← België

D. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.6 Rolnummer: P.21.0101.N Zaak: D. contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-05-10 Raadplegingen: 900 - laatst gezien 2026-06-18 16:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.6 Fiches 1 - 3 Wanneer een beklaagde verzoekt om ter rechtszitting een getuige te horen die tijdens het vooronderzoek een voor hem belastende verklaring heeft afgelegd, moet de rechter dat verzoek enkel beoordelen in het licht van de drie toetsingscriteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft ontwikkeld om getuigen à charge (niet) ter rechtszitting te horen wanneer hij zich uitspreekt over de gegrondheid van de strafvordering; dat is niet het geval wanneer de strafrechter, na de vaststelling van het verval van de strafvordering, enkel nog gelast blijft met de beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering en dus enkel nog moet uitmaken of de beklaagde een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd waarvoor hij aanvankelijk is vervolgd en of de gevorderde schade daaruit voortvloeit; in dat geval oordeelt de rechter onaantastbaar of het voorgestelde getuigenverhoor dienstig is voor het bewijs van de onrechtmatige daad

(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Strafzaken - Beoordeling van de burgerlijke vordering na verval van de strafvordering - Verzoek tot het horen van belastende getuigen - Beoordeling - Grens Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Verval van de strafvordering - Beoordeling van de burgerlijke aansprakelijkheid - Verzoek tot het horen ter terechtzitting van belastende getuigen - Beoordeling - Grens Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Strafzaken - Beoordeling van de burgerlijke vordering na verval van de strafvordering - Verzoek tot het horen van belastende getuigen - Beoordeling - Grens Tekst van de conclusie P.21.0101.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “Het recht op het (doen) ondervragen van belastende getuigen voor de strafrechter die na verval van de strafvordering moet oordelen over de burgerlijke vordering” 1. Eiser 2 voert schending aan van onder meer artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM omdat de appelrechters niet ingingen op zijn verzoek tot het horen van 12 personen
(1), die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen hadden afgelegd. Volgens eiser is deze weigering in strijd met de criteria die het Europees Hof te Straatsburg vooropstelt bij de beslissing om getuigen à charge niet op de terechtzitting te horen, onder meer in de zaak Keskin t/Nederland van 19 januari
  1. Beoordeling. Het recht op het ondervragen van getuigen à charge is opgenomen in artikel 6.3.d EVRM, dat het recht op een eerlijk proces (art. 6.
  2. EVRM) concretiseert van een persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld
(2). De waarborgen vermeld in artikel 6.3 EVRM gelden bijgevolg niet voor een louter burgerlijk geding
(3). 3. De ingeroepen arresten van uw Hof
(4)en het Europees Hof te Straatsburg
(5)lijken mij niet in te houden dat de strafrechter de criteria van artikel 6.3.d EVRM moet toepassen wanneer hij na verval van de strafvordering (in deze zaak wegens verjaring) alleen nog over de burgerlijke vordering oordeelt. In de zaak Keskin t/ Nederland stelde het Europees Hof dat als de aanklager (prosecution) zich op een getuigenverklaring baseert, en die verklaring nodig is om een veroordeling te bekomen (a guilty verdict), men mag aannemen dat aanwezigheid van deze getuige op de terechtzitting noodzakelijk is
(6). In de zaak Riahi oordeelde het Europees Hof dat alvorens een beklaagde schuldig wordt verklaard, het belastend bewijs in beginsel op de openbare terechtzitting moet worden geproduceerd
(7). Bij de beoordeling van de noodzaak een getuige à charge op de terechtzitting te ondervragen moet de rechter nagaan of de strafprocedure in haar geheel voldoet aan de maatstaf van een eerlijk proces
(8).
  1. Uw Hof oordeelde op 31 januari 2017 dat de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken, het verzoek van de beklaagde om een getuige à charge te horen, moet beoordelen in het licht van de waarborgen van artikelen 6.
  2. en 6.3.d EVRM. Daarbij moet worden nagegaan of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt
(9). Vermelde bepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereisen volgens uw Hof dat in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs wordt voorgelegd tijdens een openbare terechtzitting en de rechter de impact van het eerlijk proces van het niet-horen op de terechtzitting van een persoon die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd zal beoordelen aan de hand van drie criteria, en in die volgorde, of (
  1. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  2. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald en (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen
(10).
  1. In de thans voorliggende zaak is de (strafrechtelijke) vervolging of de gegrondheid van de strafvordering niet meer aan de orde. Eiser is geen beklaagde meer in het strafproces, maar verweerder in een civiel geding, weliswaar aanhangig bij de strafrechter.
