering voor de politierechtbank'. Deze bevoegdheid is aan parketjuristen toegekend (art. 162, § 2 Ger. W.). Alleen het aantekenen van hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht (art. 205 Sv.) kan niet aan een parketjurist worden gedelegeerd.
- Beoordeling
- Het openbaar ministerie bestaat niet enkel uit magistraten die door de Koning zijn benoemd. Ook parketjuristen kunnen namens het openbaar ministerie optreden en bepaalde beslissingen nemen. Begin 2000 werden in diverse parketten parketjuristen aangeworven om magistraten bij te staan in de voorbereiding van dossiers (oud art. 156ter Ger. W., ingevoegd door art. 2 Wet 24 maart 1999, BS 7 april 1999, opgeheven door art. 9 Wet 25 april 2007, BS 1 juni 2007 en het thans geldende art. 162 Ger. W., ingevoegd door art. 18 Wet 25 april 2007, BS 1 juni 2007). Parketjuristen zijn doctor, licentiaat of master in de Rechten en zijn aangesteld na een vergelijkend examen georganiseerd door Selor, het Selectiebureau van de Overheid (art. 261 Ger. W.). Zij worden door de Koning benoemd per rechtsgebied van een hof van beroep en ingeschakeld in een parket of auditoraat volgens de behoeften van de dienst (art. 162, § 3 Sv.)
(1). 8. Parketjuristen staan parketmagistraten bij (art. 162, § 1 Ger. W.) en bereiden het werk van parketmagistraten op juridisch vlak voor, onder hun gezag en volgens hun aanwijzingen, met uitsluiting van taken die wettelijk zijn opgedragen aan griffiers en (hoofd)secretarissen van het parket (art. 162 § 2, eerste lid, Ger. W.)
(2). Zij leveren een belangrijke bijdrage in tal van zaken en hun inspanningen verlichten de werkdruk van parketmagistraten. Het aspect ‘juridische bijstand leveren' houdt in strafzaken onder meer in: het opstellen en ondertekenen van kantschriften in het kader van een opsporingsonderzoek
(3), het verzamelen van juridische documentatie en het opstellen van akten of teksten die door een magistraat worden ondertekend, zoals een eindvordering of zittingsnota. Parketjuristen staan onder het gezag en toezicht van de korpschef van het parket waaraan zij worden toegewezen (art. 162, § 2, tweede lid, Ger. W.). De korpschef staat in voor het toewijzen van hun opdrachten (art. 162, § 2, tweede lid, Ger. W.) en kan de toegekende bevoegdheden op elk moment intrekken (art. 162, § 2, laatste lid, Ger. W.), zonder dat de intrekking van opdrachten als een tuchtsanctie kan worden opgevat
(4). 9. Parketjuristen kregen de bevoegdheid om onderzoeksopdrachten te bevelen en te ondertekenen Voor de Procureur des Konings
(5), voor zover er geen arrestatie wordt bevolen. De handtekening van een magistraat is en blijft vereist voor een vordering tot gerechtelijk onderzoek, de eindvordering en de rechtstreekse dagvaarding voor de correctionele rechtbank
(6). Er zijn ook parketjuristen die bijstand verlenen aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en aan de federaal procureur (art. 162 Ger. W.). 10. Oorspronkelijk mochten parketjuristen op geen enkele zitting het woord nemen om overeenkomstig art. 138 Ger. W. toepassing van de strafwet te vorderen. Op initiatief van Minister van Justitie Koen Geens werd het statuut van parketjuristen opgewaardeerd. De Potpourri II Wet van 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016, art. 197) en Potpourri III Wet van 4 mei 2016 (BS 13 mei 2016, art. 38) kennen aan vast benoemde parketjuristen bepaalde bevoegdheden toe die voordien uitsluitend toekwamen aan magistraten
(7). Het gaat onder meer over de uitoefening van de strafvordering in alle zaken voor de politierechtbank, met uitzondering van zaken van onopzettelijke doding ten gevolge van een verkeersongeval (art. 419, tweede lid, Sw.). De wetgever achtte het nodig dat parketjuristen namens de Procureur des Konings deelnemen aan de debatten voor de politierechtbanken, voor de afhandeling van ‘niet-complexe dossiers'
(8). Op die manier zouden magistraten van het openbaar ministerie meer tijd kunnen investeren in de afhandeling van ingewikkelde zaken. Parketjuristen kunnen de strafvordering niet uitoefenen voor de correctionele rechtbanken, wanneer het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechtbank wordt behandeld
(9).
