← België

HET VLAAMS GEWEST contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.4 Rolnummer: F.20.0071.N Zaak: HET VLAAMS GEWEST contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-25 Raadplegingen: 1067 - laatst gezien 2026-06-18 23:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.4 Fiches 1 - 2 Artikel 2.7.1.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaalt mede het belastbaar voorwerp van de erfbelasting en onderscheidt zich aldus van een antimisbruikbepaling die de administratie in geval van fiscaal misbruik toelaat om een niet-belastbare rechtshandeling te negeren en de belastingplichtige te belasten alsof het fiscaal misbruik nooit heeft plaatsgevonden; de gewijzigde versie van deze bepaling heeft uitwerking op rechtshandelingen die dateren van vóór dan wel na de inwerkingtreding van de wijziging

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Sterfhuisclausule - Nieuwe fictiebepaling - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.1.0.4 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Artikel 2.7.1.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.1.0.4 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de conclusie F.20.0071.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering. Verweerster was gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen bij gebrek aan huwelijkscontract. Het koppel bleef kinderloos. Bij notariële akte van 7 mei 2007 werd het huwelijksvermogensstelsel gewijzigd en werd een sterfhuisclausule bedongen in het voordeel van verweerster, luidend als volgt: “In geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één der echtgenoten, zal het ganse gemeenschappelijk vermogen toekomen aan de voornoemde echtgenote (zijnde verweerster) (of haar algemene rechtsopvolgers), en derhalve ongeacht of de voornoemde echtgenote langst leeft of niet”. Op 4 augustus 2015 overleed de echtgenoot van verweerster. Eiser ging niet akkoord met de aangifte van nalatenschap die op 23 november 2015 werd ingediend en waarin het gemeenschappelijk vermogen niet aan erfbelasting werd onderworpen. Volgens eiser was de toebedeling aan verweerster van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen ingevolge de uitwerking van het sterfhuisbeding belastbaar op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF, in de versie zoals van toepassing sinds de wijziging bij Decreet van 3 juli 2015, met inwerkingtreding op 1 juli
  2. De erfbelasting werd ingekohierd en uitvoerbaar verklaard op 27 januari 2016 voor een te betalen bedrag van 297.758,46 EUR. Op 29 maart 2016 diende verweerster hiertegen een bezwaarschrift in dat bij beslissing van 25 oktober 2016 door eiser werd afgewezen. Met een verzoekschrift van 28 november 2016, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, vorderde verweerster de ontheffing van de aanslag in de erfbelasting en de terugbetaling van alle op grond van voormelde aanslag ten onrechte geïnde sommen. Voormelde rechtbank verklaarde bij vonnis van 28 juni 2018 deze vordering gegrond. Volgens de rechtbank is het nieuwe artikel 2.7.1.0.4 VCF enkel van toepassing op sterfhuisclausules die vanaf 1 juli 2015 in een huwelijkscontract worden opgenomen. Bij arrest dd. 24 december 2019 bevestigde het hof van beroep te Gent het vonnis van de eerste rechter. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  3. Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL 2.
  4. Eiser voert aan dat de appelrechter, door te oordelen dat artikel 2.7.1.0.
  5. VCF een “antimisbruikbepaling” is en dat ‘ingeval van antimisbruikbepalingen - in de vorm van fictiebepalingen – inzake erfbelasting (...) als aanknopingspunt in de tijd het moment van het stellen van de relevante rechtshandeling in aanmerking (moet) worden genomen”, artikel 2.7.1.0.
  6. VCF heeft geschonden nu deze bepaling geen misbruik viseert, maar het materiële belastingrecht betreft zodat er geen sprake is van een antimisbruikbepaling en het bestreden arrest bijgevolg niet wettig het stellen van de relevante rechtshandeling als aanknopingspunt in de tijd in aanmerking heeft genomen, mitsdien onwettig toepassing heeft gemaakt van het principe van de eerbiedigende werking van de oude wet ten aanzien van bestaande overeenkomsten in een materie die de openbare orde aanbelangt. (Schending van het algemeen rechtsbeginsel inzake overgangsrecht, zoals afgeleid uit artikel 2 (thans artikel 1) Oud B.W., dat verbiedt dat de wet terugwerkende kracht heeft en volgens hetwelk de nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten, van de artikelen 2 (thans 1) Oud B.W., 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.4 VCF, 61 van het Vlaams Programmadecreet van 3 juli 2015). 2.
