← België

ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210611.1N.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210611.1N.9 Rolnummer: C.17.0412.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-01-18 Raadplegingen: 2733 - laatst gezien 2026-06-19 18:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9 Fiches 1 - 2 De rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de toestand van partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de grond van de vordering, neemt een beslissing alvorens recht te doen waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij hierover het debat gevoerd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting tussen partijen - Beslissing van de rechter - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, derde lid, en 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting tussen partijen - Beslissing van de rechter - Appellabiliteit Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, derde lid, en 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2021, nr. 432, p.
  1. - VANDENBUSSCHE, Wannes; e.a.; Noot'Cassatie beëindigt discussie over bepaling uit potpourriwet I' Juristenkrant-De Juristenkrant - 2021-22, nr. 13, p. 505-
  2. - DE POTTER TEN BROECK, Michaël; VAN SEVEREN, Claudia; Noot'Eerherstel voor de beslissing alvorens recht te doen' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 14, p. 1334-
  3. - GOVAERTS, Marcel; Noot'Tegen een voorlopige maatregel alvorens recht te doen staat geen hoger beroep' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 16, p. 1528-
  4. - SONCK, Stefaan; Noot'Het (onmiddelijk)hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te doen in burgerlijke zaken:kunnen we het nu eindelijk eens zijn?' NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2022, nr. 460, p. 317-
  5. - THIRIAR, Pierre; Noot'Hoger beroep tegen een maatregel alvorens recht te spreken-cassatie contra legem' RCJB-Revue critique de jurisprudence belge - 2022, n° 2, p. 193-
  6. - HOC, Arnaud; Note'Nature du jugement ordonnant une mesure avant dire droit contestée: fin de la controverse' JT-Journal des tribunaux - 2021, n° 36, p. 745-
  7. - DEJEMEPPE, Benoît; Note'Les audiences plénières de la Cour de cassation' Tekst van de conclusie C.17.0412.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  8. Feiten en procedure. Eiseres voerde als hoofdaannemer werken uit in opdracht van tweede verweerster. Eerste verweerster trad op als onderaannemer. Tussen partijen ontstond betwisting over de facturatie. Voor de rechtbank van koophandel vorderde eerste verweerster een provisie. De rechtbank stelde vast dat partijen zich in een patstelling hadden geplaatst nu eerste verweerster als onderaannemer niet wordt betaald door eiseres als hoofdaannemer omdat deze laatste niet wordt vergoed door de bouwheer omwille van gebreken en vertraging in de uitvoering. Bij vonnis van 9 december 2015 stelde de rechtbank, gelet op het akkoord tussen partijen hierover, een gerechtsdeskundige aan en kende zij in toepassing van artikel 19, derde lid Gerechtelijk wetboek aan eerste verweerster een provisie toe op de grond dat "het ingehouden bedrag buiten verhouding staat tot de aangehaalde gebreken" en "er tot op heden geen bewijs voorligt dat eerste verweerster als enige verantwoordelijk zou zijn voor de opgelopen vertraging van de werf". De provisie wordt toegekend alvorens recht te doen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering en rechtdoend in toepassing van artikel 19, lid 3 Ger.W. Het hoger beroep van eiseres tegen dit vonnis wordt door de appelrechter afgewezen als onontvankelijk, nu het vonnis van de eerste rechter slechts een voorafgaande maatregel beval die de toestand van partijen voorlopig regelde en aldus een vonnis in de zin van artikel 19 derde lid Ger.W. is waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat. Tegen dit arrest van 13 juli 2016 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiseres één middel aan.
