← België

BVBA P.H.LOGISTICS contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210430.1N.4 Rolnummer: F.19.0150.N Zaak: BVBA P.H.LOGISTICS contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-01-23 Raadplegingen: 704 - laatst gezien 2026-06-18 22:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210430.1N.4 Fiche De belastingplichtige beschikt over het recht op een daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding, hetzij door de beslagrechter aan wie het toekomt te onderzoeken of de schuldvordering prima facie een zekere en vaststaande vordering is in de zin van artikel 1415 Gerechtelijk Wetboek, hetzij door de rechter in het geschil ten gronde die de inhouding van btw-kredieten kan opheffen voordat zijn beslissing kracht van gewijsde heeft wanneer hij van oordeel is dat de schuldvordering ongegrond is

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Inhouding van btw-tegoeden - Wettelijke regeling - Gevolgen - Mogelijkheid tot rechterlijke toetsing Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 76 - 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde - 4 - 29-12-1969 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19691229-30 Tekst van de conclusie F.19.0150.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...) 2.2. Krachtens artikel 76, § 1, WBTW, wordt wanneer het bedrag van de belasting die voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige. Volgens het vierde lid van deze bepaling kan de Koning op de terug te geven bedragen voorzien in een inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. In uitvoering van voormeld artikel bepaalt artikel 81, § 3, vierde lid, K.B. nr. 4: "Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 89 van het Wetboek, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld." Inzake voormelde regeling werd door Uw Hof, in navolging van het Grondwettelijk Hof
(1), beslist dat de hoven en de rechtbanken de aspecten van de bedoelde regeling, in zoverre die een daadwerkelijk rechterlijk toezicht in de weg staan, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet niet mogen toepassen
(2). Een grondwetsconforme interpretatie van artikel 76, § 1, derde lid, WBTW, houdt in dat de belastingplichtige moet beschikken over een daadwerkelijk rechterlijk toezicht op een inhouding van zijn belastingkredieten; toezicht dat in voorkomend geval kan leiden tot de volledige of gedeeltelijke opheffing van de inhouding. In het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding van BTW-tegoeden, behoort het aldus tot de taak van de beslagrechter te toetsen of de schuldvordering van de Administratie, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 Ger.W., en inzonderheid of de bewijselementen of aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de BTW-administratie de inhoudingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel
(3). Artikel 76, § 1, derde lid, WBTW moet ook in die zin grondwetsconform worden geïnterpreteerd dat het de Koning niet toestaat dermate van het gemeen recht inzake bewarend beslag onder derden af te wijken dat hij de rechter in het geschil ten gronde de mogelijkheid zou vermogen te ontzeggen om, wanneer hij oordeelt dat de schuldvordering van de BTW-administratie ongegrond is, de inhouding van BTW-kredieten op te heffen voordat zijn beslissing kracht van gewijsde heeft
(4). Verweerder laat dan ook met reden gelden dat uit wat voorafgaat volgt dat, anders dan het middel aanvoert, eiseres wel over de mogelijkheid beschikt om de wettigheid van de BTW-inhouding aan een daadwerkelijk rechterlijk toezicht te onderwerpen, hetzij in het kader van een eventuele procedure voor de beslagrechter, hetzij voor de fiscale rechter die ten gronde moet oordelen over de belastingschuld waarvoor de inhouding werd verricht. (...) Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. 3. Besluit: Verwerping. ___________________________
(1)Zie GwH. 26 mei 1999, nr. 58/99, ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.058; GwH 7 juli 1998, nr.78/98, ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.078; GwH 18 november 1998, 119/98, ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.119.
(2)Cass. 6 november 2003, AR C.00.0144.N, AC 2003, nr. 559, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031106.5; Cass. 3 januari 2003, AR C.00.0116.N, AC 2003, nr. 4, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.7, met concl. van advocaat-generaal THIJS D.
(3)Zie nr. 2.
(4)GwH, 17 januari 2013, nr. 4/ 2013, B.15., ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.004. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210430.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210430.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031106.5 ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.078 ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.119 ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.058 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.004 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.