id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210507.1N.8 Rolnummer: C.18.0089.N Zaak: S. contra HET VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2021-09-13 Raadplegingen: 743 - laatst gezien 2026-06-18 19:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210507.1N.8 Fiche 1 Het is niet vereist dat een melkproducent landbouwer in hoofdberoep is, opdat hij als producent in de zin van artikel 12, c) Verordening (EEG) nr. 857/84, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, kan worden aangemerkt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening - Verordening (EEG) nr. 857/84 - Melkproducent - Voorwaarden Fiche 2 Het is enkel vereist dat een melkproducent landbouwer in hoofdberoep is opdat hij in aanmerking komt voor de toekenning van een extra referentiehoeveelheid maar niet voor de toekenning van een referentiehoeveelheid of een specifieke referentiehoeveelheid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening - Verordening (EEG) nr. 857/84 - Melkproducent - Toekenning referentiehoeveelheid - Toekenning specifieke referentiehoeveelheid - Toekenning extra referentiehoeveelheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verordening 857/84/EEG van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten - 31-03-1984 - Artt. 2, 3, 3bis en 4, eerste lid, c - 50 Link Justel databank 19840331-50 Verordening (EEG) Nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector ... - 20-03-1989 - Art. 2 Fiche 3 De Verordeningen (EEG) nr. 857/84 en 764/89, die, in overeenstemming met artikel 288, tweede lid VWEU, bepalen dat zij verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten, zijn, wat hun respectievelijke bepalingen betreft onder de artikelen 2, 3 en 3bis, 4, eerste lid, c), 6 eerste lid, en 12, c) voldoende duidelijk, bepaald en onvoorwaardelijk, hebben aldus rechtstreekse gevolgen in de Belgische rechtsorde en scheppen voor de rechtzoekenden individuele rechten die door de nationale rechtbanken moeten worden beschermd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - Verordening - Verordeningen (EEG) nr. 857/84 en 764/89 - Verbindend en rechtstreeks toepasselijk - Gevolg Tekst van de conclusie C.18.0089.N Conclusie van advocaat generaal Els Herregodts: (…)
- Met het oog op de bespreking van het eerste subonderdeel lijkt het mij nuttig de bepalingen in herinnering te brengen van de Europese verordeningen waarvan eiseres de schending aanvoert. Artikel 2, lid 1, Verordening 857/84, bepaalt dat de in artikel 5quater, lid 1, van Verordening 804/68 bedoelde referentiehoeveelheid gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent in het kalenderjaar 1981 is geleverd (formule A), of aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 door een koper is gekocht (formule B), in beide gevallen verhoogd met 1%. Krachtens de artikelen 3 van voornoemde verordening en 3bis, zoals ingevoegd door artikel 1 van Verordening 764/89, kunnen de lidstaten aan welbepaalde categorieën van producenten een specifieke referentiehoeveelheid toekennen in de situaties en volgens de modaliteiten vervat in die bepalingen. Artikel 4, lid 1, c), Verordening 857/84 bepaalt dat de lidstaten om de herstructurering van de melkproductie op nationaal niveau, op regionaal niveau of per aanvoergebied tot een goed einde te brengen, in het kader van de toepassing van de formules A en B, aan producenten die de landbouw als hoofdberoep beoefenen, een extra referentiehoeveelheid kunnen toekennen. Krachtens artikel 6, lid 1, van voornoemde verordening wordt aan iedere producent van melk en zuivelproducten, bedoeld in artikel 5quater, lid 2, van Verordening 804/68 een referentiehoeveelheid toegewezen die overeenkomt met zijn rechtstreekse verkoop aan de consument in het kalenderjaar 1981, verhoogd met 1%. Artikel 12, c), Verordening 857/84 bepaalt dat in de zin van deze verordening wordt verstaan onder producent: “de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd”. Krachtens artikel 2 Verordening 764/89 geldt deze definitie eveneens voor de toepassing van artikel 3bis Verordening 857/
