id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.3 Rolnummer: F.18.0030.N Zaak: BNP PARIBAS FORTIS NV c. BELGISCHE STAAT FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-10-25 Raadplegingen: 616 - laatst gezien 2026-06-18 04:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.3 Fiche Een afwijking van de aangegeven belastbare inkomsten en andere gegevens die niet berust op een betwisting door de administratie van deze gegevens, maar op een materiële vergissing van deze laatste bij het bepalen van de belastbare grondslag, verplicht de administratie niet tot het zenden van een bericht van wijziging
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Vrije woorden: Bericht van wijziging - Aanslag op hogere grondslag dan vermeld op bericht van wijziging - Materiële vergissing of onachtzaamheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 339 en 346 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2022, nr. 16, p. 5-
- - VAN VEEN, Sarah; Noot'Bericht van wijziging is niet nodig om materiële vergissing van fiscus recht te zetten' Tekst van de conclusie F.18.0030.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. De betwisting betreft een aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1996, waarbij twee bedragen aan verrekenbare voorheffingen door onachtzaamheid van de administratie niet werden verrekend met een overbelasting als gevolg. Er was inzonderheid een verschil van 4.209.560 BEF (104.352,27 EUR) dat niet in enig bericht van wijziging was opgenomen. In het kader van de bezwaarprocedure ging de directeur niet in op het verzoek van eiseres om die aanvullende aanslag in zijn geheel te vernietigen. Hij onthief de aanslag slechts voor het deel dat betrekking heeft op de ten onrechte per vergissing niet verrekende bestanddelen (alsmede voor een andere deel waarover een akkoord werd gesloten met eiseres). Op 31 mei 2007 diende eiseres een fiscaal verzoekschrift in bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, welke rechtbank op 3 juni 2011 oordeelde dat de aanslag nietig is zodat de volledige ontheffing van de aanslag diende te worden bevolen. Bij verzoekschrift neergelegd op 9 december 2011 ter griffie van het hof van beroep te Brussel tekende de administratie hoger beroep aan tegen voormeld vonnis. Het bestreden arrest van 13 september 2017 van het hof van beroep te Brussel verklaart het hoger beroep van de administratie gegrond en wijst de oorspronkelijke vordering van eiseres af als ongegrond. Eiseres komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
- Bespreking van het eerste middel. Eerste onderdeel. 2.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel voert aan dat de appelrechters de artikelen 339, eerste lid, en 346, eerste lid, WIB92 hebben geschonden door te oordelen dat de belastingadministratie geen bericht van wijziging naar de belastingplichtige moet verzenden indien zij uit zgn. “onachtzaamheid” een aanslag vestigt op een hogere belastinggrondslag dan deze opgenomen in de aangifte en door op die grondslag de vordering van eiseres ongegrond te verklaren. Volgens het onderdeel volstaat de louter objectieve vaststelling van een hogere belastinggrondslag in de aanslag zonder dat daarvoor een bericht van wijziging was verstuurd, om tot de nietigheid van de aanslag te moeten besluiten. Het feit dat die hogere belastinggrondslag het gevolg is van een onachtzaamheid of materiële vergissing vanwege de administratie kan volgens het onderdeel niet de nietigheid van die aanslag in de weg staan. 2.
- Het onderdeel komt mij gegrond voor. Artikel 339, eerste lid WIB92 luidt als volgt: ”De aangifte wordt onderzocht en de aanslag wordt gevestigd door de administratie der directe belastingen. Deze neemt als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist bevindt”. Art. 346, eerste lid WIB92 luidt als volgt: “Indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, stelt de Administratie hem bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen”. Uit de samenlezing van voormelde artikelen volgt dat de aanslag ofwel wordt gevestigd op basis van de elementen opgenomen in de aangifte, ofwel wordt gevestigd op basis van andere gegevens dan deze vermeld in de aangifte doch in dat laatste geval moet de belastingadministratie voorafgaandelijk een bericht van wijziging richten aan de belastingplichtige waarin zij de wijziging rechtvaardigt. Het toesturen van een bericht van wijziging is een substantiële vereiste. De niet-naleving ervan heeft de nietigheid van de wijzigingsprocedure en de daaropvolgende aanslag tot gevolg. In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt in zijn memorie, kan uit de zinsnede in artikel 346 WIB92 “indien ze meent de inkomsten en andere gegeven te moeten wijzigen” niet worden afgeleid dat de administratie er enkel toe gehouden zou zijn een bericht van wijziging te verzenden wanneer ze bewust de aangifte van de belastingplichtige wil wijzigen en dat bij louter materiële vergissingen de afwezigheid van een bericht van wijziging niet tot de nietigheid van de aanslag zou kunnen leiden. Het feit dat de afwijking van de aangifte mogelijkerwijze het resultaat zou zijn geweest van een materiële vergissing of onachtzaamheid door de administratie en niet van een bewuste intentie om de verrekening van de voorheffingen niet toe te staan, is niet relevant: de aanslag die wegens een materiële vergissing of onachtzaamheid gevestigd was op een hogere grondslag dan aangegeven, is in zijn geheel nietig indien er ter zake geen bericht van wijziging werd verstuurd
(1). Zoals de eerste rechter terecht opmerkte, hebben de belastingplichtige (en de rechtbank) niet steeds de mogelijkheid om na te gaan wat de werkelijke intenties zijn van de administratie wanneer er, zoals in casu, een discrepantie bestaat tussen een bericht van wijziging en een supplementaire aanslag. De objectieve vaststelling van de discrepantie volstaat dan ook. De appelrechters die oordelen dat artikel 346 WIB92 niet werd geschonden hoewel door een onachtzaamheid van de belastingadministratie een bedrag van 104.352,27 euro niet werd verrekend met het bedrag der uiteindelijk verschuldigde belasting, schenden m.i. deze wetsbepaling in samenlezing met artikel 339, eerste lid WIB92. 3. Besluit: Vernietiging. __________________
(1)Zie in die zin Cass. 4 maart 1969, ECLI:BE:CASS:1969:ARR.19690304.1: “De directeur der belastingen bij wie een reclamatie is ingediend tegen een aanslag gevestigd op een andere grondslag dan die welke in het bericht van wijziging van de aangifte werd voorgesteld en zonder verband is met deze grondslag, mag de bij de inkohiering van de aanslag begane onwettelijkheid niet herstellen, ook al was deze onwettelijkheid het gevolg van een verschrijving, en moet zich ertoe beperken de nietigheid van de aanslag vast te stellen”.; Zie ook I. CLAEYS BOUUAERT, De aanslag, Brussel, Larcier, 1963, 180. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1969:ARR.19690304.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div