← België

CITY MOTORS GROEP nv contra VLAAMSE GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 mei 2021 ECLI

Art. 1

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 354 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.3.3.0.1, § 1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Belastingwet - Niet-terugwerkende kracht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 354 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.3.3.0.1, § 1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Allerlei - Algemene rechtsbeginselen - Werking in de tijd - Niet-terugwerkende kracht van een wet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 354 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.3.3.0.1, § 1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de conclusie F.19.0137.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:

  1. Situering. 1.
  2. Aan de orde in de onderhavige zaak is de vraag naar de werking van de fiscale wet in de tijd en in het bijzonder de vraag naar het temporeel toepassingsgebied van, enerzijds de regels inzake onroerende voorheffing zoals voorzien in het WIB92 en, anderzijds, de regels inzake onroerende voorheffing voorzien in de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dewelke met ingang van 1 januari 2014 de regels uit het WIB92 vervangen. Het bodemgeschil heeft betrekking op de onroerende voorheffing verschuldigd voor de inkomsten 2012, aanslagjaar
  3. Deze belasting werd door de administratie pas ingekohierd op 12 november
  4. Zowel het WIB92 als de Vlaamse Codex Fiscaliteit lijken een dergelijke aanslag bijna drie jaar na beëindiging van het aanslagjaar mogelijk te maken. Uit artikel 354, derde lid WIB92 volgt immers dat de onroerende voorheffing mag worden gevestigd gedurende vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is. In dezelfde zin bepaalt artikel 3.3.3.0.1, § 1, Vlaamse Codex Fiscaliteit dat de belasting of de aanvullende belasting voor de onroerende voorheffing mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de belasting verschuldigd is. 1.
  5. In het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent dd. 25 juni 2019 oordelen de appelrechters dat de aanslag rechtsgeldig werd gevestigd, gelet op artikel 3.3.3.0.1, § 1 Vlaamse Codex Fiscaliteit. Zij beschouwen artikel 3.3.3.0.1, § 1 als temporeel toepasselijk, aangezien “een nieuwe wet, zoals artikel 3.3.3.0.1 VCF, in beginsel onmiddellijke toepassing krijgt. Aangezien de (vijfjarige) aanslagtermijn nog niet was verstreken op 1 januari 2014 was artikel 3.3.3.0.1 VCF onmiddellijk van toepassing, als gevolg waarvan moet worden besloten dat de (in artikel 3.3.3.0.1 VCF opgenomen vijfjarige) aanslagtermijn op het ogenblik van het vestigen van de aanslag voor aanslagjaar 2012 nog niet verstreken was op 12 november 2015.” Eiseres is echter van mening dat de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2012 in 2015 niet meer kon worden ingekohierd, gelet op de temporele werking van de relevante bepalingen van zowel het WIB92 als de Vlaamse Codex Fiscaliteit, en voert tegen voormeld arrest een middel tot cassatie aan.
  6. Bespreking van het enig middel. (…) TWEEDE ONDERDEEL 2.
  7. In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat het nieuwe artikel 3.3.3.0.1, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit niet retroactief kon worden toegepast op de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2012 aangezien de belasting voor de onroerende voorheffing voor dat aanslagjaar definitief was ontstaan op 31 december 2012, terwijl het nieuwe artikel 3.3.3.0.1 pas in werking is getreden op 1 januari 2014 en nieuwe fiscale bepalingen niet retroactief kunnen worden toegepast op een belasting die definitief is ontstaan onder de oude wet. (Schending van de artikelen 1, van het Burgerlijk Wetboek, 254, WIB92, 2.1.2.0.1, 2.1.7.0.1, 3.3.2.0.1, eerste lid, 1° en tweede lid, 1°, 3.3.3.0.1, § 1, en 7.0.0.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit en van het algemeen rechtsbeginsel van de niet terugwerkende kracht van een belastingwet). 2.
  8. Er gelden geen bijzondere regels inzake de werking van de wet in de tijd in fiscale aangelegenheden zodat er naar de gemeenrechtelijke regels inzake de werking van de wet in de tijd dient teruggegrepen

(1). Artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek (voorheen artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek) bepaalt dat de wet alleen beschikt voor het toekomende; zij heeft geen terugwerkende kracht. Dit principe is van suppletief recht. De nieuwe wet heeft derhalve, behoudens andersluidende (uitdrukkelijke of stilzwijgende, maar zekere) wetsbepaling in die zin, geen terugwerkende kracht. De niet-retroactieve werking van de wet wordt als een algemeen rechtsbeginsel beschouwd.