  9. Bespreking. 2.
  10. Sinds de "Potpourri I" wet van 19 oktober 2015 bepaalt artikel 1050, tweede lid Gerechtelijk wetboek dat tegen een beslissing alvorens recht te doen, tenzij de rechter anders bepaalt, slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis
(1). Het begrip "beslissing alvorens recht te doen" wordt omschreven in artikel 19, derde lid Gerechtelijk wetboek en maakt een onderscheid tussen twee types van beslissingen: enerzijds de beslissingen waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen of waarin een tussengeschil wordt geregeld dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, en anderzijds de beslissingen waarbij de situatie van de partijen voorlopig wordt geregeld. Voor beide types van beslissingen werd de mogelijkheid tot het onmiddellijk aantekenen van hoger beroep dus niet voorzien. Die beslissingen blijven wel principieel vatbaar voor hoger beroep, maar niet meer onmiddellijk of afzonderlijk. De wetgever wenste hiermee te voorkomen dat het hoger beroep om dilatoire redenen wordt misbruikt. De verruimde devolutieve werking van het hoger beroep tegen een tussenvonnis, waaronder een maatregel alvorens recht te doen in de zin van artikel 19 Gerechtelijk wetboek, heeft immers tot gevolg dat het hele geschil aan de eerste rechter wordt onttrokken, zelfs de punten waarover hij (nog) geen uitspraak heeft gedaan zodat op die manier hoger beroep kan worden misbruikt om de zaak op de lange baan te schuiven
(2). De mogelijkheid tot onmiddellijk hoger beroep wordt daarom uitgesloten tenzij de rechter anders bepaalt, wat analoog is aan wat de wetgever eerder besliste met betrekking tot "beslissingen inzake bevoegdheid"
(3). Het hoger beroep tegen die beslissingen is enkel ontvankelijk indien het wordt ingesteld samen met het hoger beroep tegen een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk wetboek. De wetgever stelde onder verwijzing naar de rechtspraak van Uw Hof dat het volstaat dat in het (tussen)vonnis een geschilpunt omtrent de ontvankelijkheid of de grond van de zaak werd beslecht, wat een eindvonnis uitmaakt, opdat het tussenvonnis "alvorens recht te doen" wel degelijk appellabel wordt
(4). 2.2. De beslissing tot toekenning van een provisioneel bedrag in de zin van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk wetboek met als doel de toestand van de partijen voorlopig te regelen dient duidelijk te worden onderscheiden van de beslissing waarbij de rechter bij wijze van voorschot een partij definitief veroordeelt tot betaling van een (onbetwistbaar) verschuldigd bedrag in afwachting van de beslechting van het overige van de vordering. In het eerste geval is de beslissing tot toekenning van een provisie een beslissing alvorens recht te doen die te aanzien is als een maatregel om de nadelige gevolgen van een proces, gelet op o.m. de (lange) duur ervan, voor een partij te beperken
(5). De rechter die een provisioneel bedrag toekent bij wijze van voorlopige regeling van de toestand van de partijen, beslist hierover op grond van een beoordeling op het eerste gezicht van de ogenschijnlijke rechten van de partijen (‘prima facie') en na een afweging van de belangen van de beide partijen bij een dergelijke voorlopige regeling van hun toestand. Een dergelijke beslissing put de rechtsmacht van de rechter over de grond van de zaak niet uit. Hij is later, bij de beoordeling van de grond van de zaak, niet gebonden door zijn eerdere beslissing waarbij hij de toestand van de partijen voorlopig regelde. Wanneer de rechter na de beoordeling van de grond van de zaak beslist dat aan de eiser niets verschuldigd is, zal de eiser gehouden zijn tot terugbetaling van wat hem provisioneel werd toegekend
(6). In het geval daarentegen waarin de rechter een partij tot betaling van een provisie veroordeelt ná de aansprakelijkheid van die partij te hebben vastgesteld en er dus enkel nog betwisting rest over de precieze omvang van de schade(vergoeding), is de veroordeling tot betaling van een provisie een eindbeslissing. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen, meer bepaald het vonnis van de eerste rechter en de thans bestreden beslissing, blijkt duidelijk dat de provisie werd toegekend als een ‘voorlopige maatregel' in de zin van artikel 19, derde lid Gerechtelijk wetboek, die strekt tot voorlopige regeling van de situatie van de partijen in afwachting van een einduitspraak ten gronde. Dit blijkt niet enkel uit het beschikkend gedeelte van het eerste vonnis waarin wordt aangegeven dat uitspraak wordt gedaan "alvorens recht te doen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering" en "in toepassing van artikel 19, derde lid Ger.W.", maar ook uit het motiverend gedeelte waarin de eerste rechter wijst op het doel van de veroordeling tot betaling van de provisie, namelijk om de "patstelling" tussen partijen te doorbreken in afwachting van de uitkomst van het bevolen deskundigenonderzoek, en als zodanig de partijen een voorlopige oplossing te bieden in afwachting van de beslissing ten gronde; De door de eerste rechter gemaakte beoordeling van het recht van eerste verweerster op de betaling van een provisie, is een voorlopige prima facie beoordeling die gebeurt op basis van de stukken en elementen die op dat ogenblik bekend zijn, en zonder vooruit te lopen op de uiteindelijke beslissing over de grond van de zaak die betrekking zal hebben op de omvang van de gebreken en de uiteindelijke toerekenbaarheid van de vertraging. In die omstandigheden is de veroordeling tot betaling van een provisie geen uitspraak ten gronde, waarbij de eerste rechter zijn rechtsmacht (deels) zou hebben uitgeput, maar werd hiermee louter een meer billijke wachttoestand gecreëerd door de vastgestelde patstelling waarin partijen zich bevonden te doorbreken in afwachting van de resultaten van de expertise en de einduitspraak. Over het al dan niet bestaan van gebreken en/of vertraging in de uitvoering van de werken waarvoor eerste verweerster aansprakelijk zou zijn werd nog geen definitieve uitspraak gedaan. De rechten van partijen werden slechts op het eerste gezicht beoordeeld. De maatregel brengt geen enkel nadeel toe aan de grond van de zaak en is ‘omkeerbaar'. 2.3. Eiseres voert in de voorziening geen betwisting over het feit dat de provisie werd toegekend bij wijze van voorlopige maatregel en dus niet als definitief voorschot. Zij betwist evenmin dat een beslissing waarbij de rechter een provisie toekent bij wijze van voorlopige regeling van de toestand van de partijen, geen eindbeslissing is (in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk wetboek, maar een beslissing alvorens recht te doen (in de zin van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk wetboek). Eiseres voert evenmin aan dat het beroepen vonnis een zogenaamd ‘gemengd vonnis' zou zijn, waarop artikel 1050, tweede lid Gerechtelijk wetboek niet van toepassing is
(7). Eiseres voert wel aan dat de artikelen 19, eerste en derde lid, iuncto 1050, tweede lid Gerechtelijk wetboek in die zin moeten worden begrepen dat, wanneer over de gevorderde provisionele maatregel tussen de partijen - énige - betwisting heeft bestaan, de beslissing van de rechter over de toekenning van die maatregel moet gekwalificeerd worden als een eindbeslissing (in de zin van artikel 19, eerste lid Gerechtelijk wetboek) en niet als een beslissing alvorens recht te doen (in de zin van artikel 19, derde lid Gerechtelijk wetboek, zodat hiertegen onmiddellijk hoger beroep kan worden ingesteld. Dit standpunt faalt mijns inziens naar recht om volgende redenen. 2.3.1. De tekst van artikel 19, derde lid Gerechtelijk wetboek maakt zelf geen onderscheid al naargelang wél of geen betwisting bestaat tussen de partijen over de gevorderde voorlopige maatregel
(8). 2.3.2. Voormeld standpunt valt ook moeilijk te rijmen met het sinds 2007
(9)gewijzigde artikel 19, derde lid Gerechtelijk wetboek, waarbij uitspraken die een "tussengeschil" beslechten met betrekking tot een onderzoeksmaatregel uitdrukkelijk werden gekwalificeerd als beslissingen alvorens recht te doen. De notie "tussengeschil" veronderstelt immers precies dat er over (de uitvoering van) die maatregel een betwisting bestaat. 2.3.3. De eerder vermelde doelstelling van de wetgever om met de wijziging van artikel 1050, tweede lid Ger.W., misbruik van hoger beroep te voorkomen door de zaak op de lange baan te schuiven bij de appelrechter, wordt nagenoeg volledig uitgehold indien wordt aangenomen dat om het even welke betwisting tussen partijen volstaat om de gevraagde beslissing alvorens recht te doen te "transformeren" in een eindbeslissing. In dat geval zou artikel 1050, tweede lid Ger.W alleen nog kunnen slaan op beslissingen over voorafgaande maatregelen waarover tussen de partijen geen betwisting bestond. Aan het begrip ‘beslissing alvorens recht te doen' zou dan geen werkelijke betekenis meer toekomen, te meer maatregelen die tot doel hebben de toestand van partijen voorlopig te regelen zelden onbetwist zijn gelet op hun vaak verregaande impact
