← België

ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210514.1N.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210514.1N.5 Rolnummer: C.20.0374.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-01-31 Raadplegingen: 671 - laatst gezien 2026-06-19 05:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210514.1N.5 Fiche De overeenkomst tussen bedinger en belover is de bron en de maat van de rechten van de derde-begunstigde, zodat deze rechten onderworpen zijn aan de in de overeenkomst bepaalde modaliteiten en beperkingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - BESTANDDELEN - Toestemming Vrije woorden: Derde - Begunstigde - Rechten - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1121 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.20.0374.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  1. Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat tweede eiseres bij verweerster een verzekering individuele pensioentoezegging afsloot in het kader waarvan eveneens een aanvullende verzekering werd afgesloten inzake arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door ziekte of ongeval. Na een aangifte door eerste eiser van een periode van arbeidsongeschiktheid die door verweerster werd aanvaard, verzocht verweerster om een attest van werkhervatting. Eerste eiser hervatte het werk niet en werd in de daaropvolgende maanden tot drie maal toe onderzocht door de raadsgeneesheer van verweerster die telkenmale tot de conclusie kwam dat er geen aanleiding tot tussenkomst van verweerster was. Eerste eiser bestreed telkens dit standpunt van verweerster en ging uiteindelijk samen met tweede eiser over tot dagvaarding van verweerster. Zowel voor de eerste rechter als voor de appelrechter vorderen zij onder andere de nietigheid van artikel 11 van de algemene polisvoorwaarden, dat betrekking heeft op de wijze waarop de arbeidsongeschiktheid wordt bepaald en op de medische expertise. Net zoals de eerste rechter besluit de appelrechter niet tot de nietigheid van voormeld artikel van de polisvoorwaarden. Tegen dit arrest van 5 maart 2020 van het hof van beroep te Gent voeren eisers één middel aan.
  2. Bespreking. 2.
  3. In voormeld artikel 11 van de algemene polisvoorwaarden wordt de procedure vastgelegd voor het bepalen van de graden en de duur van de arbeidsongeschiktheid. Relevant in het kader van het thans aangevoerde middel is dat wanneer de aangeslotene de beslissing van de verzekeraar niet aanvaardt, deze betwisting wordt voorgelegd aan twee geneesheren, de ene gekozen door de aangeslotene, de andere door de verzekeraar. Indien beide niet overeenkomen kiezen zij een derde deskundige die bij ontstentenis van een meerderheidsbeslissing de doorslaggevende stem heeft. Wanneer een van beide partijen geen deskundige aanstelt of beide deskundigen het niet eens zijn over de derde aan te stellen deskundige wordt deze aangesteld door de rechtbank. 2.
  4. In het eerste onderdeel voeren eisers aan dat het recht op lichamelijke integriteit geen minnelijke medische expertise verbiedt voor zover de persoon die aan de expertise wordt onderworpen hiertoe niet gedwongen wordt. Een geoorloofde minnelijke medische expertise vereist bijgevolg een vrije en geïnformeerde toestemming van die persoon. Het is de verzekeringnemer en de verzekeraar evenwel niet geoorloofd het bedongen recht op de verzekeringsprestatie zonder toestemming van de begunstigde te onderwerpen aan een minnelijke medische expertise ingeval van medische betwisting. Eisers voeren dan ook aan dat de appelrechter die niet vaststelt dat eerste eiser heeft ingestemd met dit beding dat tussen tweede eiser en verweerster werd bedongen, zijn beslissing dat het beding niet nietig is niet naar recht verantwoordt. In het tweede onderdeel bouwen eisers hierop verder en voeren zij aan dat er geen sprake kan zijn van echte of vrije keuze als de betrokkene zijn toestemming niet kan weigeren of intrekken zonder nadelige gevolgen. Zij voeren aan dat de appelrechter die vaststelt dat de minnelijke medische expertise een dwingend karakter heeft en de weigering van toestemming door eerste eiser het verlies van het recht op verzekeringsprestaties tot gevolg heeft, zijn beslissing dat eerste eiser vrijelijk kan toestemmen in een minnelijke medische expertise niet naar recht verantwoordt. Het middel gaat aldus uit van de idee dat het recht op lichamelijke integriteit een minnelijke medische expertise toelaat voor zover de onderzochte persoon niet tot de expertise wordt gedwongen zonder zijn voorafgaande, vrije en geïnformeerde toestemming en met dien verstande dat die weigering zelf geen (negatief) rechtsgevolg heeft. 2.3 Het verbod van dwanguitvoering tegen de persoon en het verbod van het binnendringen in het gebied van de persoonlijkheid maakt, aldus uw Hof, een algemeen rechtsbeginsel uit. Dit verbod houdt in dat elke fysische dwanguitoefening op een persoon, onder meer om hem tot een daad te dwingen of zich aan een lichamelijk of geestesonderzoek te onderwerpen, verboden is. Evenwel is dit recht op lichamelijke integriteit niet onbeperkt en moet dit uitgelegd worden in het licht van andere fundamentele rechten, zoals bepaald in artikel 8 EVRM. De rechter mag de weigering om zich aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen beoordelen en mag uit de weigering zonder rechtmatige reden een feitelijk vermoeden afleiden
