← België

FOD FINANCIEN c. NV SAINT-GOBAIN CONSTRUCTION PRODUCTS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.10 Rolnummer: F.20.0056.N Zaak: FOD FINANCIEN c. NV SAINT-GOBAIN CONSTRUCTION PRODUCTS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-10-21 Raadplegingen: 932 - laatst gezien 2026-06-19 03:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10 Fiche 1 Uit geen enkele bepaling van het Dubbelbelastingverdrag België-Korea volgt dat het belastingkrediet slechts wordt toegekend aan de werkelijke genieter ervan die in België verblijft, op voorwaarde dat die interest daadwerkelijk in Korea werd belast; zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt, kent dit verdrag het belastingkrediet toe wegens de interest die in Korea mag worden belast.

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Dubbelbelastingverdrag België-Korea - Inwoner van België - Belastbaarheid van interest - Door het verdrag verleende belastingvermindering - Vereiste van effectieve bronbelasting Wettelijke bepalingen: Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Korea tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ondertekend te Brussel op 29 augustus 1977 - 29-08-1977 - Artt. 11 en 22 - 31 Link Justel databank 19770829-31 Fiche 2 Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit is enkel van toepassing in fiscale zaken waarbij de fiscale wetgeving zelf niet voorziet in een verval- of verjaringstermijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Wet Rijkscomptabiliteit - Artikel 100 - Toepassing in fiscale zaken Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 8, p. 550-557. - BOSTOEN, Tom; Noot'Het dubbelbelastingverdrag met Korea: onenigheid binnen het Hof van Cassatie over de toepassing van het FBB' Tekst van de conclusie F.20.0056.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...) 3. Bespreking van het tweede middel. 3.1. Eiser voert de schending aan van artikel 11, § 1 en § 2, en artikel 22, § 1 (
  1. b)van de Overeenkomst van 19 augustus 1977 tussen België en Korea tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, zoals goedgekeurd bij Wet van 20 juli 1979 (hierna "DBV"). Eiser komt op tegen het oordeel van de appelrechters dat de verrekening van het FBB wat de door verweerster genoten Koreaanse interesten betreft, gelet op het DBV, niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat deze interesten effectief in Korea werden belast. Volgens eiser vereisen artikel 11, § 1 en § 2, en artikel 22, § 1 (b), tweede streepje van het DBV wel degelijk een effectieve belasting in Korea. 3.2. Krachtens artikel 11, § 1, DBV is de interest afkomstig uit een overeenkomstsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere overeenkomstsluitende Staat, in die andere Staat belastbaar. Het te dezen toepasselijke artikel 11, § 2, DBV bepaalt dat deze interest echter mag worden belast in de overeenkomstsluitende Staat waaruit hij afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat, maar indien de persoon die de interest ontvangt de werkelijke genieter van de interest is, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan 15 pct. van het bedrag van de interest. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 22, § 1, (
  2. b)DBV wordt in België dubbele belasting op de volgende wijze vermeden: wanneer een inwoner van België interest verkrijgt als bedoeld in artikel 11, paragrafen 2 of 7, dan verleent België op zijn belasting over die inkomsten een vermindering, die gelijk is aan 20 pct. van het brutobedrag van de interest dat in de belastbare basis van die inwoner is begrepen. 3.3. Aan de orde is de vraag of het verdragsrechtelijk FBB door België enkel moet worden toegestaan als de interesten in Korea effectief werden belast. In een arrest van 4 juni 2015 heeft de Franstalige eerste kamer van Uw Hof deze vraag bevestigend beantwoord
