← België

G. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.6 Rolnummer: F.20.0031.N Zaak: G. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2022-11-30 Raadplegingen: 1035 - laatst gezien 2026-06-18 23:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.6 Fiches 1 - 7 Het Hof stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en/of gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet in zoverre het buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid verkregen winst of baten belastbaar stelt, tenzij de winst of baten voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen?”

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Diverse inkomsten Vrije woorden: Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 170 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.20.0031.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering. Op 25 mei 2007 kocht eerste eiser twee wooneenheden en de overeenstemmende aandelen in de gemene delen van een gebouw voor een bedrag van 323.804 EUR. Eerste eiser sloot op dezelfde dag twee hypothecaire leningen af, ter financiering van de aankoop en de geplande verbouwingswerken, voor een bedrag van respectievelijk 200.000 EUR en 425.000 EUR, meer een bijkomend krediet van 57.500 EUR. Op 12 februari 2009 werd het onroerend goed in kwestie door eerste eiser verkocht aan de CVBA FIRST FLOOR voor het bedrag van 1.600.000 EUR. Op dat ogenblik waren de renovatiewerken nog aan de gang en bleek er een vordering in vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning aanhangig te zijn bij de Raad van State. Eerste eiser was bestuurder van de CVBA FIRST FLOOR, waarvan hij ook 100% van de aandelen bezat. De betwisting betreft de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2010 die door de administratie werd gevestigd in hoofde van eisers en waar bij de bekomen meerwaarde van 946.884,21 EUR bij de voormelde verkoop van het onroerend goed werd belast als divers inkomen in toepassing van artikel 90, 1°, WIB
  2. De rechtbank van eerste aanleg te Leuven verklaarde de fiscale vordering van eisers tot vernietiging, minstens ontheffing, van de aanslag ongegrond bij vonnis van 9 mei
  3. Dit vonnis werd bevestigd bij arrest van 21 mei 2019 van het hof van beroep te Brussel. Eisers komen op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  4. Bespreking van het enig middel. (...) TWEEDE ONDERDEEL 2.
  5. In het tweede onderdeel voeren eisers aan dat artikel 90, 1°, WIB92 strijdig is met het grondwettelijk gelijkheids- en legaliteitsbeginsel en derhalve niet mag worden toegepast omdat dit artikel een ontoelaatbare vaagheid, onvoorspelbaarheid, onzekerheid en ongelijkheid inhoudt. (Schending van het grondwettelijk gelijkheids- en legaliteitsbeginsel en de artikelen 10, 11, 170, 171 en 172 van de Grondwet en het artikel 90, 1° WIB92). 2.
  6. Op basis van artikel 170, § 1 van de Grondwet kan geen belasting ten behoeve van de Staat worden ingevoerd dan door een wet. Krachtens artikel 172 van de Grondwet kunnen inzake belastingen geen voorrechten worden ingevoerd en kan geen vrijstelling of vermindering van belasting worden ingevoerd dan door een wet. Op grond van het in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet neergelegde legaliteitsbeginsel inzake belastingen moeten de essentiële elementen van de belasting bij wet in voldoende duidelijke, precieze en ondubbelzinnige bewoordingen geformuleerd zijn. Het fiscale wettigheidsbeginsel vereist dat de belastingwet nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria bevat aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt wie belastingplichtig is en voor welk bedrag
(1). Tot de essentiële elementen van een belasting behoren enkel de identiteit van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastinggrondslag, het belastingtarief en de eventuele belastingvrijstellingen en -verminderingen
(2). Volgens het Grondwettelijk Hof moet iedere belastingplichtige met een minimaal niveau van voorzienbaarheid het belastingstelsel kunnen bepalen dat op hem zal worden toegepast