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat ieder die een landbouwbedrijf, dat wil zeggen een op het geografische grondgebied van de Gemeenschap (thans de Europese Unie) gevestigd geheel van productie-eenheden, beheert en melk of zuivelproducten verkoopt of levert, de hoedanigheid van producent heeft in de zin van voornoemde bepaling
(1). Het begrip producent heeft aldus betrekking op elke landbouwexploitant die met het oog op de melkproductie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden exploiteert
(2). Het Hof van Justitie maakt geen onderscheid tussen producenten die de landbouw in hoofdberoep of in bijberoep uitoefenen. Uit het arrest Maier van het Hof van Justitie
(3)blijkt dat deze definitie van het begrip “producent” in de zin van artikel 12, c) Verordening 857/84 ook geldt voor de toepassing van artikel 3bis, ingevoegd bij Verordening 764/
- Uit het geheel van de vermelde bepalingen van de Verordeningen 857/84 en 764/89 volgt aldus dat niet vereist is dat een melkproducent landbouwer in hoofdberoep is, opdat aan hem krachtens artikel 2 Verordening 857/84 een referentiehoeveelheid of krachtens de artikelen 3 en 3bis van die verordening een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend. Een melkproducent dient de landbouw uitsluitend als hoofdberoep te beoefenen om in aanmerking te komen voor de toekenning van een extra referentiehoeveelheid krachtens artikel 4, lid 1, c), Verordening 857/
- In het arrest van 11 januari 2007, Piek, C-384/05 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de lidstaten betreffende de in artikel 3, lid 1, Verordening 857/84 bedoelde investeringen over een beoordelingsbevoegdheid beschikken om al dan niet specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen aan de in deze bepaling bedoelde producenten en om in voorkomend geval de omvang van deze hoeveelheden vast te stellen
(4). Het Hof van Justitie bevestigde in dit kader zijn vaste rechtspraak op grond waarvan, wanneer de nationale autoriteiten maatregelen tot uitvoering van een communautaire regeling vaststellen, zij hun discretionaire bevoegdheid dienen uit te oefenen met inachtneming van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, waaronder het evenredigheidsbeginsel
(5). Die beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten betreft evenwel enkel de investeringen zelf, die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van specifieke referentiehoeveelheden. Zij houdt niet in dat de lidstaten op grond van nationale wetgeving, omwille van een interne beleidskeuze, mogen raken aan het begrip “producent” zelf, dat wettelijk is verankerd in artikel 12, c), Verordening 857/84. Betreffende die definitie en de gevolgen ervan voor de toekenning van de referentiehoeveelheden in de artikelen 2, 3 en 3bis Verordening 857/84, zoals gewijzigd bij Verordening 764/89, heeft de Europese Unie (destijds EEG) haar door artikel 43 EEG-Verdrag (thans artikelen 38 e.v. van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kortweg “VWEU”) toegewezen bevoegdheid inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid immers volledig uitgeput. De lidstaten verliezen derhalve hun bevoegdheid om (in het kader van een uitvoeringsbesluit) een hiervan afwijkende regeling te treffen. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is namelijk een uitdrukkelijk krachtens de artikelen 38 e.v. VWEU aan de Unie toegewezen bevoegdheid. Het gaat om een bevoegdheid die de Unie met de lidstaten deelt, waarop het beginsel van uitputting (“preemption”) van toepassing is, dat inhoudt dat lidstaten in gebieden van gedeelde bevoegdheid, hun bevoegdheid om regelgevend op te treden verliezen voor zover de Unie haar bevoegdheid heeft uitgeoefend (artikel 2, lid 2, VWEU). Eenmaal de Unie haar bevoegdheid heeft uitgeoefend, moeten nationale regels voorrang geven aan de bepalingen van Unierecht, voor zover er tussen beide regels een conflict bestaat (op grond van het beginsel van voorrang van het Unierecht). Overeenkomstig het preemption-beginsel beperkt elk optreden van de Unie de bevoegdheid van de lidstaten om in het desbetreffende domein op te treden, tot die aspecten die nog niet door de Unie zijn bestreken
