id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210430.1N.3 Rolnummer: F.19.0133.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra F. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-08-20 Raadplegingen: 1106 - laatst gezien 2026-06-18 23:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210430.1N.3 Fiche 1 Inzake inkomstenbelastingen ontstaat de belastingschuld definitief op het tijdstip waarop de periode wordt afgesloten waarin de inkomsten zijn verkregen die de belastbare grondslag vormen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Belastingschuld - Definitief ontstaan - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 360 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Het uitvoerbaar verklaarde kohier kan in de regel slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de bij name in dat kohier vermelde belastingschuldige of belastingschuldigen; de tenuitvoerlegging van het kohier tegen andere personen is slechts mogelijk wanneer zulks voortvloeit uit het systeem van de wet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering Vrije woorden: Uitvoerbaar verklaard kohier - Tenuitvoerlegging Fiches 3 - 4 Uit de artikelen 204 en 209 Wetboek van Vennootschappen volgt dat de vennoten onder firma die hun deelneming hebben overgedragen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn ontstaan; dit geldt eveneens voor de belastingschuld die ontstaan is voor de overdracht van de aandelen, zodat een ingekohierde aanslag die betrekking heeft op het inkomstenjaar dat voorafgaat aan de overdracht van de aandelen kan worden ten uitvoer gelegd op het vermogen van de vennoot die zijn aandelen heeft overgedragen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen onder firma Vrije woorden: Vennoten - Hoofdelijke aansprakelijkheid - Belastingschuld van de vennootschap - Ontstaan voor aandelenoverdracht Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Artt. 204 en 209 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Vrije woorden: Vennootschappen - Handelsvennootschappen - Vennootschappen onder firma - Vennoten - Aandelenoverdracht - Aansprakelijkheid - Belastingschuld van de vennootschap - Tijdstip - Ontstaan voor de aandelenoverdrachten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Artt. 204 en 209 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de conclusie F.19.0133.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. Verweerder was vennoot in de VOF LAGET-SARFRAZ, die op 6 mei 1997 werd opgericht met als maatschappelijk doel de groot- en kleinhandel in textiel, kleding, lederwaren, schoeisel en accessoires. Op 6 oktober 2003 werd in hoofde van de VOF, bij gebrek aan fiscale aangifte, een ambtshalve aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd met betrekking tot aanslagjaar
- Het kohier met artikelnummer 833601271 ten bedrage van 310.381,38 EUR werd uitvoerbaar verklaard op 6 oktober 2003 en verzonden op 13 oktober
- De VOF werd failliet verklaard bij vonnis van 19 april
- Op het ogenblik van het faillissement bestonden lastens de VOF belastingschulden/administratieve boeten voor de aanslagjaren 2000, 2002, 2003 en
- Eiser achtte verweerder, die vennoot was van 16 augustus 2001 tot 1 februari 2003 aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2002, en liet op 27 februari 2008 een dwangbevel betekenen tot betaling van de nog openstaande belastingschulden van de VOF. Het verzet tegen de navolgend door eiser getroffen uitvoeringsmaatregelen leidde tot een vonnis dd. 19 september 2016 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. De eerste rechter oordeelde dat verweerder niet gehouden is tot betaling van de hiervoor genoemde fiscale schulden/boeten gevestigd ten laste van de VOF voor de aanslagjaren 2000, 2002, 2003 en
- Daarbij overwoog zij m.b.t. de fiscale schuld betreffende het aanslagjaar 2002 dat, ofschoon de fiscale schuld latent ontstaat bij het afsluiten van het boekjaar, de belasting slechts definitief verschuldigd en opeisbaar wordt ingevolge de inkohiering ervan binnen de wettelijk bepaalde termijn. Het standpunt van eiser dat de inkohiering slechts de formalisatie vormt van het belastbaar feit dat tot stand komt na de afloop van het boekjaar, werd verworpen. Volgens de eerste rechter is de inkohiering een essentieel element voor de totstandkoming van een opeisbare belastingschuld. Eiser kreeg pas een opeisbare vordering lastens de VOF op 6 oktober 2003 en op dat moment was verweerder op tegenstelbare wijze geen vennoot meer van de VOF. Ook de andere fiscale vorderingen betreffende de aanslagjaren 2000, 2003 en 2004 waren volgens de eerste rechter niet opeisbaar in de periode dat verweerder vennoot was van de VOF. Eiser richtte zich daarop tot het hof van beroep te Gent teneinde het bestreden vonnis hervormd te zien daar waar het stelt dat verweerder niet hoofdelijk aansprakelijk is, derhalve niet gehouden is, tot betaling van de schuld aan vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2002, en de boete voor het aanslagjaar
- Bij arrest van 15 mei 2018 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep van eiser ontvankelijk maar ongegrond en bevestigde het eerste vonnis in al zijn beschikkingen. Tegen dat arrest komt eiser op met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. 2.
