← België

BELGISCHE STAAT contra HARGY OIL PALMS Ltd

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210625.1N.5 Rolnummer: F.20.0063.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra HARGY OIL PALMS Ltd Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-11 Raadplegingen: 799 - laatst gezien 2026-06-18 20:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.5 Fiche 1 De Koning bepaalt de formaliteiten en voorwaarden met betrekking tot de teruggaaf van btw, doch mag hierbij geen afbreuk doen aan de bepalingen van de artikelen 82 en 82bis Btw-wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Buiten de EG gevestigde belastingplichtige - Vordering tot teruggaaf - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Artt. 80, 82 en 82bis - 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde - 4 - 29-12-1969 - Art. 9 - 30 Link Justel databank 19691229-30 Fiche 2 Opdat diensten van management van een vennootschap in aanmerking zouden komen als diensten die vallen onder de algemene plaatsbepalingsregel van artikel 21, § 2, Btw-wetboek, is enkel vereist dat het gaat om algemene managementdiensten die niet louter als specifieke diensten van informatieverwerking en -verschaffing in de zin van artikel 21, § 3, 7°, d), Btw-wetboek in aanmerking komen; het is niet vereist dat wordt aangetoond dat het gaat om management als zaakvoerder of statutair beheerder of management krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de vennootschap op te leggen
(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Management van een vennootschap - Plaats van dienst - Criteria Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 21 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2021, nr. 41, p. 10-
  1. - VAN MALDER, Elien; Noot'Termijn is wel degelijk drie jaar i.p.v. verkorte termijn uit KB nr. 4' Tekst van de conclusie F.20.0063.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  2. Situering. Verweerster is een buiten de Europese Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die een palmolieplantage exploiteert. Op 31 maart 2011 diende de NV SIPEF voor verweerster een aanvraag in tot teruggave van BTW voor een bedrag van 66.783,25 EUR. Deze BTW betrof de diensten die verweerster van de NV SIPEF had ontvangen in de periode tussen 1 januari 2009 en 31 december
  3. Bij administratieve beslissing van 10 mei 2011 werd dat verzoek tot teruggaaf verworpen wegens het laattijdig karakter ervan. Bij dagvaarding van 27 december 2012 voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, betwistte verweerster deze beslissing en werd de teruggaaf gevorderd van het bedrag van 66.783,25 EUR. Voormelde rechtbank verklaarde bij vonnis van 24 maart 2015 de vordering van verweerster ongegrond. Het hof van beroep te Brussel verklaarde bij arrest van 3 december 2019 het hoger beroep van verweerster gegrond, zegde voor recht dat verweerster tijdig en geldig de aanvraag tot teruggaaf van een bedrag van 66.783,25 EUR aan BTW had ingediend en veroordeelde eiser tot betaling van voormeld bedrag aan verweerster, meer de intresten. Eiser komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
  4. Bespreking van het eerste middel. EERSTE ONDERDEEL 2.
  5. Eiser voert aan dat de appelrechters niet wettig hebben beslist dat de Koning op grond van artikel 80, eerste lid, WBTW, niet bevoegd was om met de artikelen 9, § 2 van het KB nr. 4 en 7, § 2 van het KB nr. 31 af te wijken van de in artikel 82bis WBTW bepaalde verjaringstermijn voor een aanvraag tot teruggaaf van BTW door belastingplichtigen die buiten de Unie zijn gevestigd, mitsdien niet wettig deze artikelen 9, § 2 van het KB nr. 4 en 7, § 2 van het KB nr. 31 op grond van artikel 159 G.W. buiten toepassing hebben verklaard. De beslissing dat verweerster op 31 maart 2011 tijdig, overeenkomstig artikel 82bis WBTW, haar aanvraag tot teruggaaf van een bedrag van 66.783,25 EUR aan BTW bij eiser heeft ingediend en op 27 december 2012 tijdig lastens eiser een vordering in rechte heeft ingesteld, zou bijgevolg niet naar recht verantwoord zijn. (Schending van het legaliteitsbeginsel, de artikelen 159, 170 en 172 G.W., 76, § 2, 80, eerste lid, 82 en 82bis WBTW, 9, § 2 en 13 van het KB nr. 4 en 7, § 2 van het KB nr. 31). 2.
