← België

H. contra Z.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210907.2N.6 Rolnummer: P.21.0509.N Zaak: H. contra Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-11-16 Raadplegingen: 1211 - laatst gezien 2026-06-19 23:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.6 Fiches 1 - 2 Wanneer door een fout een zaak is ontnomen aan een slachtoffer, bestaat de normale wijze van schadeloosstelling erin de schade in natura te herstellen door de teruggave van de ontnomen zaak te bevelen; bijgevolg dient de rechter op vraag van het slachtoffer eerst na te gaan of die wijze van schadeloosstelling mogelijk is, alvorens over te gaan tot het toekennen van schadevergoeding in de vorm van een geldbedrag dat het equivalent uitmaakt van de waarde van de zaak

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Dader (voor eigen daad) Vrije woorden: Strafzaken - Heling - Veroordeling in solidum met de medebeklaagde die schuldig is aan misbruik van vertrouwen - Verkoop van het geheelde goed door de heler - Herstel van de schade - Teruggave van de ontnomen zaak - Vervangende schadevergoeding - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Veroordeling in solidum met de medebeklaagde die schuldig is aan misbruik van vertrouwen - Verkoop van het geheelde goed door de heler - Herstel van de schade - Teruggave van de ontnomen zaak - Vervangende schadevergoeding - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 De rechter kan wettig oordelen dat de schuldenaar van een persoonlijke geldlening een hem ter bede toevertrouwde zaak bedrieglijk verduistert wanneer hij die zaak overhandigt aan zijn schuldeiser om ze te bestemmen als zekerheidsstelling voor de terugbetaling van die lening; die zekerheidsstelling stelt de schuldeiser immers in staat zijn schuldvordering ten aanzien van de schuldenaar uit te winnen op de tot zekerheid overhandigde zaak, wat een aantasting van het eigendomsrecht over die zaak impliceert; die overhandiging is dan ook niet zonder meer gelijk te stellen met een loutere, al dan niet kortstondige, aanwending van de zaak voor eigen gebruik door de bezitter ter bede
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Precair bezit van andermans roerende zaak - Verspilling of verduistering van de toevertrouwde zaak - Inpandgeving van de zaak aan een derde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.21.0509.N Conclusie van advocaat-generaal De Smet: “Heling met als basismisdrijf misbruik van vertrouwen en de inpandgeving van een roerende zaak als vorm van misbruik van vertrouwen”
  1. Bestreden arrest.
  2. Eiser wordt vervolgd wegens heling van een BMW Z8 ten nadele van P.Z., in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 8 januari
  3. Het hof van beroep te Antwerpen nam aan dat P.Z., eigenaar van een BMW Z8, zijn voertuig in oktober 2013 voor herstelling aanbood bij garage BVBA IMCO, met als verantwoordelijke J.M., een onderneming die in oktober 2014 failliet werd verklaard. Eigenaar P.Z. informeerde meermaals naar de herstelling en kreeg in december 2015 van J.M. te horen dat de wagen bij een vriend van hem stond (blz. 8 arrest).
  4. Medebeklaagde J.M. werd in eerste aanleg veroordeeld wegens misbruik van vertrouwen van de wagen. Hij tekende geen hoger beroep aan. J.M. verklaarde dat hij de wagen van P.Z. in oktober 2013 voor herstelling in ontvangst nam en hij in die periode werd bedreigd door leden van een motorclub. Hij ging bij eiser een lening aan om 32.500€ aan zijn afpersers te betalen. J.M. verklaarde dat hij de lening niet kon terugbetalen, vanwege een hoge rente, en daarom de wagen van P.Z. aan eiser gaf als onderpand (blz. 9). Volgens J.M. kwam eiser de wagen halen, wetende dat de wagen eigendom was van een klant van J.M., en heeft eiser de wagen dan verkocht aan een Nederlander N.R. (blz. 9).
