id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.1 Rolnummer: F.20.0059.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra Gerlach & Co nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-10-26 Raadplegingen: 742 - laatst gezien 2026-06-16 05:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.1 Fiche Voor de toepassing van artikel 221.4 CDW is het voldoende dat de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat er sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling waardoor de douaneschuld is ontstaan, ongeacht het tijdstip waarop de douaneautoriteiten deze handeling als strafrechtelijk vervolgbaar kwalificeren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Communautair Douanewetboek - Artikel 221.3 CDW - Verplichting van mededeling van het bedrag van de verschuldigde rechten binnen drie jaar - Uitzondering artikel 221.4 CDW - Douaneschuld ontstaan uit strafrechtelijk vervolgbare handeling - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 221 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de conclusie F.20.0059.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. 1.
- Verweerster heeft in de periode van februari 2004 tot en met april 2006, in opdracht van GILDAN ACTIVEWEAR LTD, verschillende aangiftes ingediend voor het in verbruik stellen van textiel. Hierbij werd Honduras of Haïti vermeld als het land van oorsprong en werden verschillende certificaten van oorsprong FORM A voorgelegd, waardoor een preferentieel recht aan 0% werd toegekend. Tijdens een controle achteraf bleek dat de goederen van Honduras naar de EG werden vervoerd via de Verenigde Staten. Overeenkomstig artikel 78.1.b CTW kunnen producten die één enkele zending vormen en over het grondgebied van andere landen dan over dat van het begunstigde land of over dat van de Unie worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag in deze landen, beschouwd worden als rechtstreeks vervoerd, voor zover zij onder toezicht van de douaneautoriteiten van het land van doorvoer of van opslag zijn gebleven en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of enige andere behandeling om deze producten in goede staat te behouden. Voor een deel van de zendingen kon verweerster aantonen dat aan de voorwaarden van artikel 78.1.b CTW was voldaan om van het preferentieel tarief te kunnen genieten. Voor de resterende zendingen werd op 8 november 2011 door eiser een beschikking opgemaakt waarin de toepassing van het preferentieel tarief werd geweigerd en verweerster werd uitgenodigd over te gaan tot betaling van de aanvullende invoerrechten ten bedrage van 915.551,87 EUR. Het administratief bezwaar dat verweerster op 7 februari 2012 instelde tegen deze beschikking werd bij beschikking van de administrateur der douane en accijnzen van 26 februari 2013 als ongegrond afgewezen. 1.
- Verweerster voerde tijdens de gerechtelijke betwisting van deze beschikking aan dat de invordering van de invoerrechten op grond van artikel 221.3 CDW (de mededeling van de rechten moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan) was verjaard. Volgens eiser daarentegen kon er van verjaring geen sprake zijn gelet op artikel 221.4 CDW, dat stelt dat de mededeling ook na het verstrijken van drie jaar mag worden gedaan indien de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, in welk geval de verjaringstermijn tien jaar bedraagt op grond van artikel 2262bis Oud B.W.. Het geschil leidde tot een arrest van 3 december 2019 van het hof van beroep te Brussel waarbij de vordering van verweerster gegrond werd verklaard en voor recht werd gezegd dat de door eiser gevorderde aanvullende invoerrechten, als bedoeld in de beschikkingen van 8 november 2011 en 26 februari 2013, niet door verweerster verschuldigd zijn, gelet op de ingetreden verjaring. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. (…) EERSTE ONDERDEEL. 2.
- Eiser voert aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat eiser niet bewijst dat het gaat om een vordering van aanvullende invoerrechten aangaande een strafrechtelijk vervolgbare handeling bedoeld in artikel 221.4 CDW, zodat krachtens artikel 221.3 CDW verweerster terecht het verstreken zijn van de invorderingstermijn inroept en zij geacht moet worden bevrijd te zijn van betaling van deze rechten door het verstrijken ervan op het ogenblik van het aanvatten van die invordering, terwijl de douaneschuld was ontstaan uit hoofde van een overtreding van artikel 78.1.b CTW inzake de afwezigheid van bewijs van “rechtstreeks vervoer”, welke handeling strafrechtelijk vervolgbaar is in de zin van artikel 261 AWDA, waardoor de navorderingstermijn van artikel 221.4 CDW van toepassing is, temeer daar die handeling in de beschikking van 26 februari 2013 door eiser als strafrechtelijk vervolgbaar was gekwalificeerd, zodat de navordering bij beschikking van 8 november 2011 niet laattijdig was ingesteld, gelet op de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, Oud B.W. (Schending van de artikelen 221.3 en 221.4 CDW, 78.1.b CTW, 261 AWDA, 2262bis, § 1 B.W., en van het algemeen unierechtelijk rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging, het unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel). 2.