(1)en geoordeeld dat het Verdrag geen tax sparing-clausule bevatte: "Krachtens artikel 11, § 1, van de Overeenkomst van 29 augustus 1977 tussen het Koninkrijk België en de Republiek Korea tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, is de interest afkomstig uit Korea en betaald aan een inwoner van België belastbaar in België. Echter, volgens artikel 11, § 2, zoals het op het geschil van toepassing is, mag die interest belast worden in de Koreaanse bronstaat, overeenkomstig de wetgeving van die Staat, maar mag die aldus geheven belasting, indien de inwoner van België die ze ontvangt de werkelijke genieter ervan is, niet hoger zijn dan 15 pct. van het bedrag van de interest. Artikel 22, § 1, b), van de preventieve overeenkomst bepaalt, in dezelfde versie, dat wanneer een inwoner van België interest uit Koreaanse bron als bedoeld in artikel 11, § 2, verkrijgt, België op zijn belasting over die inkomsten een vermindering verleent die gelijk is aan 20 pct. van het brutobedrag van de interest dat in de belastbare basis van die inwoner is begrepen. Uit die bepalingen, die tot doel hebben, enerzijds, de bevoegdheid inzake het belasten van de interest uit Koreaanse bron tussen de twee Staten te verdelen en, anderzijds, te vermijden dat dit tot een dubbele belasting aanleiding zou kunnen geven, volgt dat het belastingkrediet, al werd het berekend op het brutobedrag van de interest uit Koreaanse bron tegen een gunstig tarief van 20 pct., slechts wordt toegekend aan de werkelijke genieter ervan die in België verblijft, op voorwaarde dat die interest daadwerkelijk in Korea werd belast". De appelrechters verwijzen naar dit arrest doch volgen de daarin opgenomen rechtsregel niet. Er zijn inderdaad verschillende argumenten die pleiten voor de andere visie, overeenkomstig dewelke niet vereist is dat de interesten in Korea effectief werden belast opdat het FBB door België moet worden toegestaan. 3.3.1. Vooreerst volgt uit geen enkele bepaling van het DBV dat de toewijzing van een FBB in België onderworpen is aan een effectieve bronbelasting in Korea. Noch artikel 22, § 1, (b), noch artikel 11 DBV vereist een effectieve belastingheffing in Korea voor de toekenning van het FBB. Het volstaat immers dat de belastingplichtige fiscale inwoner van België interesten ontvangt van Koreaanse bron, zijnde interesten die Korea mag belasten waarbij die belasting niet hoger mag zijn dan 15 pct. (art. 11, § 2, juncto § 1 DBV). Krachtens de tekst van de wet is dus, opdat er sprake zou zijn van voor het FBB in aanmerking komende interesten, niet vereist dat de interesten effectief aan enige belastingheffing in Korea onderworpen zijn geweest. Deze visie is niet strijdig met het doel van een dubbelbelastingverdrag. Het doel van verdragen ter voorkoming van dubbele belasting is, in tegenstelling tot hun benaming, en in tegenstelling tot wat eiser voorhoudt, immers niet altijd beperkt tot het vermijden van dubbele belastingheffing. De voordelige behandeling van inkomsten uit de bronstaat vormt voor Belgische belastingplichtigen een aanmoediging tot investering in de andere verdragsluitende Staat. Dergelijk tax sparing credit waarborgt dat in de bronstaat voorziene belastingverminderingen of -vrijstellingen niet ongedaan gemaakt worden gemaakt door integratie van deze inkomsten in de belastbare grondslag van de woonstaat
(2). 3.3.2. Dat de toewijzing van een FBB in België niet onderworpen is aan een effectieve bronbelasting in Korea, blijkt eveneens uit de parlementaire stukken bij de goedkeuringswet van het Verdrag. De voorbereidende werken van deze wet
(3)vermelden in dit verband: "IV. - Vermijding van dubbele belasting in de domiciliestaat (art. 22). (...) 2° In Korea belastbare inkomsten - andere dan de hierboven bedoelde dividenden, alsmede interest en royalty's mogen in België worden belast maar de belasting wordt verminderd met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting dat is bepaald op 20 % van het bedrag van de desbetreffende inkomsten; het verrekenen van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting tegen een tarief dat hoger is dan het tarief van de belasting die de bronstaat van roerende inkomsten mag heffen (systeem van "matching credit") is de gebruikelijke formule om aan de economische behoeften van de ontwikkelingslanden tegemoet te komen en is als dusdanig geen novum in de Belgische verdragspolitiek". Hieruit blijkt dat artikel 22, § 1, (b) van het Verdrag erop gericht was om een financiële steun te bieden aan Korea (toen nog beschouwd als een ontwikkelingsland) door investeringen in dat land aan te moedigen bij Belgische fiscale inwoners door middel van een matching credit: een bijzondere vorm van een tax sparing credit, waarbij de hoogte van het door de woonstaat te verlenen belastingkrediet zelfs niet afhangt van wat de bronstaat normaliter zou kunnen heffen als belasting. 