- Eiser voert aan dat de voorliggende rechtsvraag niet is of de inkohiering al dan niet een essentieel element is voor het tot stand komen van een opeisbare belastingschuld, maar wel of het bestaan van een opeisbare titel vereist is voor het effectief gehouden zijn van een vennoot tot de belastingschuld van de vennootschap die betrekking heeft op een belastbaar tijdperk waarin die vennoot op grond van de wet hoofdelijk gehouden was. De appelrechter oordeelt dat verweerder niet gehouden is tot betaling van de vennootschapsschuld voor het aanslagjaar 2002 van de VOF op de enkele grond dat eiser pas over een opeisbare belastingschuld beschikte nadat verweerder zijn aandelen in de VOF had overgedragen en die overdracht was gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, terwijl nochtans vaststaat dat de betrokken belastingschuld betrekking heeft op inkomsten en winsten verkregen in een belastbaar tijdperk waarin en bij afloop waarvan verweerder hoofdelijk gehouden vennoot was in die VOF. Door aldus te beslissen, miskent de appelrechter volgens eiser de artikelen 204 van het Wetboek van Vennootschappen en artikel 393, inzonderheid tweede lid, WIB92, alsook de artikelen 201, 203 en 209 van het Wetboek van Vennootschappen, 298, § 1, 351, 359 en 360, WIB92, 132, 133, 136, 200, 201 en 204 van het KB/WIB 1992 en 1200 van het Burgerlijk Wetboek. 2.
- In een arrest van 14 maart 2008 oordeelde Uw Hof dat inzake inkomstenbelastingen de belastingschuld definitief ontstaat op het tijdstip waarop de periode wordt afgesloten waarin de inkomsten zijn verkregen die de belastbare grondslag vormen
(1). In verband met de invordering van de belasting die betrekking heeft op tijdens het huwelijk verkregen inkomsten, oordeelde Uw Hof in een arrest van 15 september 2000 dat ingevolge het oude artikel 295, § 1, WIB64 de belasting kan worden ingevorderd ten laste van de andere echtgenoot dan degene op wiens naam de belasting is vastgesteld, voor zover evenwel de belasting betrekking heeft op tijdens het huwelijk verkregen inkomsten, en dat het niet ter zake doet of de inkohiering voor tijdens het huwelijk verkregen inkomsten gedaan wordt nadat de echtscheiding is overgeschreven, “dat die belastingschuld immers niet ontstaat door de inkohiering”
(2). De voormelde arresten dd. 15 september 2000 en 14 maart 2008 laten m.i. toe in voorliggend geval aan te nemen dat inzake inkomstenbelastingen het definitief ontstaan van de belastingschuld zich situeert op het einde van het belastbaar tijdperk en dat er nog geen sprake moet zijn van een opeisbare schuldvordering, om te kunnen besluiten tot de gehoudenheid van de vennoten van de VOF. 2.3. Krachtens artikel 133 KB/WIB92 worden de aanslagen op naam van de betrokken belastingschuldigen ten kohiere gebracht. Het opmaken en uitvoerbaar maken van het kohier is een eenzijdige rechtshandeling, gematerialiseerd door een authentieke akte, waarbij het bestuur het bestaan vaststelt van een bepaalde fiscale schuld ten laste van een bepaalde schuldenaar en een uitvoerbare titel opmaakt om de verschuldigde belasting in te vorderen
(3). De inkohiering heeft een declaratieve werking omdat ze de belastingplicht concretiseert en de belastingschuldige aanwijst. Door het kohier wordt de materiële belastingschuld omgezet in een formele schuld en omgevormd in een verplichting tot betaling van een bepaald bedrag aan belasting in concreto. De belastingplichtige wordt ingevolge de inkohiering belastingschuldige, d.i. een verkrijger van belastbare inkomsten in wiens hoofde de voorwaarden voor belastingheffing zijn voldaan