(1). In de zaak die voorligt zou de druk op eiser om het recht op lichamelijke integriteit prijs te geven opgevoerd worden door het kunnen innen van de arbeidsongeschiktheidsvergoeding die verweerster uitkeert. Aangevoerd wordt dat een weigering hoe dan ook negatieve financiële gevolgen voor eiser zou hebben zodat de door hem gegeven toestemming niet vrij is. Met de redenen die het arrest bevat oordeelt de appelrechter dat eerste eiser verzekerde-begunstigde is, hij binnen de minnelijke medische expertise het recht blijft behouden bepaalde onderzoeken te weigeren, het van de aard en de risico's van de voorgestelde onderzoeken zal afhangen of deze weigering terecht gebeurt en al dan niet negatieve gevolgen zou kunnen hebben, hierdoor het zelfbeschikkingsrecht noch het recht op lichamelijke integriteit worden aangetast, indien de rechten van eerste eiser bij uitvoering van de overeenkomst zouden geschonden worden hij zich steeds tot de rechter kan wenden en hij bij onterechte weigering van medewerking aan de expertise zijn recht op vergoeding verliest nu hij de voorwaarden om vergoeding te bekomen niet naleeft. De appelrechter oordeelt aldus dat een terechte weigering om mee te werken aan de minnelijke medische expertise mogelijk is zonder de vrees de arbeidsongeschiktheidsvergoeding kwijt te spelen. Aan een onterechte weigering wordt daarentegen wel een nadelig gevolg verbonden. Het terecht of onterecht karakter van de weigering geeft de rechter vorm door de ernst van de inmenging in de lichamelijke integriteit af te wegen tegen het belang dat de medecontractant heeft bij de uitvoering in natura. Een terechte weigering wordt aanzien als een weigering waarbij de weegschaal overhelt naar de kant van de inmenging in de lichamelijke integriteit, eerder dan naar de belangen van de verzekeraar. De weigering is onterecht als de voorgestelde onderzoeken een beperkte inmenging in de lichamelijke integriteit inhouden in verhouding tot het belang van de verzekeraar om zich te kunnen verweren. Uit wat voorafgaat volgt dat de appelrechter oordeelt dat enkel een onterechte weigering leidt tot verlies van het recht op de verzekeringsprestaties. Het tweede onderdeel dat de appelrechter verwijt te hebben geoordeeld dat de eiser vrij kan instemmen in een minnelijke medische expertise niettegenstaande zijn vaststelling dat een weigering door eiser zelf het verlies van het recht op verzekeringsprestaties tot gevolg heeft mist bijgevolg feitelijke grondslag. 2.4. In zoverre het eerste onderdeel aanvoert dat de bedinger en de belover geen ongeoorloofde voorwaarde kunnen verbinden aan de begunstiging van een derde, is de grief afgeleid van de in het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde reden dat het beding geoorloofd is aangezien een derde begunstigde nog steeds zijn toestemming kan geven tot deelname aan de expertise, ongeacht het eraan verbonden rechtsgevolg van het verlies van dekking. Voorts voeren eisers aan dat de bedinger de derde-begunstigde niet kan verbinden aan een beding tot minnelijke medische expertise zonder toestemming van de begunstigde. De begunstigde zou aldus voorafgaandelijk moeten toestemmen met een beding tot minnelijke medische expertise als modaliteit van zijn rechtstreeks en eigen recht dat hij put uit het derdenbeding. Deze redenering kan mijns inziens niet gevolgd worden. Het eigen en rechtstreeks recht van de derde op grond van een derdenbeding ontstaat onmiddellijk bij de contractsluiting tussen de bedinger en de belover, zelfs zonder dat de derde kennis heeft van het derdenbeding
(2). Het recht ontstaat voor de derde "sans qu'il intervienne ou agisse quoi que ce soit"
(3). Op dat ogenblik hoeft de derde niet wils- of handelingsbekwaam te zijn
(4), hij hoeft op dat moment zelfs nog niet te bestaan of bepaald te zijn
(5). De derde hoeft dus niet toe te stemmen met het derdenbeding
(6). Toestemming is evenmin vereist als de derde-begunstiging is verbonden aan modaliteiten en beperkingen. De derde kan de begunstiging genieten in de mate dat en in de vorm die de belover en de bedinger zijn overeengekomen
(7). Met andere woorden, de dekkingsverhouding is de bron en de maat van het eigen recht van de derde-begunstigde
(8). De derde heeft wel de keuze om de begunstiging via een derdenbeding al dan niet te "aanvaarden"
(9). Een aanvaarding maakt evenwel het derdenbeding onherroepelijk
(10). Vanaf de aanvaarding is dus geen wijziging zonder toestemming van de derde meer mogelijk
(11). Uit wat voorafgaat volgt dat in zoverre het tweede onderdeel aanvoert dat de bedinger en de belover de derde begunstigde niet zonder zijn toestemming kunnen verbinden aan de voorwaarde om ingeval van medische betwisting een minnelijke medische expertise uit te voeren, dit standpunt faalt naar recht. Conclusie: verwerping. _________________________
(1)Cass. 17 december 1998, AR C.96.0182.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.3, AC 1998, nr. 525.