(2)De ratio achter het principe van de niet-retroactieve werking van de nieuwe wet is dat, omwille van redenen van rechtszekerheid, nieuwe wetgeving of wijzigingen in de wetgeving geen afbreuk mogen doen aan vroeger verworven rechten
(3). 2.5. Uit het principe van niet-retroactieve werking van de nieuwe wet vloeit volgens de rechtspraak van Uw Hof logischerwijs een ander principe voort, m.n. het principe van de onmiddellijke werking van de nieuwe wet, dat overigens door Uw Hof als een algemeen rechtsbeginsel wordt beschouwd. Het principe van de onmiddellijke werking van de nieuwe wet houdt in dat de nieuwe wet niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding zijn ontstaan, maar ook onmiddellijk van toepassing is op de toekomstige gevolgen van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet ontstane of veroorzaakte toestanden die zich voordoen onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten
(4). Toestanden die onder vigeur van de vroegere wet definitief zijn geworden, vallen niet onder de nieuwe wet
(5). 2.6. Om deze principes toe te passen in het fiscaal recht moet er m.i. een onderscheid worden gemaakt tussen het materieel en het formeel ontstaan van een belastingschuld: - Een belastingschuld ontstaat materieel door het definitief voltrekken van het belastbaar feit. Uw Hof oordeelde dat een belastingschuld inzake inkomstenbelastingen materieel definitief ontstaat (of dat het belastbaar feit zich definitief voltrekt) op het einde van het belastbaar tijdperk, i.e. op de datum van het afsluiten van de periode waarvan het inkomen de belastbare grondslag zal uitmaken
(6). Het belastbaar feit is met andere woorden definitief op de laatste dag van het belastbaar tijdperk om 24h
(7). Het belastbaar inkomen en de daarop slaande belastingschuld zijn immers op het einde van het belastbaar tijdperk gekend en dus ontstaat op dat ogenblik een onherroepelijk vastgestelde toestand. Vóór het einde van het belastbaar tijdperk ontstaat geen onherroepelijk vastgelegde toestand
(8). - Een belastingschuld ontstaat formeel door vestiging of inkohiering van de belastingschuld, waardoor de belastingschuld zeker, vaststaand en opeisbaar wordt
(9). Het formeel ontstaan van de belastingschuld leidt ertoe dat de belastingschuld invorderbaar is. 2.7. In de rechtsleer wordt een onderscheid gemaakt voor wat de werking van de nieuwe (fiscale) wet in de tijd betreft tussen enerzijds de nieuwe fiscale wet die nieuwe materiële regels (m.b.t. de belastbare grondslag, het toepasselijk tarief, etc.) invoert en anderzijds de nieuwe fiscale wet die nieuwe procedurele regels (inzake controle, opsporing, vestiging of invordering, ...) van toepassing maakt. De regel dat de nieuwe (fiscale) wet niet van toepassing is op inkomsten, rechtshandelingen of materiële feiten die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet definitief voltrokken of verworven waren, zou enkel gelden voor nieuwe (fiscale) wetten die nieuwe materiële regels introduceren, maar zou moeten worden genuanceerd voor nieuwe (fiscale) wetten die nieuwe procedurele regels introduceren. Wanneer een nieuwe wet proceduremaatregelen wijzigt, zouden die nieuwe maatregelen onmiddellijk van toepassing zijn voor de controle van de belastbare grondslag, zelfs wanneer de belastingschuld reeds vóór de nieuwe wet was ontstaan, en voor het invorderen van rechten welke de fiscus reeds onder de oude wet verkregen had, tenzij daarmee afbreuk wordt gedaan aan definitief verworven rechten. Deze nuancering voor wat de werking in de tijd van nieuwe procedurele maatregelen betreft, zou geen echte uitzondering op het principe van retroactiviteit zijn, aangezien de nieuwe regel wordt toegepast op rechten die de fiscus reeds verkregen heeft en aangezien om de rechtszekerheid en stabiliteit veilig te stellen – ratio achter het beginsel van non-retroactiviteit – alleen de bepalingen die de inhoud van de belastingschuld regelen, onveranderd moeten blijven en niet achteraf met terugwerking mogen worden gewijzigd. De nieuwe procedurele wet verandert de materiële belastingschuld niet. Van verworven rechten van de belastingplichtige is er in dit geval geen sprake