- Aan de delegatie van magistratelijke taken aan parketjuristen zijn bepaalde voorwaarden verbonden. Vooreerst komen niet alle parketjuristen in aanmerking om voor de politierechtbank de strafvordering uit te oefenen. Om namens het openbaar ministerie voor de politierechtbank te vorderen, moet de parketjurist vast benoemd zijn en al twee jaar anciënniteit hebben als jurist binnen de rechterlijke orde. Bijkomend is een aanstelling vereist door de korpschef, bij gemotiveerde en individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal (art. 162, § 2, derde lid, Ger. W.). Verder kan een parketjurist niet over alle facetten van de strafvordering beslissen, gelet op artikelen artikel 162, § 2 Ger. W., lid 3 en 4, luidend als volgt: De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft. Uitgesloten zijn: - de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken; - de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis; - het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.
- Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de overdracht van bepaalde rechterlijke opdrachten aan parketjuristen verenigbaar is met de onafhankelijkheid van magistraten van het openbaar ministerie (art. 151 GW) en met het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM)
(10). 13. Wat het uitoefenen van de strafvordering voor de politierechtbank precies inhoudt, naast het vorderen van toepassing van de strafwet (art. 138 Ger. W.), werd verduidelijkt in Omzendbrief 09/2016, in de herziene versie van 19 oktober 2017, van het College van Procureurs Generaal. De Omzendbrief laat parketjuristen toe, zonder een bewijs van delegatie voor te leggen, zelfstandig en in alle onafhankelijkheid
(11)te vorderen ter terechtzitting van de politierechtbank. Een onderdeel van de strafvordering is volgens de Omzendbrief het instellen van hoger beroep ter griffie van de politierechtbank, overeenkomstig art. 203 Sv.: Gelet op de strikte toepassing van de wet zullen ze niet in hoger beroep kunnen zetelen. Behoudens in geval van een dossier betreffende een onvrijwillige doding, zijn de parketjuristen echter wel gemachtigd hoger beroep aan te tekenen omdat dit recht in het verlengde ligt van het uitoefenen van de strafvordering voor de politierechtbank. Ze zullen daarentegen het hoger beroep van het openbaar ministerie niet kunnen instellen bij het rechtscollege waar beroep kan worden aangetekend (artikel 205 Sv.)
(12). 14. In de rechtsleer wordt eveneens uit artikel 162, § 2 Ger. W. afgeleid dat een parketjurist die gemachtigd is de strafvordering uit te oefenen voor de politierechtbank zelfstandig hoger beroep kan instellen tegen een vonnis van deze rechtbank, door een verklaring ter griffie. Volgens C. De Valkeneer is het instellen van hoger beroep ter griffie van de politierechtbank de voorzetting (le prolongement) van de strafvordering voor de politierechtbank
(13). D. Van Daele stelt, met verwijzing naar vermelde omzendbrief, dat behalve in dossiers van onopzettelijke doding een parketjurist in de hoedanigheid van openbaar ministerie bij de politierechtbank gemachtigd is hoger beroep aan te tekenen tegen vonnissen van deze rechtbank
(14). 15. Mij komt voor dat deze interpretatie over het hoger beroep ter griffie van de politierechtbank (art. 174 en 203, § 1 Sv.) moeilijk verenigbaar is met het legaliteitsbeginsel van artikel 12 G.W. tweede lid, dat bepaalt: Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Hieruit volgt dat de strafrechtspleging wettelijk geregeld en voorspelbaar moet zijn
(15). De vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging houdt volgens uw Hof en het Grondwetttelijk Hof voor elke burger de waarborg in dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld, volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen
(16). 16. In de parlementaire voorbereidingen van de Wetten van 5 februari 2016 (Doc 54-1418) en 4 mei 2016 (Doc 54-1590) is niet vermeld dat het uitoefenen van de strafvordering voor de politierechtbank ook de bevoegdheid omvat om hoger beroep in te stellen ter griffie van deze rechtbank. Art. 1 V.T. Sv. bepaalt dat de rechtsvordering tot toepassing van de straffen alleen kan worden uitgeoefend door de ambtenaren die de wet daarmee belast
(17). Uit art. 162, § 2 Sv. in zijn geheel vloeit voort dat magistraten van het openbaar ministerie de strafvordering uitoefenen, daarvoor verantwoordelijkheid dragen, en parketjuristen de strafvordering alleen voor de politierechtbank kunnen uitoefenen, behalve bij een dodelijk verkeersongeval. Voor de afwijking van de regel dat een magistraat de strafvordering uitoefent lijkt mij een strikte interpretatie nodig
(18). 17. Hoewel parketmagistraten en parketjuristen voor een aantal aspecten van hun ambt aan dezelfde regels zijn onderworpen
(19), blijven er belangrijke verschillen bestaan in hun statuut
(20). Magistraten van het parket hebben de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie (art. 9 Sv.) en genieten voorrecht van rechtsmacht (art. 479 Sv.)