  5. Eiser voerde als verweer aan dat hij op regelmatige wijze in het bezit kwam van de wagen, als onderpand van een lening die hij toestond aan garagist J.M, voor 45.000€. Hij stelde vast dat de boorddocumenten op naam stonden van een derde, maar kreeg van J.M. te horen dat J.M. de wagen nog niet op zijn naam had ingeschreven. Bij gebrek aan betaling van de lening heeft eiser de wagen verkocht, zonder dat hij wist dat die wagen was verkregen door een misdaad of wanbedrijf. Na die verkoop, in januari 2016 werd eiser gecontacteerd door de eigenaar P.Z. Eiser stelde verder dat J.M. geen misbruik van vertrouwen pleegde ten opzichte van zijn klant P.Z. (blz. 9-10 arrest).
  6. De appelrechters oordeelden dat 1° de constitutieve bestanddelen van misbruik van vertrouwen in hoofde van medebeklaagde J.M. voorhanden zijn, namelijk verduistering van een wagen die hij alleen in precair bezit had, voor herstelling (blz. 10), 2° eiser ten tijde van de inbezitneming van de wagen kennis had van de wederrechtelijke herkomst ervan, gezien hij wist dat de wagen geen eigendom was van zijn schuldenaar J.M. (blz. 10-11). Voor dat laatste aspect wezen de appelrechters onder meer op het ontbreken van enig aankoopbewijs op naam van J.M., nochtans een autohandelaar, en het feit dat J.M. dringend geld nodig had wegens een afpersing, waarbij voor de lening geen overeenkomst werd opgesteld, ondanks de gevraagde rente van 5.000€ en de overhandiging van een BMW Z8 als onderpand (blz. 10-11).
  7. Het bestreden arrest verklaart eiser schuldig aan heling van de wagen en veroordeelde hem op strafgebied tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met uitstel voor vijf jaar en een geldboete (incl. opdeciemen) van 3.000€. De appelrechters spraken verder de verbeurdverklaring uit van de wagen en hebben eiser op burgerlijk gebied veroordeeld tot een schadevergoeding van 125.000€ aan benadeelde P.Z., in solidum met medebeklaagde J.M.
  8. Herstel van de schade.
  9. Het eerste middel, dat schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 oud B.W., de artikelen 3 en 4 V.T.Sv. en artikel 505, eerste lid, 1° Sw., is gericht tegen de beslissing op burgerlijk gebied. Eiser komt op tegen het oordeel “Nu beklaagde het herstel in natura van de schade in causaal verband met het lastens hem bewezen verklaarde feit, zijnde in essentie de teruggave van het kwestieuze voertuig Z8 in de staat waarin het zich bevond, zelf onmogelijk heeft gemaakt door eigen fout. – beklaagde droeg het kwestieuze voertuig reeds in januari 2014 over aan een derde …. – heeft de burgerlijke partij recht op een vervangende schadevergoeding. Het behoort de burgerlijke partij om de omvang van die schade te bewijzen” (blz. 17). Volgens eiser hebben de appelrechters niet vastgesteld dat de schade is ontstaan door het misdrijf van heling, maar aangenomen dat de schade is ontstaan uit een andere fout die volgt op dat misdrijf, een fout bij de verkoop die niet vervat is in de akte van aanhangigmaking.
  10. Beoordeling. Mij komt voor dat de appelrechters duidelijk hebben geoordeeld dat de plicht tot schadevergoeding van eiser voortvloeit uit het bewezen verklaarde misdrijf van heling, niet uit een fout bij de overdracht van de wagen aan een derde na de heling.
  11. De appelrechters namen aan dat als een basismisdrijf en een heling dezelfde zaak betreffen, de heler wettig in solidum met de pleger van het basismisdrijf kan veroordelen tot schadevergoeding aan de eigenaar van de zaak (blz. 17). Het bestreden stelt dat het vaststaat dat “het basismisdrijf onder tenlastelegging C.1 (dader J.M.) en het misdrijf heling onder tenlastelegging D (dader: beklaagde) eenzelfde zaak betreffen, namelijk het kwestieuze voertuig BMW Z8” en “er…niet aan kan worden getwijfeld dat deze afzonderlijke misdrijven samenlopende fouten opleverden, welke bijdroegen aan de totaliteit van eenzelfde schade” (blz. 17) en “de feiten van het dossier wijzen uit dat J.M. en beklaagde in casu een leningoperatie zijn overeengekomen waarbij in het kader daarvan het kwestieuze voertuig BMW Z8 als ‘onderpand’ werd overgedragen aan beklaagde. Deze leningoperatie leidde finaal tot het voorhanden zijn van de constitutieve bestanddelen van twee afzonderlijke misdrijven, waarbij de fouten in hoofde van J.M. en in hoofde van beklaagde duidelijk samenlopend zijn. De samenlopende fouten gerelateerd met deze misdrijven, droegen onmiskenbaar bij tot eenzelfde schade in hoofde van de burgerlijke partij met name het verlies van zijn eigendom, het kwestieuze voertuig BMW Z8” (blz. 17).