  2. Wanneer de strafvordering is vervallen door verjaring of overlijden van de beklaagde, mag de strafrechter zich niet uitspreken over schuld van de beklaagde aan een misdrijf
(11). Wel dient hij na te gaan of het gedrag van de oorspronkelijk beklaagde “een fout heeft opgeleverd die in oorzakelijk verband staat met de door de burgerlijke partij aangevoerde schade”
(12). In zoverre het middel uitgaat van de toepassing van artikel 6.3.d EVRM en 14.3.e BUPO-Verdrag (op de beoordeling van de burgerlijke vordering), faalt het naar recht.
  1. Daarmee is niet gezegd dat de strafrechter, wanneer hij een fout in de zin van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek moet beoordelen (en de schade die daarvan een gevolg is), zomaar elke vraag tot het horen van belastende getuigen mag afwijzen. Het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6.
  2. EVRM, geldt immers ook voor “het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen”
(13). 7. Essentieel in een burgerlijk geding, waar alleen privébelangen aan bod komen, is de processuele gelijkheid van de partijen (wapengelijkheid), het recht om bewijs aan te brengen en het recht op tegenspraak van bewijs van de tegenpartij
(14). 8. In het gerechtelijk privaatrecht is het getuigenbewijs geregeld in de artikelen 915 tot 962 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 915 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en ter zake dienend feit te leveren door een of meer getuigen, kan de rechter die bewijslevering toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is”. Deze bepaling geldt niet voor de strafgerechten, voor zover zij uitspraak doen over de strafvordering
(15). 9. De eerste Kamer van het Hof oordeelde meermaals: “Wanneer de wet dat bewijsmiddel niet verbiedt, beslist de rechter in feite of het bewijs door getuigen op nuttige wijze kan worden geleverd, mits hij het recht van de partijen om een dergelijk bewijs te leveren, niet miskent”
(16). 10. Uit art. 2 Ger. W. volgt dat regels van het gerechtelijk privaatrecht van toepassing zijn op de procedure voor de strafrechter, tenzij ze onverenigbaar zijn met wetsbepalingen of rechtsbeginselen van het strafprocesrecht
(17). Bij een ruime interpretatie van art. 2 Ger. W. zou de strafrechter, wanneer de strafvordering reeds vervallen is, de bewijsregels in burgerlijke zaken kunnen aanwenden om uitspraak te doen over de onrechtmatige daad, de schade en het oorzakelijk verband. Er is dan geen verschil meer in de procesverhouding tussen de eiser en verweerder voor de burgerlijke rechter en de burgerlijke partij en (oorspronkelijk) beklaagde voor de strafrechter
(18). 11. Een andere optie bestaat erin de bewijsregels van het gerechtelijk privaatrecht in strafzaken te beperken tot het bewijs en de omvang van de schade. Het Hof oordeelde op 26 februari 2002 dat “de bewijsregels in burgerlijke zaken van toepassing zijn op het verweer van de beklaagde tegen de burgerlijke rechtsvordering die tegen hem is ingesteld op grond van een te zijnen laste gelegde misdrijf, wanneer dat verweer geen verband houdt met het bewijs van het misdrijf; dat zulks inhoudt dat, ook in strafzaken, de bewijsregels van het burgerlijke recht van toepassing zijn voor het bewijs van het bestaan en de omvang van de schade”
(19). Het Hof paste reeds voorschriften van het deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken toe op de afhandeling van burgerlijke belangen voor de strafrechter, nadat de fout van de beklaagde reeds was vastgesteld. Richtinggevend zijn de arresten van 8 februari 2000 en 1 december 2020
(20).
  1. In deze visie zou de strafrechter (in correctionele zaken) artikel 190 Wetboek van Strafvordering moeten toepassen, wanneer hij uitsluitend de burgerlijke aansprakelijkheid beoordeelt, en een partij een getuigenverhoor vraagt. Deze bepaling stelt dat “getuigen voor en tegen worden gehoord, indien daartoe grond bestaat”. Net als art. 915 Ger. W., kent art. 190 Sv. aan de rechter een ruime beoordelingsmarge toe.
