id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.4 Rolnummer: D.20.0006.N Zaak: D. contra ORDE DER ARTSEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 668 - laatst gezien 2026-06-18 12:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.4 Fiches 1 - 2 Het hoger beroep wordt gestuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen, zodat een hoger beroep dat niet is verstuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen, niet voldoet aan die voorwaarde, ook al heeft de voorzitter van de provinciale raad kennis gekregen van het hoger beroep
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN Vrije woorden: Arts - Hoger beroep - Te richten aan de voorzitter van de provinciale raad - Niet naleving van deze vereiste - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren - 06-02-1970 - Art. 29 - 32 ELI link Pub nr 1970020608 Thesaurus CAS: ARTS Vrije woorden: Tuchtzaken - Hoger beroep - Te richten aan de voorzitter van de provinciale raad - Niet naleving van deze vereiste - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren - 06-02-1970 - Art. 29 - 32 ELI link Pub nr 1970020608 Fiches 3 - 4 Er is geen onwettige beperking van het recht op toegang tot de rechter, dat deel uitmaakt van het recht op een gerecht of een rechter in de zin van artikel 6.1 EVRM, wanneer een hoger beroep niet wordt toegelaten op basis van een voorzienbare ontvankelijkheidsregel die de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en die de appellant op een hem toerekenbare wijze niet heeft nageleefd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Tuchtzaken - Hoger beroep - Ontvankelijkheidsregel - Beperking van het recht op toegang tot de rechter - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN Vrije woorden: Ontvankelijkheidsregel - Recht op toegang tot de rechter - Beperking - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie D.20.0006.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier.
- Feiten en procedure. Uit de stukken waaruit mag worden acht geslagen blijkt dat aan eiser, na een strafrechtelijke vervolging die leidde tot een eenvoudige schuldigverklaring voor een deel van de tenlasteleggingen, de tuchtsanctie werd opgelegd van schorsing van het recht om de geneeskunde uit te oefenen gedurende een periode van zes maanden. Tegen deze beslissing van 7 februari 2019 van de Provinciale raad van de Orde der artsen tekende eiser in persoon hoger beroep aan. Hij richtte hiertoe een aangetekend schrijven aan de Voorzitter van de orde der artsen, nationale raad. Dit schrijven werd overgemaakt aan de Voorzitter van de Provinciale raad die de bestreden beslissing had gewezen. Deze meldde aan eiser ontvangst van dit aangetekend schrijven en deelde mee dat de beroepsakte en het dossier, overeenkomstig artikel 30 van het koninklijk besluit van 6 februari 1970, werden overgemaakt aan de Raad van beroep van de Orde der artsen. Bij beslissing van 13 januari 2020 verklaarde de Raad van beroep dit hoger beroep evenwel niet ontvankelijk wegens het niet naleven van artikel 29 van voormeld koninklijk besluit krachtens hetwelk het beroep per aangetekende brief wordt verstuurd aan de Voorzitter van de Provinciale raad die de beslissing heeft gewezen en deze regel te dezen werd miskend. Tegen deze beslissing voert eiser één middel aan bestaande uit drie onderdelen.
- Bespreking. 2.
- Met het eerste onderdeel van het enig middel voert eiser een motiveringsgebrek aan. De raad van beroep zou niet hebben geantwoord op het verweer in conclusies dat de voorzitter van de provinciale raad het vertrouwen heeft gewekt dat het hoger beroep bij het juiste orgaan werd aangetekend. Met de reden dat het feit dat er briefwisseling is geweest met de voorzitter van de provinciale raad niets afdoet aan wat hoger is gesteld beantwoorden en verwerpen de appelrechters dit verweer. Het eerste onderdeel mist feitelijke grondslag. 2.