  12. Deze visie sluit aan bij vaste rechtspraak van het Hof. Een veroordeling in solidum van daders en mededaders van afzonderlijke misdrijven, zoals misbruik van vertrouwen en heling, kan worden uitgesproken wanneer deze afzonderlijke misdrijven samenlopende fouten opleveren welke bijdragen tot de totaliteit van eenzelfde schade. In dat geval zijn de dader van het basismisdrijf en de heler in solidum (dit is samen voor het geheel) gehouden de benadeelde te vergoeden
(1). Het maakt daarbij niet uit of de heler een (bijkomende) fout heeft gemaakt bij de daaropvolgende verkoop van het geheelde goed. Het Hof oordeelde op 13 oktober 2004 dat “de heler van een gestolen voorwerp tot de volledige vergoeding van de door de eigenaar van dat voorwerp geleden schade kan worden veroordeeld wanneer, zonder de fout van die heler, de schade niet op dezelfde wijze zou hebben bestaan”
(2). 11. Het aspect van een fout van eiser door overdracht van de wagen aan een derde komt alleen aan bod bij het bepalen van de verschuldigde schadevergoeding aan burgerlijke partij, verweerder in cassatie, wat blijkt uit blz. 17 van het bestreden arrest
(3). 12. Wanneer door een bewezen verklaarde fout een zaak is ontnomen aan een slachtoffer, dient de rechter eerst na te gaan of de schade kan worden hersteld door teruggave van de ontnomen zaak aan de benadeelde. Is die teruggave niet mogelijk, dan is de aansprakelijke persoon gehouden tot betaling van een schadevergoeding die overeenstemt met de waarde van de zaak (vervangingswaarde)
(4).
  1. De appelrechters hebben de schade, de waarde van het ontnomen voertuig, geraamd op 125.000€ en eiser veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan verweerder, in solidum met medebeklaagde J.M, veroordeeld wegens misbruik van vertrouwen van dat voertuig. Het arrest stelt dat verweerder recht heeft op een vervangende schadevergoeding om reden dat eiser het ontnomen voertuig reeds in januari 2014 overdroeg aan een derde (blz. 17). Het feit dat het bestreden arrest deze overdracht als een “eigen fout” van eiser bestempelt, die teruggave van de wagen aan verweerder onmogelijk heeft gemaakt (blz. 17), doet geen afbreuk aan de vaststelling dat eiser samen met de medebeklaagde gehouden is tot volledige schadevergoeding wegens de samenlopende fouten voor respectievelijk heling en misbruik van vertrouwen. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest niet vaststelt dat de schade is ontstaan door heling, maar een andere fout van eiser als oorzaak van de schade aanneemt, mist het eerste middel feitelijke grondslag.
  2. Uit de aangehaalde redenen over de veroordeling in solidum van eiser (blz. 17) volgt dat dat de appelrechters het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het bewezen verklaarde misdrijf heling en de schadelijke gevolgen daarvan niet hebben afhankelijk gemaakt van de vaststelling dat eiser een andere fout heeft gemaakt, bij de verkoop van de geheelde wagen, waarvoor hij niet afzonderlijk is vervolgd. Het arrest stelt in tegendeel dat de afzonderlijke misdrijven van misbruik van vertrouwen, met als dader J.M., en heling, toegerekend aan eiser, ‘samenlopende fouten opleverden welke bijdroegen tot de totaliteit van eenzelfde schade’ (p. 17). In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters het ontstaan van de schade, namelijk het oorzakelijk verband tussen de heling en de schadelijke gevolgen daarvan, afhankelijk maakten van de vaststelling dat eiser een andere fout beging, die niet onder hun bevoegdheid viel, mist het feitelijke grondslag.