(4). Het uitvoerbaar verklaarde kohier kan in de regel slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de bij name in dat kohier vermelde belastingschuldige(n). Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt dat de tenuitvoerlegging van het kohier tegen andere personen slechts mogelijk is wanneer zulks voortvloeit uit het “systeem van de wet”. Zo vernietigde Uw Hof vanuit die optiek bij arrest van 22 november 2007 de beslissing waarin de appelrechters hadden geoordeeld dat het kohier op naam van een vennootschap onder firma niet ten uitvoer kon worden gelegd tegen de vennoten onder firma. Uw Hof oordeelde dat de vennoten onder firma persoonlijk gehouden zijn tot de belastingen verschuldigd door de vennootschap onder firma en gelden als belastingschuldigen die gerechtigd zijn een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, die ten name van de vennootschap is gevestigd, en die aanslag tegen de vennoten onder firma kan worden ten uitvoer gelegd
(5). 2.4. In een arrest van 7 november 2013
(6)oordeelde Uw Hof dat uit de artikelen 204 en 209 Wetboek van Vennootschappen volgt dat de vennoten onder firma die hun deelneming hebben overdragen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn aangegaan, en dat de omstandigheid dat de schuldeisers wiens schuldvorderingen zijn ontstaan nadat een vennoot zijn deelneming heeft overgedragen, deze niet kan aanspreken, niet eraan in de weg staat dat deze vennoot gehouden is ten aanzien van alle schuldeisers wiens schuldvorderingen voordien zijn ontstaan. Deze regel lijkt mij eveneens te gelden voor belastingschulden die ontstaan zijn vóór de overdracht van de aandelen. 2.
- Besluit is m.i. dat verweerder die zijn aandelen in de vennootschap onder firma heeft overgedragen, gehouden blijft tot betaling van de schuld inzake inkomstenbelastingen die ontstaan is voor de overdracht van de aandelen en dat een ingekohierde aanslag die betrekking heeft op de inkomsten van een van de jaren die voorafgaan aan de overdracht van de aandelen ten uitvoer kan worden gelegd op diens vermogen. De appelrechter die oordeelt dat de fiscale schuldvordering van eiser pas is ontstaan nadat verweerder op 1 februari 2003 zijn aandelen in de vennootschap onder firma had overgedragen aan een derde en dat verweerder als vennoot enkel kon worden aangesproken voor een belasting die werd ingekohierd voor het tijdstip van de publicatie van de overdracht van de aandelen in het Belgisch Staatsblad, verantwoordt zijn beslissing m.i. niet naar recht. Het middel komt mij gegrond voor.
- Besluit: Vernietiging. ____________________________
(1)Cass. 14 maart 2008, AR F.07.0067.F, AC 2008, nr. 184, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1, met concl. van advocaat-generaal A. HENKES, op datum in Pas.
(2)Cass. 15 september 2000, AR C.98.0388.N, AC 2000, nr. 473, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000915.3.
(3)I. CLAEYS BOUUAERT, “De aanslag”, Brussel, Larcier, 1963, p. 92, nr. 125; S. DE RAEDT en J. HEIRMAN, De ene belastingschuldige is de andere niet (noot onder Cass. 14 juni 2007), TFR, 2008,
(346), 352, nr. 25 e.v.
(4)Concl. van advocaat-generaal D. THIJS, vóór Cass. 12 december 2008, AR F.07.0099, AC 2008, nr. 730, ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.9.
(5)Cass. 22 november 2007, AR F.06.0053.N, AC 2007, nr. 577, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.9, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071122.9.
(6)Cass. 7 november 2013, AR C.12.0570.N, AC 2013, nr. 598, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.14. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210430.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210430.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000915.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.9 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071122.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div