(6). Nu in Verordening 857/84, zoals gewijzigd bij Verordening 764/89, op een volledige en gedetailleerde wijze wordt bepaald in welke omstandigheden aan de producent in de zin van artikel 12, c), van die verordening een referentiehoeveelheid (artikel 2) of een specifieke referentiehoeveelheid (artikelen 3 en 3bis) wordt toegekend, vermag een lidstaat hiervan niet af te wijken. Deze heeft geen beleidsmarge meer om op grond van een eigen beleidskeuze de toekenning van die referentiehoeveelheden te beperken tot producenten die landbouwers in hoofdberoep zijn. Krachtens artikel 4, lid 1, c), van voornoemde verordening heeft een lidstaat uitsluitend de ruimte om op grond van een interne beleidskeuze aan de landbouwer in hoofdberoep een “extra referentiehoeveelheid” toe te kennen die, krachtens artikel 5, wordt afgeboekt op de nationale reserve. Krachtens artikel 2, § 1, ministerieel besluit van 31 mei 1988 betreffende de toepassing van de extra heffing bedoeld bij artikel 5quater van Verordening 804/68 gedurende het tijdvak van 1 april 1988 tot 31 maart 1989, worden wat de leveringen en de rechtstreekse verkopen betreft, de bijzondere referentiehoeveelheden volgens de beschikbare reserves verdeeld op de wijze zoals in dat artikel bepaald onder 1° en 2°. Krachtens artikel 2, § 5, van dit ministerieel besluit moet de producent bedoeld in § 1 landbouwer in hoofdberoep zijn overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 1986 betreffende de steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw. Het ministerieel besluit van 24 juli 1989 bevat in artikel 2, § 5, een gelijkaardige bepaling voor het tijdvak van 1 april 1989 tot 31 maart 1990. Gelet op het bovenstaande is deze nationale regeling, die de toekenning van een (specifieke) referentiehoeveelheid beperkt tot producenten die landbouwer in hoofdberoep zijn, in strijd met de voornoemde Europese Verordeningen, die deze beperking niet bevatten. De Verordeningen 857/84 en 764/89 bepalen, in overeenstemming met artikel 288, lid 2, VWEU, dat zij verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten. De voornoemde bepalingen van deze verordeningen, die voldoende duidelijk, bepaald en onvoorwaardelijk zijn, hebben aldus rechtstreekse gevolgen in de Belgische rechtsorde en scheppen voor de rechtzoekenden individuele rechten die door de nationale rechtbanken moeten worden beschermd. Krachtens artikel 288, lid 2, VWEU heeft een verordening een algemene strekking, is zij verbindend in al haar onderdelen en is zij rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. De rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening dient te worden onderscheiden van de rechtstreekse werking van de bepalingen ervan. Enerzijds houdt de rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening in dat zij automatisch tot de hoogste normen van de interne rechtsorde van de lidstaten behoort, zonder dat daartoe enige omzetting in het nationale recht nodig is
(7). Zij wordt dus zonder omzetting “ten gunste of ten laste van de rechtssubjecten” toegepast
(8). Particulieren hebben aldus steeds het recht om zich voor de nationale rechter op om het even welke verordening te beroepen, teneinde het nationale recht dat daarmee onverenigbaar is, buiten toepassing te laten verklaren
(9). Dit vloeit voort uit het beginsel van voorrang van het Unierecht. In het arrest Simmenthal, preciseerde het Hof van Justitie immers dat “krachtens het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht, de Verdragsbepalingen en de rechtstreeks toepasselijke handelingen der instellingen, in hun verhouding tot het nationale recht der lidstaten tot gevolg hebben (…) dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden”