  3. Stel dat de strafrechter toch een latere fout van de heler als één van de oorzaken van de schade aanneemt, wat niet blijkt uit het bestreden arrest, dan is zijn beslissing naar recht verantwoord als hij het bewezen verklaarde misdrijf als andere oorzaak van de schade vaststelt. Het Hof oordeelde op 4 mei 2005: “Overwegende dat wanneer iemand een misdrijf én een daaropvolgende fout heeft gepleegd en wanneer dit misdrijf én die fout samen de schade hebben veroorzaakt, dan volstaat het misdrijf als grondslag voor de veroordeling tot vergoeding van de volledige schade; Overwegende dat de appelrechters oordelen dat vaststaat dat de schade is veroorzaakt én door de heling én door het verder verkopen van de gestolen auto; Dat zij aldus wettig vermochten eiser te veroordelen tot schadevergoeding”
(5).
  1. Het precair bezit bij misbruik van vertrouwen.
  2. Als tweede middel voert eiser schending aan van artikel 491 Sw. (misbruik van vertrouwen) en artikel 505, eerste lid, 1° Sw. (heling). Eiser stelt dat 1° de bezitter ter bede geen misbruik van vertrouwen pleegt door kortstondig misbruik te maken van het bezit van de hem toevertrouwde zaak en 2° de overdracht van deze zaak aan een derde als zekerheid voor de terugbetaling van een persoonlijke lening geen daad is waardoor de bezitter ter bede zich als eigenaar van de zaak gedraagt. Bij overdracht van de zaak als onderpand van een lening ontdoet de precaire bezitter zich niet definitief van zijn bezit en maakt hij zichzelf of een ander niet tot eigenaar van het toevertrouwde goed. Bij gebrek aan een materiële daad van verduistering begaan met bedrieglijk opzet is er van misbruik van vertrouwen als basismisdrijf geen sprake en kon eiser niet als heler van de zaak worden veroordeeld (eerste onderdeel).
  3. Beoordeling. Het wanbedrijf heling (art. 505, eerste lid, 1° Sw.) veronderstelt het bezitten of onder zich hebben van een zaak verkregen door een misdaad of wanbedrijf gepleegd door een derde en de voorafgaande of gelijktijdige kennis van de onrechtmatige oorsprong van de zaak
(6). 18. Misbruik van vertrouwen (art. 491 Sw.), waarvoor medebeklaagde J.M. is veroordeeld, houdt in dat iemand die precair bezit (of bezit ter bede) heeft over een andermans roerende zaak of titel deze zaak of titel bedrieglijk verduistert of verspilt
(7). Het precair bezit ontstaat doordat de eigenaar van een roerende zaak zoals bedoeld in art. 491 Sw. of een derde die voor zijn rekening handelt in vertrouwen, zonder enige vorm van dwang of misleiding, de zaak toevertrouwt aan de dader zonder overdracht van eigendom
(8). De bezitter ter bede die alleen misbruik maakt van het gebruik van het hem toevertrouwde goed, zonder erover te beschikken als eigenaar, pleegt geen misbruik van vertrouwen, zoals het laattijdig terugbrengen van een gehuurde wagen aan de eigenaar of het louter achterhouden van stukken die de zaakvoerder van een vennootschap had moeten overmaken aan de vereffenaar
(9). In deze hypothese is de bezitter ter bede nog wel in staat het hem toevertrouwde goed terug te geven aan de eigenaar of de derde die voor zijn rekening handelt.
  1. De appelrechters oordeelden dat J.M. zich bedrieglijk het voertuig BMW Z8 van P.Z. heeft toegeëigend om het daarna over te dragen aan eiser als zekerheid voor de terugbetaling van een persoonlijke lening, waarbij eiser bij de inbezitneming van het voertuig kennis had van de wederrechtelijke herkomst ervan (p. 10). De materiële daad van verduistering van J.M., gepleegd met bedrieglijk opzet, bestaat in “het zich wederrechtelijk materieel toe-eigenen van het voertuig BMW Z8 teneinde het daarna over te kunnen dragen als zekerheid voor de terugbetaling van een persoonlijke geldlening” (blz. 10).
