id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.7 Rolnummer: F.19.0157.N Zaak: BELGISCHE STAAT FEDERALE OVERHEIDSDIENS c. TONY RUS AC Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-11-30 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-06-18 16:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.7 Fiche De in artikel 219, zevende lid, WIB92 bedoelde ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger vereist dat de belastingplichtige de administratie de identiteit van de verkrijger duidelijk en voldoende gedetailleerd heeft meegedeeld, zodat de administratie de mogelijkheid heeft binnen de toepasselijke aanslagtermijn een aanslag in hoofde van de verkrijger te vestigen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Afzonderlijke aanslagen - Allerlei Vrije woorden: Aanslag geheime commissielonen - Voorwaarden voor niet-toepassing - Ondubbelzinnige identificatie verkrijger - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 219 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.19.0157.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. De voorliggende betwisting heeft betrekking op twee aanslagen in de vennootschapsbelasting voor respectievelijk het aanslagjaar 2012 en
- Verweerster heeft als activiteit het plaatsen van automatische ontspanningstoestellen en gokautomaten in horecazaken en gokhallen. Zij sluit hiervoor overeenkomsten met de betrokken horecazaken waaraan zij facturen uitreikt waarbij 50% van de inkomsten van de toestellen wordt gefactureerd. De overeenkomst voorziet tevens in een exclusiviteitsvergoeding voor de betrokken horecazaken. Deze bonussen worden niet verantwoord middels individuele fiches en een samenvattende opgave. Verweerster reikt hiervoor aan de betrokken horecazaken creditnota's uit. Op 22 oktober 2014 werden aan verweerster twee berichten van wijziging van aangifte verzonden voor de aanslagjaren 2012 en 2013 waarbij werd aangekondigd dat een afzonderlijke aanslag geheime commissielonen zou worden gevestigd op de door verweerster betaalde commissielonen en bonussen waarvoor geen fiches 281.50 en geen samenvattende opgave 325.50 werd ingediend. Voor aanslagjaar 2012 betroffen het commissies voor een bedrag van 839.173,46 EUR en voor aanslagjaar 2013 voor een bedrag van 807.687,59 EUR. De toepassing van een belastingverhoging van 50% werd aangekondigd wegens onvolledige of onjuiste aangifte met het opzet de belasting te ontduiken. De aanslagen werden ingekohierd op 22 december
- Verweerster tekende bezwaar aan tegen de beide aanslagen. Op 15 juni 2016 legde verweerster een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, waarbij zij vorderde de bezwaarschriften ontvankelijk en gegrond te verklaren en de bestreden aanslagen te ontheffen. De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2012 voor een te betalen bedrag van 2.593.045,99 EUR en voor aanslagjaar 2013 voor een te betalen bedrag van 2.495.754,65 EUR en beval de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het ontheven gedeelte van de aanslag werden geïnd of ingehouden. De eerste rechter stelde dat het nieuwe artikel 219 WIB92 - dat in het 7de lid voorziet dat de geheime commissielonenaanslag niet wordt toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar - van toepassing is op het voorliggend geschil. De eerste rechter stelde vast dat uit het administratief dossier blijkt dat de genieters ondubbelzinnig geïdentificeerd werden binnen de gestelde termijn omdat ter zake creditnota's werden opgesteld waaruit alle gegevens bleken. De vordering werd derhalve gegrond verklaard. Bij arrest van 25 juni 2019 verklaarde het hof van beroep Antwerpen het hoger beroep van eiser ontvankelijk maar ongegrond. Eiser komt op tegen dit arrest met een middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL 2.
- Eiser voert aan dat de appelrechters, door te oordelen dat aan de ondubbelzinnige identificatie van de genieters was voldaan door de voorlegging van de creditnota's, terwijl dergelijke eenzijdig opgemaakte stukken niet elke redelijke twijfel uitsluiten, artikel 219, zevende lid, en 223, vierde lid, WIB92 miskennen, alsook, door op die gronden te oordelen dat de bijzondere aanslag niet mocht worden toegepast, de artikelen 219, eerste lid, en 223, eerste lid, 1°, WIB
- 2.
- Krachtens artikel 219, eerste lid, WIB92 wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57 en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard. Die aanslag is gelijk aan 100 pct. van die kosten, voordelen van alle aard, financiële voordelen en verdoken meerwinsten (lid 2). Krachtens artikel 219, zesde lid, WIB92 wordt deze aanslag niet toegepast indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger van de desbetreffende bedragen overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte. Krachtens artikel 219, zevende lid, WIB92 wordt deze aanslag, wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar. 2.