(3). 2.5. Deze vereiste van voldoende voorzienbaarheid komt ook naar voor in de rechtspraak van het EHRM dat oordeelde dat belastingen, die een inmenging in het eigendomsrecht vormen (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM), slechts kunnen worden ingevoerd bij een "wet" die voldoende toegankelijk is voor de betrokken personen, nauwkeurig en voorzienbaar is in haar toepassing
(4). Auteur VANDERKERKEN stelt dat uit de rechtspraak van het EHRM inzake de kwaliteitsvereisten van de wet in het algemeen geldt dat de wettelijke basis precies, toegankelijk en voorzienbaar moet zijn, zelfs indien hij geen formele wet uitmaakt, zodat de belastingplichtige zich op voorhand rekenschap kan geven van wat hij redelijkerwijze aan overheidsinmenging in zijn grondrechten kan verwachten en zodat de wijze van toepasbaarheid van de inmenging voor hem voorzienbaar is
(5). 2.6. Het komt mij voor dat het lex certa beginsel, waarop eisers zich beroepen en dat deel uitmaakt van het fiscaal legaliteitsbeginsel, een grondrecht is dat op analoge wijze wordt beschermd door zowel artikel 170 van de Grondwet als door artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Krachtens artikel 26, § 4, tweede lid 2° Bijz.W.GwH. kan Uw Hof in dergelijk geval weigeren een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer de Grondwet klaarblijkelijk niet is geschonden
(6). 2.7. In strafzaken oordeelde Uw Hof reeds dat aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen
(7). Verder oordeelde Uw Hof al eerder: "Het gegeven dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt is op zich niet strijdig met die vereiste van redelijke voorzienbaarheid. Er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben. Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling toepasselijk is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en zo nodig met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen"
(8). Deze rechtspraak lijkt mij transponeerbaar naar fiscale zaken. De belastingheffing is voorzienbaar voor een belastingplichtige wanneer het mogelijk is op grond van de wetsbepaling en zo nodig met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak de handelingen te kennen die belastbaar zijn. 2.8. Artikel 90,1° WIB92 bepaalt: "Diverse inkomsten zijn: 1° onverminderd het bepaalde in 8° en 10°, winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen". De Wet van 20 november 1962 voerde de bepaling in die men thans in artikel 90, 1° WIB92 terugvindt. Uit de voorbereidende werken van die wet blijkt dat de wetgever beoogde inkomsten belastbaar te stellen die voortkomen uit verrichtingen die niet kunnen worden belast als beroepsinkomsten omdat zij slechts occasioneel of toevallig waren, maar die anderzijds niet kunnen worden beschouwd als "normale verrichtingen van beheer van een privé vermogen". De wetgever achtte het immers onlogisch dat bijzonder winstgevende verrichtingen aan de belasting ontsnappen om de enige reden dat zij slechts eenmalig plaatsgrijpen. Inkomsten uit operaties die een bezigheid vormden zouden belastbaar blijven als beroepsinkomsten uit een winstgevende bezigheid, terwijl inkomsten uit operaties die geen bezigheid uitmaakten voortaan zouden worden belast op basis van de nieuwe bepaling
(9). Het begrip "normale verrichtingen van beheer van een privé vermogen" werd omschreven als daden die een goede huisvader verricht, niet alleen voor het dagelijks beheer, maar ook voor het rentabiliseren, het te gelde maken en het herbeleggen van de bestanddelen van zijn vermogen
(10). 2.9. Artikel 90, 1°, WIB92 heeft een zeer ruime strekking en treft alle inkomsten die buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid worden verkregen en voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden. De diverse inkomsten van artikel 90, 1° WIB92, zijn te aanzien als een restcategorie van inkomsten die de inkomsten omvatten die precies zonder dat artikel niet belastbaar zouden zijn omdat ze om bepaalde redenen niet vallen onder het belastingregime van de andere soorten belastbare inkomsten (uit onroerende goederen, uit roerende goederen of uit een beroepswerkzaamheid). Het principe is dus de belastbaarheid als diverse inkomsten van alle winsten en baten (buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid); de uitzondering op de principiële belastbaarheid is de vrijstelling voor de inkomsten die voortkomen uit de normale verrichtingen van beheer van een privévermogen, bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen. Het begrip "normale verrichtingen" is een evolutief begrip dat moet getoetst worden aan de feitelijke omstandigheden eigen aan het geval. De draagwijdte van dit begrip werd door de jaren heen ingevuld door de uitvoerige rechtspraak van de feitenrechters en ook van Uw Hof