(21). Zij moeten geslaagd zijn voor examens van de Hoge Raad voor de Justitie voor toegang tot de magistratuur en voldoen aan specifieke regels om na voordracht van de Hoge Raad en benoeming door de Koning de eed als magistraat te mogen afleggen (artikelen 151 en 153 GW en art. 194, 259bis9, 259bis10, 259ter Ger. W.)
(22). Voor magistraten gelden afzonderlijke regels voor periodieke evaluatie (art. 259novies en 259decies Ger. W.). Alleen magistraten kunnen beslissingen nemen tijdens nacht- en weekenddiensten
(23)en kunnen aan bepaalde opleidingen deelnemen van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO)
(24). De wetgever beklemtoonde dat de Procureur des Konings als korpschef erop moet toezien dat ‘zwaarwichtige feiten' voor de politierechtbank worden behandeld door een eerste substituut of substituut
(25). 18. Parketjuristen zijn geen magistraat (art. 58bis Ger. W.) en maken deel uit van het gerechtspersoneel niveau A (art. 261, § 1 Ger. W.)
(26). Op de terechtzitting van de politierechtbank kunnen parketjuristen niet alle bevoegdheden uitoefenen die toekomen aan een magistraat. Parketjuristen kunnen geen straf vorderen wegens een zittingsmisdrijf en geen onmiddellijke aanhouding vorderen na de uitspraak
(27). Zij kunnen wel de strafvordering op gang brengen voor de politierechtbank, maar daaraan geen einde stellen door een verruimde minnelijke schikking aan te bieden aan de overtreder (art. 216bis Sv.)
(28). 19. Een ander verschil in statuut is de gezagsstructuur binnen het parket van de Procureur des Konings. Een (eerste) substituut-procureur des Konings is verantwoording verschuldigd aan de Procureur des Konings, in die zin dat hij of zij schriftelijke instructies dient na te leven
(29), en is aan een bepaalde parketafdeling verbonden. Voor overplaatsing naar een andere afdeling dient de Procureur des Konings een gemotiveerde beslissing te nemen, na het horen van de betrokken substituut (art. 151 Ger. W.). Voor een onderzoeksopdracht of aspect van de strafvordering beslist de parketmagistraat alleen. Voor parketjuristen geldt een dubbele hiërarchie. Zij staan onder het gezag en toezicht van de Procureur des Konings en oefenen de hen toegekende bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere magistraten (art. 162, § 2, laatste lid, Ger. W.). In zaken voor de politierechtbank moeten parketjuristen bijgevolg nauw samenwerken met een substituut die aan de afdeling politierechtbank is toegewezen. Parketjuristen moeten de aanwijzingen van parketmagistraten volgen
(30), mondeling of schriftelijk
(31). Men mag aannemen dat voor belangrijke beslissingen de parketjurist overlegt met de parketmagistraat, die daarvoor verantwoordelijkheid opneemt. Op de openbare terechtzitting van de politierechtbank heeft de parketjurist wel de vrijheid een standpunt in eer en geweten in te nemen
(32). Op elk moment kan de Procureur des Konings bevoegdheden onttrekken aan een parketjurist, zonder gemotiveerde beslissing (art. 162, § 2, laatste lid, Ger. W.). 20. Artikel 162, § 2, bepaalt duidelijk dat parketjuristen alleen de strafvordering voor de politierechtbank kunnen uitoefenen. Aan die strafvordering komt een einde zodra de politierechtbank een vonnis velt over schuld en straftoemeting. Een akte van hoger beroep maakt de zaak aanhangig bij de correctionele rechtbank, binnen de perken van deze akte
(33). Vervolgens wordt de bevoegdheid (saisine) van het rechtscollege in hoger beroep afgelijnd door het grievenformulier (art. 204 Sv.)