- De fiscale administratie hanteerde aanvankelijk een zeer streng standpunt met betrekking tot de interpretatie van het zevende lid van artikel 219 WIB
- Zij verwees daarvoor naar een zeer korte passage uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aanleiding zou geven tot het nieuwe artikel 219, zevende lid, WIB
- Die memorie van toelichting beperkt zich met betrekking tot het nieuwe zevende lid namelijk tot de volgende overweging: "Het zesde en zevende lid van artikel 219, WIB 92, bevatten de nieuwe voorwaarden betreffende de termijn voor het indienen van de aangifte door de verkrijger"
(1). Volgens de administratie zou uit die verduidelijking ‘zonder meer' voortvloeien dat de identificatie ‘op ondubbelzinnige wijze' van de verkrijger dezelfde juridische draagwijdte moet hebben als een aangifte zoals bedoeld in artikel 305 WIB92, of als een gelijkaardige aangifte in het buitenland, met uitzondering van de datum van indiening. Aldus achtte de administratie de voorwaarde van ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger te zijn nageleefd indien de administratie in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk akkoord van de verkrijger met vermelding van zijn identiteit, zijn nationaal nummer en het bedrag dat hij heeft verkregen
(2). Dit gestrenge standpunt van de administratie gaf aanleiding tot een parlementaire vraag aan de Minister van Financiën. In zijn antwoord op die vraag nam de minister duidelijk afstand van het standpunt van de administratie: "(...), wat uw eerste vraag betreft, kan ik u meedelen dat de omzendbrief waarnaar u verwijst inderdaad vermeldt dat de voorwaarde van ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger geacht wordt vervuld te zijn wanneer er een schriftelijk akkoord van de verkrijger is. Een dergelijk akkoord wordt echter als dusdanig niet door de wet opgelegd, maar is slechts een van de mogelijke voorbeelden waarin sprake kan zijn van zogenaamde ondubbelzinnige identificatie. Van ondubbelzinnige identificatie is er sprake wanneer er geen twijfel bestaat over de identiteit van de verkrijger en wanneer vaststaat dat het bedrag van de uitgaven, dat als beroepskosten is opgenomen, overeenstemt met het bedrag dat aan de verkrijger is betaald. Een niet-betwiste fiche 281 bijvoorbeeld, laat eveneens een dergelijke ondubbelzinnige identificatie toe. Ik zal mijn administratie dan ook de opdracht geven de omzendbrief in die zin aan te passen, zodat deze aansluit bij de duidelijke wettelijke bepalingen ter zake"
(3). In navolging hiervan zou de fiscale administratie haar standpunt wijzigen. In de administratieve commentaren bij artikel 219 WIB92 lezen we thans, in overeenstemming met het antwoord van de minister: "Er is sprake van een ondubbelzinnige identificatie wanneer er geen twijfel bestaat over de identiteit van de verkrijger en wanneer vaststaat dat het bedrag van de uitgaven, dat als beroepskosten is opgenomen, overeenstemt met het bedrag dat aan de verkrijger is betaald. Aan de voorwaarde van ondubbelzinnige identificatie is bijgevolg bijvoorbeeld voldaan indien de administratie in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk akkoord van de verkrijger met vermelding van zijn identiteit, zijn nationaal nummer en het bedrag dat hij heeft verkregen"
(4). Het is die laatste interpretatie van artikel 219, zevende lid, WIB92 die de fiscale administratie thans voor Uw Hof verdedigt. 2.
- Het eerste onderdeel betreft de interpretatie van de zinsnede ‘indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar', zoals in het zevende lid (ingevoegd bij Programmawet van 19 december 2014) wordt gehanteerd, en meer bepaald de vraag of een creditnota die eenzijdig door de belastingplichtige ten behoeve van de verkrijger werd opgesteld, kan volstaan opdat er sprake zou kunnen zijn van een ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger. Verweerster legde de fiscus namelijk creditnota's voor ter identificatie van de verkrijgers van een voordeel. Eiser argumenteert - in overeenstemming met voormeld administratief standpunt - dat een creditnota, zijnde een door eiser eenzijdig opgesteld stuk - niet alle redelijke twijfel over de identiteit van de verkrijgers uitsluit en de verkrijgers derhalve niet op ondubbelzinnige wijze identificeert in de zin van artikel 219, zevende lid, WIB
- 2.