3.3.3. De bedoeling van het FBB uit het Verdrag met Korea wordt zeer duidelijk toegelicht door de Belgische administratie in haar toenmalige gepubliceerde commentaar op de dubbelbelastingverdragen (Com.Ov.): "23/122 In de meeste overeenkomsten is het beginsel neergelegd, dat de verrekening van het F.B.B. plaatsvindt in overeenstemming met de regels van de Belgische interne wetgeving. Zulks is inz. als volgt uitgedrukt: (...) Desondanks is, hetzij in het algemeen, hetzij in bepaalde gevallen, van het interne recht afgeweken in de ov. met Brazilië, de Filippijnen, Griekenland, India, Indonesië, Korea, Maleisië, Malta, Marokko, Pakistan, Portugal, Singapore, Spanje, Sri Lanka en Tunesië (...)". (...) "Verrekening van niet geheven buitenlandse belasting. 23/131 Sommige landen, inz. ontwikkelingslanden, verlangen dat de vrijstelling van belastingen waarin hun interne wet voorziet om hun economische expansie te bevorderen, niet teniet wordt gedaan door heffingen in de woonplaatsstaat van de investeerder. Deze landen vragen van de verdragspartners soms nog een bijkomende tegemoetkoming tot aanvulling van hun eigen inspanning. Om hieraan te voldoen, wordt ingevolge sommige overeenkomsten verrekening van F.B.B. voor niet in de bronstaat geheven belasting, of verrekening van F.B.B. tegen een verhoogd tarief verleend (tax sparing credit) met betrekking tot de in die overeenkomsten vermelde of omschreven inkomsten uit bronnen in de betreffende landen, terwijl voor het overige het F.B.B. op de voorwaarden en tegen het tarief van het interne recht wordt verrekend. (...) Korea. Het F.B.B. bedraagt 20 pct. voor alle dividenden, interest en royalty's die ingevolge de overeenkomst in Korea mogen worden belast, zelfs indien in feite geen Koreaanse belasting is geheven". Dit blijkt eveneens uit de circulaire van 12 mei 1981 (dus kort na de ratificering van het Verdrag). Met betrekking tot de toepassing van het Verdrag staat de volgende toelichting van de bedoeling van de Belgische Staat bij de ondertekening van het Verdrag te lezen: "Het F.B.B. wordt verrekend naar rato van 20 pct. (in plaats van 15 pct.) voor dividenden (andere dan dividenden die door een vennootschap uit een vaste deelneming worden verkregen), interest en royalty's die ingevolge de overeenkomst in Korea mogen worden belast"
(4). Aldus geeft de circulaire aan dat de verrekening van het FBB geldt voor de inkomsten die in Korea mogen worden belast. Hun al dan niet effectieve belasting speelt daarentegen geen enkele rol. 3.3.4. Ook in de rechtsleer werd er op gewezen dat een tax-sparing clausule niet uitdrukkelijk moet voorzien zijn, doch dat deze ook impliciet uit het verdrag kan voortvloeien, wat het geval zou zijn voor het DBV met Korea
(5). 3.3.5. België en Korea hebben het tax sparing-karakter van het FBB zelf erkend en hun Verdrag heronderhandeld. Artikel 9 van het Aanvullend Verdrag van 20 april 1994 wijzigde artikel 22, § 1, (
  1. b)van het Verdrag. Het nieuwe artikel bepaalt: "Onder voorbehoud van de bepalingen van de Belgische wetgeving betreffende de verrekening van in het buitenland betaalde belastingen met de Belgische belasting wordt, indien een inwoner van België inkomsten verkrijgt die deel uitmaken van zijn samengetelde inkomen dat aan de Belgische belasting is onderworpen en bestaan uit dividenden die belastbaar zijn ingevolge artikel 10, paragraaf 2, en niet van Belgische belasting zijn vrijgesteld ingevolge subparagraaf (
  2. c)hierna, uit interest die belastbaar is ingevolge artikel 11, paragrafen 2 of 7, of uit royalty's die belastbaar zijn ingevolge artikel 12, paragrafen 2 of 6, de op die inkomsten geheven Koreaanse belasting in mindering gebracht van de Belgische belasting op die inkomsten". Concreet betekent dit dat het Verdrag voortaan duidelijk verwees naar de interne Belgische wetgeving en dat werd gepreciseerd dat de belastingvermindering op grond van het Verdrag wordt verleend rekening houdend met de "op die inkomsten geheven Koreaanse belasting". Deze nieuwe bepaling is enkel van toepassing op interesten die vanaf 1 januari 1996 worden toegekend. Dat het Aanvullende Verdrag (te dezen niet van toepassing) een nieuwe, en dus geen interpretatieve, bepaling is, werd door de administratie zelf bevestigd in haar circulaire die de wijzigingen bespreekt: "II. OOGMERK. Om aan de misbruiken een einde te maken, zijn krachtens de Aanvullende Overeenkomst de in het WIB 92 bepaalde DBI- en FBB-stelsels voortaan volledig van toepassing op de roerende inkomsten die door inwoners van België uit bronnen in Korea worden verkregen. In dat opzicht werd de verdragsbepaling die voorzag in de verrekening van een FBB van 20 % van het brutobedrag van de dividenden, interest en royalty's uit bronnen in Korea (art. 22, § 1,