- De Orde der artsen is een publiekrechtelijke rechtspersoon
(1)met opdrachten van algemeen belang
(2), gericht op het beschermen van de volksgezondheid door het bevorderen en het controleren van een goede uitoefening van het artsenberoep. De tuchtopdracht van de Orde der artsen beantwoordt aan dit beginsel. De orde der artsen onderscheidt 10 provinciale raden, twee raden van beroep (één Nederlandstalige en één Franstalige) en één nationale raad. Elk van deze organen heeft onderscheiden bevoegdheden zoals bepaald in het Koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van Artsen. De belangrijkste bevoegdheden van de nationale raad hebben betrekking op de medische deontologie. De nationale raad stelt de Code van geneeskundige plichtenleer op en formuleert adviezen over algemene vragen, beginselvraagstukken of de regelen van geneeskundige plichtenleer. De nationale raad heeft daarenboven tot taak om alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor de verwezenlijking van het doel van de Orde
(3). De disciplinaire bevoegdheden zijn voorbehouden aan de provinciale raden en de raden van beroep. Zij waken over het naleven van de regelen van de geneeskundige plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de artsen. Om deze opdracht te vervullen, kunnen zij tuchtmaatregelen nemen als de artsen fouten maken in de uitoefening van hun beroep of naar aanleiding daarvan. De raden kunnen ook tuchtmaatregelen nemen wegens zware fouten begaan buiten de beroepsbedrijvigheid, wanneer deze fouten de eer of de waardigheid van het beroep aantasten
(4). Het is de provinciale raad op wiens lijst de arts is ingeschreven die ter zake bevoegd is. De raden van beroep nemen op hun beurt kennis van het hoger beroep tegen de beslissingen die zijn genomen door de provinciale raden in het kader van hun tuchtrechtelijke bevoegdheid
(5). De nationale raad komt als dusdanig niet tussen in de tuchtrechtelijke procedures
(6). Zij heeft wel tot taak een repertorium bij te houden van de door de provinciale raden en de raden van beroep in tuchtzaken gewezen beslissingen die niet meer voor beroep vatbaar zijn en zo nodig het aanvullen of nader omschrijven van de Code op basis van die rechtspraak. De organisatie en de werking van deze raden wordt geregeld bij koninklijk besluit van 6 februari 1970. Krachtens het te dezen relevant artikel 29 wordt het beroep tegen de beslissing van de provinciale raad bij een ter post aangetekende brief gestuurd aan de voorzitter van de provinciale raad, die de beslissing heeft gewezen. De voorzitter van de provinciale raad geeft krachtens artikel 30 van voormeld koninklijk besluit onmiddellijk kennis van het beroep, naar gelang van het geval, aan de geneesheer, aan de assessor van de provinciale raad of aan de voorzitter van de nationale raad en stuurt de akte van hoger beroep samen met het dossier aan de bevoegde raad van beroep. De kennisgeving van het hoger beroep aan de voorzitter van de provinciale raad die de bestreden beslissing heeft gewezen houdt verband met de verplichting in hoofde van die voorzitter om alle definitief geworden beslissingen houdende schrapping van de lijst, schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen, alsook weglating van de lijst en beperking van de uitoefening van de geneeskunde, ter kennis te brengen aan de bevoegde provinciale geneeskundige commissie en de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied waar de bevoegde provinciale raad zitting houdt. Deze kennisgeving moet gebeuren binnen de 30 dagen na de datum waarop de maatregel definitief is geworden. Bovendien dienen alle tuchtbeslissingen in laatste aanleg genomen door een provinciale raad of door de raad van beroep ter kennis te worden gebracht van de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort. Dit moet gedaan worden door de voorzitter van de betrokken raad binnen de 30 dagen na de datum waarop de beslissing definitief is geworden
