id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210615.2N.16 Rolnummer: P.21.0332.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2021-07-07 Raadplegingen: 1116 - laatst gezien 2026-06-18 22:12 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.16 Fiche 1 De dimona-aangifteplicht opgelegd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling is een aangelegenheid als bedoeld door artikel 580, 1°, Gerechtelijk Wetboek, ook al wordt die regelgeving niet uitdrukkelijk in deze laatste bepaling vermeld
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgever inzake sociale zekerheid - Aangifte van verschuldigde bijdragen (Dimona) - Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank - Samenstelling van het strafrechtscollege in hoger beroep Fiches 2 - 3 Er is grond om overeenkomstig artikel 267, lid 3, VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag te stellen, geformuleerd als volgt: “Moeten artikel 13.1, b), i), van de Verordening nr. 883/2004/EG van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, de artikelen 3.1, a), en 11.1, van de Verordening (EG) m. 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en artikel 4.1.a), van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg zo worden uitgelegd dat uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en de Verordening (EG) nr. 1072/2009 en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, noodzakelijk volgt dat daarmee onweerlegbaar is aangetoond dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat zoals bedoeld met artikel 13.1 van de voormelde Verordening nr. 883/2004/EG om te bepalen welk socialezekerheidsstelsel van toepassing is en dat de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door die vaststelling zijn gebonden”
(1)?
(1)Het OM was van mening dat de voorgestelde prejudiciële vragen niet moesten worden gesteld, zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 over de communautaire vervoersvergunning - Duurzame vestiging van een transportfirma in een lidstaat - Bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Verordening 883/2004 over de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels - Gedetacheerde werknemers - Zetel van de werkgever - Bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Fiche 4 Artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 van 16 september 2009 steunt op een vermoeden dat een gedetacheerde werknemer regelmatig is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd; er is derhalve grond om overeenkomstig artikel 267, lid 3, VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag te stellen, geformuleerd als volgt: “Moet artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels aldus worden uitgelegd dat: - indien, na een vraag van de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling tot intrekking met terugwerkende kracht van de A1-verklaringen, de autoriteiten van de lidstaat die de A1-verklaringen hebben afgegeven zich ertoe beperken deze verklaringen voorlopig in te trekken met de mededeling dat zij geen bindende kracht meer hebben zodat de strafprocedure in de lidstaat van tewerkstelling kan worden verder gezet en er slechts definitief zal worden beslist door de lidstaat van afgifte van de A1-verklaringen nadat de strafprocedure in de lidstaat van tewerkstelling definitief is afgehandeld, het aan de A1-verklaringen klevende vermoeden dat de betrokken werknemers regelmatig zijn aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van die lidstaat van afgifte vervalt en die A1-verklaringen niet meer bindend zijn voor de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling; - indien het antwoord op die vraag ontkennend is, de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie de bedoelde A1-verklaringen wegens fraude buiten beschouwing mogen laten”
(1)?
(1)Het OM was van mening dat de voorgestelde prejudiciële vragen niet moesten worden gesteld, zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Verordening 987/2009 over de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels - Bindende kracht van detacheringsdocumenten (A1-documenten) voor autoriteiten van de lidstaat waar de gedetacheerde werknemer verblijft en arbeid verricht - Voorlopige schorsing van de detacheringsdocumenten in de lidstaat van de zetel van de werkgever - Bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Tekst van de conclusie P.21.0332.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: "De vervolging wegens het ontduiken van sociale bijdragen voor gedetacheerde werknemers in België nadat de A1-detacheringsdocumenten voorlopig zijn ingetrokken in de EU-lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd".
- Eisers worden vervolgd wegens A) het niet indienen van een DIMONA-aangifte van 10 Roemeense chauffeurs, tewerkgesteld in Slowakije en gedetacheerd in België en B) het aanwenden van een frauduleuze handeling om geen RSZ af te dragen in België, namelijk het gebruik van een Slowaakse transportfirma MD INTERCARGO die in Slovakije geen substantiële activiteit uitoefent en chauffeurs via detachering activiteiten in België laat verrichten. De vrijspraak wegens feit C over uitzendarbeid is in 2017 definitief verworven.