  2. Wanneer alleen de burgerlijke aansprakelijkheid in het geding is, lijkt mij uit de termen “indien daartoe grond bestaat” voort te vloeien dat de strafrechter moet nagaan of het weigeren een getuige te horen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces van de verzoekende partij. In de procesverhouding tussen de beklaagde en de burgerlijke partij is de wapengelijkheid van essentieel belang. Het Hof oordeelde, op 24 februari 2015: “Uit artikel 6 EVRM en het daarin vervatte beginsel van de wapengelijkheid volgt dat ook de burgerlijke partij het recht heeft getuigen te doen ondervragen. De rechter beoordeelt evenwel onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van die onderzoeksmaatregel. Zo de burgerlijke partij geen onbeperkt recht heeft getuigen voor het gerecht op te roepen, moet de rechter antwoorden op zijn verzoek een getuige te horen en nagaan of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid”
(21).
  1. In deze optiek lijken mij de noodzakelijkheid, raadzaamheid en gepastheid van het getuigenverhoor criteria te zijn die de strafrechter mag toepassen op de vraag van de (oorspronkelijk) beklaagde om in een debat beperkt tot burgerlijke aansprakelijkheid getuigen op te roepen.
  2. Mij komt voor dat de appelrechters regelmatig en met voldoende redenen hebben aangegeven dat het voor de waarheidsvinding en het recht op een eerlijk proces niet nodig is getuigen op de terechtzitting te horen. In zoverre kan het middel gesteund op de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 BUPO-Verdrag, de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek niet worden aangenomen. ___________________________________________________________________ Mijn advies is verwerping van de cassatieberoepen.
(1)Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1. en 6.3.d EVRM, artikelen 14.1 en 14.3.e IVBPR, de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek.
(2)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 38 en 1400-1402.
(3)F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 2, Larcier, 2004, 329; P. LEMMENS, Het recht op een eerlijk proces volgens art. 6 EVRM, in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Kluwer, 2016, 760-762.
(4)Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N, AC 2020, nr. 508 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0388.N, AC 2020, nr. 506, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.17.
(5)EHRM 2 april 2013, D.T. t/ Nederland; EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland; EHRM 19 januari 2021, Keskin t/ Nederland, www.echr.coe.int.
(6)EHRM 19 januari 2021, Keskin t/ Nederland, § 45, www.echr.coe.int.
(7)EHRM 14 juni 2016, Riahi t/ België, § 28, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET. Zie ook M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1401.
(8)EHRM 14 juni 2016, Riahi t/ België, § 27, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET. Zie ook D. DE WOLF, “Het recht op horen van getuigen (à charge) na het arrest Al-Khawaja en Tahery van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,” in Strafrecht in breed spectrum, Die Keure, 2014, 25-58; O. MICHIELS en P. KNAEPEN, “Les déclarations non vérifiées de témoins au regard du procès équitable”, JT 2016, 485-490; A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; C. VAN DE HEYNING, “Het getuigenverhoor na de zaak Riahi: het Hof van Cassatie zoekt zijn weg”, T. Strafr. 2017, 227-229; S. BERNEMAN, “De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio”, T. Strafr. 2019, 286-287; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 776-779; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1400-1403.
(9)Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1125.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N, AC 2020, nr. 508 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N, AC 2019, nr. 117 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N, RO.2, AC 2017, nr. 662 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7; Cass. 20 september 2017, AR P.17.0428.F, AC 2017, nr. 488 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N, AC 2017, nr. 303 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, T. Strafr. 2017, 224; Cass. 14 maart 2017, AR P.16.1152.N, AC 2017, nr. 181 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6, T. Strafr. 2017, 210. In dezelfde zin Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N, AC 2017, nr. 73 P.16.0970.N met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, RO.4, T. Strafr. 2017, 207.
(10)Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1125.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N, AC 2020, nr. 508 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N, AC 2019, nr. 117 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N, AC 2017, nr. 662 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7; Cass. 20 september 2017, AR P.17.0428.F, AC 2017, nr. 488 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N, AC 2017, nr. 303 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, T. Strafr. 2017, 224; Cass. 14 maart 2017, AR P.16.1152.N, AC 2017, nr. 181 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6, T. Strafr. 2017, 210; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N, AC 2017, nr. 73 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, RO.4, T. Strafr. 2017, 207.
(11)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 152.
(12)Cass. 7 juni 2017, AR P.16.0701.F, AC 2017, nr. 372 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 20 april 2016, AR P.15.0216.F, AC 2016, nr. 269, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160420.3; Cass. 17 oktober 2001, AR P.01.0807.F, AC 2001, nr. 550 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011017.3. Zie ook R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1234; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017, 891; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 327-332, 1738 en 1865.