(34). De daaropvolgende dagvaarding voor de correctionele rechtbank, ondertekend door de Procureur des Konings, heeft alleen de waarde van een oproeping of dagstelling, en kan een nietigheid bij het aantekenen van hoger beroep niet herstellen
(35).
- Voor de correctionele rechtbank, ook als dit rechtscollege kennis neemt van de zaak in hoger beroep, kunnen parketjuristen de strafvordering niet uitoefenen (art. 162, § 2 Sv.). Mij lijkt het instellen van hoger beroep niet zozeer een verlengstuk te zijn van de strafvordering voor de politierechtbank, maar veeleer het begin van de strafvordering voor de correctionele rechtbank. Aan de termen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen (art. 162, § 2 Sv.) een ruime interpretatie toekennen, in die zin dat parketjuristen een verklaring van hoger beroep en een grievenformulier kunnen ondertekenen namens de Procureur des Konings, druist m.i. tegen het legaliteitsbeginsel van art. 12 GW.
- Er is op dit punt enige gelijkenis met het vroegere optreden van politiecommissarissen als vervolgende partij voor de politierechtbanken (oud art. 156 Ger. W., gewijzigd bij Wet van 15 juli 1970)
(36). In de periode 15 augustus 1970 tot 1 januari 1995 konden politiecommissarissen, aangesteld om bijstand te verlenen aan de Procureur des Konings
(37), de strafvordering op gang brengen voor de politierechtbanken en ter terechtzitting toepassing van de strafwet vorderen
(38). Het recht om namens het openbaar ministerie hoger beroep in te stellen tegen een vonnis van de politierechtbank kwam alleen toe aan de Procureur des Konings of één van zijn substituten
(39). Hetzelfde gold voor het indienen van een memorie met cassatiemiddelen
(40).
- Het middel dat aangeeft dat het aantekenen van hoger beroep ter griffie van de politierechtbank ‘valt onder de uitoefening van de strafvordering voor de politierechtbank' faalt aldus naar recht.
- Er zijn geen ambtshalve middelen. Mijn advies is verwerping van het cassatieberoep. _________________________
(1)Zie alg. D. VAN DAELE, De delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, NC 2018, 62-66.
(2)GwH 14 november 2019, arrest 176/2019, www.const-court.be. De wetgever stelde dat de bevoegdheden van parketjuristen hoofdzakelijk van juridische aard zijn en deze van parketsecretarissen hoofdzakelijk van administratieve aard zijn (Parl. St. Kamer, Doc 54-1590/001, p. 37 en 310, www.dekamer.be).
(3)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 377.
(4)Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, 23 oktober 2015, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/001, p. 148, www.dekamer.be; GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.98.2, www.const-court.be.
(5)Omzendbrief 09/2016 van het College van Procureurs-Generaal inzake delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, p. 3, www.om-mp.be.
(6)Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, 23 oktober 2015, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/001, 147-148, www.dekamer.be.
(7)C. DE BUSSCHERE, Commentaar bij art. 162 Ger. W., in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2009, p. 18; S. DEBELLE, Les nouveaux magistrats ou le magistrat: une espèce en voie de disparition?, in La loi pot-pourri II: un recul de civilisation?, Limal, Anthemis, 2016, 21-38; C. DE VALKENEER, La délégation de compétences aux juristes de parquet: la modification de l'article 162 du Code judiciaire, in La Loi pot-pourri II. Un an après, Brussel, Larcier, 2017, 133-145; D. VAN DAELE, De delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, NC 2018, 62-66; J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, 216-218; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 377-378.