(10). 2.3.4. Het standpunt dat élke beslissing over een betwisting tussen partijen een eindbeslissing is, ook al betreft de beslissing louter het bevelen of de uitvoering van een voorafgaande maatregel, valt bovendien moeilijk te rijmen met de betekenis die Uw Hof toekent aan het rechtsbegrip "eindbeslissing". Uw Hof oordeelt immers dat een "eindbeslissing" in de zin van artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek "een beslissing (is) waarbij de rechter door uitspraak te doen over een betwisting, een principe aanneemt dat de latere beslissing over de vordering, ook al wordt deze pas later in haar geheel beslecht, zal beïnvloeden"
(11). Daarentegen neemt de rechter wanneer hij, bij wijze van voorlopige regeling van de toestand der partijen, aan een partij een provisie toekent, zonder daarbij uitspraak te doen over de ontvankelijkheid of over de grond van de zaak, geen enkel "principe" aan dat de latere beslissing over de vordering "zal beïnvloeden". Dat de toekenning van de provisie door de wederpartij werd betwist, doet hieraan niets af. 2.3.5. Ten slotte zou die interpretatie aanleiding geven tot een gebrek aan coherentie met betrekking tot de al dan niet appellabiliteit van beslissingen met betrekking tot deskundigenonderzoeken. Er ontstaat aldus immers een niet gerechtvaardigd onderscheid in behandeling tussen enerzijds een onmiddellijk appellabele beslissing tot het bevelen van een onderzoeksmaatregel waarover betwisting bestond en de niet-appellabiliteit van een ambtshalve beslissing tot het bevelen van een onderzoeksmaatregel waarover geen betwisting bestond en anderzijds een beslissing die het verloop van de procedure regelt die krachtens artikel 963, § 1 Gerechtelijk wetboek niet appellabel is ook al beslecht die een betwisting tussen partijen en is hierdoor sprake van een eindbeslissing
(12)en andere (eind)beslissingen inzake deskundigenonderzoek die niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 963, § 1 en dus wel (onmiddellijk) appellabel zijn. 2.
  1. Eiseres meent ter ondersteuning van haar standpunt te kunnen verwijzen naar rechtspraak van Uw Hof. 2.4.
  2. Met haar standpunt dat indien een "voorlopige maatregel" tot een betwisting heeft geleid die de rechter heeft moeten beslechten dit een eindbeslissing is en geen beslissing alvorens recht te doen, verwijst eiseres naar het arrest van 7 november 2014 waarin het Hof oordeelde: "De veroordeling van de eiseres tot het betalen in hoofdsom van 365.807,27 euro ten provisionele titel is geen beslissing alvorens recht te doen"
(13). Dit arrest handelde evenwel niet over de provisie in de zin van artikel 19, derde lid Ger.W. die tot doel heeft de situatie van de partijen voorlopig te regelen en die desgevallend in het licht van de eindbeslissing zal moeten worden terugbetaald, maar wel over de provisie die wordt toegekend nádat de aansprakelijkheid (te dezen voor een verkeersongeval) is vastgesteld maar de precieze omvang van de daaruit resulterende schade nog niet precies kan worden begroot. Met andere woorden de provisie geldt dan als (definitief) voorschot op de uiteindelijke schadevergoeding. Zoals eerder vermeld behelst de beslissing tot toekenning van een provisie in dat geval uiteraard een eindbeslissing, mee bepaald over het bestaan van schade, waarover de rechter zijn rechtsmacht uitput en waarop hij niet meer kan terugkomen. 2.4.2. Vervolgens steunt eiseres, voor wat betreft de aard van een beslissing over een "voorafgaande maatregel", op het arrest van Uw Hof van 24 januari 2013 waarin werd geoordeeld: "wanneer de voorafgaande maatregel om de vordering te onderzoeken die de rechter in de loop van de rechtspleging heeft genomen, tot een betwisting heeft geleid die de rechter heeft moeten beslechten, waardoor hij zijn rechtsmacht daarover volledig heeft uitgeoefend, is die beslissing een eindbeslissing op tussenvordering en geen beslissing alvorens recht te doen"
(14). Uit dit arrest wordt in de rechtsleer afgeleid dat het Hof aanvaardt dat het volstaat dat een gevorderde beslissing alvorens recht te doen in eender welk opzicht wordt betwist opdat die beslissing transformeert en door die betwisting een zgn. "eindbeslissing (op tussengeschil)" wordt. Het primeren van het "feit dat over de maatregel betwisting bestond" op "de aard van de maatregel"