- Artikel 221.3 CDW bepaalt: “De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep”. Artikel 221.4 CDW bepaalt: “Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, mag de mededeling van de wettelijk verschuldigde bedragen, overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden, nog na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn aan de schuldenaar worden gedaan”. De vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar is aldus niet van toepassing wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was
(1). In voorkomend geval is de verjaringstermijn van artikel 2262bis Oud B.W. van toepassing. De ratio legis van deze uitzondering ligt in het feit dat een handeling die strafrechtelijk vervolgbaar is doorgaans kadert in complexe fraudecircuits die slechts opgespoord kunnen worden na een uitgebreid en tijdrovend, veelal grensoverschrijdend, onderzoek. 2.5. Onder “strafrechtelijk vervolgbare handeling” dient volgens het Hof van Justitie te worden verstaan, enkel die handeling die in de rechtsorde van de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten rechten navorderen, als strafbaar feit in de zin van het nationale strafrecht wordt aangemerkt. De betekenis die daarmee aan de uitdrukking “strafrechtelijk vervolgbare handeling” wordt gegeven, strookt met de vereisten van rechtszekerheid. Het stellen van een strafsanctie op een bepaald gedrag vormt immers een duidelijk criterium, dat de toepassing van de betrokken bepaling ondubbelzinnig garandeert, zowel voor de marktdeelnemer aan wie een dergelijk gedrag wordt verweten als voor de autoriteiten die tot navordering dienen over te gaan. Het vereiste van rechtszekerheid is van bijzonder belang wanneer het gaat om een regeling die voor de marktdeelnemers financiële gevolgen heeft. Afhankelijk van het in de verschillende lidstaten geldende materiële strafrecht kan de toepassing van dit criterium weliswaar tot verschillende resultaten leiden, doch dit is terug te voeren op de omstandigheid dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de strafrechtelijke kwalificatie van een bepaald gedrag niet is geharmoniseerd en derhalve een zaak van nationaal recht is
(2). 2.6. Uw Hof oordeelde in verschillende arresten dat voor de toepassing van de uitzonderingsregeling inzake de verjaring van de douaneschuld niet als voorwaarde geldt dat de douaneautoriteiten niet in staat waren om binnen de termijn van drie jaar het juiste bedrag vast te stellen
(3). BOSSUYT merkt in deze context op: “Het antwoord op de vraag of de verlengde termijn voor de navordering van de douaneschuld kan worden toegepast, hangt dus niet af van het tijdstip van ontdekking van het strafbare feit. Of dit nu voor dan wel na de reguliere navorderingstermijn van drie jaar plaatsvindt, doet niet ter zake. Een andere uitleg zou inderdaad tot onaanvaardbare gevolgen leiden. Dit zou betekenen dat het tijdstip van “ontdekking” van de strafrechtelijk vervolgbare handeling een doorslaggevende rol gaat spelen. Dit tijdstip is nogal willekeurig, en het hanteren van het tijdstip van “ontdekking” komt de rechtszekerheid niet ten goede, omdat dit tot allerlei discussies aanleiding kan geven omtrent de vraag wanneer nu de douaneautoriteiten in staat waren de douaneschuld vast te stellen opdat de langere verjaringstermijn van toepassing zou zijn”
(4). 2.7. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling niet vereist is dat de strafrechtelijke autoriteiten van een lidstaat daadwerkelijk een strafvervolging hebben ingesteld die tot een veroordeling heeft geleid, en nog minder dat de strafvervolging niet is verjaard. De kwalificatie van een handeling als “strafrechtelijk vervolgbare handeling” behoort tot de bevoegdheid van de douaneautoriteiten
(5). Na het verstrijken van de termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan, kunnen de douaneautoriteiten rechtsgeldig overgaan tot mededeling van het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten aan de schuldenaar wanneer zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van die rechten vast te stellen, ook wanneer die schuldenaar de betrokken handeling niet heeft gepleegd
(6). Het volstaat dat de douaneautoriteiten een handeling als strafrechtelijk vervolgbaar kwalificeren, zonder dat vereist is dat karakter van die handeling te motiveren of beargumenteren. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt enkel dat de nationale rechter toezicht kan uitoefenen op de beslissing van de administratie om een handeling als strafrechtelijk vervolgbaar te kwalificeren wanneer blijkt dat er uiteindelijk geen strafrechtelijk vervolgbare handeling voorhanden is, met als gevolg dat de rechten die buiten de termijn van drie jaar werden ingevorderd, zijn verjaard en bijgevolg onverschuldigd werden betaald. De rechter moet erop kunnen toezien dat deze rechten worden terugbetaald: “
- Deze kwalificatie laat uiteraard het toezicht onverlet, dat de rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen uitoefenen op de beslissingen van de douaneautoriteiten, alsook alle gevolgen, met inbegrip van de eventuele terugbetaling van door deze autoriteiten ten onrechte geheven rechten, die het toepasselijke nationale recht kan verbinden aan de beslissingen van deze rechterlijke instanties, en met name aan de beslissingen tot beëindiging van de vervolging of tot vrijspraak van de verdachten.