(10)en dat “elke in het kader van zijn bevoegdheid aangezochte nationale rechter verplicht is het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen, daarbij buiten toepassing latend elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet, ongeacht of deze van vroegere of latere datum is dan de gemeenschapsregel
(11). Ook het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 27 mei 1971, Franco-Suisse Le Ski als algemeen rechtsbeginsel erkend dat “wanneer een conflict bestaat tussen een internrechtelijke norm en een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde, de door het verdrag bepaalde regel moet voorgaan; dat deze voorrang volgt uit de aard zelf van het bij verdrag bepaald internationaal recht”. Volgens het Hof geldt deze regel des te meer nu het conflict zich voordoet tussen een norm van intern recht en een norm van het gemeenschapsrecht, nu de gemeenschapsverdragen een nieuwe rechtsorde in het leven hebben geroepen ten behoeve waarvan de lidstaten de uitoefening van hun soevereine machten in de bij deze verdragen omschreven gebieden hebben beperkt. In casu betrof de supranationale norm artikel 12 EEG-Verdrag (verbod om nieuwe in- of uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren) dat volgens het Hof “onmiddellijke gevolgen heeft voor de rechtzoekenden en individuele rechten schept die door de nationale rechtbanken moeten worden beschermd”. Het Hof oordeelde dat uit de voorgaande overwegingen volgt dat de rechter verplicht was de bepalingen van intern recht die strijdig zijn met deze bepaling van het Verdrag, buiten toepassing te laten. Het Hof besliste op die grond dat de appelrechters terecht hadden beslist dat de gevolgen van de interne wet “waren stopgezet in zover zij in strijd was met een rechtstreeks toepasselijke bepaling van het bij verdrag vastgesteld internationaal recht”
(12). Deze voorrang van het Unierecht leidt aldus tot een uitsluitingseffect. Het Unierecht werkt hier slechts door in zoverre de strijdige nationale regel niet wordt toegepast
(13). Anderzijds kunnen bepalingen van een verordening rechtstreekse werking hebben. Het Hof van Justitie oordeelde dat de verordening “naar haar aard en functie in het stelsel van de communautaire rechtsbronnen, rechtstreeks werkt en als zodanig aan particulieren rechten kan verlenen, die de nationale rechter verplicht is te beschermen”
(14). Een bepaling van een verordening bezit een rechtstreekse werking wanneer zij duidelijk, bepaald en onvoorwaardelijk is, dit is wanneer haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de EU-instellingen of de lidstaten. Zij laat dus aan de met de toepassing belaste autoriteiten geen enkele beoordelingsvrijheid
(15). Wanneer een bepaling van een verordening rechtstreekse werking heeft, kunnen particulieren hieraan onmiddellijk rechten ontlenen die zij kunnen afdwingen voor de nationale rechter, zowel tegenover overheidsinstanties. (verticale verhouding) als tegenover particulieren (horizontale verhouding)
(16). Een Unienorm die rechtstreekse werking heeft, heeft naast een uitsluitingseffect dus ook een substitutie-effect. Een particulier kan zich voor de nationale rechter namelijk onmiddellijk op het in de Unienorm neergelegde recht beroepen tegen op het (strijdige) nationale recht gesteunde aanspraken in
(17). In casu zijn de Verordeningen 857/84 en 764/89 verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk, zodat nationale wetgeving die hiermee in strijd is, op grond van het beginsel van voorrang van Unierecht, buiten toepassing moet worden verklaard (uitsluitingseffect). De nationale rechter dient mijns inziens de Belgische regeling op grond waarvan de producent enkel een (specifieke) referentiehoeveelheid kan verkrijgen voor zover hij landbouwer in hoofdberoep is (artikel 2, § 5, ministeriële besluiten van 31 mei 1988 en 24 juli 1989), aldus terzijde te schuiven wegens strijdigheid met de artikelen 2, lid 1, 3, 3bis en 12, c), van Verordening 857/84, zoals gewijzigd bij Verordening 764/89, die deze referentiehoeveelheid aan elke producent toekennen. Daarnaast hebben die Unierechtelijke bepalingen, die voldoende duidelijk, bepaald en