  7. De sterfhuisclausule is een huwelijksvermogensrechtelijke clausule die bepaalt dat bij ontbinding van het huwelijk (al dan niet beperkt tot overlijden) het volledige gemeenschappelijke vermogen wordt toebedeeld aan één van de echtgenoten, ongeacht of deze echtgenoot de langstlevende echtgenoot is of niet. Bij gebrek aan overlevingsvoorwaarde was deze clausule niet belastbaar op grond van het oude artikel 5 Wetboek Successierechten (nieuw art. 2.7.1.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit) op grond waarvan elke toebedeling voor meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot belastbaar is
(1). In 2015 heeft de Vlaamse decreetgever echter de woorden “op voorwaarde van overleving” in artikel 2.7.1.0.4 VCF geschrapt ingevolge waarvan dergelijke clausules sedertdien wel belastbaar zijn
(2). Ook in Wallonië en Brussel zijn dergelijke clausules voortaan belastbaar
(3). In casu rijst de vraag naar de werking in de tijd van die gewijzigde bepaling. De betrokken clausule was immers reeds opgesteld vóór de wijziging, maar de nalatenschap is slechts opengevallen na de wijziging. 2.
  1. Wat de inwerkingtreding van de wijziging betreft, bepaalt het Vlaamse decreet dat het gewijzigde artikel 2.7.1.0.4 VCF uitwerking heeft met ingang van 1 juli
  2. Het decreet bepaalt niets over de toepasselijkheid van de gewijzigde bepaling op clausules die reeds vóór de wijziging in het huwelijksvermogensstel van de echtgenoten zijn ingevoegd. Bijgevolg moet voor het bepalen van het temporele toepassingsgebied toepassing worden gemaakt van artikel 1 Oud B.W. (oud art. 2 Oud B.W.) en de daarop gebaseerde principes van overgangsrecht. Krachtens artikel 1 Oud B.W. beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. De nieuwe wet is niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgelegde rechten
(4). Bij een wijziging van de fiscale wetgeving zijn de bepalingen van de nieuwe fiscale wet aldus niet van toepassing op rechtshandelingen en toestanden die juridisch voltrokken zijn onder de oude wet
(5). Inzake erfbelasting ontstaat de materiële belastingschuld op het ogenblik van overlijden, m.a.w. op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap, op basis van de wettelijke bepalingen die alsdan van toepassing zijn
(6). Het gewijzigde artikel 2.7.1.0.4 VCF kan aldus niet van toepassing zijn op nalatenschappen die reeds vóór de wijziging zijn opengevallen, omdat we alsdan te maken hebben met rechtshandelingen en toestanden die juridisch voltrokken zijn onder de oude wet. Dit standpunt werd expliciet bevestigd door VLABEL: “Temporeel aanknopingspunt voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zoals het geldt sedert 1 juli 2015. Voor een bepaling uit de erfbelasting is het temporeel aanknopingspunt de datum van het overlijden. Voor overlijdens vóór de inwerkingtreding van de nieuwe tekst, geldt de oude tekst. Voor overlijdens vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe tekst geldt de nieuwe tekst. Het is immers op de datum van het overlijden dat wordt bepaald welke de belastbare materie in de erfbelasting is”
(7). Op dit punt verschilt het Vlaamse decreet van het Waalse decreet en van de Brusselse ordonnantie waarin bepaald wordt dat het nieuwe artikel 5 Wetboek Successierechten van toepassing is op alle aangiften van nalatenschappen ingediend vanaf de inwerkingtreding van het decreet resp. de ordonnantie. Deze regel houdt in dat de nieuwe bepaling ook van toepassing kan zijn op nalatenschappen die reeds vóór de inwerkingtreding van het decreet resp. de ordonnantie zijn opengevallen. Hierop is er kritiek gekomen vanuit de rechtsleer omdat men hierdoor aan de nieuwe bepalingen retroactieve werking verleent
(8). 2.