(15)- wat die beslissing onmiddellijk vatbaar maakt voor hoger beroep, c.q. cassatieberoep- gaf aanleiding tot herhaalde kritiek
(16). Ook andere arresten van Uw Hof worden gezien als een bevestiging van deze rechtsregel
(17). Het aanhouden van een dergelijke verregaande interpretatie lijkt mij, zeker in het licht van de doelstellingen van de wetgever, niet houdbaar en de kritiek komt dan inderdaad als terecht voor. De vraag is evenwel of dergelijk algemeen en verregaand standpunt uit die arresten kàn worden afgeleid en of het Hof daarin niet eerder heeft willen benadrukken dat slechts van een eindbeslissing sprake kan zijn voor zover er een betwisting tussen partijen bestond en de rechter bij het beslechten van die betwisting zijn rechtsmacht heeft uitgeput en dus een eind aan het geschilpunt heeft gemaakt. Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt immers dat waar de beslissing over een voorlopige maatregel in de regel géén eindbeslissing oplevert, dit wel het geval is bij een beslissing over (een betwisting over) de legitimiteit of de toelaatbaarheid van een voorafgaande maatregel
(18)of de wettigheid of toelaatbaarheid
(19)van een bewijsmiddel
(20). Deze procedurele betwistingen houden immers nauw verband met de grond van de zaak. In bepaalde gevallen kan de beslechting van een tussengeschil over een beslissing alvorens recht te doen dus inderdaad een eindbeslissing op tussengeschil zijn, waarbij de aard van de betwisting doorslaggevend is
(21). Uit de motieven en de doelstelling van de wijziging van artikel 1050 Ger.W. volgt evenwel dat het louter feit dat over de opportuniteit van een gevorderde maatregel énige betwisting bestond tussen partijen, niet volstaat om van de beslissing over die betwisting een onmiddellijk voor hoger beroep vatbare eindbeslissing te maken. Een beslissing die is ingegeven door loutere opportuniteitsoverwegingen, kan niet als juist of fout worden aangezien. In die optiek heeft het weinig zin om het opportuniteitsoordeel van de eerste rechter nogmaals te laten toetsen door de appelrechter"
(22). De beslissing over de opportuniteit van een voorafgaande maatregel blijft dus, in het licht van de hervorming en ondanks een gevoerde betwisting, een beslissing alvorens recht te doen die niet door de bestaande betwisting transformeert tot een eindbeslissing op tussengeschil. Toegepast op de zaak die voorligt blijft de beslissing over de opportuniteit van een voorafgaande maatregel die de toestand van partijen voorlopig regelt in afwachting van een uitspraak ten gronde zonder dat daarbij op definitieve wijze een beslissing wordt genomen over de ontvankelijkheid of de grond van de zaak, ondanks de gevoerde betwisting, een beslissing alvorens recht te doen die niet transformeert tot een eindbeslissing op tussengeschil. Het middel dat uitgaat van een tegengestelde rechtsopvatting faalt bijgevolg naar recht. 2.6. Dit standpunt strookt op zich met het recent arrest van 12 februari 2021
(23)waarbij Uw Hof oordeelde dat de rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken of om een tussengeschil omtrent een dergelijke maatregel te regelen, een beslissing alvorens recht te doen neemt, ook al beslecht hij daarbij definitief een betwisting omtrent de voorafgaande maatregel. Voor zover hiermee evenwel wordt aangenomen dat een beslissing met betrekking tot een voorafgaande maatregel nooit een eindbeslissing op tussengeschil kan opleveren, ongeacht de aard van de betwisting, dient te worden vastgesteld dat er thans diverse arresten van Uw Hof naast elkaar bestaan die prima facie uiteenlopende standpunten bevatten over de aard van een beslissing over een (betwiste) voorafgaande maatregel en die ogenschijnlijk als tegenstrijdig kunnen worden aanzien. Deze tegenstrijdigheid wordt reeds in de rechtsleer aangevoerd
(24), dient bijgevolg geenszins de rechtszekerheid en vraagt dus om verduidelijking. Conclusie: verwerping. ________________________________
(1)Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake Justitie (BS 22 oktober 2015, Inw. 1 november 2015). Deze bepaling geldt overeenkomstig de regels van het overgangsrecht (art. 3 Ger.W.) voor uitspraken vanaf die datum gewezen (P. TAELMAN & K. BROECKX, "Rechtsmiddelen na Potpourri I" in B. ALLEMEERSCH (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 147, nr. 54).