(7). Er werd in het koninklijk besluit uitdrukkelijk voor geopteerd het hoger beroep te doen richten aan de voorzitter van de provinciale raad, die de beslissing heeft gewezen. Op die manier wordt de voorzitter officieel in staat gesteld kennis te nemen van het al dan niet aantekenen van hoger beroep tegen de door zijn raad gewezen beslissing als gevolg waarvan hij hetzij de door het koninklijk besluit voorziene kennisgevingen moet doen, dan wel het dossier met de beroepsakte moet overmaken aan de raad van beroep. De voorzitter van de nationale raad heeft, zoals gezegd, in de tuchtrechtelijke procedure geen enkele bevoegdheid. Hieruit volgt dat een hoger beroep dat niet aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen, werd gestuurd, maar aan een ander niet bevoegd orgaan, niet voldoet aan de door het koninklijk besluit gestelde vereiste, ook al werd de voorzitter van de provinciale raad nadien via een andere weg in kennis gesteld van het bestaan van het aangetekend schrijven waarin melding wordt gemaakt van het aantekenen van hoger beroep. Er anders over oordelen komt geenszins de rechtszekerheid ten goede. Het tweede onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt bijgevolg naar recht. 2.3. Eiser voert echter in het derde onderdeel aan dat dergelijke interpretatie in de gegeven omstandigheden blijk geeft van een excessief formalisme dat niet verenigbaar is met artikel 6.1 EVRM en het hierin vervatte recht op toegang tot de rechter. 2.3.1. Een arts die tuchtrechtelijk vervolgd wordt en die daardoor riskeert te worden geschorst of zelfs te worden geschrapt van de lijst van de Orde, kan een beroep doen op de waarborgen die verleend worden door artikel 6.1 EVRM. Hij heeft derhalve recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige instantie die bij wet is ingesteld. Het EHRM oordeelt dat de raden van beroep aan de gestelde voorwaarden voldoen
(8). In zijn rechtspraak heeft het EHRM aangenomen dat artikel 6.1 EVRM de rechtzoekenden een daadwerkelijk recht op toegang tot de rechter garandeert voor de beslissingen inzake hun rechten en verplichtingen van burgerrechtelijke aard. Het waarborgt dus in eerste instantie het recht op een rechter, waarvan het recht op toegang tot de rechter een essentieel bestanddeel uitmaakt. Dit recht op toegang tot een rechter moet concreet en effectief zijn en dus niet theoretisch en illusoir. Het recht op toegang tot de rechter, ook tot de rechter in hoger beroep, is evenwel niet absoluut. De wetgever kan de toegang tot de rechter regelen en onderwerpen aan impliciet aanvaarde beperkingen omdat het, wegens de aard zelf van dat recht, door de Staat dient gereglementeerd te worden. De aldus uitgewerkte regeling kan variëren in tijd en in ruimte, al naargelang de noden en middelen van de gemeenschap en het individu. Staten beschikken in die zin over een zekere beoordelingsmarge
(9). Deze impliciet aanvaarde beperkingen mogen evenwel de aan een rechtzoekende verleende toegang niet zodanig of zozeer inperken dat zijn recht op een rechtbank in de kern ervan wordt aangetast. Dergelijke beperkingen zijn daarenboven slechts verenigbaar met art. 6.1 EVRM voor zover ze een gewettigd doel nastreven en er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat
(10). Via het bepalen van termijnen en vormen waarin rechtsmiddelen moeten worden ingesteld kunnen beperkingen aan het recht op toegang tot de rechter worden aangebracht. Zij hebben tot doel de goede rechtsbedeling te waarborgen en dienen de rechtszekerheid. Partijen mogen er dus van uitgaan dat deze regels worden toegepast
(11). Artikel 6 EVRM houdt geen dwingende verplichting in voor de Staten om een beroepsinstantie te voorzien. Maar als dergelijke instantie wordt voorzien, moeten de waarborgen van artikel 6 EVRM voor die instantie nageleefd worden en mogen de alsdan voorziene beperkingen de kern zelf van het recht op toegang tot de rechter niet aantasten
(12). De wijze waarop artikel 6 EVRM van toepassing is op beroepsinstanties hangt af van de eigenheden van de beroepsprocedure. Het EHRM heeft meermaals een onevenredige belasting voor het toegangsrecht erkend bij het bestaan van onredelijke procestermijnen of een te rigide toepassing van de verjaringsregel
(13). Het toegangsrecht wordt dan belemmerd indien een excessief formalisme of een te korte termijn om hoger beroep in te stellen er toe leidt dat de facto geen hoger beroep kan worden ingesteld. 2.3.2. Om na te gaan of een procedure in hoger beroep (of op cassatieberoep) artikel 6.1 EVRM heeft nageleefd, houdt het EHRM rekening met de mate waarin de zaak door de lagere instantie(s) is onderzocht, met de vraag of billijkheidsvragen rezen in de beroepsprocedure en met de rol van de instantie die uitspraak doet over het beroep. Om na te gaan of een onrechtmatige, disproportionele, beperking van het recht op toegang tot de rechter bij de toepassing van ontvankelijkheidsvoorwaarden in het kader van rechtsmiddelen voorligt, neemt het EHRM daarenboven drie factoren in aanmerking die, afhankelijk van de zaak en in uiteenlopende mate, in rekening worden gebracht