  1. Voor de toepassing van het gewijzigde artikel 2.7.1.0.4 VCF is dus in de eerste plaats vereist dat de nalatenschap is opengevallen na de inwerkingtreding van de gewijzigde bepaling. De vraag rijst of dat voldoende is om die gewijzigde bepaling van toepassing te maken, dan wel of voor de toepassing van die gewijzigde bepaling ook vereist is dat de clausule slechts na de inwerkingtreding van de gewijzigde bepaling in het huwelijkscontract werd ingevoegd. Met andere woorden: bestaat er een regel op grond waarvan de gewijzigde bepaling slechts toepasselijk is op clausules die na de inwerkingtreding van de gewijzigde bepaling in het huwelijkscontract werden ingevoegd? Die regel volgt alleszins niet uit de tekst zelf van het decreet waarbij artikel 2.7.1.0.4 VCF gewijzigd werd. Het is mogelijk dat de wetgever bepaalt dat de nieuwe of gewijzigde bepaling slechts van toepassing is op clausules ingevoegd in het huwelijkscontract vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe of gewijzigde bepaling of slechts van toepassing is op clausules die vanaf een bepaalde datum zijn ingevoegd in het huwelijkscontract, zoals het geval is voor het Waalse decreet en de Brusselse ordonnantie. Het nieuwe artikel 5 Wetboek Successierechten wordt zowel in het decreet als in de ordonnantie van toepassing verklaard op alle aangiften van nalatenschappen ingediend vanaf de inwerkingtreding van het decreet, met name 1 juli 2017, maar “seulement” (slechts) voor de sterfhuisclausules ingeschreven in het huwelijkscontract sinds 1 juli
  2. In de memorie van toelichting wordt hieromtrent de volgende motivering gegeven: “La date du 1er juillet 2014 a été fixée, comme délai maximum de rétroactivité de la présente disposition dans le respect de l’esprit du code des droits de succession et par cohérence avec l’article 7 dudit Code”
(9). De nieuwe bepaling geldt “slechts” voor de sterfhuisclausules ingeschreven in het huwelijkscontract sedert 1 juli
  1. Daaruit blijkt reeds dat de nieuwe bepaling in principe van toepassing zou zijn geweest op alle sterfhuisclausules ingeschreven in het huwelijkscontract, maar dat de decreetgever de toepassing ervan beperkt heeft tot de clausules ingeschreven in het huwelijkscontract sedert 1 juli
  2. Het staat in beginsel aan de decreetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. De Vlaamse decreetgever heeft evenwel niet voorzien in overgangsmaatregelen. De Vlaamse decreetgever heeft evenmin in een overgangsbepaling voorzien bij de invoeging van artikel 2.7.3.2.14 VCF en de wijziging van artikel 2.7.3.4.1 VCF op grond waarvan zowel het finaal verrekenbeding als het verblijvingsbeding of keuzebeding met last belastbaar worden gesteld. Het decreet waarbij die bepalingen ingevoegd/gewijzigd werden, is in werking getreden tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad
(10). Blijkens de memorie van toelichting zijn deze bepalingen per definitie van toepassing op nalatenschappen die openvallen vanaf de datum van inwerkingtreding, aangezien het gaat om bepalingen die betrekking hebben op de samenstelling van het actief en het passief van de nalatenschap. Een eventuele inwerkingtreding enkel voor bedingen afgesloten na de datum van inwerkingtreding zou tot bijzonder complexe en overigens onrechtvaardig ogende situaties aanleiding geven. Er zouden dan immers gedurende zeer ruime tijd sterk verschillende benaderingen van deze bedingen door de administratie moeten worden toegepast, wat de transparantie en de beoogde billijke behandeling geenszins ten goede zou komen
(11). Het Grondwettelijk Hof heeft hieromtrent geoordeeld dat gelet op de nagestreefde doelstelling om de onbillijke fiscale gevolgen van bedingen in huwelijksovereenkomsten te corrigeren, de decreetgever van oordeel vermocht te zijn dat niet diende te worden voorzien in een overgangsbepaling
(12). Bij gebrek aan overgangsbepaling zou men er dus per analogie kunnen van uitgaan dat het gewijzigde artikel 2.7.1.0.4 VCF ook van toepassing is op clausules die reeds vóór de inwerkingtreding van die bepaling zijn opgenomen in het huwelijkscontract. Dit is niet in strijd met de regel van de eerbiedigende werking op grond waarvan de toekomstige gevolgen van overeenkomsten beheerst blijven door de oude wet. Van deze regel wordt immers afgeweken indien de nieuwe wet van openbare orde is, zoals in casu het geval is. De toekomstige gevolgen van een overeenkomst worden alsdan beheerst door de nieuwe wet