  3. b)opgeheven. (...) 9. Vermijding van dubbele belasting (artikel IX, Aanvullende Ov.). De regels tot vermijding van dubbele belasting die voorheen in België van toepassing waren op inkomsten uit bronnen in Korea die door inwoners van België werden verkregen, worden verstrengd. Wat de roerende inkomsten uit bronnen in Korea betreft, vinden de bepalingen van het Belgische interne recht inzake FBB inderdaad volledig toepassing krachtens artikel IX van de Aanvullende Overeenkomst. De Aanvullende Overeenkomst heft dus de verrekening van de Koreaanse belasting tegen een tarief van 20 % op die door de Overeenkomst van 29 augustus 1977 voor interest en royalty's evenals voor dividenden waarop het DBI-stelsel niet van toepassing was, werd gewaarborgd. Als er geen Koreaanse belasting is, wordt dus geen FBB verrekend (en wordt dus niet gebruteerd)"
(6). De Belgische wetgever verklaarde eveneens in het kader van de goedkeuring van het Aanvullende Verdrag met Korea uitdrukkelijk dat het systeem van de tax sparing-clausule uit het oude Verdrag werd opgeheven: "1. Stelsel dat in België van toepassing is op roerende inkomsten uit bronnen in Korea die in Korea belastbaar zijn (artikel IX). Dat stelsel zal voortaan als volgt zijn:
  1. a)wanneer Korea werkelijk gebruik maakt van het recht van belastingheffing dat de Overeenkomst aan Korea toekent, zal het Belgisch internrechtelijk stelsel van toepassing zijn (verrekening van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en het stelsel van de definitief belaste inkomsten);
  2. b)wanneer, krachtens bijzondere wettelijke bepalingen, Korea tijdelijk afziet van een belasting die overeenkomstig haar algemene wetgeving en de bepalingen van de Overeenkomst mag worden geheven van dividenden, interest of royalty's, zal België helemaal geen verrekening meer verlenen op zijn eigen belasting (opheffing dus van elke "tax sparing"-clausule)"
(7). 3.3.6. In een aantal arresten sprak Uw Hof zich uit over de verrekening van het verdragsrechtelijk FBB, zonder de voorwaarde op te leggen van een effectieve belastingheffing in Korea. In de voorliggende zaak (die aanleiding gaf tot het arrest van 12 juni 2015 (F.14.0080.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.5)) erkende het hof van beroep te Antwerpen in het arrest van 29 oktober 2013 het tax sparing-karakter van artikel 22, § 1, (
  1. b)maar oordeelde het dat het verdragsrechtelijk FBB overeenkomstig het Verdrag moest voldoen aan bijkomende internrechtelijke regels en voorwaarden (het beroepsmatigheidsvereiste). Uw Hof had het middel van de belastingplichtige bij gebrek aan belang kunnen afwijzen als het van oordeel was dat het Verdrag wel degelijk belastingheffing in Korea vereiste, waarvan de ontstentenis door het bestreden arrest was vastgesteld en niet bekritiseerd in cassatie. Uw Hof heeft de stelling van de Antwerpse appelrechters m.b.t. de tax sparing-clausule daarentegen niet ontkracht en vervolgens geoordeeld dat de belastingvermindering overeenkomstig het Verdrag moest worden toegestaan, zonder dat hiervoor moest voldaan zijn aan internrechtelijke regels en voorwaarden. Hetzelfde geldt voor het arrest van 21 juni 2019 (F.15.0068.N). Ook in dit arrest oordeelde Uw Hof m.b.t. artikel 22, § 1, (
  2. b)dat geen gevolg kan worden gegeven aan interne Belgische regels die deze vermindering aan bijkomende voorwaarden (het beroepsmatigheidsvereiste bepaald in artikel 187 WIB64) onderwerpen. De voorziening wees uitdrukkelijk op het tax sparing-karakter van de belastingvermindering op basis van het Verdrag. Ook in dit arrest stelde Uw Hof een schending van het Verdrag vast wegens het opleggen van bijkomende voorwaarden naar nationaal recht, meer bepaald de beroepsmatigheidsvereiste, teneinde te kunnen genieten van het verdragsrechtelijk FBB. Daarbij heeft Uw Hof het tax sparing-karakter van dat belastingkrediet niet weerlegd. 3.4. Uit bovenstaande overwegingen volgt m.i. dat de appelrechters naar recht oordelen dat de verrekening van het FBB wat de door verweerster genoten Koreaanse interesten betreft, gelet op het dubbelbelastingverdrag zoals het op het ogenblik van de betrokken transacties was gestipuleerd, niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat deze interesten effectief in Korea werden belast. Het tweede middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, lijkt mij te falen naar recht. 