(14). Dit betreft: - De voorzienbaarheid van de beperking. Ter beoordeling van de vraag of de modaliteiten voor het instellen van het rechtsmiddel voorzienbaar zijn in de ogen van de rechtsonderhorige, voldoet een vaste rechtspraak op nationaal niveau en de coherente toepassing van die rechtspraak aan dit criterium; - De vraag aan wie de procedurele fouten die de toegang tot een rechter die uitspraak ten gronde zal doen hebben belet, uiteindelijk dienen te worden toegerekend. De vraag rijst dan of de betrokkene een excessieve last heeft moeten dragen als gevolg van die fouten. Indien dit de staatsorganen of de rechtsonderhorige betreft komt de last in principe op de schouders van de persoon die de fout heeft begaan. Indien dit beide zijn wordt in het licht van alle omstandigheden van de zaak in zijn geheel nagegaan wie objectief verantwoordelijk is. Hierbij wordt in rekening gebracht (
- i)of de rechtsonderhorige vertegenwoordigd werd en of hij of zijn vertegenwoordiger de vereiste diligentie aan de dag heeft gelegd om de pertinente proceshandelingen te stellen, (
- ii)of de fouten van bij aanvang konden vermeden worden en (iii) of de fouten principieel of objectief toerekenbaar zijn aan de rechtsonderhorige of aan de staatsorganen; - De vraag of de beperkingen het gevolg zijn van een "excessief formalisme", nu dergelijk formalisme de waarborg van een concreet en effectief recht op toegang tot de rechter kan schaden. 2.3.3. In de thans voorliggende zaak lijkt mij geen onrechtmatige beperking van het recht op toegang tot de rechter voor te liggen op basis van de eerste twee criteria. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de wijze om hoger beroep in te stellen voorzienbaar was. Zij stellen vast dat bij de betekening van de beslissing van de Provinciale Raad een verklarende nota was gevoegd waarin expliciet wordt vermeld tot wanneer en op welke wijze hoger beroep kan worden ingesteld en aan wie het moet zijn gericht en waarbij wordt verwezen naar het ter zake van toepassing zijnde wetsartikel. Het is daarenboven vaste rechtspraak van Uw Hof dat het niet volgen van de voorschriften met betrekking tot de persoon of instantie bij wie het beroep moet worden ingesteld leidt tot niet ontvankelijkheid van het hoger beroep
(15). Uit de vaststellingen van de appelrechters volgt tevens dat de procedurele fout die aan de basis van de onontvankelijkheid ligt, toe te schrijven is aan het optreden van eiser zelf. Hoewel hij juiste informatie had gekregen
(16)en hij zonder twijfel beschikte over de feitelijke mogelijkheden om wanneer hij dit wenste een raadsman te consulteren, heeft hij ervoor geopteerd zelf hoger beroep aan te tekenen en heeft hij zich hierbij tot de verkeerde persoon gericht
(17). In die omstandigheden dient, gelet op wat voorafgaat, de last dus in principe op de eiser te rusten. 2.3.4. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt evenwel dat de omstandigheid dat er geen probleem is in het licht van de eerste twee criteria, niet belet dat er nog steeds een onrechtmatige beperking van het recht op toegang op basis van het derde criterium kan zijn op grond van "excessief formalisme"
(18). Bij het beoordelen van wat "excessief formalisme" is, zijn tegengestelde belangen aan de orde, wat aanleiding geeft tot spanningen. Procedureregels zijn enerzijds noodzakelijk om een proces eerlijk te laten verlopen, maar kunnen anderzijds feitelijk de effectieve en praktische uitoefening van het recht op toegang tot de rechter onverantwoord belemmeren
(19). Het naleven van formele procedureregels verzekert wapengelijkheid, beperkt de discretionaire macht en voorkomt willekeur. Het laat ook toe dat een geschil op effectieve wijze en binnen redelijke termijn wordt beslecht. Maar procedureregels kunnen anderzijds feitelijk de effectieve en praktische uitoefening van het recht op toegang tot de rechter onverantwoord belemmeren. Indien de toepassing van de formele procedureregels de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling niet langer dient maar de rechtszoekende verhindert zijn geschil beslecht te zien kan dit formalisme schadelijk en dus excessief zijn. Bij de toepassing van deze derde toetssteen beklemtoont het EHRM het belang van "rechtszekerheid" en de "goede rechtsbedeling" als twee centrale elementen om de scheidingslijn te trekken tussen excessief formalisme en een aanvaardbare toepassing van procedurele formaliteiten. Met name oordeelt het Hof dat het recht op toegang tot de rechter in zijn substantie/kern wordt aangetast wanneer de reglementering niet langer zijn doel van rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling dient en een drempel uitmaakt die de rechtshorige verhindert zijn zaak ten gronde te laten beslechten door de bevoegde rechter