onvoorwaardelijk zijn – en waarmee de Uniewetgever zijn bevoegdheid inzake gemeenschappelijk landbouwbeleid op de daarin geregelde punten heeft uitgeput – rechtstreekse werking in het nationale recht. Dit betekent dat de producent, in casu eiseres, zich voor de nationale rechter onmiddellijk op die bepalingen kan beroepen om een referentiehoeveelheid voor leveringen toegekend te krijgen, onafhankelijk van de bestaande strijdige nationale regelgeving die vereist dat zij landbouwer in hoofdberoep is (substitutie-effect). Eiseres heeft zich voor de nationale rechter onmiddellijk op de Europese verordeningen beroepen om haar individueel recht op toekenning van een quotum leveringen af te dwingen. De appelrechters hadden op de door partijen in het bijzonder aangevoerde feiten (met name de al dan niet terechte weigering van de toekenning van een quotum aan eiseres omdat zij geen landbouwster in hoofdberoep was) ter staving van hun eisen (namelijk de al dan niet verschuldigdheid van de litigieuze extra heffing) naar ik meen in elk geval de juiste rechtsregel moeten toepassen, namelijk de relevante bepalingen van de Europese Verordeningen 857/84 en 764/89, waarvan de toepassing zich onmiskenbaar aan hen opdrong
(18). Dit geldt des te meer nu partijen in het debat uitdrukkelijk naar die verordeningen hebben verwezen, weliswaar zonder aanvoering van de precieze bepalingen ervan. De appelrechters hadden aldus mijns inziens de individuele rechten moeten beschermen die de eiseres aan die bepalingen kon ontlenen, als producent in de zin van artikel 12, c), Verordening 857/84, namelijk het recht op de toekenning van een referentiehoeveelheid. Door, na te hebben vastgesteld dat de toekenning van een quotum leveringen en/of rechtstreekse verkoop werd geweigerd omdat de eiseres geen landbouwster in hoofdberoep was, vervolgens bij de berekening van de door de eiseres verschuldigde extra heffing wegens overschrijding van het quotum leveringen uit te gaan van een quotum van nul liter, geven de appelrechters te kennen dat aan de eiseres terecht geen quotum leveringen en/of rechtstreekse verkoop werd toegekend, omdat zij geen landbouwster in hoofdberoep was. Door op die grond te oordelen dat eiseres gehouden is tot betaling van de litigieuze extra heffing wegens overschrijding van het quotum leveringen voor de campagnes 1988-1989 en 1989-1990, schenden de appelrechters mijns inziens de voornoemde bepalingen van Verordeningen 857/84 en 764/89, die niet vereisen dat de producent landbouwer in hoofdberoep is opdat aan hem een referentiehoeveelheid kan worden toegekend. Het subonderdeel komt mij dan ook gegrond voor. 7. Mijns inziens ligt de juiste toepassing van het Unierecht, mede dankzij de hiervoor geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie, zo voor de hand dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan
(19). Conclusie: vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing, in zoverre het arrest uitspraak doet over de berekening van de extra heffingen wegens overschrijding van het quotum leveringen. _________________________________
(1)HvJ EU 15 januari 1991, C-341/89, Ballmann, ECLI:EU:C:1991:1,1 ro 12; HvJ EU 9 oktober 1997, C-152/95, Macon, ECLI:EU:C:1997:471, ro 22.
(2)HvJ EU 9 juli 1992, C-236/90, Maier, ECLI:EU:C:1992:311, ro 11; HvJ EU 17 april 1997, C-15/95, EARL de Kerlast, ECLI:EU:C:1997:196, ro 25.
(3)HvJ EU 9 juli 1992, C-236/90, Maier, ECLI:EU:C:1992:311, ro 16, 17 en 18.
(4)HvJ EU 11 januari 2007, C-384/05, Piek, ECLI:EU:C:2007:21, ro 29-33.
(5)HvJ EU 11 januari 2007, C-384/05, Piek, ECLI:EU:C:2007:21, ro 34.
(6)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2017, 84, nr. 111.
(7)HvJ EU 14 juli 2011, C-4/10 en C-27/10, Bureau national interprofessionel du Cognac, ECLI:EU:C:2011:484, ro 66; K. K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia 2017, 589, nr. 770.
(8)HvJ EU 10 oktober 1973, 34/73, Variola, ECLI;EU:C:1973:101, ro 10; LENAERTS/VAN NUFFEL, 590, nr. 771.
(9)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, 589, nr. 771.
