← België

DE PROCUREUR DES KONINGS TE ANTWERPEN contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 juni 2021 ECL

Artikel 65

Vrije woorden: Artikel 65/1 - Bevel tot betaling - Aard van de procedure - Doelstelling Fiche 2 Hoewel de regeling van het bevel tot betalen beoogt bij te dragen tot de handhaving van de verkeerswetgeving, strekt ze niet tot het opleggen van een straf in de zin van artikel 1 Strafwetboek, maar uitsluitend tot het creëren van een uitvoerbare titel zodat door het uitvaardigen van een bevel tot betalen en de daarop volgende procedure de strafvordering niet in werking wordt gesteld en de in artikel 65/1, §2, Wegverkeerswet uitgewerkte bezwaarprocedure er dan ook niet toe kan leiden dat de politierechtbank of in hoger beroep de correctionele rechtbank kennis neemt van de strafvordering voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het uitvaardigen van het bevel tot betalen; het gegeven dat een uitvoerbaar bevel tot betalen een straf kan zijn in de zin van artikel 6 EVRM of dat indien de fod Financiën niet binnen de drie jaar tot invorderen van het uitvoerbaar verklaard bevel tot betaling kan overgaan, het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 65/1, §10, Wegverkeerswet het recht tot sturen van de overtreder kan schorsen, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER -

Artikel 65

Vrije woorden: Artikel 65/1, § 2 - Bevel tot betaling - Beroep tegen het bevel tot betaling - Doelstelling - Inwerkingstelling van de strafvordering - Bevoegdheid van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank in beroep - Draagwijdte - Gevolg Fiche 3 Uit de doelstellingen van de door artikel 65/1 Wegverkeerswet uitgewerkte regeling en de wetsgeschiedenis ervan waarin wordt aangegeven dat de politierechtbank het beroep ten gronde behandelt, volgt dat, ongeacht wat in het zesde en zevende lid van artikel 65/1, §2, Wegverkeerswet is geschreven, de politierechtbank en in hoger beroep de correctionele rechtbank ingeval van een door artikel 65, §2, Wegverkeerswet ingesteld beroep moeten onderzoeken of: - het bij verzoekschrift ingesteld beroep voldoet aan de in artikel 65, §1, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde tijds- en vormvoorwaarden; - de in artikel 65/1, §1, Wegverkeerswet bedoelde voorwaarden voor het uitvaardigen van het bevel tot betalen en de kennisgeving ervan zijn verenigd; - wel vaststaat dat de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd de feiten op grond waarvan dit bevel is uitgevaardigd heeft gepleegd, wat veronderstelt dat wordt nagegaan of de voor de overtreding vereiste bestanddelen zijn verenigd, of die feiten aan de als overtreder aangemerkte persoon kunnen worden toegerekend en of de som waarvoor het openbaar ministerie het bevel tot betalen heeft uitgevaardigd wettig is; het staat aan de rechter om in het licht van dit onderzoek te beslissen of het beroep van de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd: - onontvankelijk is, wat ertoe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk maar ongegrond is, wat er eveneens toe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk en gegrond is, wat als gevolg heeft dat het bevel tot betaling als niet bestaande moet worden beschouwd en het openbaar ministerie dient te oordelen of voor de feiten waarvoor het bevel tot betalen werd uitgevaardigd in het licht van de door de rechter gemaakte beoordeling de strafvordering alsnog kan worden ingesteld en vervolgens aan de strafrechter bij wie die strafvordering desgevallend aanhangig wordt gemaakt om daarover te beslissen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER -

Artikel 65

Vrije woorden: Artikel 65/1, § 2 - Bevel tot betaling - Beroep tegen het bevel tot betaling - Bevoegdheid van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank in beroep - Behandeling ten gronde - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Fiche 4 Aannemen, op basis van een letterlijke lezing van artikel 65/1, §2, zesde en zevende lid, Wegverkeerswet, dat de rechter zijn onderzoek van het door artikel 65/1, §2, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde beroep moet beperken tot een onderzoek naar de ontvankelijkheid van dit beroep en dat elke ontvankelijk verklaring van een dergelijk beroep automatisch tot gevolg heeft dat het bevel tot betalen niet bestaande wordt, is niet alleen strijdig met de wetsgeschiedenis van de regeling, maar zou aan deze regeling elke zin ontnemen aangezien een ontvankelijk beroep dat volgens de wil van de wetgever met redenen omkleed moet zijn, zou volstaan en dit ongeacht op welke gronden het is gesteund, om aan het bevel tot betalen elke uitwerking te ontzeggen hetgeen onmogelijk de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER -

Artikel 65

Vrije woorden: Artikel 65/1, § 2 - Bevel tot betaling - Beroep tegen het bevel tot betaling - Beroep tegen het bevel tot betaling - Bevoegdheid van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank in beroep - Ontvankelijkheid van het beroep - Draagwijdte Tekst van de conclusie P.21.0325.N Conclusie van advocaat-generaal A. Winants: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.

  1. Op 29 augustus 2019 werd een proces-verbaal opgesteld inzake de verweerder, die op basis van de nummerplaat van het voertuig werd geïdentificeerd, uit hoofde van een inbreuk op de artikelen 5 en 61.1.1° van het Wegverkeersreglement van 1 december 1975 (negeren van een rood verkeerslicht) en de artikelen 29, §1, tweede lid, en 38, §1, 3° van de Wegverkeerswet. Betrokkene ontving op 9 september 2019 een uitnodiging tot betaling van een onmiddellijke inning ten bedrage van 174 euro, nadien op 8 november 2019 ingevolge de niet-betaling een minnelijke schikking van 235 euro en op 9 maart 2020 opnieuw ingevolge niet-betaling een bevel tot betaling ten bedrage van 517,25 euro. Op 9 april 2020 tekende de verweerder bij verzoekschrift op basis van artikel 65/1, §2 Wegverkeerswet, beroep aan bij de politierechtbank te Antwerpen tegen dit bevel tot betaling.