- Krachtens artikel 580, 1° Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen betreffende de verplichtingen van werkgevers opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid
(1). De Dimona-aangifte opgelegd bij KB van 5 november 2002 (BS 20 november 2002), laatste gewijzigd door het KB van 21 december 2018 (BS 17 januari 2019) is een aangelegenheid bedoeld in artikel 580, 1° Gerechtelijk Wetboek, zodat een raadsheer van het arbeidshof deel moest uitmaken van het strafrechtscollege in hoger beroep, gelet op artikel 101 § 2 Ger. W. Het eerste middel over de samenstelling van de verwijzingsrechter, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Het bestreden arrest geeft aan dat de BBI in haar verzoek tot een fiscale visitatie melding maakte van de oprichting van de Slovaakse firma MD Intercargo SRO, van een vermoeden van een fictieve Luxemburgse firma van eiser 1 en van verhoren van werknemers die hun vrachtwagens in Beernem moesten parkeren, waar de onderneming van eiser. De motieven in het bestreden arrest over actuele informatie waarover de politierechter beschikte lijken mij toereikend en zijn. Ze zijn ook verenigbaar met de bewoordingen van het verzoekschrift van de BBI. Het tweede middel, eerste onderdeel, mist aldus feitelijke grondslag.
- Het bestreden arrest geeft aan (blz. 25) dat de "vraag van de sociale inspectie aan de onderzoeksrechter als bijlage is gevoegd" aan het verzoek tot een fiscale inspectie, gericht aan de politierechter te Brugge, terwijl dat verzoek van de BBI verwijst naar de "toelating" tot sociale visitatie als "bijlage". Daaruit volgt niet noodzakelijk dat de politierechter in Brugge alleen beschikte over de machtiging tot sociale visitatie, niet over stukken van de sociale inspectie. Het onderdeel over een tegenstrijdige motivering en miskenning van de bewijskracht van het verzoek van de BBI mist aldus feitelijke grondslag.
- Het tweede onderdeel over verouderde informatie gehecht aan het verzoek van de BBI (van 2014) is gericht tegen de beslissing van de politierechter, niet tegen het arrest, en is bijgevolg niet-ontvankelijk.
- De strafrechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier, waarbij het Hof de wettigheid van de motieven beoordeelt
(2). Over niet-gevoegde informatie uit Luxemburg en verklaringen van zeven chauffeurs, die verklaarden dat zij hun vrachtwagen in Beernem moesten parkeren, stelt het bestreden arrest dat het gaat om een dossier van 2010 van de Sociale inspectie. Dat oude dossier moest niet worden voorgelegd omdat eisers worden vervolgd voor feiten van juli 2013 tot oktober 2014 en uit recente observaties bleek dat het op het adres van eiseres 2 in Beernem een ‘komen en gaan was' op zaterdagvoormiddag (blz. 25). Mij lijkt de motivering toereikend over de geldigheid van de sociale visitatie en het ontbreken van stukken op de terechtzitting. In zoverre kan het derde middel over de sociale visitatie (art. 24 Sociaal Strafwetboek) niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt eiser op tegen een beslissing van de onderzoeksrechter te Brugge en vereist het middel een onderzoek naar feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de wegvervoersvergunning in Slowakije, de rechter niet verplicht aan te nemen dat de transportfirma werkelijk en duurzaam in Slowakije is gevestigd, wat betreft de coördinatie van de sociale zekerheid. Anders dan eisers aanvoeren, volgt uit de Verordeningen 1071/2009
(3), 1072/2009
(4)en 883/2004
(5)m.i. niet dat een communautaire vervoersvergunning een onweerlegbaar vermoeden inhoudt van een reële en duurzame vestiging van de transportfirma in de lidstaat van de vergunning. In zoverre faalt het vierde middel naar recht. Het verweer op dit punt (blz. 43) lijkt mij afdoende te zijn beantwoord. 8. De ingeroepen EU-Verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 hebben immers uitsluitend betrekking op de voorwaarden van internationaal goederenvervoer, wat blijkt uit hun Preambules
(6). Het bestreden arrest maakt van deze Verordeningen geen toepassing, zodat er m.i. geen reden is daarover prejudiciële vragen te stellen.