- Uitgangspunt bij de interpretatie van een fiscale wetsbepaling is dat zij moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig haar letterlijke bewoordingen en dat zij derhalve strikt moet worden geïnterpreteerd, zij het dat dat beginsel van strikte interpretatie er niet aan in de weg staat dat een fiscale wetsbepaling wordt geïnterpreteerd rekening houdend met het geheel van wetsbepalingen van de wet waarin de te interpreteren wetsbepaling is opgenomen
(5). Blijkt de tekst ambigu te zijn, dan kan men op basis van de parlementaire voorbereidingen op zoek gaan naar de bedoeling van de wetgever. In geval van blijvende twijfel, dient een wetsbepaling te worden geïnterpreteerd in het nadeel van de fiscus: in dubio contra fiscum
(6). 2.
- De zinsnede ‘indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar' is m.i. vatbaar voor verschillende interpretaties: op basis van de door de wetgever gebruikte bewoordingen is het onduidelijk of het volstaat dat de belastingplichtige de verkrijger binnen een termijn van 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar ondubbelzinnig (eenzijdig) heeft geïdentificeerd, dan wel of het noodzakelijk is dat de belastingadministratie de verkrijger binnen de gestelde termijn (al dan niet op voorzet van de belastingplichtige) ondubbelzinnig heeft geïdentificeerd, i.e. de identiteit van de begunstigde zoals door de belastingplichtige meegedeeld, heeft kunnen bevestigen/verifiëren. Of, anders geformuleerd, dat de verkrijger op een ondubbelzinnige wijze moet worden geïdentificeerd, houdt m.i. niet noodzakelijk in dat de belastingplichtige de verkrijger moet identificeren aan de hand van stukken die elke redelijke twijfel over de identiteit van de verkrijger uitsluiten. 2.
- Derhalve dient te worden nagegaan of de ratio achter artikel 219 WIB92 en zijn (huidige) zevende lid meer duidelijkheid kunnen bieden. De regeling inzake de aanslag geheime commissielonen heeft een lange wordingsgeschiedenis. Zij vindt haar oorsprong in het WIB64, maar maakte het voorwerp uit van diverse wetswijzigingen. De laatste wetswijziging, waarbij het huidige zevende lid werd ingevoegd, dateert van 19 december
- Het primaire doel van artikel 219 WIB92 is belastingplichtige vennootschappen ertoe te dwingen hun verplichting na te komen om in de wettelijke vorm en binnen de wettelijke termijn de fiscale administratie de inlichtingen te bezorgen over hun kosten/de bedragen die zij aan derden uitkeren, zodat de administratie tot de aanslag van de verkrijgers zou kunnen overgaan
(7). Bezorgt de belastingplichtige die inlichtingen niet, dan wordt de belastingplichtige zelf belast (ipv de verkrijger). Aldus heeft artikel 219 WIB92 ook een vergoedend doel: de belastingplichtige die deze inlichtingen niet verstrekt, dient de Belgische Staat te vergoeden voor de belastinginkomsten die deze laatste heeft mislopen doordat zij de verkrijger niet heeft kunnen belasten. Een wetswijziging van 30 maart 1994 bracht het toepasselijke tarief van 100 naar 300 pct., waardoor artikel 219 WIB92 naast een vergoedend ook een bestraffend karakter kreeg: de wetgever wou met dit nieuwe tarief fraude ontraden, waarbij de afzonderlijke aanslag zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtig is, werd opgelegd en onder meer ertoe strekt het niet-nakomen door de belastingplichtige van zijn verplichtingen te bestraffen teneinde herhaling van inbreuken te voorkomen
(8). Bij wet van 27 november 2002 werden een aantal voorwaarden ingevoegd waaronder de belastingplichtige die straf kon ontlopen. Luidens het toenmalige vierde lid van artikel 219 WIB92 was deze aanslag van 300 pct. niet van toepassing indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de genieter overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte. Omdat dat tarief van 300 pct. als een pestbelasting van vennootschappen werd gepercipieerd
(9), herleidde de wetgever het tarief bij Programmawet van 19 december 2014 opnieuw naar 100 pct., waarmee artikel 219 WIB92 terug een louter vergoedend karakter kreeg (en radicaal afstand werd genomen van het bestraffend karakter van artikel 219 WIB92)