  2. Bij vonnis van 16 oktober 2020 oordeelde de politierechtbank dat artikel 65/1, §2 Wegverkeerswet, de rechtbank enkel toeliet zich uit te spreken over de (on)ontvankelijkheid van het beroep en oordeelde zij dat in casu het beroep ontvankelijk was en derhalve het bevel tot betalen als niet bestaande diende te worden beschouwd.
  3. Het openbaar ministerie tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis en bij vonnis van 15 januari 2021 ontving de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hoger beroep en bevestigde het het bestreden vonnis. Het beroep in cassatie is gericht tegen dit vonnis van 15 januari
  4. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
  5. De eiser voert twee middelen aan, met name de schending van artikel 65/1 Wegverkeerswet (eerste middel) en de schending van artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (tweede middel). De beide middelen komen erop neer dat volgens de eiser de rechtbank zich niet kon beperken tot het ontvankelijk verklaren van het hoger beroep, maar dat zij er ook toe gehouden was uitspraak te doen over de grond van de zaak, met name de schuld en de straftoemeting. Vooraleer dieper op deze problematiek in te gaan is het aangewezen de rechtsfiguur van het bevel tot betaling nader te analyseren.
  6. Het bevel tot betaling heeft een lange en moeilijke totstandkoming gekend in het Belgisch recht. De wetgever was zich inderdaad reeds geruime tijd bewust van de noodzaak om voor bepaalde verkeersstrafzaken te voorzien in een meer efficiënte afhandeling, hetgeen ertoe leidde dat in de jaren '90 van de 20ste eeuw een aantal wetsvoorstellen terzake werden ingediend

(1), die evenwel allen om uiteenlopende redenen niet tot een goed einde werden gebracht. De eerste grondige aanpassing van de wetgeving komt uiteindelijk tot stand door de wet van 7 februari 2003
(2)houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, waarbij door de artikelen 28 tot 31 van die wet een artikel 65bis en 65ter in de Wegverkeerswet werd ingevoerd en de rechtsfiguur van het bevel tot betaling het licht zag
(3). In het ontwerp van deze wet werd het bevel tot betaling omschreven als een "nieuwe sui generis procedure voor de sanctionering van bepaalde verkeersinbreuken Die het midden houdt tussen een zuiver administratief sanctioneringssysteem en het klassieke penale afhandelingssysteem"
(4). 6. Het aldus beoogde systeem bepaalde dat voor vier inbreuken van de Wegverkeerswet, met name 1° het overschrijden van de maximumsnelheid, 2° het negeren van een rood of oranje-geel verkeerslicht, 3° artikel 34 en 4° artikel 37bis, §1, 1°, 4° tot 6° én indien het feit geen schade aan derden veroorzaakte, het bevel tot betaling werd opgelegd. De appreciatiebevoegdheid van het openbaar ministerie werd sterk ingeperkt en ook de strafvervolging en de minnelijke schikking werden terzake uitgesloten. De wet voorzag ook in de mogelijkheid voor de betrokkene om zijn verweermiddelen te laten gelden, eerst bij de procureur des Konings en, indien deze het bevel handhaafde, bij de politierechtbank en in beroep bij de correctionele rechtbank. De wet maakte vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad het voorwerp uit van heftige kritiek en er werd sterk betwijfeld of ze in de praktijk wel efficiënt kon worden toegepast
(5)en uiteindelijk niet tot een verzwaring van de werklast voor het openbaar ministerie zou leiden. Daarenboven werd een verzoek tot vernietiging ingediend tegen de wet en het toenmalig Arbitragehof vernietigde bij arrest van 16 november 2004 gedeeltelijk
(6)artikel 31 van de wet. Alhoewel de rechtsfiguur van het bevel tot betaling aldus weliswaar overeind bleef trad de wet van 7 februari 2003 nooit in werking en werd zij tenslotte opgeheven door de wet van 22 april 2012 (zie infra). 7. Er volgden nog een aantal wetgevende initiatieven in 2004, 2009 en 2010 en uiteindelijk kwam de wet van 22 april 2012 tot stand
(7)waarbij zoals reeds gezegd artikel 31 van de wet van 7 februari 2003 werd opgeheven en waarbij een artikel 65/1 werd ingevoerd in de Wegverkeerswet. De verwijzing naar bepaalde inbreuken op de Wegverkeerswet verdween en het toepassingsgebied van de nieuwe wet werd identiek aan dat van de onmiddellijke inning, die ook effectief moest worden voorgesteld om bij niet betaling ervan desgevallend een bevel tot betaling uit te vaardigen. Artikel 65/1, §1 omvatte de formele voorwaarden waaraan een bevel tot betaling diende te voldoen, terwijl de problematiek die ons aanbelangt in het artikel 65/1, §2 werd behandeld dat de mogelijkheid omvatte eerst een bezwaar in te dienen bij de procureur des Konings binnen 30 dagen na verzending van het bevel. Indien de procureur des Konings dit bezwaar verwierp werd de zaak bij dagvaarding aanhangig gemaakt bij de politierechtbank overeenkomstig artikel 145 Wetboek van Strafvordering, met een mogelijkheid van hoger beroep bij de correctionele rechtbank. Verscheen de betrokkene of zijn advocaat niet voor de politierechtbank (of correctionele rechtbank) werd hij geacht afstand te doen van zijn bezwaar. 8. Maar ook de wet van 22 april 2012 stuitte op kritiek
(8)ondermeer ingevolge het uitblijven van een tastbare invloed op het verkeerscontentieux gelet op het feit dat het nog steeds de procureur des Konings was die de politierechtbank diende te vatten, de onduidelijkheid over het vermoeden van afstand van de niet-verschijnende betrokkene, alsmede de onduidelijkheid van de tekst wat betrof de reikwijdte van de bevoegdheid van de procureur des Konings en de politierechtbank. Ook het gebrek aan een stuitende of schorsende werking van de in het kader van de procedure van bevel tot betaling gestelde handelingen werd op de korrel genomen