(20). "Excessief formalisme" dat de waarborg op een "concreet en effectief" recht van toegang tot de rechter kan schaden, kan aldus voortvloeien uit een bijzonder strikte interpretatie van een procedurele regel die het onderzoek van de vordering ten gronde verhindert. Het EHRM onderzoekt daarbij in principe de zaak in zijn geheel, en rekening houdend met de bijzondere omstandigheden ervan. Een analyse van recente rechtspraak van het EHRM toont toch aan dat er, in het kader van de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel, in de regel slechts een schending wegens excessief formalisme wordt aanvaard als de reden van niet-ontvankelijkheid niet voorzienbaar was, wat impliceert dat de betrokkene zich niet bewust kon zijn van de niet-ontvankelijkheid van zijn rechtsmiddel en/of de last op de schouders van de betrokkene wordt gelegd terwijl de doorslaggevende procedurele tekortkoming(en) (ook) door de staatsorganen werden begaan. Slechts uitzonderlijk lijkt er sprake van excessief formalisme als niet aan die voorwaarden werd voldaan. Dat is het geval als het rechtsmiddel op zich correct werd ingeleid, maar er een formele vergetelheid of onnauwkeurigheid is in de formulering van de grieven terwijl de instantie die van het beroep moet kennis nemen manifest weet dat er grieven zijn en welke die grieven zijn. Het is eveneens het geval als de betrokkene voldoende inspanningen heeft geleverd om de tekortkoming recht te zetten of om aan te tonen dat de tekortkoming onvermijdelijk was, maar dat dit op een onredelijke wijze werd geweigerd
(21). Hieruit volgt dat er geen onwettige beperking van het recht op toegang tot de rechter is wanneer een hoger beroep niet wordt toegelaten op basis van een voorzienbare regel van ontvankelijkheid die de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en die de rechtzoekende op een hem toerekenbare wijze niet heeft nageleefd. 2.3.5. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat in de zaak die te dezen voorligt aan geen van de criteria is voldaan om te kunnen spreken van "excessief formalisme". De termijn en de vorm om hoger beroep aan te tekenen getuigen op zich niet van onevenredig formalisme. Zoals eerder vermeld heeft de vereiste om het hoger beroep ter kennis te brengen aan de voorzitter van de provinciale raad die de bestreden beslissing heeft gewezen een legitiem doel en kadert zij in een streven naar goede rechtsbedeling. Maar ook blijkt dat eiser via de verklarende nota bij de kennisgeving van de disciplinaire sanctie de correcte informatie kreeg over de termijn waarin, de wijze waarop en de instantie aan wie het hoger beroep moest worden gericht
(22). Hoewel hij daartoe de middelen had, heeft hij geen bijstand van een advocaat gevraagd om het beroep in te stellen. Evenmin heeft hij stappen gezet om de door hem begane fout tijdig recht te zetten. Gelet op wat voorafgaat hebben de appelrechters met de redenen die de beslissing bevat hun beslissing om het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren naar recht verantwoord. Het derde onderdeel kan bijgevolg niet worden aangenomen Conclusie: verwerping. _____________________________
(1)Artikel 1 KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van Artsen.
(2)T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Intersentia, 2014, 536.
(3)T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Intersentia, 2014, 544.
(4)T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS (eds.), Handboek gezondheidsrecht, Intersentia, 2014, 548 en 559.
(5)Artikel 13, eerste lid KB nr. 79.
(6)E. ANKAERT, Rechtshandhaving en medische beroepsuitoefening, Die Keure, 2012, 127.
(7)Zie artikel 27, § 2 KB nr. 79 en artikel 35 KB 6 februari 1970.
(8)EHRM 23 juni 1981, Le Compte, Van Leuven & Demeyere.
(9)EHRM 9 september 2014, Gajtani/ Zwitserland; EHRM 31 januari 2012, Assunçao Chaves / Portugal.
(10)EHRM 5 maart 2013, Chapman / België; EHRM 31 januari 2012, Assunçao Chaves / Portugal.