(10). In deze context van depenalisering en herbevestiging van het louter vergoedend karakter van artikel 219 WIB92 werden de voorwaarden om aan de afzonderlijke aanslag te ontsnappen, gemilderd, door de invoeging van een nieuw zevende lid: deze afzonderlijke aanslag wordt, wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar. De termijn van 2 jaar en 6 maanden beoogt de fiscale administratie een periode van ten minste zes maanden te geven om met toepassing van artikel 354, eerste lid, van het WIB92 een aanvullende aanslag te vestigen ten aanzien van de verkrijger van het niet-aangegeven voordeel
(11). Deze doelstelling in gedachten kan m.i. worden geargumenteerd dat de zinsnede ‘indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar' van het zevende lid van artikel 219 WIB92 aldus moet worden geïnterpreteerd dat de belastingplichtige de identiteit van de verkrijger duidelijk en voldoende gedetailleerd aan de administratie moet meedelen, op een zodanige wijze dat de administratie binnen de toepasselijke aanslagtermijn een aanslag in hoofde van de verkrijger kan vestigen
(12). Oordelen dat een door de belastingplichtige eenzijdig opgesteld stuk onder geen beding en ongeacht de omstandigheden kan volstaan, zou het zevende lid van artikel 219 WIB92 nagenoeg elke betekenis ontnemen. Een door de belastingplichtige eenzijdig opgesteld stuk waarin de identiteit van de verkrijger duidelijk wordt vermeld, stelt de fiscus in staat de nodige inlichtingen in te winnen bij hetzij de belastingplichtige, hetzij de geïdentificeerde verkrijger, om uiteindelijk tijdig tot aanslag van de verkrijger te kunnen overgaan. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de individuele fiches en samenvattende opgave dewelke het eerste lid van artikel 219 WIB92 bij wijze van uitgangspunt vereist, uiteindelijk ook eenzijdig door de belastingplichtige opgestelde documenten zijn, net als creditnota's die aan de verkrijger worden bezorgd. 2.8 Tijdens de parlementaire debatten die uiteindelijk zouden uitmonden in de Programmawet van 19 december 2014 stelde de Minister van Financiën met betrekking tot het nieuwe zevende lid van artikel 219 WIB92 het volgende: "Bovendien kan deze belasting voortaan ook gemakkelijk vermeden geworden. Het zal volstaan om de administratie in te lichten wie een toegekend voordeel heeft genoten om aan die 103 % of 51,50 %-belasting te ontsnappen"
(13). De minister lijkt aldus te stellen dat het kan volstaan dat de belastingplichtige de administratie binnen de termijn van 2 jaar en 6 maanden over de identiteit van de verkrijger inlicht, zonder dat van meet af aan absolute zekerheid moet bestaan over de identiteit van de verkrijger, hetgeen voorgaande interpretatie van het zevende lid in functie van haar doelstellingen lijkt te bevestigen. 2.
- In het licht van wat voorafgaat meen ik dat de appelrechters met de redenen vermeld op p. 9 en 10 eerste lid, van het bestreden arrest hun beslissing naar recht verantwoorden dat de bijzondere aanslag geheime commissielonen niet kan worden toegepast. Het eerste onderdeel kan naar mijn mening niet worden aangenomen. TWEEDE ONDERDEEL 2.
- In het tweede onderdeel voert eiser aan dat hij voor de appelrechters had laten gelden in conclusies dat ook moet vaststaan dat het bedrag van de uitgaven dat als beroepskost is opgenomen overeenstemt met het bedrag dat aan de verkrijger is betaald en dat geen enkel stuk kon worden voorgelegd waaruit blijkt dat de personen vermeld op de creditnota's de erop vermelde bedragen hebben ontvangen. Door te oordelen dat is voldaan aan het vereiste van de ondubbelzinnige identificatie door de voorlegging van de creditnota's zonder na te gaan of en vast te stellen dat ook het bedrag van de bonussen in de creditnota's ondubbelzinnig wordt geïdentificeerd, zouden de appelrechters hun beslissing niet naar recht hebben verantwoord. (Schending van de artikelen 219, eerste en zevende lid, en 223, eerste lid, 1°, en vierde lid, WIB92) 2.