(10). 2.8. Het voormelde in de rechtsleer gemaakte onderscheid vindt bevestiging in de rechtspraak van Uw Hof. Zo overweegt Uw Hof in een arrest van 7 oktober 2008 dat inzake de belastingen de materiële regels moeten worden toegepast die van kracht waren op het ogenblik dat de belasting moest worden gevestigd
(11). Daarmee lijkt Uw Hof te willen aangeven dat er een onderscheid bestaat tussen materiële en procedurele fiscale rechtsregels en dat zij van elkaar moeten worden onderscheiden voor wat de werking van de wet in de tijd betreft. Dat is zeker het geval wanneer men het arrest leest in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake douaneschulden waarnaar in het arrest wordt verwezen. In het arrest Molenbergnatie stelde het Europees Hof van Justitie met betrekking tot douaneschulden het volgende: “Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak proceduregels in het algemeen worden geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële rechtsregels, die doorgaans worden geacht niet te gelden met betrekking tot vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities (…). Derhalve dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de materiële regels en de procedureregels. Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om op de aan de douaneschulden ten grondslag liggende feiten van het hoofdgeding die zich vóór de datum van de inwerkingtreding van het wetboek hebben voorgedaan, enerzijds de materiële voorschriften van de vóór deze datum geldende regeling en anderzijds de procedurevoorschriften van het douanewetboek toe te passen”
(12). In een arrest van 20 mei 2010 oordeelde Uw Hof: “Wetten die nieuwe procesrechtelijke regels invoeren, hebben bijgevolg, in beginsel onmiddellijke werking. Daden van tenuitvoerlegging zijn geregeld door procesrechtelijke bepalingen en vallen bijgevolg onder de vigeur van de wet die van toepassing is op het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging plaatsvindt”
(13)
(14). Zo ook oordeelde Uw Hof in een arrest van 11 februari 2013, nadat het de regel over de onmiddellijke werking van de wet in de tijd had herhaald: “Behoudens wanneer de toestand van de belastingplichtige definitief is geworden, is een nieuwe wet die de voorwaarden wijzigt waaronder het bestuur een vervangende of een subsidiaire aanslag kan vestigen, vanaf de datum van haar inwerkingtreding van toepassing op de aanslagen die na een vernietiging door het bestuur of door de rechter opnieuw kunnen worden gevestigd, zelfs indien de belastingschuld reeds ontstaan was voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet”
(15). 2.9. In voorliggend geval oordelen de appelrechters: “Een nieuwe wet, zoals artikel 3.3.3.0.1 VCF, krijgt in beginsel onmiddellijke toepassing. Aangezien de (vijfjarige) aanslagtermijn nog niet was verstreken op 1 januari 2014 was artikel 3.3.3.0.1 onmiddellijk van toepassing, als gevolg waarvan moet worden besloten dat de (in artikel 3.3.3.0.1 VCF opgenomen vijfjarige) aanslagtermijn op het ogenblik van het vestigen van de aanslag voor aanslagjaar 2012 nog niet was verstreken op 12 november 2015.” De beslissing dat de aanslag rechtsgeldig werd gevestigd lijkt mij aldus naar recht verantwoord nu
(1)artikel 3.3.3.0.1. een procedureregel betreft die een onmiddellijke werking heeft en
(2), ook al was de materiële belastingschuld reeds ontstaan, op het ogenblik dat de Vlaamse Codex Fiscaliteit in werking trad de voorheen toepasselijke aanslagtermijn van artikel 354 WIB92 nog niet verstreken was, zodat de mogelijkheid tot formalisering van de belastingschuld nog niet als definitief verstreken kon worden beschouwd. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. 3. Besluit: Verwerping. ________________________________
(1)Concl. van advocaat-generaal. HENKES bij cass. 14 maart 2008, AR F.07.0067.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1, AC 2008, nr. 184, op datum in Pas.; P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd: vaststelling en beoordeling van temporele functies, Gent, Story-Scientia, 1999, 84.