- Bij gebreke van communautaire regelgeving ter zake is het derhalve een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder de belastingschuldigen kunnen opkomen tegen de toepassing van de uitzondering van artikel 3 van verordening nr. 1697/79 wat de verjaring van de navordering van niet-geheven rechten betreft, en in dit verband kunnen vorderen dat in voorkomend geval gevolgen worden verbonden aan rechterlijke beslissingen, mits deze voorwaarden niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken”
(7). Indien er effectief sprake is van een "strafrechtelijk vervolgbare handeling" waaruit de douaneschuld is ontstaan, zal de nationale rechter de toepassing van artikel 221.4 CDW derhalve niet kunnen uitsluiten, ook al had de nationale douaneadministratie het strafrechtelijk vervolgbaar zijn van de handeling als zodanig niet nader gemotiveerd of beargumenteerd. Anders dan het bestreden arrest oordeelt, maakt dit het voor de douaneschuldenaar niet praktisch onmogelijk om tegenspraak te voeren nu hij voor de nationale rechter zijn rechten kan laten gelden. 2.8. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de douaneschuld was ontstaan uit hoofde van een overtreding van artikel 78.1.b CTW (vóór zijn wijziging bij Verordening nr.1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010). Volgens deze bepaling kunnen als rechtstreeks vervoerd van het begunstigde land van uitvoer naar de Gemeenschap of van de Gemeenschap naar het begunstigde land worden beschouwd, en bijgevolg onder het preferentieel tarief worden ingeklaard: “b) producten die één enkele zending vormen en over het grondgebied van andere landen dan over dat van het begunstigde land of over dat van de Gemeenschap worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag in deze landen, voor zover zij onder toezicht van de douaneautoriteiten van het land van doorvoer of opslag zijn gebleven en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of enige andere behandeling om deze producten in goede staat te behouden”. Wanneer het preferentieel tarief wordt toegepast zonder dat aan het voorschrift van artikel 78.1.b CTW is voldaan, is er sprake van een douanerechtelijk misdrijf (inbreuk op artikel 261 AWDA) waaruit een douaneschuld ontstaat. De appelrechters hadden m.i. in die feitelijke context toepassing moeten maken van artikel 221.4 CDW te meer nu de administratie de handeling waaruit de douaneschuld was ontstaan als strafrechtelijk vervolgbaar had aangehaald in de beschikking van 26 februari 2013
(8). Het onderdeel komt mij gegrond voor. De overige grieven kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden. 3. Besluit: Vernietiging. _____________________
(1)Zie hierover uitgebreid A. BOSSUYT, “Enkele capita selecta uit het EG-douanerecht”, RW 2008-09, p. 1723 e.v.
(2)HvJ 27 november 1991, C-273/90, Meico-Fell, ro 9-12 (m.b.t. art. 3 Verordening nr. 1697/79).
(3)Zie vb. Cass. 8 november 2011, AR P.10.1747.N, AC 2011, nr. 601, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5.
(4)A. BOSSUYT, ibid, p. 1724, nr. 36.
(5)HvJ 18 december 2007, nr. C-62/06, Zefeser, ro 25-26.
(6)HvJ 16 juli 2009, gevoegde zaken nr. C-124/0 en C-125/08, Snauwaert, ro 32.
(7)HvJ. 18 december 2007, nr. C-62/06, Zefeser.
(8)Bestreden arrest p. 12, laatste alinea. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div