(2)N. CARETTE en V. WITHOFS, "Gevolgen voor derden van de overeenkomst" in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 620 ("Bovendien heeft het nieuwe recht van de begunstigde een onmiddellijk karakter in die zin dat het louter krachtens en op het ogenblik van het sluiten van de dekkingsverhouding tussen de bedinger en de belover ontstaat, zonder enige tussenkomst van de begunstigde of zelfs zonder zijn medeweten"); R. FELTKAMP en E. WELLEKENS, Beding ten behoeve van een derde in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2012, losbl., 14 ("Voor de rechtsgeldige totstandkoming van het beding is evenmin vereist dat de derde-begunstigde zijn instemming geeft, hij hoeft zelfs geen wetenschap te hebben van het beding").
(3)H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome II, Brussel, Bruylant, 1964, 668-669; Zie ook: N. CARETTE en V. WITHOFS, "Gevolgen voor derden van de overeenkomst" in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 620; R. FELTKAMP en E. WELLEKENS, Beding ten behoeve van een derde in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2012, losbl., 5 ("Eigen aan het beding ten behoeve van een derde is dat deze rechtsverhouding tot stand komt als gevolg van de tussen de bedinger en belover gesloten overeenkomst, zonder dat deze derde hierbij moet tussenkomen. De derde-begunstigde is geen partij bij de overeenkomst tussen de bedinger en de belover en het is niet vereist dat hij instemt met het beding opdat zijn recht in zijn persoon zou ontstaan").
(4)N. CARETTE, "Krachtlijnen van het derdenbeding" in N. CARETTE (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, 10.
(5)Artikel 77, tweede lid Wet Verzekeringen; N. CARETTE, "Krachtlijnen van het derdenbeding" in N. CARETTE (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, 10; N. CARETTE en V. WITHOFS, "Gevolgen voor derden van de overeenkomst" in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 618; L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 353; R. FELTKAMP en E. WELLEKENS, Beding ten behoeve van een derde in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2012, losbl., 13; C. VAN SCHOUBROECK, T. MEURS, J. AMANKWAH en N. GILBERT, "Overzicht van rechtspraak. Wet op de landverzekeringsovereenkomst 2004-2015", TPR 2016, 852. Zie ook: Cass. 31 januari 1895, Pas. 1895, 84 (een onbepaalde aanwijzing van de derde, zodat van derdenbeding geen sprake is); Cass. 25 mei 2018, JLMB 2019, 208, RW 2018-19, 1261, noot ("Si la stipulation pour autrui exige que le tiers bénéficiaire soit déterminé ou, à tout le moins, déterminable, elle ne requiert pas que ce tiers soit nommément mentionné dans la convention qui la contient ou dans une autre convention").