  2. Mij komt voor dat de rechter wettig kan oordelen dat een schuldenaar een zaak waarover hij precair bezit heeft verduistert door deze zaak te overhandigen aan een derde-schuldeiser (niet de eigenaar van de zaak) als waarborg voor de terugbetaling van een persoonlijke lening. Door deze overdracht is de schuldenaar niet meer zeker van zijn verbintenis de hem toevertrouwde zaak terug te bezorgen van de eigenaar. Het precair bezit verdwijnt immers wanneer de schuldenaar niet meer voldoet aan zijn plicht tot terugbetaling van de lening en de schuldeiser zich de in pand gegeven zaak toe-eigent, om aldus zijn schuldvordering uit te oefenen. Het in pand geven van een zaak is dan ook niet te beschouwen als een loutere aanwending van de zaak voor eigen gebruik door de bezitter, zonder dat deze zich als eigenaar gedraagt. Deze inpandgeving van andermans zaak tast het recht aan van de eigenaar van die zaak en kan dan ook als een daad van verduistering in de zin van art. 491 Sw. worden opgevat
(10). Van strafbare verduistering of verspilling is er immers sprake als de persoon die alleen precair bezit heeft van de zaak zijn wil laat blijken om zich als eigenaar daarover te gedragen, zodat de ware eigenaar zijn rechten op de zaak niet langer meer kan laten gelden
(11). Het arrest is naar recht verantwoord (blz. 8-10). Het onderdeel kan aldus niet worden aangenomen.
  1. Het voltrekken van misbruik van vertrouwen en heling.
  2. In een tweede onderdeel komt eiser op tegen het oordeel dat eiser bij de inbezitneming van het voertuig kennis had van de wederrechtelijke herkomst ervan. Volgens eiser hebben de appelrechters niet wettig vastgesteld dat op dat moment het basismisdrijf misbruik van vertrouwen reeds voltrokken was. Het bestreden arrest laat na een concrete feitelijke handeling aan te duiden, gesteld door J.M., waardoor hij zich de wagen BMW Z8 van P.Z. wederrechtelijk heeft toegeëigend, voorafgaand aan de overdracht van de wagen aan eiser.
  3. Beoordeling. Misbruik van vertrouwen ontstaat wanneer de dader, die alleen precair bezit heeft van een roerende zaak, zich de zaak toe-eigent door verduistering en verspilling, zonder de bedoeling van teruggave van de zaak aan de eigenaar
(12). Het Hof oordeelde: “Het door artikel 491 Strafwetboek bedoelde misbruik van vertrouwen is voltrokken op het ogenblik dat het materieel feit van verduistering of verspilling en het bedrieglijk opzet zijn verenigd. Er is sprake van verspilling of verduistering in de zin van deze bepaling zodra de dader de goederen die hem door de eigenaar of rechtmatige gebruiker zijn overhandigd onder de verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken, onttrekt aan het eigendomsrecht van die derde en erover beschikt animo domino. Het gegeven dat de goederen na de onttrekking nog kunnen worden teruggegeven, ontneemt het delictueel karakter niet aan de verduistering of verspilling”
(13).
  1. De appelrechters namen aan (blz. 10) dat 1° medebeklaagde J.M. misbruik van vertrouwen pleegde door het hem ter bede toevertrouwde voertuig als zekerheidsstelling te overhandigen aan eiser, als materiële daad van verduistering, waarbij hij handelde met de bedoeling het voertuig te ontnemen aan de eigenaar en er als het ware zelf als eigenaar over te beschikken en 2° eiser het voertuig heeft geheeld door het met kennis van de wederrechtelijke herkomst ervan in bezit te nemen. Daarmee wordt m.i. aangegeven dat het basismisdrijf misbruik van vertrouwen was voltrokken op het moment dat eiser de wagen in bezit nam. Het tweede onderdeel kan aldus niet worden aangenomen.