(9). 9. Aan sommige van deze kritieken werd gepoogd te verhelpen door de Programmawet van 25 december 2016
(10)die met artikel 45 een aantal wijzigingen aanbracht aan artikel 65/1 Wegverkeerswet. Het bevel tot betaling werd niet meer enkel gelinkt aan de procedure van de onmiddellijke inning bepaald in artikel 65, §1 Wegverkeerswet, maar ook aan die van de minnelijke schikking voorzien in artikel 216bis, §1 Wetboek van Strafvordering. Inzonderheid ook de procedure houdende het bezwaar van de betrokkene werd ingrijpend gewijzigd. Daar waar onder gelding van de wet van 22 april 2012 het de procureur des Konings was die, wanneer hij het bezwaar verwierp, de zaak bij dagvaarding diende aanhangig te maken voor de politierechtbank, wordt in de wet van 25 december 2016 de tussenstap van de bezwaarprocedure bij de procureur des Konings achterwege gelaten en wordt het initiatief thans in de handen gelegd van de overtreder zelf of zijn raadsman die binnen de dertig dagen van de ontvangst van het bevel tot betaling beroep kan aantekenen bij de politierechtbank via een verzoekschrift. Verklaart de politierechtbank dit beroep ontvankelijk wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd. 10. Tenslotte werden door de wet ter verbetering van de verkeersveiligheid van 6 maart 2018
(11)nog een aantal wijzigingen doorgevoerd, met name het weglaten van de verwijzing naar de procedure van de onmiddellijke inning waardoor het toepassingsgebied van het bevel tot betalen wordt uitgebreid. Aangezien er geen noodzakelijke band meer is met de onmiddellijke inning kan een bevel tot betalen worden opgelegd in de gevallen dat er geen onmiddellijke inning mogelijk is, bv. voor zwaardere overtredingen waarvoor er meteen een minnelijke schikking wordt voorgesteld. Er werd evenwel niets veranderd aan procedure betreffende het bezwaar ingediend tegen het bevel tot betaling.
  1. Omdat er in mijn uiteenzetting met betrekking tot de bezwaarprocedure zal worden verwezen zowel naar de tekst van de wet van 22 april 2012 als naar die ingevoerd door de wet van 25 december 2016, acht ik het nuttig ze hier beide weer te geven. Wet van 22 april 2012: Artikel 65/1 Wegverkeerswet, §
  2. "De overtreder kan bezwaar indienen bij de procureur des Konings binnen de dertig dagen volgend op de dag van verzending van het bevel tot betalen. Dit bezwaar wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt door de overtreder of diens advocaat ingediend bij een verzoekschrift dat wordt neergelegd op het parketsecretariaat of dat bij aangetekende brief aan het parket wordt verzonden. In dit laatste geval geldt de datum van verzending van de aangetekende brief als datum waarop het bezwaar werd ingediend. Het verzoekschrift moet op straffe van nietigheid hetzij de referte van het bevel tot betalen vermelden, hetzij als bijlage het origineel of een afschrift van het bevel tot betalen bevatten." §
  3. "De procureur des Konings kan het bezwaar aanvaarden en geeft er in voorkomend geval kennis van aan de overtreder. Indien hij het bezwaar niet aanvaardt, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij dagvaarding bij de bevoegde rechtbank overeenkomstig artikel 145 en volgende van het Wetboek van strafvordering. De verzoeker wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn bezwaar indien hij of zijn advocaat niet verschijnt. Overeenkomstig artikel 172 van het Wetboek van strafvordering staat tegen het vonnis van de politierechtbank beroep open bij de correctionele rechtbank. De verzoeker wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn bezwaar indien hij of zijn advocaat niet verschijnt". Wet van 25 december 2016 (van toepassing op de voorliggende casus): Artikel 65/1 Wegverkeerswet, §
  4. "De overtreder of diens advocaat kan binnen de dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de bevoegde politierechtbank. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende zending of van de elektronische post als datum waarop het verzoekschrift werd ingediend. De aangetekende zending wordt geacht te zijn verzonden de derde werkdag voor de ontvangst ervan op de griffie. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Op straffe van onontvankelijkheid vermeldt het verzoekschrift het nummer van het proces-verbaal of het systeemnummer. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde register. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis. De overtreder wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief of per aangetekende zending opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de zitting mee. De griffier deelt onverwijld de definitieve beslissing inzake de ontvankelijkheid van het beroep mee aan de procureur des Konings. Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd."
  5. De vraag die thans voorligt en die de kern uitmaakt van het cassatieberoep is te weten welke de draagwijdte is van het beroep dat wordt ingediend bij de politierechtbank en welke de bevoegdheid is van die rechtbank bij de beoordeling van dit beroep en de standpunten hierover zijn uiteenlopend en tegengesteld. De rechtspraak en rechtsleer over dit specifieke punt zijn vrij summier en schaars en ook uit de parlementaire werkzaamheden kunnen geen doorslaggevende conclusies worden getrokken, temeer omdat door de opeenvolgende wetswijzigingen die hierboven werden uiteengezet, de wetsgeschiedenis van de wet van 22 april 2012 niet decisief is en geen voldoende basis kan bieden voor beantwoording van de onderzoeksvraag, alhoewel er mijns inziens toch bepaalde gevolgtrekkingen kunnen uit gemaakt worden. Ik zal dan ook de verschillende standpunten analyseren en in het licht daarvan nagaan hoe de twee middelen dienen te worden beoordeeld en of desgevallend een ambtshalve middel zich zou opdringen.