  6. Krachtens artikel 80, eerste lid, WBTW bepaalt de Koning de formaliteiten en voorwaarden waaraan de teruggaaf onderworpen is, de wijze waarop ze geschiedt en de ambtenaar die ze verricht. Artikel 82bis WBTW bepaalt dat er verjaring is voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Artikel 9, § 2, van het KB nr. 4, in zijn toepasselijke versie, voorziet dat de aanvraag tot teruggaaf bij de bevoegde ambtenaar moet toekomen uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het tijdvak waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft. Auteur HUBER merkt m.i. terecht op dat de regeling van artikel 9, § 2, van het KB nr. 4 afwijkt van de artikelen 80 en 82bis WBTW en dat op grond van artikel 159 G.W. kan geargumenteerd worden dat deze bepaling niet mag worden toegepast voor zover deze niet overeenstemt met artikel 82bis WBTW
(1). Anders dan voorgehouden in het eerste onderdeel laat artikel 80, eerste lid, WBTW de Koning inderdaad niet toe af te wijken van de termijn bepaald in artikel 82bis van hetzelfde Wetboek. De omstandigheid, aangevoerd in het onderdeel, dat een delegatie aan de Koning verenigbaar is met het fiscaal legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgelegd, en dat de administratieve formaliteiten en termijnen die in principe geen weerslag hebben op de belastingschuld zelf, niet essentiële elementen van de belastingschuld betreffen, betekent geenszins noodzakelijk dat te dezen, op grond van de delegatie in artikel 80, eerste lid, WBTW, kortere termijnen konden worden voorzien dan in artikel 82bis van hetzelfde Wetboek. Indien de wetgever de Koning die bevoegdheid had willen verlenen, dan had hij m.i. zulks uitdrukkelijk in het WBTW bepaald. Het lijkt mij dan ook dat de appelrechters wettig oordelen dat: * indien die bepaling (art. 80, eerste lid, WBTW) de Koning toelaat de praktische formaliteiten en voorwaarden te regelen voor de wijze van indiening, en de vlotte afhandeling van die verzoeken, op grond van de inhoud van artikel 80, lid 1 WBTW niet (kan) besloten worden dat het de Koning toegelaten is, de termijnen van de verjaring van dergelijke aanvragen door het bepalen van indieningsformaliteiten en -voorwaarden, te wijzigen; * bij een Koninklijk Besluit (zoals het artikel 9 § 2 KB BTW nr. 4 zoals gewijzigd op 22 maart 2010) de inhoud van een dergelijke wettelijke bepaling niet (kan) gewijzigd worden. Verweerster kan worden bijgetreden waar zij stelt dat de appelrechters derhalve geen standpunt innemen over de vraag of de termijn voor het indienen van een aanvraag tot teruggaaf van BTW (door belastingplichtigen buiten de Europese Unie) al dan niet een essentieel element uitmaakt van de belasting. De appelrechters stellen enkel vast dat het aspect van de termijn door de wetgever zelf is geregeld, zodat de delegatie hierop geen betrekking kan hebben, en de Koning niet van deze termijn kon afwijken. Het onderdeel dat uitgaat van de tegengestelde rechtsopvatting lijkt mij te falen naar recht. TWEEDE EN DERDE ONDERDEEL 2.3. In het tweede en derde onderdeel beroept eiser zich op de toepasselijke Europese Richtlijnen tegen verweerster: in de veronderstelling dat artikel 9 KB nr. 4 strijdig is met artikel 82bis WBTW, zou moeten worden vastgesteld dat artikel 82bis WBTW strijdig is met de relevante Richtlijnen, terwijl artikel 9 KB nr. 4 net aan die Richtlijnen uitvoering geeft. 2.4. De beide onderdelen, die geheel berusten op veronderstelling dat de overheid zich tegen een belastingplichtige kan beroepen op de primauteit van de BTW-richtlijnen boven het nationale recht, falen m.i. naar recht. Een richtlijn kan immers uit zichzelf geen verplichtingen aan de BTW-belastingplichtigen opleggen en een bepaling van een richtlijn kan als zodanig niet tegenover een BTW-belastingplichtige worden ingeroepen. In de rechtsrelatie tussen een particulier en de overheid mag de particulier zich dus wel en de overheid zich niet beroepen op de rechtstreekse werking van een richtlijnbepaling
(2).
  1. Bespreking van het tweede middel. 3.
  2. In het tweede middel voert eiser aan dat de appelrechters door louter op grond van de vaststelling dat is aangetoond dat er sprake is van "algemene managementdiensten" of van "een algemene vorm van management", zonder na te gaan of vast te stellen dat er managementdiensten van beheer en leidinggeven werden verstrekt en zonder uit te sluiten dat er werk van intellectuele aard was verricht, niet wettig hebben beslist dat de algemene plaatsbepalingsregel van artikel 21, § 2 WBTW van toepassing was, mitsdien niet wettig de plaats van de dienst hebben bepaald op de vestiging van de dienstverrichter (NV SIPEF), en dus in België, waardoor Belgische BTW was verschuldigd (Schending van de artikelen 21, § 2 en § 3, 7°, d) WBTW). 3.