  2. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. _______________________________________
(1)Cass. 8 maart 2005, AR P.04.1534.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050308.8, AC 2005, nr. 141, “…dat lastens daders en mededaders van afzonderlijke misdrijven ook een veroordeling in solidum kan uitgesproken worden wanneer deze afzonderlijke misdrijven samenlopende fouten opleveren welke bijdragen tot de totaliteit van eenzelfde schade; dat in zulk geval de dief en de heler in solidum gehouden zijn de benadeelde te vergoeden … Overwegende dat de rechter die onaantastbaar vaststelt dat een diefstal en een heling dezelfde zaak betreffen, de dief en de heler wettig kan veroordelen in solidum aan de benadeelde daarvoor een vergoeding te betalen”. Zie G. STESSENS, “is de heler mee burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de steler?”, T. Strafr. 2004, 296-299; Cass. 13 oktober 2004, AR P.04.0896.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.3, AC 2004, nr. 476; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2005, 314; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit penal special, Kluwer 2018, 1005-1008.
(2)Cass. 13 oktober 2004, AR P.04.0896.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.3, AC 2004, nr. 476.
(3)De in het middel betwiste motivering over de fout bij overdracht van de wagen na de heling ervan komt na de zin/rubriek “wat betreft de verschuldigde schadevergoeding komt het hof tot het volgende oordeel” (p. 17).
(4)Cass. 25 november 2020, AR P.20.0808.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.5, AC 2020, nr. 723; Cass. 3 april 2017, AR S.16.0039.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170403.5, AC 2017, nr. 240; Cass. 11 februari 2016, AR C. 15.0031.N, AC 2016, nr. 99; Cass. 11 mei 2000, AR C.96.0283.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000511.10, AC 2000, nr. 286; Cass. 13 mei 1997, AR P.96.0539.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970513.1, AC 1997, nr. 227; Cass. 9 januari 1997, AR C.96.0095.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970109.12, AC 1997, nr. 23; Cass. 9 oktober 1996, AR P.96.0042.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961009.4, AC 1996, nr. 366; Cass. 20 januari 1993, AR 9672, AC 1993, nr. 39; Zie G. STESSENS, “is de heler mee burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de steler?”, T. Strafr. 2004, 296-299; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Intersentia 2009, 663, 692 en 747-752; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1275.
(5)Cass. 5 april 2005, AR P.04.1547.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050405.1, AC 2005, nr. 196. In deze zaak van 2005 had de eiser G. aangevoerd dat de strafrechter niet bevoegd was te oordelen over een door hem begane fout bestaande uit de verkoop van een geheelde wagen, omdat hij alleen voor heling is vervolgd.
(6)Cass. 13 september 2005, AR P.05.0372.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.37, AC 2005, nr. 425; Cass. 5 oktober 1999, AR P.98.0082.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.9, AC 1999, nr. 504; Cass. 4 juni 1996, AR P.95.0778.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960604.10, AC 1996, nr. 208; Cass. 18 december 1991, AR 9285, AC 1991, nr. 209; Cass. 31 januari 1984, AR 8133, AC 1984, nr. 293. Zie B. SPRIET, “De constitutieve bestanddelen van heling”, RW 1984-85, 1791-1793; A. VANDEPLAS, “Heling”, in Comm. Sr. 2003, 14p.; J. SPREUTELS, F. ROGGEN en E. ROGER FRANCE, Droit pénal des affaires, Bruylant 2005, 445-449; M.L. CESONI en D. VANDERMEERSCH, “Le recel et le blanchiment”, in Les infractions. Vol. 1, Les infractions contre les biens, Larcier 2016, 547-548 en 555-557; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit penal special, Kluwer 2018, 988-1000; K. DENENBURG, M. DILLEN, F. VAN VOLSEM en P. KEMPS, Zakboekje strafrecht, Kluwer 2020, 639-641.
(7)Cass. 10 januari 2017, AR P.16.0380.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170110.2, AC 2017, nr. 21; Cass. 9 februari 2016, AR P.14.0777.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1, AC 2016, nr. 88, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0143.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1, AC 2015, nr. 542, RW 2016-17, 258; Cass. 3 juni 2014, AR P.13.0283.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1, RW 2014-15, 1463 noot L. VAN DEN STEEN; Cass. 25 juni 2008, AR P.07.1873.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.6, AC 2008, nr. 396; Cass. 9 februari 2005, AR P.04.0877.F, AC 2005, nr.