  6. Een eerste visie - die ook deze is van de politierechtbank in deze zaak, bevestigd in beroep door de correctionele rechtbank - is dat wanneer de politierechtbank het beroep van de overtreder tegen het bevel tot betaling ontvankelijk verklaart, dit laatste weliswaar als niet bestaand dient te worden beschouwd maar dat dit niet met zich brengt dat de politierechtbank ook kennis dient te nemen van de feiten zelf. Ik verwijs terzake naar een vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, van 30 november 2020
(12). Ter ondersteuning van dit standpunt kan verwezen worden naar de letterlijke tekst van de wet met name art. 65/1, §2, zevende lid die zich beperkt tot de gevolgen van een ontvankelijk verklaard beroep. Er wordt met name, in tegenstelling tot hetgeen bijvoorbeeld het geval is bij de GAS-wet van 24 juni 2013
(13), in het artikel niet gesproken over de beoordeling van de wettigheid en de proportionaliteit van het opgelegde bevel tot betaling. Een tweede element dat ter ondersteuning van deze stelling wordt ingeroepen is dat het beroep tegen het bevel tot betaling uitgaat van de overtreder zelf, zodat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat deze hierdoor de strafvordering tegen zichzelf zou in gang zetten. Ik kom later op deze beide argumenten nog terug. 14. De andere, volledig tegengestelde, visie is deze die wordt uiteengezet in de reeds aangeduide omzendbrief nr. 04/2013 van het college van procureurs-generaal
(14)volgens dewelke bij een beroep tegen het bevel tot betalen de politierechtbank (en nadien de correctionele rechtbank) beschikt over de volheid van rechtsmacht en zich derhalve zal dienen uit te spreken over de feiten en over de strafvordering. Er wordt hier dus uitgegaan van de premisse dat het beroep van de overtreder de strafvordering aanhangig maakt bij de politierechtbank en dat is ook de strekking van de middelen die door de eiser in deze zaak worden aangevoerd. Ter ondersteuning van deze stelling wordt in de omzendbrief, versie 2020, verwezen naar een passage in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van programmawet dat zou leiden tot de wet van 25 december 2016
(15)en dat luidt als volgt:" Het is de strafrechtelijke afdeling van de politierechtbank van de plaats van de overtreding die bevoegd is kennis te nemen van het beroep. (...) Indien de overtreder beroep indient dan wordt de zaak ten gronde behandeld door de politierechtbank (strafrechtelijke afdeling)." 15. Het lijkt me nuttig voor de voorliggende casus even stil te staan bij deze twee versies van de omzendbrief. Eerst en vooral dient erop te worden gewezen dat onder gelding van de wet van 22 april 2012, artikel 65/1, §3, Wegverkeerswet bepaalde dat het de procureur des Konings was die, indien er beroep werd ingediend tegen het bevel tot betaling en het OM dit bezwaar verwierp
(16), de zaak bij dagvaarding aanhangig maakte bij de bevoegde (politie)rechtbank overeenkomstig artikel 145 Wetboek van Strafvordering. Het beroep bij de correctionele rechtbank werd ingesteld overeenkomstig artikel 172 van datzelfde wetboek. Alhoewel in de eerste omzendbrief wordt gesteld dat "de wet de saisine van de rechter niet preciseert"
(17), wordt uit de verwijzing naar deze artikelen van het wetboek van strafvordering en naar de tekst van artikel 65/1, §3 Wegverkeerswet afgeleid dat de rechter over de volheid van rechtsmacht beschikt. 16. De studie van de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 22 april 2012 leert dat het hier blijkbaar toch een heikel punt betrof, waarbij de bewoordingen betreffende de procedure van bezwaar regelmatig werden gewijzigd en op een andere manier ingevuld. In het oorspronkelijke wetsvoorstel van Mevr. TAELMAN wordt er inderdaad gesteld dat "De politierechter de beslissing van de procureur des Konings (kan) bevestigen, vernietigen of het bedrag wijzigen. Hij kan met andere woorden oordelen over de wettigheid en de proportionaliteit van de administratieve verkeersboete. Hij kan zich evenwel niet in de plaats stellen van het bestuur en oordelen over de opportuniteit ervan..."
(18). De Raad van State zal in zijn advies trouwens laten opmerken
(19)dat onder die woorden ook de controle van de juistheid van de feiten alsmede de toerekenbaarheid aan de betrokkene dienen te worden begrepen. Nadien zal Mevr. TAELMAN nog verschillende amendementen indienen, waarvan er één met betrekking tot de bezwaarprocedure het volgende vermeldt
(20): "De griffier roept de verzoeker per gerechtsbrief op om te verschijnen voor de politierechtbank, die de zaak vervolgens behandelt volgens de strafrechtelijke procedure". Uiteindelijk haalde deze tekst het niet en kwam men tot de definitieve tekst van de wet van 22 april
  1. De stelling die geponeerd wordt in de eerste versie van de omzendbrief van het college van procureurs-generaal lijkt mij dan ook niet zo evident. Het is juist dat de verwijzing naar de artikelen 145 en 172 van het Wetboek van Strafvordering en de omstandigheid dat het de procureur des Konings is die een dagvaarding uitschrijft, in de lijn liggen van een klassieke strafrechtelijke procedure. Anderzijds evenwel pleiten de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling en de omstandigheid dat een andere, meer expliciete versie ervan (zie supra 16), uiteindelijk sneuvelde, tegen deze interpretatie. Daarenboven mag ook niet uit het oog worden verloren dat, zelfs indien het de procureur des Konings is die hier uiteindelijk de zaak voor de rechtbank brengt, we nog steeds zitten in een procedure die start ingevolge een bezwaar uitgaande van de overtreder zelf. De indiening van een dergelijk bezwaar laten uitmonden in een mogelijke strafrechtelijke veroordeling lijkt mij dan ook op gespannen voet te staan met de algemene rechtsprincipes en de bepalingen van het EVRM (zie infra).