(6)Cass. 13 januari 1967, AC 1967, 577, Pas. 1967, 571 ("Overwegende dat daar in een dergelijke overeenkomst de aanvaarding door de begunstigde niet noodzakelijk is om tegen de belover het uit dit geding [sic] ontstane recht uit te oefenen [...]"); N. CARETTE, "Krachtlijnen van het derdenbeding" in N. CARETTE (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, 12; N. CARETTE en V. WITHOFS, "Gevolgen voor derden van de overeenkomst" in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 615 ("Het derdenbeding betreft aldus geen driepartijenovereenkomst, maar een driepartijenrelatie tussen de bedinger, de belover en de begunstigde"); R. FELTKAMP en E. WELLEKENS, Beding ten behoeve van een derde in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2012, losbl., 14 ("Kenmerkend voor het beding ten behoeve van een derde is dat het beding rechtsgeldig tot stand komt zonder dat hiertoe enige tussenkomst van de derde vereist is. Indien de tussenkomst van de derde-begunstigde noodzakelijk zou zijn om het recht in zijn voordeel te doen ontstaan, zou het beding ten behoeve van een derde geen uitzondering zijn op de relativiteit van de interne gevolgen van de overeenkomst"); V. WITHOFS, Contractsoverdracht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 71 ("In tegenstelling tot de delegatie is er aldus geen sprake van een driepartijenovereenkomst, maar van een driepartijenverhouding").
(7)N. CARETTE, Derdenbeding, Antwerpen, Intersentia, 2011, 678 e.v. ("De aard en kenmerken en de inhoud en omvang van het recht van de begunstigde blijken aldus, in alle onderzochte rechtstelsels, uit de dekkingsovereenkomst"); N. CARETTE, "Krachtlijnen van het derdenbeding" in N. CARETTE (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, 2 ("Het derdenbeding is een gemeenrechtelijke rechtsfiguur waarvan de partijen het voorwerp naar goeddunken kunnen invullen") en 15 ("Uit het basisinzicht dat het recht van de begunstigde is ontleend aan de verbintenis van de belover tegenover de bedinger (ten gunste van de begunstigde derde), volgt dat de belover tegenover de begunstigde is verbonden voor zover en in de mate dat hij zich daartoe tegenover de bedinger heeft verbonden. Het recht van de begunstigde is gemodelleerd naar de verbintenis van de belover tegenover de bedinger" e.v.); N. CARETTE en V. WITHOFS, "Gevolgen voor derden van de overeenkomst" in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 621 ("De dekkingsverhouding tussen de bedinger en de belover bepaalt volledig de inhoud, de omvang en de geldigheid van het recht van de begunstigde"); L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 355 ("de dekkingsverhouding [...] die niet alleen de grondslag, maar ook de maat van het beding is"); R. FELTKAMP en E. WELLEKENS, Beding ten behoeve van een derde in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2012, losbl., 24 ("Daarenboven kan de belover, aangezien de overeenkomst tussen de bedinger en de belover de maat is van het beding ten behoeve van een derde, zich ten aanzien van de derde-begunstigde beroepen op de modaliteiten opgenomen in de overeenkomst voor zover blijkt dat partijen de bedoelingen hebben gehad deze ook te laten gelden voor het beding ten behoeve van de derde"); M.E. STORME, "Het recht inzake meerpartijenverhoudingen in het ontwerp-GRK vergeleken met het Belgische recht (vertegenwoordiging, derdenbeding, cessie, subrogatie, borgtocht, garantie, delegatie)", TPR 2009, 1053 ("Wel is het zowel in de traditionele Belgische als in de meer coherente opvatting zo dat de inhoud en modaliteiten van die verbintenis (waaronder ook de herroepingmogelijkheden) in beginsel bepaald worden door de uitleg van de overeenkomst tussen bedinger en belover"); V. WITHOFS, Contractsoverdracht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 72-73 ("De dekkingsverhouding bepaalt volledig de inhoud, de omvang en de geldigheid van het recht van de begunstigde").
(8)H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome II, Brussel, Bruylant, 1964, 676 (met verwijzing naar DEMOGUE: "le contrat originaire est à la fois la source et la mesure du droit du tiers bénéficiaire"). Zie ruimer uitgewerkt: N. CARETTE, Derdenbeding, Antwerpen, Intersentia, 2011, 678 e.v.; N. CARETTE, "Krachtlijnen van het derdenbeding" in N. CARETTE (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, 15-19.
(9)"Aanvaarden" is veeleer "déclarer vouloir en profiter" (H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome II, Brussel, Bruylant, 1964, 669). Zie ook: R. FELTKAMP en E. WELLEKENS, Beding ten behoeve van een derde in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2012, losbl., 5 ("heeft verklaard er gebruik van te willen maken").
(10)Cass. 2 mei 1930, Pas. 1930, 193, noot P.L; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome II, Brussel, Bruylant, 1964, 670.
(11)N. CARETTE, "Krachtlijnen van het derdenbeding" in N. CARETTE (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, 15. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210514.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210514.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.