- De voorgestelde derde prejudiciële vraag betreft het begrip ‘zetel van de werkgever' in de zin van art. 13.1.b.i) EU-Verordening 883/2004, als criterium dat de toepasselijke regels van sociale zekerheid bepaalt in geval een werknemer "een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht" in een lidstaat waar hij niet woont.
- Het bestreden arrest stelt vast dat de Roemeense chauffeurs hoofdzakelijk werken en verblijven in België (blz. 45) en "in een Europese context" de zetel van de onderneming afhangt van de plaats van de voornaamste beslissingen, met diverse sub criteria, zoals de plaats van de aanwerving van werknemers. Op basis van een reeks vaststellingen namen de appelrechters aan dat de chauffeurs voornamelijk werken in België en de Slovaakse transportfirma vanuit België wordt geleid (blz. 48).
- De term ‘zetel van de werkgever', zoals vermeld in art. 13.1 EU- Verordening 883/2004, geeft aan de rechter ruimte voor interpretatie, in functie van feitelijke gegevens. Vermelde bepaling verplicht de rechter niet de zetel van een transportfirma te lokaliseren in de lidstaat waar de vervoersvergunning is uitgereikt. Er is m.i. geen reden om de voorgestelde derde prejudiciële te stellen, aangezien ze niet relevant is voor de oplossing van het geschil
(7). Bovendien gaf het Hof van Justitie reeds een interpretatie aan de term ‘zetel van de werkgever', in de zin van het ingeroepen art. 13.1.b Verordening 883/2004, in de zaak AFMB Ltd. Het Hof stelde dat het gaat om de onderneming die het feitelijk gezag over de werknemer uitoefent
(8).
- Het bestreden arrest oordeelt dat de voorlopige schorsing door de Slowaakse autoriteiten van de detacheringsdocumenten (E101-verklaring, thans A1-attest) inhoudt dat deze documenten geen bewijswaarde meer hebben over het toepasselijke systeem van sociale zekerheid (blz. 46), terwijl volgens eisers de voorlopige schorsing geen rechtsgrond vindt in art. 5.
- EG-Verordening 987/2009
(9). Vermelde bepaling stelt dat de detacheringsdocumenten bindend zijn in andere lidstaten, tenzij bij intrekking of ongeldigverklaring door de lidstaat van uitgifte. Aangezien de voorlopige intrekking van A1-attesten niet is geregeld in Verordening 987/2009, zou daarover een prejudiciële vraag moeten worden gesteld.
- In zoverre het middel is gericht tegen de beslissing van de Slovaakse autoriteiten over de voorlopige intrekking van A1-attesten, in afwachting van de uitkomst van de Belgische strafprocedure, is het vijfde middel niet-ontvankelijk. De voorgestelde prejudiciële vragen moeten, indien gesteund op deze grief, niet worden gesteld.