(13). Deze toepassing op oude clausules betreft evenmin een retroactieve toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF. De niet-terugwerkende kracht van een belastingwet houdt in beginsel in dat zij niet van toepassing is op handelingen, toestanden of feiten die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet ontstaan en definitief voltrokken waren. M.a.w. de nieuwe belastingwet kan geen afbreuk doen aan onherroepelijk vastgestelde rechten in hoofde van de belastingplichtige. Het opnemen van een sterfhuisclausule in een huwelijkscontract betreft echter geen definitief voltrokken toestand. De echtgenoten kunnen de sterfhuisclausule nog steeds (met wederzijdse toestemming) aanpassen of verwijderen uit hun huwelijkscontract. Voor zover een echtgenoot de clausule niet eenzijdig kan herroepen, bestaat er in hoofde van de andere echtgenoot hoogstens een onherroepelijk recht op toebedeling van het gemeenschappelijke vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel. Het opnemen van de clausule in het huwelijkscontract doet echter geen onherroepelijk recht ontstaan om bij overlijden die toebedeling van het gemeenschappelijke vermogen onbelast te krijgen. M.a.w. door het opnemen van die clausule in het huwelijkscontract creëert men geen onherroepelijk recht om niet belast te worden op de toebedeling. De echtgenoten kunnen er niet wettig op vertrouwen dat bepalingen die de heffingsgrondslag van een belasting definiëren in de toekomst ongewijzigd blijven
(14). Voor zover de wetgeving wijzigt vóór het openvallen van de nalatenschap, kan men zijn huwelijkscontract nog aanpassen om alsnog te kiezen voor de minst belaste weg
(15). 2.5. Anders dan het bestreden arrest aanneemt, betreft de fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.4 VCF m.i. geen antimisbruikbepaling, maar een bepaling van materieel belastingrecht op grond waarvan alle verblijvingsbedingen (zowel de voorwaardelijke als de onvoorwaardelijke), waarbij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot wordt toebedeeld, decretaal belastbaar worden gesteld. Een fictiebepaling kan immers niet zonder meer gelijkgesteld worden met een echte antimisbruikbepaling (zoals art. art. 3.17.0.0.2 VCF), dit is een bepaling ter voorkoming van fiscaal misbruik die aan de belastingplichtige de mogelijkheid biedt het door de administratie geopperde vermoeden van misbruik te weerleggen
(16). Een antimisbruikbepaling creëert m.a.w. een (weerlegbaar) vermoeden van misbruik op grond waarvan de belastingdienst bepaalde (niet-belastbare) rechtshandelingen mag negeren en belasten alsof er iets anders is gebeurd. Volgens de parlementaire voorbereiding van de programmawet waarbij de nieuwe antimisbruikbepaling werd ingevoerd, gaat het om een bewijsmiddel waarvan de toepassing tot de niet-tegenstelbaarheid aan de administratie leidt
(17). De bewijsrechtelijke elementen van een antimisbruikbepaling, nl. het bewijs en het tegenbewijs van fiscaal misbruik, zijn echter ondergeschikt aan de essentiële doelstelling van deze bepaling nl. aan de administratie de mogelijkheid te geven de door de belastingplichtige werkelijk en onbetwist gestelde rechtshandelingen te negeren teneinde de belastbare grondslag feitelijk vast te stellen in lijn met het doel van de ontweken wetsbepaling, alsof er geen misbruik heeft plaatsgevonden (en dienovereenkomstig de belasting te berekenen)
(18). Het Grondwettelijk Hof preciseert dat de antimisbruikbepaling een procedureregel is met betrekking tot de bewijsvoering, die het mogelijk maakt de belastbare grondslag feitelijk vast te stellen
(19). Artikel 2.7.1.0.4 VCF betreft daarentegen een bepaling van materieel belastingrecht. De toebedeling van (de helft van) de huwgemeenschap is eenvoudigweg belastbaar volgens de (gewijzigde) bepaling. Het is een overgang van vermogen n.a.v. het overlijden dat (voor zover de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn op het moment van het overlijden) ook daadwerkelijk belastbaar wordt gesteld, weze het als een ‘fictief legaat’. Er wordt m.a.w. niet iets anders belast dan wat er formeel gebeurd is
(20). M.a.w. de toebedeling (zonder voorwaarde van overleving) wordt voortaan decretaal belast krachtens artikel 2.7.1.0.4 VCF. Het betreft aldus een bepaling van materieel belastingrecht die het belastbaar voorwerp van de erfbelasting mede bepaalt en die zich aldus onderscheidt van een antimisbruikbepaling die de administratie in geval van fiscaal misbruik toelaat om een niet-belastbare rechtshandeling te negeren en de belastingplichtige te belasten alsof het fiscaal misbruik nooit heeft plaatsgevonden. Niets in de wet (of in de parlementaire voorbereiding) suggereert dat rekening moet of mag worden gehouden met de datum van de betrokken clausule. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt duidelijk dat de omweg via de antimisbruikbepaling niet meer nodig is
(21). Hoewel de sterfhuisclausule (zonder voorwaarde van overleving) voorheen als fiscaal misbruik werd beschouwd, kan er vandaag niet langer sprake zijn van misbruik, vermits die clausule voortaan ook zonder voorwaarde van overleving onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF valt en op grond daarvan belast wordt. De enkele omstandigheid dat een belastingmaatregel wordt getroffen omdat er misbruik wordt vastgesteld, maakt van die maatregel nog geen echte antimisbruikbepaling