(2)Parl.St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 23. Zie Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0615.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4, AC 2015, nr. 356.
(3)Parl.St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 24. Sinds de wet van 3 augustus 1992 luidt de vaste cassatierechtspraak over het hoger beroep tegen beslissingen inzake bevoegdheid dat "tegen een vonnis waarbij de rechter zich enkel bevoegd of onbevoegd verklaart, geen onmiddellijk hoger beroep openstaat en een dergelijk hoger beroep slechts mogelijk is nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard, of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid" (zie bv. Cass. 20 maart 2015, AR C.14.0298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.1, AC 2015, nr. 210; Cass. 3 oktober 2014, AR C.13.0164.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2, AC 2014, nr. 574; Cass. 25 maart 2010, AR C.09.0554.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5, AC 2010, nr. 221).
(4)Parl.St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr.54-1219, 24. Zowel artikel 1050, tweede lid Ger.W. spreekt als artikel 19, eerste lid Ger.W., spreken van "het eindvonnis" i.p.v. "een eindbeslissing", wat evenwel niet inhoudt dat voor de toepassing van die artikelen vereist is dat de rechter het geheel van de voor hem aanhangig gemaakte processtof definitief heeft beslecht. Het volstaat dat hij enig geschilpunt over de ontvankelijkheid of de grond van de zaak op definitieve wijze beslecht (P. TAELMAN & K. BROECKX, "Rechtsmiddelen na Potpourri I" in B. ALLEMEERSCH (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 126, nr. 29).
(5)P. LEMMENS, "De voorlopige regeling van de toestand door partijen door de rechter ten gronde, na een behandeling ter inleidende zitting" (noot onder Rb. Antwerpen 24 mei 1984), RW 1984-85, 2013, nrs. 3-4.
(6)B. VANLERBERGHE, "Het hoger beroep tegen vonnissen alvorens recht te doen en de moeilijke toepassing van artikel 1050, tweede lid Ger.W.", T.Fam. 2016, 220-221, nr. 11.
(7)Zie Parl.St. Kamer, Verslag. 2014-15, nr. 54-1219/1, 198: "De vraag rijst wat er met "gemengde vonnissen" gebeurt ...(zoals) een vonnis waarin beslist wordt over de verjaring en over een onderzoeksmaatregel. Er wordt van uit gegaan dat het recht om onmiddellijk hoger beroep in te stellen in dat geval gehandhaafd blijft".
(8)B. VANLERBERGHE, "Het hoger beroep tegen vonnissen alvorens recht te doen en de moeilijke toepassing van artikel 1050, tweede lid Ger.W.", T.Fam. 2016, 220, nr. 9. In dezelfde zin: A. HOC en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, "Un jugement avant dire droit n'est jamais un jugement définitif" (noot onder Brussel 6 oktober 2017), JT 2017, 821 ("cette disposition définit toutes les mesures avant dire droit, contestées ou non, de la même manière, et les soumet par conséquent au même régime").
(9)Zie wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand (BS 12 juni 2007).
(10)Zie ter zake S. SOBRIE, "Art. 19 Ger.W." in Comm.Ger., 2019, 12, nr. 8.