- Het Hof van Justitie oordeelde meermaals dat de A1- detacheringsdocumenten, zolang ze niet zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard in de lidstaat van uitgifte, een bindende kracht hebben voor rechtbanken in de ontvangststaat (of werkstaat), gelet op de beginselen van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten
(10). Er is aldus een vermoeden dat de werknemer op regelmatige wijze is aangesloten bij het sociale zekerheidsstelsel van de zendstaat (de lidstaat van vestiging van de tewerkstellende onderneming) en de A1-documenten zijn ‘in beginsel bindend' voor de rechterlijke instanties van de lidstaat waar die werknemer arbeid verricht
(11). Als de zendstaat (Slovakije) door een voorlopige intrekking geen waarde meer toekent aan A1-documenten, de Belgische autoriteiten toelating geeft om de strafprocedure wegens fraude inzake bijdragen van sociale zekerheid voor gedetacheerde werknemers verder te zetten, mag de Belgische strafrechter m.i. aannemen dat de A1-documenten geen bindende waarde meer hebben voor het bepalen van verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen en dus buiten beschouwing mogen worden gelaten voor het vaststellen van sociale fraude, gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen in het rechtssysteem. 15. Daarbij komt dat in geval van fraude of misbruik van recht het bevoegde orgaan van de zendstaat de juistheid van de verklaring opnieuw dient te onderzoeken en ze ‘zo nodig in te trekken', binnen een redelijke termijn
(12). EU-Verordening 987/2009 mag evenwel niet zo worden toegepast dat zij handelingen zou toelaten die zijn gesteld met als doel door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen
(13). In de zaken CRPNPAC en Bouygues oordeelde het Hof van Justitie (in 2020) dat "een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst" A1-verklaringen buiten beschouwing mag laten als tegelijk aan twee voorwaarden is voldaan: 1° het orgaan dat de A1-documenten heeft afgegeven en door de ontvangststaat is aangezocht voor onderzoek naar de juistheid ervan, heeft nagelaten een dergelijk nieuw onderzoek te verrichten en binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over de intrekking van de A1-documenten en 2° de rechterlijke instantie van de ontvangststaat is, met respect voor het recht op een eerlijk proces, in staat om vast te stellen dat de A1-documenten op bedrieglijke wijze zijn verkregen of ingeroepen
(14). 16. Mij komt voor dat gelet op deze rechtspraak de voorgestelde prejudiciële vragen niet moeten worden gesteld
(15). De bevoegde Slovaakse autoriteit (zendstaat) is verzocht standpunt in te nemen over de intrekking van A1-documenten en de appelrechters hebben onderzocht of deze documenten op bedrieglijke wijze zijn ingeroepen. De schorsing van de A1-documenten in Slovakije, zolang de strafprocedure in België niet is afgerond, kan aldus een reden zijn om deze documenten wegens fraude buiten beschouwing te laten, zoals gesteld in het bestreden arrest (blz. 46). Gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen, moeten m.i. de rechterlijke autoriteiten van de ontvangststaat, waar de gedetacheerde werknemers effectief arbeid verrichten, de rechtsgeldigheid van beslissingen tot (voorlopige) intrekking van A1-documenten niet verder onderzoeken
(16). In zoverre faalt het vijfde middel naar recht.
- De strafrechter oordeelt in feite wie er arbeidsrechtelijk gezag uitoefent over een werknemer, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. Het bestreden arrest oordeelt onder meer dat 1° de Roemeense chauffeurs geen enkele band hebben met Slovakije, waar onderaannemer MD Intercargo is gevestigd, 2° de trekkers gestald en getankt worden in België, 3° de chauffeurs vooral in België, Nederland en Frankrijk rijden en 4° de Slovaakse firma geen enkele medewerker heeft in Slovakije. Daarmee is het verweer over de werkrelatie tussen de Roemeense chauffeurs en eisers en de noodzaak tot het horen van de chauffeurs afdoende beantwoord. In zoverre kan het zesde middel niet worden aangenomen.
- De motivering dat eiseres 2 verplicht was tot de Dimona-aangifte voor de chauffeurs lijkt mij niet tegenstrijdig met de motivering dat de bedrijfsvoering van de Slovaakse onderaannemer in België is te situeren. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Voor het overige voeren eisers in hun tweede, derde en zesde middel een schending aan van artikel 195 Strafvordering over de straftoemeting. Deze grief is vreemd aan hun betwisting over de schuldigverklaring.
- Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ---------------------------------
(1)Cass. 22 januari 2008, AR P.07.0906.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.3, AC 2008, nr. 45, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; Cass. 6 november 2006, AR S.05.0132.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061106.4, AC 2006, nr. 538. Zie ook J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P. THIRIAR, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2012, 285.