(13)EHRM 27 oktober 1993, Dombo Beheer B.V. t/Nederland; EHRM 23 oktober 1996, Ankeri t/Zwitserland, EHRM 24 februari 1997, De Haes en Gijssels t/België; EHRM 6 februari 2001, Beer t/Oostenrijk; EHRM 9 februari 2015, Hansen t/Noorwegen. www.echr.coe.int. Zie ook J. DU JARDIN, “Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (1990-2003)”, Rede uitgesproken op 1 september 2003, p. 42-52; K. RIMANQUE, “Artikel 6, eerste lid, EVRM, in Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer”, Kluwer, 2002, 10-13; G. MAES, “Is drie keer tegenspraak voor het EHRM geen scheepsrecht voor het HvJ?”, TBP 2001, 180-181; P. LEMMENS, “Het recht op een eerlijk proces volgens art. 6 EVRM”, in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Kluwer, 2016, 753-800; T. DE JAEGER, “Verstorend procesgedrag: doeltreffend sanctioneren voor een efficiënte procesvoering”, TPR 2017, 1215-1281.
(14)Cass. 3 maart 2003, AR C.99.0268.N, AC 2003, nr. 144 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030303.4, RW 2004-05, 508.
(15)Cass. 22 juni 1999, AR P.99.0716.N, AC 1999, nr. 384 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990622.6; Cass. 12 maart 1973, AC 1973, 688 ECLI:BE:CASS:1973:ARR.19730312.3. Zie R. DECLERCQ, “Raakvlakken gerechtelijk privaatrecht- strafprocesrecht”, TPR 1980, 55-56; G.F. RANIERI en M. TRAEST, “De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken: artikelsgewijze bespreking van de rechtspraak van het Hof”, in Verslag van het Hof van Cassatie 2005, Larcier, 2005, 176-177; P. DE BAETS en B. VAN DEN BERGH, “Het getuigenverhoor- Artikel 915 Ger. W.”, in Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2015, 11.
(16)Cass. 11 mei 2009, AR S.08.0143.F, AC 2009, nr. 311 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090511.6 met concl. van procureur-generaal J.F. LECLERCQ op datum in Pas.; Cass. 5 november 2004, AR C.03.0503.N, AC 2004, nr. 535 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041105.4; Cass. 4 maart 1999, AR C.97.0406.F, AC 1999, nr. 130 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990304.4; Cass. 18 maart 1991, AR 7333, AC 1990-91, nr. 372 ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910318.7.
(17)Over deze bepaling GwH 30 april 1997, arrest 24/1997, JLMB 1997, 788 noot A. MASSET, RW 1997-98, 713. Zie P. MARTENS, “L’influence de la jurisprudence de la Cour d’Arbitrage sur l’expertise en matière pénale”, in Perspectieven uit de recente rechtspraak in strafzaken, Mys&Breesch, 2000, 101-113; Ph. TRAEST en P. VAN CAENEGEM, “De tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek in strafzaken: een status questionis ten behoeve van de praktijk”, T. Strafr. 2000, 49-53; T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia, 2013, 500 en 508.
(18)Ph. TRAEST en T. GOMBEER, “De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek” in Strafzaken, in CBR Jaarboek 2008-09, Intersentia, 2009, 459 (VN8). Zie ook, wat betreft de artikelen 962-991 Ger. W. op de afhandeling van burgerlijke belangen; P. DUINSLAEGER, conclusie in de zaak Cass. 8 februari 2000, AR P.97.0515.N, AC 2000, nr. 100 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.8.
(19)Cass. 26 februari 2002, AR P.00.1037.N, AC 2002, nr. 130 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.28. Zie ook J. DU JARDIN, “Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (1990-2003)”, Rede uitgesproken op 1 september 2003, p. 16, Mercuriales 2003 en M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1389.
(20)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N, AC 2020, nr. 573, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6; Cass. 8 februari 2000, AR P.97.0515.N, AC 2000, nr. 100 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.8 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER;
(21)Cass. 24 februari 2015, AR P.14.0076.N, arrest niet gepubliceerd. Zie ook P. DE BAETS en B. VAN DEN BERGH, “Het getuigenverhoor- Artikel 915 Ger. W., in Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer”, Kluwer, 2015, 28; W. VANDENBUSSCHE, Bewijs en onrechtmatige daad, Intersentia, 2017, 377 en 449-457; J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, 610-612. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1973:ARR.19730312.3 ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910318.7 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990304.4 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990622.6 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011017.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020226.28 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030303.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041105.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090511.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160420.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.17 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.