  2. Zo het verdedigen van de stelling van de volheid van rechtsmacht van de politierechtbank onder gelding van de wet van 22 april 2012 al problematisch is, lijkt mij dit a fortiori nog meer zo te zijn onder gelding van de wet van 25 december
  3. Niet alleen worden de verwijzingen naar de artikelen van het Wetboek van Strafvordering hier achterwege gelaten, maar ook de procureur des Konings komt niet meer voor in de bezwaarprocedure. Het indienen van een bezwaar en het beroep op de politierechtbank en mogelijks later de correctionele rechtbank liggen hier volledig in handen van de overtreder. De enkele verwijzing naar een passage uit de Memorie van Toelichting (zie supra 14) lijkt mij niet overtuigend om tot een volheid van rechtsmacht van de politierechtbank te besluiten, temeer dat de tekst van de wet die stelling niet heeft overgenomen en er in artikel 65/1, §2, in fine enkel gewag wordt gemaakt van het ontvankelijk verklaren van het beroep en het gevolg daarvan. Het komt mij trouwens voor dat het college van procureurs-generaal zich terdege bewust is van deze problematiek aangezien er in de herziene versie van de omzendbrief van 2 november 2020 uitdrukkelijk niet alleen wordt verwezen naar "gerechtelijke beslissingen waarbij het hoger beroep tegen het bevel tot betaling ontvankelijk wordt verklaard, maar er niet over de zaak ten gronde wordt geoordeeld"
(21), maar er ook wordt voorgeschreven bij een dergelijke beslissing conclusies neer te leggen (met modellen in bijlage) en beroep aan te tekenen tegen de beslissingen waarin er niet over de grond wordt geoordeeld, dit blijkbaar in afwachting van rechtspraak in beroep of desgevallend in cassatie
(22). 19. De rechtsleer over deze problematiek is bijzonder schaars en in sommige gevallen ook niet steeds gemotiveerd. D. VAN DAELE stelt in zijn studie van de wet van 22 april 2012 dat "voor de politierechtbank de klassieke strafprocessuele regels gelden" en motiveert dit wel met de volgende bedenkingen: "Dit is een logisch gevolg van de door de wetgever gekozen optie, waarbij de feiten die onder het toepassingsgebied van het bevel tot betalen vallen hoe dan ook misdrijven blijven. In die optiek bestaat er dan ook geen verschil met de situatie waarin er geen toepassing gemaakt wordt van de procedure houdende bevel tot betalen en het parket een verkeersmisdrijf meteen via een rechtstreekse dagvaarding bij de politierechtbank aanhangig maakt. In beide gevallen dient de politierechtbank over te gaan tot een volledige beoordeling in feite en in rechte van de zaak, waarna zij een uitspraak over de schuldvraag en de straftoemeting zal moeten doen. De overtreder die bij de procureur des Konings bezwaar aantekent tegen een bevel tot betalen, dient aldus rekening te houden met de mogelijkheid dat deze laatste dit bezwaar verwerpt en dat de zodoende te adiëren politierechtbank vervolgens een zwaardere straf en/of maatregel uitspreekt dan de in het bevel tot betalen gevorderde geldsom"
(23). Ook F. FERON
(24)deelt dit standpunt, zij het dan zonder specifieke motivering. C. DE ROY
(25)spreekt van het aanhangig maken bij de bevoegde rechtbank, zonder evenwel de specifieke problematiek aan te kaarten. Maar zoals reeds gesteld is een dergelijke stelling, alhoewel ons inziens problematisch, nog enigszins verdedigbaar op basis van het onder die wet geldende artikel 65/1, §3 Wegverkeerswet. 20. Met betrekking tot de wet van 25 december 2016 en het eruit voortvloeiende artikel 65/1, §2 Wegverkeerswet, zijn de commentaren vrij schaars. M. STERKENS
(26)vermeldt de wettelijke tekst maar neemt geen standpunt in nopens de rechtsmacht van de politierechtbank. Enkel I. BRUGGEMAN
(27)stelt duidelijk, alhoewel niet gemotiveerd, dat de rechter die van een beroep is gevat dient na te gaan of het beroep wel ontvankelijk is, maar spreekt daarbij ook van "het niet bewezen zijn van de feiten" of van "feiten die geen overtreding inhouden"....alsmede dat "in het kader van het beroep tegen een bevel tot betalen geen straffen kunnen worden uitgesproken en de rechtbank dan ook geen verval van het recht tot sturen of een geldboete kan opleggen". Dit lijkt mij dus in te houden dat in de lezing van deze auteur zowel een onderzoek van de ontvankelijkheid als van de gegrondheid van het beroep dient te gebeuren, zonder evenwel dat er kan worden gesanctioneerd. Het lijkt dus een intermediaire positie te zijn tussen de twee reeds hoger vermelde visies, die zich evenwel niet duidelijk en expliciet uitspreekt over het al dan niet aanhangig zin van de strafvordering
(28). 21. Uit de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 25 december 2016
(29)- waarbij wat de rechtsfiguur betreft van het bevel tot betalen wordt verwezen naar de wet van 22 april 2012 - blijkt dat de regeling bepaald in artikel 65/1 Wegverkeerswet een sui generis - procedure is die ertoe strekt, wanneer een overtreder de hem voorgestelde minnelijke schikking niet heeft betaald binnen een bepaalde termijn, het openbaar ministerie een bevel tot betaling te laten uitvaardigen dat, bij niet-betaling ervan of bij afwezigheid of verwerping van een bezwaar ertegen, leidt tot een uitvoerbare titel voor het bedrag van de minnelijke schikking, verhoogd met 35% en desgevallend met de bijdrage aan het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders
(30). Door deze bevoegdheid aan de procureur des Konings te geven wordt vermeden dat er een beroep moet worden gedaan op de strafrechter voor het bekomen van die uitvoerbare titel. Het doel van deze procedure is hetzelfde als dat wat beoogd werd door de wet van 22 april 2012
(31), met name de werklast van de overheden belast met de vervolging en berechting van verkeersmisdrijven te verminderen. 22. Het is opvallend dat de problematiek van het beroep bij de politierechtbank en de mogelijke gevolgen daarvan hoegenaamd niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enig debat bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 december 2016 en ook niet ter sprake kwamen in het advies van de Raad van State