(8)Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Verslag Commissie Justitie, 7 december 2015, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/005, p. 144 en Verslag van 8 januari 2016 (tweede lezing), Doc 54-1418/008, p. 44, www.dekamer.be.
(9)Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, 23 oktober 2015, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/001, p. 148, www.dekamer.be.
(10)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.98, www.const-court.be.
(11)Over de onafhankelijkheid van de parketjurist ter terechtzitting, zie Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Verslagen Commissie Justitie, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/005, 44 en Doc 54-1418/008, p. 43-44, www.dekamer.be.
(12)Omzendbrief 09/2016 van het College van Procureurs-Generaal met als opschrift Delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, p. 5, 19 oktober 2017, p. 5, www.om-mp.be en www.jura.be.
(13)C. DE VALKENEER, La délégation de compétences aux juristes de parquet: la modification de l'article 162 du Code judiciaire, in La Loi pot-pourri II. Un an après, Brussel, Larcier, 2017, 140.
(14)D. VAN DAELE, De delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, NC 2018, 65.
(15)M. VERDUSSEN, Contours et enjeux du droit constitutionnel pénal, Bruylant, 1995, 93-98; R. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia, 2004, 43-45.
(16)Cass. 21 oktober 2014, AR P.14.0367.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.2, AC 2014, nr. 626 en Cass. 14 oktober 2014, AR P.14.0507.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.4, AC 2014, nr. 606; GwH, 21 december 2004, nr. 202/2004, B.4.2; GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.94.3, NC 2018, 107 en GwH 21 juni 2018, arrest 76/2018, B.9.4, www.const-court.be .
(17)J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR, Gent, Story-Scientia, 1983, nr. 192; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 22.
(18)C. DE VALKENEER, La délégation de compétences aux juristes de parquet: la modification de l'article 162 du Code judiciaire, in La Loi pot-pourri II. Un an après, Brussel, Larcier, 2017, 140.
(19)Voorbeelden: De eerste voorzitter van het hof van beroep of een aangestelde raadsheer zorgt voor de installatie van substituten en parketjuristen eerste aanleg, met eedaflegging (art. 288 Ger. W.) en de procureur des Konings stelt zowel voor zijn substituten als parketjuristen de tuchtvordering in (artt. 412 § 1, 2°, b, en 412, § 1, 5°, h Ger. W.).
(20)Het Grondwettelijk Hof oordeelde daarover: Het is juist dat de magistraten en de parketjuristen op onderscheiden wijze worden aangeworven en dat zij een verschillend statuut hebben, met name inzake tucht, zodat parketjuristen niet dezelfde waarborg van onafhankelijkheid als de magistraten van het Openbaar Ministerie vertonen (GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.98.1, www.const-court.be, NC 2018, 108). Zie eveneens GwH 14 november 2019, arrest 176/2019, www.const-court.be. Over het eigen statuut van parketmagistraten zie M. VERDUSSEN, Contours et enjeux du droit constitutionnel pénal, Bruylant, 1995, 340-353; P. TAELMAN, Pleidooi voor de spoedige invoering van een werklastmeetinstrument en deeltijdse ambten in de magistratuur, in Hulde aan prof. Dr. Jean Laenens, Intersentia, 2008, 333-336.
(21)Zie alg. J. DE CODT, Vervolging van magistraten, in Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2020, 291-323 (p. 294).
(22)P. TAELMAN, Toegang tot de magistratuur en loopbaan binnen de magistratuur, in Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2020, 167-223 en https://hrj.be/nl/loopbaan-magistratuur/examens.
(23)Omzendbrief 09/2016 van het College van Procureurs-Generaal inzake delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, p. 1 en 6, www.om-mp.be.
(24)S. DEBELLE, Les nouveaux magistrats ou le magistrat: une espèce en voie de disparition?, in La loi pot-pourri II: un recul de civilisation?, Limal, Anthemis, 2016, 26-27; P. TAELMAN, Toegang tot de magistratuur en loopbaan binnen de magistratuur, in Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2020, 199. Zie R. VAN RANSBEECK, De opleiding van magistraten, in Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2020, 263-269.
(25)Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, 23 oktober 2015, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/001, p. 148, www.dekamer.be.