(2)Cass. 15 september 2015, AR P.15.0583.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.5, AC 2015, nr. 515; Cass. 24 februari 2015, AR P.14.0275.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150224.1, AC 2015, nr. 138; Cass. 1 april 2014, AR P.13.1957.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4, AC 2014, nr. 255.
(3)Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad, Publ. 14 november 2009, www.europa.eu.
(4)Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, Publ. 14 november 2009, www.europa.eu.
(5)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 april 2004, www.europa.eu.
(6)Alinea 22 Preambule van Verordening 1071/2009 vermeldt als doelstelling: "de modernisering van de regels inzake de toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer". Alinea 26 Preambule van Verordening 1072/2009 vermeldt als doelstelling: "te zorgen voor een coherent kader voor het internationale goederenvervoer over de weg in de hele Gemeenschap".
(7)S. VAN DER JEUGHT, "Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie", in Prejudiciële vragen in kaart gebracht (ed. J. GHYSELS en B. VANLERBERGHE), Intersentia, 2013, 43:"De nationale rechter is hoe dan ook enkel verplicht om een prejudiciële vraag voor te leggen als hij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht voor zijn uitspraak (vereiste van relevantie)".
(8)HvJ 16 juli 2020, AFMB Ltd., C-610/18, al. 80, www.curia.europa.eu: "Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 en artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat de werkgever - in de zin van deze bepalingen - van een internationaal vrachtwagenchauffeur de onderneming is die het feitelijke gezag over hem uitoefent, die feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en die feitelijk bevoegd is om hem te ontslaan, en niet de onderneming waarmee die vrachtwagenchauffeur een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die in deze overeenkomst formeel wordt aangewezen als zijn werkgever". Over dit arrest zie J. LORRE, "Sociale zekerheidscoördinatie, fraude-en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak", JTT 2021, 3-13.
(9)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.europa.eu. Artikel 5, met als hoofding "Juridische waarde van een in een andere lidstaat afgegeven documenten en bewijsstukken", bepaalt: "
- De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten bindend zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard;
- Bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, verzoekt het orgaan van de lidstaat dat het document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van het document. Het orgaan van afgifte heroverweegt de gronden voor de afgifte van het document en, indien noodzakelijk, de intrekking van het document,
- Overeenkomstig lid 2, wordt, bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of ondersteunend bewijs of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, voor zover dit mogelijk is, de noodzakelijke verificatie van deze informatie of dit document op verzoek van het bevoegde orgaan uitgevoerd door het orgaan van de woon- of verblijfplaats en
- Worden de betrokken organen het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het orgaan dat het document heeft ontvangen zijn verzoek heeft ingediend. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden".
(10)HvJ 10 februari 2000, Fitzwilliam Executive Search Ltd, C-202/97, al. 53-58; HvJ 26 januari 2006, Herbosch Kiere, C-2/05, al. 30-33; HvJ 27 april 2017, A-Rosa Flussschiff, C-620/15, al. 44; HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, al. 40-41; HvJ 6 september 2018, HvJ 6 september 2018, Salzburger Gebietskrankenkasse e.a., C-527/16 al. 47; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l'aéronautique civile t/ Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 62-63, www.curia.europa.eu. Zie ook Cass. 18 april 2017, AR P.14.1858.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.8, AC 2017, nr. 257.
(11)HvJ 14 mei 2020, Bouygues travaux publics, C-17/19, al. 40, www.curia.europa.eu. Krachtens het in artikel 4, lid 3, "VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, dat ook het beginsel van wederzijds vertrouwen inhoudt, creëren de E101- en A1-verklaringen een vermoeden dat de betrokken werknemer op regelmatige wijze is aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat waarvan het bevoegde orgaan die verklaringen heeft afgegeven, zodat de betreffende verklaringen in beginsel bindend zijn voor het bevoegde orgaan en voor de rechterlijke instanties van de lidstaat waar die werknemer arbeid verricht (zie in die zin arresten van 6 februari 2018, Altun e.a., C 359/16, EU:C:2018:63, punten 37 40, en 6 september 2018, Alpenrind e.a., C 527/16, EU:C:2018:669, punt47)".