(32). De enige vermelding met betrekking tot de procedure voor de politierechtbank vinden we in de Memorie van Toelichting
(33)waar er wordt gesteld dat "indien de overtreder beroep indient wordt de zaak ten gronde behandeld door de politierechtbank (strafrechtelijke afdeling)". Dit komt des te eigenaardiger over nu blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat het aanvankelijk in de bedoeling lag om de mogelijkheid tot hoger beroep tegen de beslissing van de politierechtbank uit te sluiten
(34)en dat deze piste werd opgegeven nadat de Raad van State hierover een opmerking had gemaakt
(35). Interessant evenwel hierbij is dat de Raad van State om zijn beslissing over de noodzaak om hoger beroep te blijven voorzien stelt: "Het ontbreken van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissingen van de politierechtbank in het kader van de wet van 21 december 1998 ‘betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden' (artikel 31) en van de wet van 24 juni 2013 ‘betreffende de gemeentelijke administratieve sancties' (eveneens artikel 31), kan hier niet ingeroepen worden, aangezien het gaat om een beroep tegen administratieve sancties, en niet tegen beslissingen waarbij in eerste aanleg uitspraak gedaan wordt over strafbare feiten in strafrechtelijke zin"
(36). Dit lijkt aan te geven dat de Raad van State blijkbaar van oordeel was dat de procedure voor de politierechtbank en nadien voor de correctionele rechtbank een volwaardige strafrechtelijke procedure is die kan uitmonden in een veroordeling. 23. Een dergelijk standpunt, dat uitgaat van een volheid van rechtsmacht van de rechtbank en dan ook impliceert dat ook de strafvordering aanhangig is gemaakt, standpunt dat ook is weerhouden in de omzendbrief 04/2013 van het college van procureurs-generaal en dat tevens de stelling is van de eiser in deze zaak, kan niet worden bijgetreden. Eerst en vooral dient te worden opgemerkt dat, alhoewel de regeling betreffende het bevel tot betaling tot doel heeft de verkeerswetgeving te handhaven, ze niet strekt tot het opleggen van een straf in de zin van artikel 1 Strafwetboek maar uitsluitend tot het tot stand brengen van een uitvoerbare titel. De Memorie van Toelichting is hier duidelijk over waar ze stelt dat de rechtsfiguur van het bevel tot betaling beoogt "om, naast de bestaande afhandelingsmogelijkheden waarover de procureur des Konings beschikt en die worden behouden, na een onbetaald gebleven onmiddellijke inning
(37)en het niet betalen van een eventueel voorstel tot verval van de strafvordering door betaling van een geldsom, van rechtswege uitvoerbaarheid te geven aan een bevel tot betalen voor zover de overtreder niet betaalt en hiertegen geen tijdig beroep indient". En er wordt aan toegevoegd dat "het bevel tot betalen de laatste stap (is) in de procedure van een eventueel verval van de strafvordering tegen betaling van een som"
(38). Hieruit volgt mijns inziens dan ook dat het uitvaardigen van een bevel tot betaling en de daaropvolgende bezwaarprocedure de strafvordering niet in werking stelt voor wat betreft de feiten die ten grondslag liggen van het bevel tot betaling. Zoals reeds hiervoor uiteengezet ligt de bezwaarprodure volledig en uitsluitend in handen van de overtreder of zijn raadsman, zodat wanneer hij een rechtsmiddel of bezwaar instelt, dit dan ook niet in zijn nadeel kan spelen. Het beroep (bezwaar) komt enkel ten goede aan degene die het heeft ingesteld. Het kan dan ook niet zijn mijns inziens dat het louter instellen van een beroep (bezwaar) tegen een bevel tot betaling automatisch tot gevolg zou hebben dat daardoor de strafvordering in gang zou worden gezet. Ik denk dat dit ingaat tegen de algemene regels inzake het instellen en uitoefenen van de strafvordering en dat een dergelijk standpunt ook zeer moeilijk verenigbaar is met de bepalingen van het EVRM, het verbod van zelfincriminatie en het nemo tenetur- beginsel. 24. Maar ook het andere standpunt, met name de beperking, bij een beroep ingediend door de overtreder, van de bevoegdheid van de politierechtbank tot enkel een onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep en niets meer, gevolgd door het niet bestaande worden van het bevel tot betaling wanneer het beroep ontvankelijk wordt verklaard, is mijns inziens niet houdbaar. Deze stelling is gebaseerd op een letterlijke lezing van artikel 65/1, §2, zesde en zevende lid Wegverkeerswet, maar zij lijkt mij toch in te druisen tegen de wetsgeschiedenis van deze regeling, die stelt dat de politierechtbank het beroep ten gronde behandelt
(39)en tegen de achterliggende filosofie van het bevel tot betaling. Daarenboven zou ze erop neerkomen dat elk ontvankelijk beroep, ongeacht de redenen waarop het is gebaseerd - en zoals aangegeven in de omzendbrief van het college van procureurs-generaal
(40)wordt in de wet niet verduidelijkt waaruit de motivering dient te bestaan - volstaat om aan het bevel tot betaling elke uitwerking te ontzeggen en dit zelfs indien een summier onderzoek van de gegrondheid ervan - onderzoek dat in deze hypothese de politierechtbank niet zou mogen doen - zou kunnen uitwijzen dat het bevel tot betaling volkomen terecht werd uitgevaardigd. Ik denk niet dat dit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest, temeer daar het ook haaks staat op de beoogde vermindering van de werklast.
  1. Ik kan mij dan ook in deze problematiek noch vinden in het minimalistisch standpunt dat inhoudt dat de rechtbank enkel de ontvankelijkheid van het beroep en niets meer zou mogen beoordelen, noch in het maximalistische dat uitgaat van een volheid van rechtsmacht van de rechtbank dat alsdan impliceert dat ook de strafvordering aanhangig werd gemaakt. In deze optiek ben ik dan ook de mening toegedaan dat een ambtshalve middel zich terzake opdringt, met name de schending van artikel 65/1, §2 Wegverkeerswet, zoals ingevoerd door artikel 45 van de wet van 25 december 2016 en dit om de redenen die ik hieronder zal uiteenzetten.