(26)GwH 14 november 2019, arrest 176/2019, B.4.1 en B.13, www.const-court.be Zie ook C. DE BUSSCHERE, Commentaar bij art. 162 Ger. W., in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2009, p. 7.
(27)Omzendbrief 09/2016 van het College van Procureurs-Generaal inzake delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, p. 5, www.om-mp.be.
(28)Omzendbrief 09/2016 van het College van Procureurs-Generaal inzake delegatie van bevoegdheden aan parketjuristen, p. 5, www.om-mp.be.
(29)Op de terechtzitting kan elke parketmagistraat vrij en onafhankelijk zijn of haar mening naar voorbrengen, wat mooi verwoord is door het adagium (la plume est serve, mais la parole est libre, vrij vertaald de pen is slaaf, maar het woord is vrij). Zie over deze mondelinge onafhankelijkheid van de parketmagistraat J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, Gent, APR, 1983, p. 75; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 58.
(30)C. DE BUSSCHERE, Commentaar bij art. 162 Ger. W., in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2009, p. 10.
(31)Omzendbrief 09/16, punt 2 gezag, bepaalt dat parketjuristen instructies van parketmagistraten moeten naleven.
(32)Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Zitting Commissie Justitie van 8 januari 2016, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/008, p. 43 en 44, www.dekamer.be.
(33)Cass. 7 november 2017, AR P.17.0727.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6, AC 2017, nr. 619; GwH 20 november 2019, arrest 185/19, B.9.5; GwH 20 november 2019, arrest 189/19, B.9.5, www.const-court.be; Zie M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 1025; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1225-1243; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 192; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1350-1353 en 1370-1371; F. LUGENTZ, La procédure d'appel, J.T. 2016, 431 en 432; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel & Svacina, 2019, 1415-1416; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 1733 en 1743.
(34)Cass. 1 december 2020, AR P.19.1024.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11, AC 2020, nr. 732, met concl. OM; Cass. 29 mei 2018, AR P.18.0430.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.4, AC 2018, nr. 342, T. Strafr. 2018, 292 noot B. MEGANCK. Zie E. VAN DOOREN en M. ROZIE, Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje, N.C. 2016, 127; S. VAN OVERBEKE, Nieuwe regels over het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak, RW 2017-18, 893; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1495 en 1507.
(35)Cass. 25 januari 2012, AR P.11.1545.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120125.3, AC 2012, nr. 67; Cass. 14 februari 2007, AR P.06.1580.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070214.2, AC 2007, nr. 90; Cass. 1 oktober 1997, AR P.97.0666.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971001.5, AC 1997, nr. 380, JLMB 1998, 224; Cass. 29 januari 1997, AR P.96.1314.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970129.2, AC 1997, nr. 52; Cass. 11 september 1990, AR 3818, AC 1990-91, nr. 15, JT 1991, 702; Cass. 17 maart 1987, AR 925, AC 1986-87, nr. 424; Cass. 26 oktober 1983, AR 2923, AC 1983-84, nr. 116; Cass. 14 april 1975, AC 1975, 887; Cass. 26 februari 1973, AC 1973, 629; Zie J. DE CODT, Des nullités de l'instruction et du jugement, Brussel, Larcier, 2006, 168; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 1733 en 1743.
(36)Zie J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR 1983, p. 281-282; J. D'HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Gent, Story-Scientia, 1985, 91.
(37)Over dit aspect van bijstand, waarbij de politiecommissarissen (net als de parketjuristen nu) stukken ondertekenen voor de Procureur des Konings, zie Cass. 11 maart 1975, AC 1975, 779; Cass. 18 februari 1975, AC 1975, 679. Politiecommissarissen konden destijds naar eigen inzichten en in alle vrijheid hun standpunt naar voorbrengen (zie Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Verslag van 7 december 2015, Parl. St. Kamer, 2015-16, Doc 54-1418/005, p. 144, www.dekamer.be).
(38)J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR 1983, p. 281; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 23.
(39)J. D'HAENENS, Belgisch Strafprocesrecht, Gent, Story-Scientia, 1985, p. 495.
(40)Cass. 11 maart 1975, AC 1975, 779. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210413.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970129.2 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971001.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070214.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120125.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div