- Het onderdeel lijkt mij te berusten op een onjuiste rechtsopvatting en bijgevolg te falen naar recht. Een strikte lezing van artikel 219, zevende lid, WIB92 noopt m.i. tot het besluit dat enkel de identiteit van de verkrijger ondubbelzinnig moet vaststaan, maar niet het bedrag van de kosten of voordelen van alle aard dat aan hem werd uitgekeerd. Artikel 219, zevende lid, WIB92 stelt noch expliciet noch impliciet dat dit bedrag ondubbelzinnig moet vaststaan. In zoverre eiser ervan uitgaat dat voormelde wetsbepaling vereist dat ook moet vaststaan dat het bedrag van de uitgaven dat als beroepskost is opgenomen overeenstemt met het bedrag dat aan de verkrijger is betaald en dat derhalve stukken moeten worden voorgelegd waaruit blijkt dat de personen vermeld op de creditnota's de erop vermelde bedragen hebben ontvangen, voegt eiser m.i. aan deze wetsbepaling voorwaarden toe. DERDE ONDERDEEL 2.
- In het derde onderdeel argumenteert eiser dat de appelrechters de artikelen 219, eerste en zevende lid, en 223, eerste lid, 1°, en vierde lid, WIB92 schenden, in de mate dat zij oordelen dat aan de hand van de door verweerster voorgelegde creditnota's de ondubbelzinnige identificatie van de genieters mogelijk was nu deze bepalingen geen mogelijkheid tot ondubbelzinnige identificatie vereisen, maar een ondubbelzinnige identificatie zonder meer. 2.
- Gelet op wat werd uiteengezet bij de bespreking van het eerste onderdeel meen ik dat het onderdeel op een verkeerde rechtsopvatting berust. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. (...)
- Besluit: Verwerping. __________________________
(1)Parl. St. Kamer 2014 - 2015, DOC 54-0672/001, p. 11.
(2)Circulaire AAFisc Nr. 24/2015 (nr. Ci.RH.421/636.468) dd. 11.06.2015, nr. 9-11.
(3)Mondelinge parlementaire vraag mevr. Veerle Wouters van 24 september 2015, nr. 6377, Kamer 2015-2016, nr. 258, p. 48
(4)Zie administratieve commentaren nr. 219/10 en 11.
(5)Cass. 16 mei 1975, AC 1975, 1000, ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19750516.12.
(6)N. LAUWERS, "De draagwijdte van het beginsel ‘in dubio contra fiscum", AFT 2016, 26-59.
(7)GwH 6 juni 2014, nr. 88/2014, ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.088.
(8)Parl. St. Kamer 1993-94, nr. 1290/6, p.45-46 en p. 86; GwH 6 juni 2014, nr. 88/2014.
(9)Mondelinge parlementaire vraag mevr. Veerle Wouters van 24 september 2015, nr. 6377, Kamer 2015-2016, nr. 258, p. 48.
(10)Zie ‘Algemene bespreking' in het Verslag namens de Commissie voor de Financiën en de Begroting uitgebracht door de heer Stéphane Crusnière en mevrouw Veerle Wouters van 15 december 2014 bij Ontwerp van Programmawet, Parl. St. Kamer 2014-2015, DOC54 0672/009, p. 35; Circulaire AAFisc Nr. 24/2015 (nr. Ci.RH.421/636.468) dd. 11.06.2015, nr. 3; Vraag nr. 888 van de heer volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 24 maart 2016 (N.) aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, Vr. en Antw. Kamer, 2015-2016, QRVA 54-072, p. 250; GwH 4 oktober 2018, nr. 2019/23; GwH 6 juni 2014, nr. 88/2014.
(11)Vraag nr. 888 van de heer volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 24 maart 2016 (N.) aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, Vr. en Antw. Kamer, 2015-2016, QRVA 54-072, p. 250.
(12)De niet-toepassing van de afzonderlijke aanslag geheime commissielonen geldt in een grondwetsconforme lezing van artikel 219 WIB92 ook bij ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger buiten de termijn van 2 jaar en 6 maanden, wanneer de verkrijger binnen één van de wettelijke aanslagtermijnen (artikel 354, eerste en tweede lid, 358 WIB92) effectief werd belast. Zie GwH 26 september 2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.125.
(13)Zie ‘Algemene bespreking' in het Verslag namens de Commissie voor de Financiën en de Begroting uitgebracht door de heer Stéphane Crusnière en mevrouw Veerle Wouters van 15 december 2014 bij Ontwerp van Programmawet, Parl. St. Kamer 2014-2015, DOC54 0672/009, p. 35. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19750516.12 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.088 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div