  3. Op de voorliggende betwisting m.b.t. diensten die door de NV SIPEF in de periode tussen 1 januari 2009 en 31 december 2009 werden verstrekt, is de plaatsbepalingsregeling van toepassing zoals die gold vóór de modernisering van het gemeenschappelijk BTW-stelsel, met ingang van 1 januari 2010, bij wet van 26 november 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
(3)tot omzetting van Richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een dienst. Krachtens artikel 21, § 2, (oud) WBTW wordt als plaats van een dienst aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats. Krachtens artikel 21, § 3, 7°, d), (oud) WBTW wordt in afwijking van § 2 als plaats van de dienst aangemerkt: de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters alsook informatieverwerking en –verschaffing, met uitzondering van de in 1° bedoelde diensten en de in 2° bedoelde expertises. 3.3. Artikel 21, § 2, (oud) WBTW bevat derhalve het algemeen criterium wat betreft de plaats van de dienst. Artikel 21, § 3, WBTW bevat een aantal subsidiaire criteria. In de praktijk houdt dit in dat eerst moet nagegaan worden of één van de subsidiaire criteria van toepassing is; is dit niet het geval dan is dus het algemeen criterium van toepassing. De afwijking, in artikel 21, § 3, 7°, d (oud) WBTW, van de algemene regel van de plaatsbepaling van de dienst op de zetel van de dienstverstrekker (art. 21, § 2 (oud) WBTW) vereist dat de verstrekte dienst tot voorwerp heeft “intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters alsook informatieverwerking en -verschaffing (...)”
(4). Artikel 21, § 3, 7°, d (oud) van het WBTW bevat aldus een omschrijving van welbepaalde diensten, niet van welbepaalde beroepen
(5). De verwijzing naar “soortgelijke dienstverrichters” is dan ook te beschouwen als een verwijzing, niet naar enig gemeenschappelijk element in genoemde ongelijksoortige activiteiten, maar naar soortgelijke diensten als elk van deze activiteiten afzonderlijk beschouwd
(6). Anders dan voorgehouden in het middel volgt uit de omschrijving in artikel 21, § 3, 7°, d (oud) WBTW m.i. niet dat ieder management dat niet (of niet uitsluitend) kan worden beschouwd als een “management als zaakvoerder of statutair beheerder of management krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de beheerde vennootschap op te leggen”, noodzakelijk als een onder deze wetsbepaling vallende dienst moet worden beschouwd, derwijze dat de rechter niet wettig de toepassing van deze uitzonderingsbepaling zou kunnen uitsluiten zonder uitdrukkelijk vast te stellen dat het management niet aan deze omschrijving voldoet. Samen met verweerster meen ik dat de appelrechters op grond van de door hen gedane vaststellingen p. 15-16 van het arrest wettig konden aannemen dat eiser niet bewijst dat de door NV SIPEF aan verweerster verstrekte diensten te kwalificeren zijn als diensten "door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters" in de zin van artikel 21, § 3, 7°, d (oud) van het WBTW, en oordelen dat het beheer en de uitbating van verweerster door de NV SIPEF, op grond van een “Deed of Assignment of Management Agreement”, te beschouwen is als een algemene vorm van management vallend onder artikel 21, § 2 (oud), WBTW. Het middel dat aanvoert dat de appelrechters, om de toepassing van artikel 21, § 3, 7°, d (oud) WBTW uit te sluiten, uitdrukkelijk hadden moeten nagaan en vaststellen “dat er managementdiensten van beheer en leidinggeving werden verstrekt”, faalt m.i. naar recht. 4. Besluit: Verwerping. ______________________________________
(1)HUBER WL., “Teruggaaf van btw”, in VANDEBERGH, H. (ed.), BTW-handboek, ed. 2019, p. 1216-1217, 1219.
(2)Zie concl. van procureur-generaal D. THIJS vóór Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160902.5 en verwijzingen naar HvJ 8 oktober 1987, nr. 80/86, ECLI:EU:C:1987:431; HvJ 26 februari 1986, nr. 152/84, ECLI:EU:C:1986:84; HvJ 14 juli 1994, nr. C-91/92, ECLI:EU:C:1994:292; zie eveneens o.m. HvJ 24 januari 2012, nr. C-282/10, ECLI:EU:C:2012:33, r.o. 37.
(3)BS 4 december 2009.
(4)Cfr. art. 56, eerste lid, c, Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vóór de wijziging bij Richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008: "diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede informatieverwerking en informatieverschaffing".
(5)HvJ 16 september 1997, nr. C-145/96, ECLI:EU:C:1997:406, r.o. 15.
(6)HvJ 6 maart 1997, nr. C-167/95, ECLI:EU:C:1997:105, r.o. 19-22. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210625.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160902.5 ECLI:EU:C:1986:84 ECLI:EU:C:1987:431 ECLI:EU:C:1994:292 ECLI:EU:C:1997:105 ECLI:EU:C:1997:406 ECLI:EU:C:2012:33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.