4. Bespreking van het derde middel. 4.1. Eiser komt op tegen het oordeel van de appelrechters dat de verjaringsregels van de Wet Rijkscomptabiliteit niet van toepassing zijn. In essentie voert eiser aan dat de verjaringstermijn voorzien in artikel 100, eerste lid, 2° van de Wet op de Rijkscomptabiliteit niet is voorzien in het WIB64 zodat deze termijn in casu wel degelijk zou van toepassing zijn. Door deze termijn niet toe te passen zouden de appelrechters deze wetsbepaling hebben geschonden. 4.2. Overeenkomstig artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. 4.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de Wet Rijkscomptabiliteit blijkt dat de "procedures inzake terugbetaling van directe en indirecte belastingen buiten het gebied van dit ontwerp vallen". De wetgever verwijst expliciet, wat de inkomstenbelastingen betreft, naar de artikelen 267, 272 en 277 WIB64
(8). Aldus sluit de wetgever uit dat de Wet Rijkscomptabiliteit (dus zowel artikel 100, eerste lid, 1° als artikel 100, eerste lid, 2°) van toepassing is op de procedures inzake terugbetaling van directe en indirecte belastingen. Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit is alleen van toepassing in fiscale zaken wanneer de fiscale wetgeving zelf niet voorziet in een termijn (bij vorderingen tot teruggaaf van niet-verrekende voorheffingen of voorafbetalingen, al dan niet bij gebrek aan tijdige inkohiering, en bij aansprakelijksvorderingen lastens de overheid). Ook de rechtsleer lijkt zich op dit standpunt te stellen. Zo stelt DE RAEDT: "Wanneer er (...) een wet is die een termijn voorziet voor het verval van een bepaalde schuldvordering in fiscale context, dan gelden de verjaringsregels van de Wet Rijkscomptabiliteit in ieder geval niet. De fiscale wet voorziet evenwel vooral termijnen van verval voor rechtsvorderingen lastens de Staat (zie bv. de termijnen van bezwaar dan wel van ontheffing van ambtswege, voorzien in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen), die dus sowieso niet onder het toepassingsgebied van de Wet Rijkscomptabiliteit vallen"
(9). Er anders over oordelen zou betekenen dat de indiening van het bezwaarschrift tot gevolg zou hebben dat (
  1. i)de verjaringstermijn van artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit begint te lopen, zodat (
  2. ii)de belastingplichtige binnen een termijn van vijf jaar het nodige moet doen om de verjaring te stuiten of te schorsen overeenkomstig artikel 101 Wet Rijkscomptabiliteit, indien de schuldvordering overeenkomstig artikel 100, eerste lid, 2° Wet Rijkscomptabiliteit niet tijdig werd geordonnanceerd. De appelrechters wijzen erop dat dit standpunt niet verdedigbaar is. Zij wijzen er m.i. terecht op dat de belastingplichtige tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag schriftelijk bezwaar kan aandienen, dat de wet geen termijn bepaalt/bepaalde binnen dewelke een directoriale beslissing moet worden genomen, en dat er "ook nadat de gewestelijke directeur geen jurisdictionele bevoegdheden meer konden worden toegedicht, er, zolang de directeur geen beslissing had genomen over het bezwaar, geen maximumtermijn (was) en het recht van (verweerster) niet (kon) verjaren". Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. 5. Besluit: VERWERPING. ____________________________
(1)Cass. 4 juni 2015, AR F.14.0164.F, AC 2015, nr. 373, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150604.4, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150604.4.
(2)N. BAMMENS, e.a., Internationaal fiscaal recht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2019, p. 364.
(3)Parl.Doc. Kamer 1977-1978, nr. 391/1, p. 4.
(4)Circulaire nr. Ci.R.9 Korea/323.353 van 12 mei 1981, Bull. Bel. 597/07.81, punt J.
(5)Zie Fiscoloog, 14 februari 1991, nr. 326, p. 2; Fiscoloog, 8 oktober 1997, nr. 632, p. 2.
(6)Circulaire nr. AFZ/97-84 van 26 juni 1997.
(7)Parl.St. Senaat 1995-1996, 1/286/1, p. 2.
(8)Zie Parl.Besch. Kamer zitting 1966-67, DOC 408/5, p. 3-5.
(9)S. DE RAEDT, "Zin en onzin van het toepassen van de Wet Rijkscomptabiliteit in fiscale zaken", TFR 2011, p. 447, nr. 23. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150604.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.5 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150604.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.