(11). Niettegenstaande het begrip "normaal" voor interpretatie vatbaar is, stelt de rechtspraak dat het begrip door de rechtspraktijk voldoende verscherpt werd zodat het intussen geen vaag begrip meer is. Het feit dat de rechter in bepaalde omstandigheden die eigen zijn aan de zaak nog beschikt over een beoordelingsbevoegdheid, ontneemt aan de wet niet het voldoende nauwkeurige karakter om te voldoen aan het fiscale legaliteitsbeginsel
(12). Het komt mij dan ook voor dat artikel 90, 1° WIB92 een voldoende nauwkeurige en in haar toepassing voorspelbare fiscale wetsbepaling is en dat het fiscaal legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 170, § 1, Grondwet klaarblijkelijk niet is geschonden. De door eisers gesuggereerde prejudiciële vraag dient m.i. derhalve niet te worden gesteld. 2.
  1. Voor zover de gesuggereerde prejudiciële vraag betrekking heeft op de verenigbaarheid van artikel 90, 1° WIB92 met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, dient deze m.i. evenmin te worden gesteld nu niet wordt aangeduid welke categorieën van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden verschillend worden behandeld of welke categorieën van personen die zich in een verschillende situatie bevinden gelijk worden behandeld bij de toepassing van artikel 90, 1° WIB
  2. EERSTE ONDERDEEL 2.
  3. Uit de bespreking van het tweede onderdeel lijkt mij te volgen dat het eerste onderdeel, dat aanvoert dat het bestreden arrest onwettig beslist dat er geen reden is een prejudiciële vraag te stellen, omdat klaarblijkelijk de Grondwet niet geschonden wordt, terwijl de door eisers aangevoerde redenen klaarblijkelijk tot het tegendeel moeten doen besluiten, niet tot cassatie kan leiden en derhalve onontvankelijk is.
  4. Besluit: Verwerping. ____________________________
(1)GwH. 13 maart 2008, nr. 54/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.054; GwH. 30 maart 2010, nr. 32/2010, ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.032.
(2)GwH. 24 april 2008, nr. 72/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.072.
(3)GwH. 1 maart 2018, nr. 24/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.024.
(4)EHRM 7 juli 2011, Serkov t. Oekraïne, nr. 34, ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003976605; Zie ook J. VAN DYCK, "EHRM: belasting moet voldoende ‘voorzienbaar' zijn", Fiscoloog, 24 augustus 2014, nr. 1260, p. 8.
(5)C. VANDERKERKEN, "De rechtspraak van het EHRM waarbij de vereiste van de wettelijke basis wordt getoetst in fiscale zaken", in S. DE RAEDT en A. VAN DE VIJVER, Fiscale rechtspraakoverzichten Grondrechten in fiscalibus, Gent, Larcier 2016, p. 73, nr. 102.
(6)Zie bij vb. Cass. 22 mei 2012, AR P.11.01723.N, AC 2012, nr. 317, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6; Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N, AC 2011, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1.
(7)Zie in strafzaken: Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1031.N, AC 2021, nr 35. ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4.
(8)Cass. 23 juni 2015, AR P.14.0582.N, AC 2015, nr. 428, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.1.
(9)Parl. St. Kamer, 1961-62, verslag Parisis en Detiège, 264/42, 103-105.
(10)Parl. St. Senaat, 1961-1962, nr. 233, p. 147.
(11)Zie voor een rechtspraakoverzicht: L. DILLEN (ed), Handboek personenbelasting ed. 2017, Mechelen, Kluwer, 1233-1238.
(12)A. TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2017-2018, Mechelen, Kluwer, 2017, 334. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.054 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.072 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.032 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.024 ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003976605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.