(12)HvJ 10 februari 2000, Fitzwilliam Executive Search Ltd, C-202/97, HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C-359-16, al. 53-61; HvJ 6 september 2018, Salzburger Gebietskrankenkasse e.a., C-527/16, al. 47; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l'aéronautique civile t/ Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 78. Zie E. VERHAEGEN, "Sociale dumping-De Europese Unie. De moeilijke balans tussen een economisch en een sociaal project", in Sociale Wegwijze, Kluwer, september 2016, 11-13.
(13)HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C-359-16, al. 49; HvJ 6 september 2018, Salzburger Gebietskrankenkasse e.a., C-527/16 al. 47; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l'aéronautique civile (CRPNPAC) t/ Vueling Airlines SA, C-370/17, al.
- Zie ook HvJ 6 april 2006, Agip Petroli, C-456/04, al. 20; HvJ 21 juli 2011, Tural Oguz, C-186/10, al. 25, aangehaald door L. ELIAERTS, "Detachering binnen de Europese Economische Ruimte en bestrijding van sociale fraude", RW 2013-14, 396-
- Zie ook K. DECRUYENAERE, "Blijft ook na Altun de loyauteit nog steeds zoek?", RABG 2019, 264-271; L. ELIAERTS, "Het Europees detacheringsattest is niet bindend in geval van fraude", RW 2017-18, 1682; M. MORSA, "La Cour de Justice de l'Union européenne contribue à la lutte contre la fraude sociale transfrontalière et le dumping social", Dr. Pen. Entr. 2018, 193-209; T. PERDIEUS, "Quo vadis A1?", in Expat News, Kluwer, januari 2019, 5-8; G. VAN DE MOSSELAER, "Erkenning fraudeverbod in een grensoverschrijdende sociaalrechtelijke context", in Sociale wegwijzer, Kluwer, april 2018, 14-
- Voor een toepassing van de ‘Altun'rechtspraak Corr. Oost-Vlaanderen, afd. Gent, 7 november 2018, NC 2019, 167.
(14)HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l'aéronautique civile t/ Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 78; HvJ 14 mei 2020, Bouygues travaux publics, C-17/19, al. 43, www.curia.europa.eu. Zie ook J. LORRE, "Sociale zekerheidscoördinatie, fraude-en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak", JTT 2021, 3-13.
(15)Een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie is niet nodig als o.a. de ingeroepen Uniebepaling al door het Hof van Justitie is uitgelegd (acte éclairé). Zie K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia, 2017, 644.
(16)G. VAN DE MOSSELAER, "Erkenning fraudeverbod in een grensoverschrijdende sociaalrechtelijke context", in Sociale Wegwijzer, Kluwer, april 2018, p. 16, over het arrest HvJ 6 februari 2018, Altun: "In eerste instantie verfijnt het Hof van Justitie met dit arrest haar bestaande rechtspraak in verband met het absolute karakter van de bindende kracht van detacheringsformulieren (E101/A1-formulieren). De bindende kracht van detacheringsformulieren is niet langer absoluut. In geval van vastgestelde en bewezen fraude en mits naleving van een aantal voorwaarden kan een bevoegde rechter van het ontvangstland ze buiten beschouwing laten in het kader van een gerechtelijke procedure met het oog op het vellen van een eindoordeel of er effectief fraude heeft plaatsgevonden. Het gaat niet om het vernietigen of ongeldig verklaren van de desbetreffende detacheringsformulieren maar louter om het buiten beschouwing laten ervan. De eigenlijke vernietiging van een detacheringsformulier door middel van intrekking blijft de exclusieve bevoegdheid van de uitreikende bevoegde buitenlandse instelling". PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.16 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061106.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150224.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div