(2)Cass. 21 februari 2003, AR F.01.0016.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.5, AC 2003, nr. 127.
(3)TIBERGHIEN, Manuel de droit fiscal 2018-2019, Luik, Wolters Kluwer Belgium, 2019, 32-33; J. VAN HOUTTE en I. CLAEYS BOÚÚAERT, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Gent, Story-Scientia, 1979, 151.
(4)Cass. 7 oktober 2008, AR P.08.0570.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.2, AC 2008, nr. 570; Cass. 26 mei 2005, AR C.04.0215.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050526.4, AC 2005, nr. 298; Cass. 20 januari 2005, AR C.03.0189.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050120.20, AC 2005, nr. 42; Cass. 9 september 2004, AR C.03.0492.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040909.26, AC 2004, nr. 399; Cass. 21 februari 2003, AR F.01.0016.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.5, AC 2003, nr. 127; Cass. 25 mei 2000, AR F.98.0092.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000525.11, AC 2000, nr. 325.
(5)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.0261.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3, AC 2017, nr. 139; Cass. 14 maart 2005, AR S.03.0040.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050314.12, AC 2005, nr. 155; Cass. 9 september 2004, AR C.03.0492.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040909.26, AC 2004, nr. 399; Cass. 21 mei 2004, AR C.03.0151.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040521.3, AC 2004, nr. 273; Cass. 24 mei 2002, AR F.00.0103.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020524.1, AC 2002, nr. 316; Cass. 27 september 1999, AR S.98.0132.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990927.4, AC 1999, nr. 484.
(6)Cass. 14 maart 2008, AR F.07.0067.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1, AC 2008, nr. 184, met gelijklopende concl. van advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas.; Cass. 3 maart 1953, RW 1953-54, 328; TIBERGHIEN, Manuel de droit fiscal 2018-2019, Luik, Wolters Kluwer Belgium, 2019, 32; S. VAN CROMBRUGGE, De aanpassing van het vennootschapsbelastingrecht aan het nieuwe vennootschapsrecht, Roeselare, Roularta, 2019, nr. 64; J. VAN HOUTTE en I. CLAEYS BOÚÚAERT, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Gent, Story-Scientia, 1979, 152.
(7)Concl. van advocaat-generaal Henkens bij Cass. 14 maart 2008, AR F.07.0067.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1, AC 2008, nr. 184, op datum in Pas.
(8)GwH 10 mei 2006, nr. 72/2006, B.6.3.
(9)Concl. van advocaat-generaal HENKES bij Cass. 14 maart 2008, AR F.07.0067.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1, AC 2008, nr. 184, op datum in Pas.; Cass. 9 juni 1995, AR F.93.0033.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950609.14, AC 1995, nr. 287; Cass. 20 december 1985, AR 4402, AC 1985, nr. 274.
(10)Zie in die zin: F. AMERIJCKX, “Non-retroactiviteit terzake van rijksbelastingen”, in Liber amicorum A. Tiberghien, Diegem, Kluwer, 1984, 17-18; S. VAN CROMBRUGGE, De aanpassing van het vennootschapsbelastingrecht aan het nieuwe vennootschapsrecht, Roeselare, Roularta, 2019, nr. 65; J. VAN HOUTTE en I. CLAEYS BOÚÚAERT, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Gent, Story-Scientia, 1979, 153-154.
(11)Cass. 7 oktober 2008, AR P.08.0570.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.2, AC 2008, nr. 527.
(12)HvJ 23 februari 2006, C-201/04, Belgische Staat v Molenbergnatie NV, § 31-34.
(13)Cass. 20 mei 2010, AR F.09.0055.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.8, AC 2010, nr. 356.
(14)Zie verder ook Cass. 3 maart 2006, AR C.04.0480.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060303.4, AC 2013, nr. 124.
(15)Cass. 11 februari 2010, AR C.08.0542.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.2, AC 2010, nr. 97. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950609.14 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990927.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000525.11 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020524.1 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030221.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040521.3 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040909.26 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050120.20 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050314.12 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050526.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060303.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.