id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.5 Rolnummer: F.16.0105.N Zaak: CREATIVE CONSTRUCTION AND RENOVATION nv c. BELGISCHE ST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 706 - laatst gezien 2026-06-19 06:06 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.5 Fiche 1 Wanneer een middel gegrond is op een wrakingsgrond die niet voor de feitenrechter is opgeworpen, hoewel die grond had kunnen worden opgeworpen, kan het voor het Hof enkel worden aangevoerd als de medewerking van de rechter aan de bestreden beslissing een regel miskent die betrekking heeft op de objectieve vereisten van de rechterlijke organisatie en daarom van essentieel belang is voor de rechtsbedeling; dat is niet het geval wanneer die rechter zijn mening over de oplossing van het geschil reeds te kennen heeft gegeven
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Samenstelling van het rechtscollege - Wrakingsgrond - Middel dat voor het eerst voor het Hof kan worden voorgedragen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 292 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Artikel 333, derde lid, WIB92 vereist niet dat de aanwijzingen van belastingontduiking op feiten en vaststellingen moeten steunen die zich binnen het bedoeld tijdperk situeren; feiten die latere aanslagjaren betreffen, kunnen derhalve aanwijzingen van belastingontduiking vormen voor eerdere aanslagjaren; die bepaling vereist evenmin dat de achterliggende redenen waarom de administratie in een bepaald gegeven of element een aanwijzing van belastingontduiking ziet voor het bedoeld tijdperk, expliciet moet worden vermeld; de precieze vermelding van de aanwijzingen van belastingontduiking en de aanduiding van het bedoeld tijdperk volstaan op zich. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Vrije woorden: Onderzoekstermijn - Verlenging - Voorafgaande kennisgeving - Aanwijzingen van belastingontduiking - Vermelding - Vereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 333 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.16.0105.N Advocaat-generaal J. Van der Fraenen heeft in hoofdzaak gezegd: (…)
- Bespreking van het eerste middel. 2.
- Eiseres voert in het eerste middel aan dat het bestreden arrest niet regelmatig werd gewezen door de vijfde kamer van het Hof van beroep te Gent om reden dat deze qua samenstelling niet de vereiste objectieve partijdigheid zou bezitten door de aanwezigheid van de raadsheren G. TILLEKAERTS en D. VANDEPUTTE, die zetelden ondanks het feit dat zij hun mening ten gronde, dat de betwiste kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking dd. 22 oktober 2009 de uitbreiding van de onderzoekstermijn conform artikel 333, lid 3 WIB 1992 rechtvaardigde, reeds voordien te kennen hadden gegeven in het door Uw Hof bij arrest dd. 21 november 2014 vernietigde arrest van dezelfde kamer van het Hof van beroep te Gent dd. 21 mei 2013 waardoor eiseres niet berecht zou zijn door een onpartijdige rechter in de zin van artikel 6.1 EVRM (Schending van artikel 6.1 EVRM, van het algemeen rechtsbeginsel houdende de onpartijdigheid van de rechter, van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een rechter, wiens vonnis vernietigd werd door een hogere rechter, daarna niet meer opnieuw mag kennisnemen van dezelfde zaak, zoals neergelegd in o.m. de artikelen 292 en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek, 214 en 435 van het Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 9, 569, 32°, 292 en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek). 2.
- Uw Hof ontwikkelde een vaste rechtspraak over de vraag of voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd dat het appelgerecht niet voldeed aan de onpartijdigheidsvereiste, specifiek wanneer de opgeworpen schending van het onpartijdigheidsbeginsel een wrakingsgrond uitmaakt die de eiseres had kunnen aanvoeren voor het appelgerecht, maar dit niet heeft gedaan
(1). Het komt mij voor dat uit die rechtspraak valt af te leiden dat de regel volgens welke niet ontvankelijk kan verklaard worden het middel, gegrond op een reden van wraking, dat niet voor de feitenrechter werd aangevoerd geen absolute regel is. Meer bepaald wordt aanvaard dat het middel steunend op een reden van wraking die voor de feitenrechter niet is aangevoerd, ontvankelijk is wanneer de deelneming van de wraakbare rechter aan de bestreden beslissing een wezenlijke regel inzake rechtsbedeling schendt. In twee gevallen is er sprake van schending van een wezenlijke regel inzake rechtsbedeling: (
- a)Wanneer de reden van wraking tevens een in de wet bedoelde reden van onverenigbaarheid is. Deze onverenigbaarheden inzake rechterlijke ambten zijn vastgesteld in de artikelen 292 tot 304 van het Gerechtelijk Wetboek. Een wezenlijke regel inzake rechtsbedeling wordt aldus geschonden wanneer, met schending van artikel 292, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek, de beslissing is gewezen door een rechter die vroeger bij de uitoefening van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak. Dit zou hetzelfde zijn voor een beslissing die in hoger beroep werd gewezen door een magistraat die als eerste rechter van dezelfde zaak kennis had genomen. (
- b)Wanneer het vonnis is gewezen door een magistraat die rechtstreeks bij de zaak is betrokken. Volgens een algemeen rechtsbeginsel dat o.m. is gehuldigd in de artikelen 292, 293, 297 en 304 van het Gerechtelijk Wetboek kan immers niemand in een geding tegelijkertijd rechter en partij zijn. 2.3. Eiseres houdt in het eerste middel voor dat twee van de drie appelrechters hun mening ten gronde, dat de betwiste kennisgeving van de aanwijzingen van belastingontduiking dd. 22 oktober 2009 de uitbreiding van de onderzoekstermijn conform artikel 333, lid 3 WIB 1992 rechtvaardigde, reeds voordien te kennen hadden gegeven in het door Uw Hof bij arrest dd. 21 november 2014 vernietigde arrest van dezelfde kamer van het Hof van beroep te Gent dd. 21 mei 2013. Uit de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat eiseres, tijdens de behandeling van onderhavige zaak voor het Hof van Beroep te Gent er zich over heeft beklaagd dat twee van de drie raadsheren die zetelden ook deel hebben uitgemaakt van de zetel die uitspraak deed over het pretaxatiegeschil bij arrest van 21 mei 2013 van datzelfde Hof van Beroep te Gent. Verder komt het mij voor dat deze situatie niet ressorteert onder de hierboven uiteengezette gevallen van schending van een wezenlijke regel inzake rechtsbedeling. Er is geen sprake van een “ander rechterlijk ambt” en dus ook niet van een onverenigbaarheid in de zin van artikel 292, tweede lid Ger.W. wanneer een raadsheer in het hof van beroep dat uitspraak moet doen, vroeger van de zaak kennis heeft genomen als lid van hetzelfde hof van beroep
(2). Het middel is m.i. derhalve nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. (…) 4. Besluit: VERWERPING. _______________________
(1)De principes over deze problematiek zijn terug te vinden in een noot van advocaat-generaal J. VELU, bij Cass. 13 oktober 1975, AC 1976, 191.
(2)Cass. 9 februari 1990, AR 6510, AC 1989-90, nr. 357. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.5 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180517.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div