(10)HvJ EU 9 maart 1978, 106/77, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, ro 17.
(11)HvJ EU 9 maart 1978, 106/77, Simmenthal, ECLI:EU:C:1978:49, ro 21; zie P. Van NUFFEL, “Technieken van doorwerking van EU-recht in het Belgische (privaatrecht” in I. SAMOY, V. SAGAERT en E. TERRYN (eds.), Invloed van het Europees recht op het Belgisch privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 24-25, nr. 30.
(12)Cass 27 mei 1971, AC 1971, 959, met concl. van procureur-generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH.
(13)P. Van NUFFEL, “Technieken van doorwerking van EU-recht in het Belgische privaatrecht” in I. SAMOY, V. SAGAERT en E. TERRYN (eds.), Invloed van het Europees recht op het Belgisch privaatrecht, Antwerpen, Intersentia 2012, 9, nr. 11.
(14)HvJ EU 14 december 1971, 43/71, Politi, ECLI:EU:C:1971:122, ro 9; HvJ EU 17 mei 1972, 93/71, Leonesio, ECLI:EU:C:1972:39, ro 5 en 22-23.
(15)HvJ 24 EU oktober 1973, 9/73, Schlüter, ECLI:EU:C:1973:110, ro 32; HvJ EU 11 januari 2001, C-403/98, Monte Arcosu, ECLI:EU:C:2001:6, ro 26-28; HvJ EU 24 juni 2004, C-278/02, Handlbauer, ECLI:EU:C:2004:388, ro 25-29.
(16)HvJ EU 17 september 2002, C-253/00, Muñoz en Superior Fruiticola, ECLI:EU:C:2002:497, ro 27-32; K. LENAERTS EN P. VAN NUFFEL, 590, nr. 771.
(17)P. Van NUFFEL, “Technieken van doorwerking van EU-recht in het Belgische privaatrecht” in I. SAMOY, V. SAGAERT en E. TERRYN (eds.), Invloed van het Europees recht op het Belgisch privaatrecht, Antwerpen, Intersentia 2012, 9, nr. 11.
(18)Cfr. Cass. 1 februari 2019, AR C.18.0350.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2, AC 2019, nr. 64; Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11, AC 2016, nr. 189; Cass. 14 december 2012, AR C.12.0018.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4, AC 2012, nr. 690; Cass. 28 september 2012, AR C.12.0049.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8, AC 2012, nr. 500, met concl. van advocaat-generaal Ch. VANDEWAL; Cass. 29 september 2011, AR C.10.0349.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1, AC 2011, nr. 514, met concl. van advocaat-generaal Ch. VANDEWAL; Cass. 31 januari 2011, AR C.10.0123.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110131.3, AC 2011, nr. 88; Cass. 1 februari 2010, AR S.09.0064.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5, AC 2010, nr. 77, met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; Cass. 28 september 2009, AR C.04.0253.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090928.6, AC 2009, nr. 529, met concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT op datum in Pas.; Cass. 28 mei 2009, AR C.08.0066.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.9, AC 2009, nr. 356; Cass. 28 mei 2009, AR C.06.0248.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.8, AC 2009, nr. 355, met concl. van advocaat-generaal A. HENKES op datum in Pas.
(19)Cf. HvJ EU 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81, ECLI:EU:C:1982:335, ro 10, 13 , 14 en 16 en HvJ EU 9 september 2015, Ferreira da Silva/Portugal, C-160/14, ECLI:EU:C:2015:565, ro 29. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210507.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210507.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090928.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110131.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2 ECLI:EU:C:1971:122 ECLI:EU:C:1972:39 ECLI:EU:C:1973:110 ECLI:EU:C:1978:49 ECLI:EU:C:1982:335 ECLI:EU:C:1991:1 ECLI:EU:C:1992:311 ECLI:EU:C:1997:196 ECLI:EU:C:1997:471 ECLI:EU:C:2001:6 ECLI:EU:C:2002:497 ECLI:EU:C:2004:388 ECLI:EU:C:2007:21 ECLI:EU:C:2011:484 ECLI:EU:C:2015:565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div