  2. Op basis van de door de wetgever beoogde doelstellingen en de wetsgeschiedenis van de bepaling van artikel 65/1 Wegverkeerswet, komt het mij voor dat bij een beroep tegen een bevel tot betaling - en dit niettegenstaande de tekst van artikel 65/1, §2, zesde en zevende lid Wegverkeerswet - de politierechtbank en nadien desgevallend de correctionele rechtbank een onderzoek zal moeten doen dat zowel betrekking heeft op de ontvankelijkheid als op de gegrondheid van het beroep, zonder zich evenwel te mogen inlaten met de strafvordering die om de hoger uiteengezette redenen niet aanhangig is. Dit houdt derhalve in dat de politierechtbank een onderzoek zal moeten doorvoeren dat betrekking zal hebben op verschillende aspecten. Wat het beroep zelf betreft dient de politierechtbank na te gaan of het werd ingediend binnen de termijn, bij gemotiveerd verzoekschrift dat dient te voldoen aan de in artikel 65/1, §1 Wegverkeerswet gestelde voorwaarden, bij de bevoegde politierechtbank en in de taal van de rechtspleging van de rechtbank waar het wordt ingediend. Ook hier dient te worden vastgesteld dat de wet niet aangeeft of deze vermeldingen op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven
(41), behoudens wat betreft de vermelding in het verzoekschrift van het nummer van het proces-verbaal die voorgeschreven is op straffe van niet-ontvankelijkheid en behoudens de uit artikel 14 van de Taalwet Gerechtszaken voortvloeiende nietigheid. De omzendbrief van het college van procureurs-generaal bepaalt dan ook dat het ontbreken van de vermeldingen zal dienen te worden beoordeeld op basis van de Antigoon-principes
(42). 27. Maar naast dit nazicht van de formele voorwaarden komt het mij voor dat de politierechtbank en desgevallend de correctionele rechtbank ook dienen over te gaan tot een inhoudelijke controle van het bevel tot betaling. Zo zal dienen te worden onderzocht of de overtreding zich leent tot het uitvaardigen van een bevel tot betaling
(43), of de persoon tegen wie het is uitgevaardigd de feiten wel degelijk heeft gepleegd, of de bestanddelen vereist voor de overtreding verenigd zijn, of die feiten aan de overtreder kunnen worden toegerekend
(44), of de voorgestelde som wel wettig is
(45)en uiteraard ook of de strafvordering niet is vervallen, in welk geval geen bevel tot betaling kan worden uitgevaardigd. Ik denk dus dat samenvattend kan worden gesteld dat de politierechtbank of de correctionele rechtbank dezelfde taak heeft als in een klassieke strafprocedure, behoudens evenwel het opleggen van straffen en/of maatregelen vermits de strafvordering niet aanhangig is gemaakt. 28. Afhankelijk van het resultaat van dit onderzoek zal derhalve de politierechtbank kunnen beslissen dat het beroep ingediend door de persoon tegen wie het bevel tot betaling werd uitgevaardigd
  1. a)onontvankelijk is,
  2. b)ontvankelijk maar ongegrond is of
  3. c)ontvankelijk en gegrond is. In de gevallen sub
  4. a)en
  5. b)wordt het bevel tot betaling, eens de beslissing van de rechtbank definitief is geworden, uitvoerbaar. In het geval sub
  6. c)wordt, zoals door artikel 65/1, §2, laatste lid bepaald, het bevel tot betaling als niet bestaande beschouwd. Eens te meer dient te worden vastgesteld dat ook hier de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis ervan geen enkele aanduiding bevatten over het verdere verloop van de procedure in dit geval, maar ik ben de mening toegedaan dat het alsdan aan het openbaar ministerie toekomt zich hierover uit te spreken. Hierbij zijn er verscheidene opties mogelijk die afhankelijk zijn van de door de politierechtbank of correctionele rechtbank genomen beslissing. Mocht het beroep tegen bevel tot betaling enkel op een formele grond zijn ingewilligd, bijvoorbeeld een onregelmatig bevel wegens ontbreken van de dagtekening, dan meen ik dat niets het openbaar ministerie zou verhinderen een nieuw bevel tot betaling uit te vaardigen ofwel om te beslissen om de gewone strafrechtelijke weg te volgen. Ik denk dat dezelfde oplossing zich opdringt indien bijvoorbeeld de voorgestelde som niet wettig was of indien de taalwetgeving niet was nageleefd. 29. De toestand ligt mijns inziens evenwel anders wanneer de rechtbank zich zou hebben uitgesproken over de feiten zelf, door te oordelen dat deze geen misdrijf uitmaken of dat zij niet door de overtreder werden gepleegd of aan hem kunnen worden toegeschreven. Het bevel tot betaling mag dan weliswaar geen straf zijn in de zin van artikel 1 Strafwetboek en de strafvordering werd, zoals hierboven uiteengezet, ook niet aanhangig gemaakt, maar dat neemt niet weg dat de procedure in verband met het bevel tot betaling mij gelet op de rechtsspraak van het EHRM
(46)terzake wel een "strafsanctie" lijkt te zijn in de zin van artikel 6.1. EVRM, waarop dan ook het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem
(47)van toepassing zou zijn. In die omstandigheden zou de vervolging/bestraffing van dezelfde persoon voor dezelfde feiten mij bijzonder problematisch voorkomen.
  1. Gelet op de bovenstaande beschouwingen ben ik dan ook de mening toegedaan dat het bestreden vonnis dat aanneemt dat de rechter zijn onderzoek van het door artikel 65/1, §2, eerste en tweede lid Wegverkeerswet bedoelde beroep moet beperken tot een onderzoek naar de ontvankelijkheid van dit beroep en dat elke ontvankelijkheidsverklaring van een dergelijk beroep automatisch leidt tot het niet bestaande worden van het bevel tot betalen niet naar recht is verantwoord. III. CONCLUSIE.
  2. De middelen van de eiser die niet tot een ruimere cassatie kunnen leiden behoeven ingevolge het door mij voorgestelde ambtshalve middel geen antwoord. Ik concludeer dan ook tot een cassatie met verwijzing. ______________________________
(1)Wetsvoorstel betreffende de administratiefrechtelijke afdoening van sommige inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer, Parl. St. Kamer 1994-95, 1781/1; Wetsvoorstel betreffende de versnelde beteugeling van de verkeersmisdrijven door de inning van forfaitaire verkeersboeten, Parl St. Kamer 1995-96,462/1; Wetsvoorstel betreffende de administratiefrechtelijke afdoening van sommige inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer, Parl. St. Kamer 1995-96, 561/1; Wetsvoorstel betreffende de versnelde beteugeling van de verkeersmisdrijven door de inning van forfaitaire verkeersboeten, Parl. St. Kamer 1999, 48/1.