(11)Cass. 26 februari 2014, AR P.13.1637.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.6, AC 2014, nr. 681. Zie (in de context van (oud) artikel 1050, tweede lid Ger.W.): Cass. 3 oktober 2014, AR C.13.0164.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2, AC 2014, nr. 574 en Cass. 25 maart 2010, AR C.09.0554.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5, AC 2010, nr. 221: "(...) blijkt dat een eindvonnis in de zin van deze wetsbepalingen een vonnis is inzake de ontvankelijkheid of de gegrondheid uitgesproken door de rechter die zich bevoegd verklaart dan wel door de als bevoegd aangewezen rechter"; zie ook Cass. 18 december 2013, AR P.13.0104.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131218.1, AC 2013, nr. 692: "De aanwijzing van een deskundige is een beslissing alvorens recht te doen. Daarbij wordt de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt niet volledig uitgeoefend en die beslissing heeft geen gezag van gewijsde." en Cass. 24 december 1987, AR 7539, Pas. 1987-88, 542: "Overwegende dat de voorziening ten deze niet ontvankelijk is, in zoverre zij gericht is tegen de beschikkingen van het arrest waarbij een deskundigenonderzoek wordt bevolen". In deze arresten maakte het Hof geen onderscheid naargelang over de aanstelling van de deskundige al dan niet betwisting bestond tussen de partijen.
(12)Cass.9 november 2018, AR C.17.0315.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.5, AC 2018, nr. 621.
(13)Cass. 7 november 2014, AR C.13.0635.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.5, AC 2014, nr. 681.
(14)Cass. 24 januari 2013, AR C.12.0213.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.1, AC 2013, nr. 60: "Lorsque la mesure préalable destinée à instruire la demande prise par le juge au cours de la procédure a fait l'objet d'une contestation que le juge a dû trancher, épuisant ainsi sa juridiction sur celle-ci, la décision est une décision définitive sur incident et non une décision d'avant dire droit".
(15)S. SOBRIE, "Art. 19 Ger.W." in Comm.Ger., 2019, 10, nr. 7.
(16)B. VAN DEN BERGH, "Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken" in APR, 2019, 424, nr. 708; J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, "L'instruction sans obstructions? A propos de la nature de la décision prorogeant le délai pour le dépôt du rapport d'expertise" (noot onder Cass. 24 januari 2013, AR C.12.0213.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.1, AC 2013, nr. 60), JT 2013, 201; B. VANLERBERGHE, noot onder Antwerpen 16 maart 2016, RW 2015-16, 1623.
(17)Zie Cass. 3 december 2020, AR C.19.0608.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201203.1F.4, AC 2020, nr. 744; Zie ook Cass. 16 september 2016, AR C.15.0378.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160916.6, AC 2016, nr. 503 en Cass. 21 april 2016, AR C.15.0142.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.7, AC 2016, nr. 273 waar het Hof oordeelde dat « de omschrijving van de opdracht van de deskundige bij gebrek aan betwisting hieromtrent geen eindvonnis is ».
(18)Zie bijvoorbeeld Cass. 16 september 2016, AR C.15.0378.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160916.6, AC 2016, nr. 503 met betrekking tot de toelaatbaarheid van een deskundigenonderzoek: de eiseressen voerden aan dat verweersters, door een daad van aanvaarding te stellen (nl. het nalaten van het laten doen van wederzijdse vaststellingen kort na het incident en het eenzijdig volledig wegmaken van het te onderzoeken voorwerp), hun recht om een deskundigenonderzoek te vorderen verwerkt hadden en dat het hierdoor onmogelijk was geworden om de oorzaak van de litigieuze mislukte betonstorting te achterhalen. Door het deskundigenonderzoek niettemin te bevelen op de grond dat verweersters hun recht op een deskundigenonderzoek niet hadden verwerkt en de mogelijkheid om de oorzaak van het schadegeval te achterhalen niet uitgesloten was, doen de appelrechters, aldus het Hof, definitief uitspraak op tussengeschil over de toelaatbaarheid van het deskundigenonderzoek. En Cass. 10 januari 1997, AR C.95.0448.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970110.12, AC 1997, nr. 25 met betrekking tot de betwisting tussen partijen voor de feitenrechter over het recht van de verweerder om alsnog een getuigenverhoor uit te lokken na zijn eerder foutieve passieve houding in een voorafgaande (straf)procedure. Het Hof oordeelde dat, door het gevorderde getuigenverhoor toch te bevelen, de appelrechters beslissen over de toelaatbaarheid van een bewijsmiddel en hierdoor een eindbeslissing over een tussengeschil nemen.