(11)EHRM 24 april 2008, Kemp/Luxemburg.
(12)B. VANLERBERGHE en S. RUTTEN, De toegankelijkheid van de rechtsmiddelen. Over de redelijke toepassing van vorm- en termijnvereisten, in J. Van Doninck e.a. (eds.) Civiel procesrecht vandaag en morgen, Intersentia 2013, p. 19.
(13)H. VANDENBERGHE, De toegang tot de rechter (artikel 6, § 1 EVRM), Kernbegrip van de rechtsstaat, in Semper perseverans, Liber amicorum André Alen, Intersentia, 2020, 834 met verwijzing naar de rechtspraak aldaar.
(14)EHRM 31 maart 2020, Dos Santos Calado e.a. t/ Portugal; EHRM 5 april 2018, Zubac t/ Kroatië.
(15)Cass. 22 april 1999, AR D.98.0012.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990422.8, AC 1999, nr. 235; Cass. 3 december 1992, AR 9474, AC 1991-92, nr. 767; Cass. 9 november 1992, AR 9508, AC 1991-92, nr. 722; vgl. met Cass. 11 juni 1982, AR 3068-3291-3441, AC 1981-82, nr. 605; Cass. 26 november 1981, AR 6387, AC 1981-82, nr. 205; Cass. 21 september 1970, AC 1971, 62.
(16)Zie p. 3, vierde paragraaf en p. 4, derde gedachtestreepje van de bestreden beslissing.
(17)Zie p. 1, nr. 1, derde paragraaf van de bestreden beslissing.
(18)Zie EHRM 31 maart 2020, Dos Santos Calado e.a. t/ Portugal.
(19)H. VANDENBERGHE, De toegang tot de rechter (artikel 6, § 1 EVRM), Kernbegrip van de rechtsstaat, in Semper perseverans, Liber amicorum André Alen, Intersentia, 2020, 834.
(20)EHRM 26 mei 2020, Gil Sanjuan t/ Spanje; EHRM, 5 april 2018, Zubac t/ Kroatië.
(21)* EHRM 26 mei 2020 Gil Sanjuan t/ Spanje: Inzake de ontvankelijkheidsvoorwaarden van het cassatie beroep werd retroactief toepassing gemaakt van rechtspraak die niet consistent was met de rechtspraak van toepassing op het moment van het instellen van het (cassatie)beroep wat niet voorzienbaar was voor de rechtszoekende en zonder dat deze afdoende in de mogelijkheid werd gesteld om de toestand te regulariseren. Bovendien bleek niet dat evenmin voldaan was aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden volgens de rechtspraak bestaande op het moment van het instellen van het (cassatie)beroep, daarbij in acht genomen het feit dat de zaak slechts door één instantie met volle rechtsmacht werd behandeld en dat de betrokkene in haar beroep grieven inzake het recht op een eerlijk proces formuleerde. Tenslotte bleek dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden met betrekking tot het voorbereidend bezwaarschrift, waarin de intentie wordt uitgedrukt om cassatieberoep in te stellen (escrito de preparación, notice of appeal), in principe werden vervuld in het neergelegde cassatieberoep (recurso de casación, appeal on points of law). * EHRM 6 september 2018, Buvač t/ Kroatië : Het is op zich niet strijdig met het recht op toegang tot de rechter voor een vordering tot schadevergoeding wegens publicatie van foutieve informatie te vereisen dat de uitgever eerst verzocht wordt de informatie te verbeteren. Er is evenwel sprake van excessief formalisme als, in het geval de advocaat van de betrokkene het verzoek tot verbetering heeft geformuleerd, vereist wordt dat een schriftelijke volmacht wordt voorgelegd die bewijst dat de advocaat gemachtigd was de uitgever tot verbetering te verzoeken alvorens de vordering tot schadevergoeding toe te laten, zeker wanneer het civiele procesrecht de voorlegging van dergelijke volmacht niet vereist in procedures voor de rechtbank en gegeven het feit dat de betrokkene voor de eerste rechter mondeling had verklaard dat hij zijn advocaat had gemachtigd om voor hem op te treden. * Vereiste van neerlegging van een kopie van de beroepsakte: het EHRM besluit in verschillende zaken waarvan de omstandigheden (detentie, geen rechtsbijstand) en het toepasselijke wettelijke kader gelijkaardig zijn tot een schending van het recht op toegang tot de rechter omwille van het feit dat de rechtszoekende niet in kennis was gesteld van deze wettelijke vereiste en betrokkene inspanningen deed om kopieën over te maken, zij het dat die dan niet geheel overeenstemden met het origineel (zie EHRM 4 april 2019, Adamkowski t/ Polen); In gelijkaardige gevallen waar wel mededeling gebeurde van de wettelijke vereiste, waarvan het EHRM aanvaardt dat het een legitiem doel heeft, namelijk de goede rechtsbedeling, maar de rechtszoekende geen poging deed om zelfs maar een handgeschreven kopie neer te leggen en dus niet de diligentie vertoonde die kan verwacht worden van een partij in een burgerlijke procedure besluit het EHRM dat er geen schending van het recht op toegang tot de rechter is; In het licht van alle omstandigheden van de zaak was er een redelijke verhouding van proportionaliteit tussen dat legitiem doel en de middelen gebruikt om het te bereiken (zie EHRM 4 april 2019, Kunert t/ Polen). * EHRM 13 juli 2017, Shuli t/ Griekenland : Vermelding van de gronden van het beroep: op zich genomen heeft het vereiste de redenen van het beroep te vermelden een legitiem doel. Evenwel is er sprake van excessief formalisme in volgende omstandigheden: - er wordt gebruik gemaakt van voorgedrukte beroepsformulieren die door de griffie worden ter beschikking gesteld en waaruit niet blijkt dat de redenen van het beroep expliciet moeten worden vermeld, maar eerder dat het voldoende is als de redenen bij de behandeling van de zaak zullen worden gegeven (het formulier vermeldt: ...(he) APPEALS ... requesting that the decision under appeal be set aside and that he be acquitted from the charge for the reasons he will cite before the Court of Appeal), - de betrokkene maakte gebruik van de mogelijkheid om beroep in te stellen zonder de bijstand van een advocaat, - de betrokkene was aan de handen geboeid tijdens het instellen van het beroep, - in principe volstaat de algemene vermelding dat wordt geklaagd over verkeerde beoordeling van de feiten of het bewijs, - de betrokkene had geen reden om het formulier binnen de termijn van 10 dagen te vervolledigen aangezien hij dacht dat zijn beroep correct was ingesteld aangezien hij het formulier van de griffie had gebruikt en de griffier geen opmerkingen formuleerde, - de gevolgen voor de betrokkene waren erg verregaand aangezien hij veroordeeld werd tot een opsluiting van 22 jaar, - de betrokkene kreeg geen nieuwe deadline om de redenen te vervolledigen. * EHRM 8 december 2016, FRIDA, LLC t/ Oekraïne: het verzoek tot verlenging van de termijn voor een beroepsprocedure: in een wettelijke context waarin het mogelijk is bij de instelling van beroep, hetzij in de tekst van de beroepsakte, hetzij in een bijlage bij de beroepsakte, om een verlenging van de beroepstermijn te verzoeken, is er excessief formalisme wanneer in een begeleidende brief bij de beroepsakte om verlenging van de termijn wordt verzocht, maar dat dit door de rechters niet in overweging wordt genomen en het beroep wegens laattijdigheid onontvankelijk wordt verklaard omdat die brief niet als "procedureverzoek" getiteld was, terwijl de brief voor het overige de zaak identificeerde, alleen betrekking had op de problematiek van de termijn, er werd uiteengezet waarom de deadline niet werd gehaald, een verzoek bevatte de termijn te verlengen en het beroep aan te nemen, er een lijst van bijlagen was opgenomen en de brief gestempeld en ondertekend was door de advocaat, zodat de brief aan alle elementen voldeed die typisch zijn voor een verzoek om de termijn te verlengen.
(22)Zie ook Cass. 7 september 2018, AR C.17.0711.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.5, AC 2018, nr. 452 met concl. OM; Cass. 29 januari 2016, AR C.14.0006.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3, AC 2016, nr. 67 waarin uw Hof oordeelt dat, in het kader van het niet aantasten in de kern van het recht op een rechter, het van belang is de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden met inbegrip van de termijnen ervan duidelijk vast te stellen en op de meest expliciet mogelijke wijze ter kennis te brengen van de rechtszoekenden opdat zij er van kunnen gebruikmaken overeenkomstig de wet. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990422.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div