(2)BS 25 februari 2003.
(3)D. VAN DAELE, "De afhandeling van verkeerszaken na de wet van 7 februari 2003. Een analyse van de procedure houdende bevel tot betaling in het licht van de Nederlandse Wet-Mulder", T. Strafr. 2003, 166-188.
(4)Wetsontwerp houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 2001-2002, nr. 195/1, pp. 17-20.
(5)Zie bij de bespreking van het wetsvoorstel betreffende de administratieve afdoening van bepaalde inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer, Parl. St. Senaat, Zitting 2011-2012, 5-54/6, p. 4.
(6)Arbitragehof, arrest 182/2004, 16 november 2004. De vernietiging betrof artikel 65ter, § 7 dat door de wet was ingevoerd.
(7)Wet tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, BS 25 juni 2012; D. VAN DAELE, "Het bevel tot betalen in het verkeerstrafrecht. Een analyse van de wet van 22 april 2012", Vigiles 2012, 360-361; F. FRERON, "La loi visant à instaurer l'ordre de paiement pour les infractions à la législation sur la circulation routière", VAV 2014/4, 3-8.
(8)T. PAPART, "L'ordre de paiement version 2012: quand la montagne accouche d'une souris...", Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2013, Brugge, die Keure, 2013, 175-204; T. PAPART, Vade-Mecum du Tribunal de Police, Waterloo, Wolters Kluwer, 2013, pp. 69-82.
(9)Zie https://www.om-mp.be/nl/meer-weten/omzendbrieven - Omzendbrief nr. 04/2013 van het College van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep, herziene versie 2 november 2020, p. 4.
(10)BS 29 december 2016.
(11)BS 15 maart 2018.
(12)Pol. Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, 30 november 2020, RW 2020-2021, 1156 en noot.
(13)Wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, BS 1 juli 2013, artikel 31.
(14)Het gaat in feite om twee omzendbrieven, de eerste van 22 februari 2013 die betrekking heeft op het bevel tot betalen in de wet van 22 april 2012 en de tweede die een herziene versie daarvan is ingevolge de wet van 25 december 2016.
(15)Parl. St. Kamer, 2016-201, DOC 54 2208/001, p. 31.
(16)Het is opmerkelijk dat in de wet van 22 april 2012 niets wordt gezegd over de hypothese waarin de procureur des Konings het bezwaar aanvaardt en over de gevolgen daarvan. Zie hierover D. VAN DAELE, "Het bevel tot betalen in het verkeerstrafrecht. Een analyse van de wet van 22 april 2012", Vigiles 2012, 366-367.
(17)Omzendbrief 04/2013 dd. 22 februari 2013, p. 6.
(18)Parl. St. Senaat, Buitengewone zitting 2010, 5-54/1, p. 6.
(19)Parl. St. Senaat, Zitting 2010-2011, 5-54/3, Advies van de Raad van State nr. 50.077/2/V dd. 17 augustus 2011, p. 4.
(20)Parl. St. Senaat, Zitting 2011-2012, 5-54/4, p. 2.
(21)Omzendbrief 04/2013, herziene versie dd. 02 november 2020, p. 5.
(22)Ibid. pp. 25-26.
(23)D. VAN DAELE, o.c., pp. 368-369.
(24)o.c., p. 7.
(25)C. DE ROY, "Kroniek wegverkeersrecht 2010-2013: overzicht van de belangrijkste evoluties in wetgeving en rechtspraak", RW 2013-14/34.
(26)M. STERKENS, "Onmiddellijke inning en consignatie", in X, Bestendig Handboek Verkeer, afl. 21, 10a-11.
(27)"Het bevel tot betalen- Schorsing van het recht tot sturen", in Postal Memorialis, B 180, 15-19.
(28)De auteur spreekt inderdaad niet over de strafvordering, maar indien er geen straffen of maatregelen kunnen worden opgelegd, volgt daar uit dat de strafvordering niet aanhangig is.
(29)Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54 2208/001, pp. 28-35.
(30)Zie omzendbrief 04/2013, herziene versie van 2 november 2020, p. 11.
(31)Zie D. VAN DAELE, o.c., p. 363.
(32)Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54 2208/001, Advies nr. 60.482/1-2-3-4 dd. 23 november 2016.
(33)Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54 2208/001, p. 29.
(34)Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54 2208/001, p. 102.
(35)Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54 2208/001, Advies nr. 60.482/1-2-3-4 dd. 23 november 2016, p. 153-154.
(36)Voetnoot 11 op p. 154.
(37)Onder gelding van de wet van 22 april 2012. Nadien werd door de wet van 6 maart 2018 de verwijzing naar de onmiddellijke inning weggelaten.
(38)Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54 2208/001, p. 28.
(39)Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54 2208/001, p. 28.
(40)Omzendbrief 04/2013, p. 5 (eerste versie) en p. 12 (herziene versie).
(41)Mevr. TAELMAN was van oordeel dat het bevel tot betaling niet geldig was als één van die vermeldingen ontbreekt, Parl. St. Senaat, Zitting 2011-2012, 5-54/6, p. 15.
(42)Omzendbrief 04/2013, p. 4 (eerste versie).
(43)Omzendbrief 04/2013, herziene versie, pp. 6-7.
(44)Hetgeen kan slaan op de bijzondere bewijswaarde voorvloeiend uit artikel 62 Wegverkeerswet of uit het vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet.
(45)De door het openbaar ministerie voorgestelde som mag niet hoger liggen dan het bedrag bepaald in artikel 216bis Wetboek van Strafvordering, verhoogd met 35% en met desgevallend ook een bijdrage aan het bijzonder Fonds. De controle van de wettigheid van de voorgestelde som zal dus op al deze aspecten dienen te slaan.
(46)M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2021, 9de ed., t. I, pp. 256-273.
(47)Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, art. 14.7. IVBPR. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210601.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.5 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.060 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.