(19)zie Cass. 13 december 2019, AR C.19.0054.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191213.1F.9, AC 2020, nr. 669: "La notion de jugement définitif implique que le point sur lequel porte la décision ait été soumis au débat. Le demandeur a conclu devant la cour d'appel au rejet de la demande de la première défenderesse tendant à entendre ordonner une expertise génétique, non seulement pour des raisons d'opportunité, mais aussi sur la base de l'irrecevabilité de cette demande compte tenu du lien de filiation qui unit la première défenderesse au défendeur, en faisant valoir qu'elle «ne pourrait être examinée que dans l'hypothèse où [la cour d'appel] viendrait à mettre à néant les jugements [entrepris] du 27 novembre 2014 et du 28 mars 2017». En considérant que «la mesure sollicitée peut être admise dès lors que [la première défenderesse], dont l'action en contestation de la paternité [du défendeur] est accueillie par le présent arrêt, justifie d'un intérêt apparent suffisant pour rechercher la paternité d'un autre homme; [qu']en effet, dès lors que la cour [d'appel] réforme le jugement entrepris du 28 mars 2017 (notamment) en ce qu'il a statué sur le fondement de l'action en contestation de la paternité [du défendeur] introduite par [la première défenderesse], et qu'elle dit cette action fondée, le droit sur lequel [la première défenderesse] se fonde et qu'elle soutient être ‘gravement menacé', au sens de l'article 18, alinéa 2, du Code judiciaire, n'est plus purement hypothétique; que l'autorité de la chose jugée dont le jugement entrepris du 28 mars 2017 était revêtu ne peut plus [lui] être opposée et qu'il importe peu que le présent arrêt ne soit pas passé en force de chose jugée, dès lors que la ‘menace objective et actuelle' d'un litige est établie», la cour d'appel a épuisé sa juridiction sur la recevabilité de la demande d'expertise génétique. Elle a ainsi rendu une décision définitive qui peut faire l'objet d'un pourvoi immédiat".
(20)zie P. TAELMAN & K. BROECKX, "Rechtsmiddelen na Potpourri I" in B. ALLEMEERSCH (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 120-121, nr. 20; T. LYSENS & L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken in Recht en praktijk, 2018, 99, nr. 182.
(21)Zie vb voltallige zitting Cass. 9 november 2018, AR C.18.0070.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6, AC 2018, nr. 622, waarbij het Hof oordeelde in het kader van een bevestiging van een onderzoeksmaatregel dat de beslissing waarbij de appelrechter zich uitspreekt over de devolutieve kracht van het hoger beroep en beslist om de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Gerechtelijk Wetboek te verwijzen naar de eerste rechter, een eindbeslissing op tussengeschil is in de zin van artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat; Zie ook Cass. 9 november 2018, AR C.17.0315.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.5, AC 2018, nr. 621, waarin het Hof oordeelde dat artikel 963 § 1 Ger.W. inhoudt dat een beslissing die het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek regelt en niet valt onder een van de in die bepaling vermelde uitzonderingen, niet kan worden aangevochten middels een gewoon rechtsmiddel, ongeacht of die beslissing dient te worden aangezien als een eindbeslissing, waarbij de rechter een tussen partijen gevoerde betwisting beslecht en hierdoor zijn rechtsmacht hieromtrent volledig uitput; Zie ook J. VAN DONINCK, "De eindbeslissing in het burgerlijk proces: tijd om te beslissen", RW 2019-20, 1478, nr. 3.
(22)Zie ook B. VAN DEN BERGH, "Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken" in APR, 2019, 419, nr. 700.
(23)Cass.12 februari 2021, AR C.20.0048.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4, AC 2021, nr. 111.
(24)Noot JFVD onder Cass. 12 februari 2021, JT 2021, 182. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210611.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970110.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131218.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160916.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191213.1F.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201203.1F.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.