  1. Zie alg. R. DEZEURE, Misbruik van vertrouwen en verduistering, APR 1968, 246-257; J. SPREUTELS, F. ROGGEN en E. ROGER FRANCE, Droit pénal des affaires, Bruylant 2005, 322-345; S. VAN DYCK, “Misbruik van vertrouwen: het verduisteren of verspillen van ‘de la chose d’autrui’”, T. Strafr. 2001, 139-142; B. SPRIET, “Gemeenrechtelijke fraudemisdrijven m.b.t. onroerende goederen”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia 2012, 52-55; L. HUYBRECHTS, “Misbruik van vertrouwen”, in Comm. Sr., Kluwer 2013, 34; L. VAN DEN STEEN, “De grondslag van het precair bezit bij misbruik van vertrouwen, of waar strafrecht en burgerlijk recht elkaar (soms) vinden”, RW 2014-15, 1464-1467; H.D. BOSLY en D. DILLENBOURG, “L’abus de confiance”, in Les infractions. Vol.
  2. Les infractions contre les biens, Larcier 2016, 246-257; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer 2018, 873-879; I. DELBROUCK, “Misbruik van vertrouwen”, in Postal Memorialis, Kluwer 2018, 1-13; E. VAN DOOREN, “Misbruik van vertrouwen ten nadele van de eigen vennootschap”, NC 2018, 381-384; K. DENENBURG, M. DILLEN, F. VAN VOLSEM en P. KEMPS, Zakboekje strafrecht, Kluwer 2020, 616-621; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2020, 485-489.
(8)Cass. 22 september 2015, AR P.15.0143.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1, AC 2015, nr. 542, RW 2016-17, 258.
(9)Cass. 26 maart 2014, AR P.13.1936.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140326.3, AC 2014, nr. 245; Cass. 28 januari 1999, AR C.97.0363.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990128.13, AC 1999, nr. 50; Cass. 13 januari 1999, AR P.98.0653.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990113.10, AC 1999, nr. 16; Cass. 6 september 1995, AR P.95.0379.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950906.1, AC 1995, nr. 367; Cass. 3 oktober 1966, AC 1967, 154; Antwerpen 12 oktober 2000, RW 2000-01, 989 noot A. VANDEPLAS; Antwerpen 7 september 2000, RW 2002-03, 868 noot M. VAN DER STRATEN. Zie K. DENENBURG, M. DILLEN, F. VAN VOLSEM en P. KEMPS, Zakboekje strafrecht, Kluwer 2020, 619-620; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2020, 485.
(10)L. HUYBRECHTS, “Misbruik van vertrouwen”, in Comm. Sr., Kluwer 2013, 10; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2020, 485 en 488.
(11)K. DENENBURG, M. DILLEN, F. VAN VOLSEM en P. KEMPS, Zakboekje strafrecht, Kluwer, 2020, 619.
(12)L. HUYBRECHTS, “Misbruik van vertrouwen”, in Comm. Sr., Kluwer 2013, 9-10; I. DELBROUCK, “Misbruik van vertrouwen”, in Postal Memorialis, Kluwer 2018, 4-13; H.D. BOSLY en D. DILLENBOURG, “L’abus de confiance”, in Les infractions. Vol. 1. Les infractions contre les biens, Larcier 2016, 246-258; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer 2018, 876-886; K. DENENBURG, M. DILLEN, F. VAN VOLSEM en P. KEMPS, Zakboekje strafrecht, Kluwer 2020, 619-621.
(13)Cass. 3 december 2019, AR P.19.0652.N, T. Strafr. 2020, 144 noot E. BAEYENS; Cass. 17 januari 2018, AR P.17.0975.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180117.8, AC 2018, nr. 36; Cass. 22 september 2015, AR P.15.0143.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1, AC 2015, 2137, RW 2016-17, 258; Zie ook Cass. 29 maart 1994, AR 6315, AC 1994, nr. 153. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210907.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950906.1 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960604.10 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961009.4 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970109.12 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970513.1 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990113.10 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990128.13 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000511.10 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041013.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050308.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050405.1 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.37 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140326.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170110.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170403.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180117.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.