(22). Vlabel heeft dit recent ook bevestigd: “Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld. Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp)”
(23). Hetzelfde geldt voor het finaal verrekenbeding en het verblijvingsbeding met last. De bepalingen waarbij die clausules belastbaar worden gesteld, worden evenmin als antimisbruikbepalingen beschouwd
(24). Er kan dan ook niet per analogie worden verwezen naar de regeling zoals die geldt voor de nieuwe (algemene) antimisbruikbepaling inzake successierechten (art. 18, § 2 (nieuw) W.Reg. jo. art. 106, lid 2 W.Succ. (thans art. 3.17.0.0.2 VCF)) en die de wetgever uitdrukkelijk van toepassing heeft verklaard op de rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die éénzelfde verrichting tot stand brengt, die zijn gesteld vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 2.6. Gelet op wat voorafgaat, meen ik dat de appelrechter ten onrechte oordeelt dat artikel 2.7.1.0.4 VCF een antimisbruikbepaling is om daaruit af te leiden dat die gewijzigde bepaling alleen van toepassing is op toekomstige clausules
(25). Op grond van de tekst van de wet en de regels inzake de temporele werking is het gewijzigde artikel 2.7.1.0.4 VCF m.i. onmiddellijk van toepassing op nalatenschappen die zijn opengevallen na de inwerkingtreding van de wijziging, en dit ongeacht of de clausules vóór dan wel na de wijziging zijn opgenomen in het huwelijkscontract
(26). Het onderdeel komt mij gegrond voor. 3. Besluit: Vernietiging. _______________________________
(1)Bv. Cass. 5 januari 2017, AR F.15.0164.F, AC 2017, nr. 15, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170105.3; Cass. 28 april 2016, AR F.15.0035.N, AC 2016, nr. 289, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.2.
(2)Art. 24 Decreet 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015, BS 15 juli 2015.
(3)Art. 16 Decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de Federale Overheid, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waalse Gewest met betrekking tot het beheer van de dienst voor de regularisatie van gewestelijke belastingen en niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en de oprichting van een regularisatiesysteem van niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen, tot uitvoering van een fiscaal regularisatiesysteem beperkt in de tijd en tot invoering van de maatregelen betreffende de overdracht van de eigendom van een onroerend goed van een vennootschap naar een vennoot, afstand van het vruchtgebruik op een onroerend goed gevolgd of voorafgegaan door een schenking, de clausules voor de toekenning van het gezamenlijk gemeenschappelijk vermogen of clausules van ongelijke verdeling van dat gemeenschappelijk vermogen zonder overlevingsvoorwaarde, beter bekend als de "sterfhuisclausule" en de herziening van het bedrag van de geldboetes, BS 10 juli 2017; Art. 13 ordonnantie 13 juli 2017 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de federale overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het beheer van de dienst voor de regularisatie van gewestelijke belastingen en niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en de oprichting van een regularisatiesysteem van niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen, tot invoering van een fiscaal regularisatiesysteem beperkt in de tijd en tot invoering van maatregelen tot bestrijding van misbruik en fiscale fraude, BS 18 juli 2017.
(4)Bv. Cass. 2 januari 2017, AR S.15.0018.F, AC 2017, nr. 4, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.4; Cass. 12 maart 2012, AR S.10.0154.N, AC 2012, nr. 161, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120309.6; Cass. 11 februari 2010, AR C.08.0542.N, AC 2010, nr. 97, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.2; Cass. 7 oktober 2008, AR P.08.0570.N, AC 2008, nr. 527, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.2.
(5)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.0261.N, AC 2017, nr. 139, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3.
(6)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.0261.N, AC 2017, nr. 139, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3; GwH 10 juli 2019, nr. 109/2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.109.
(7)Zie verwijzing bij N. GEELHAND DE MERXEM, “De toepassing in de tijd van nieuwe en strenge fictiebepalingen”, Not.Fisc.M. 2016, 87.
(8)J. DECUYPER, “Wallonië begraaft sterfhuisclausule – Brussel volgt”, Successierechten 2017, 8.
(9)Memorie van Toelichting, Parl.St. Waals Parlement 2016-2017, nr. 786/1, 10.
(10)Decreet van 8 december 2017 houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schudvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken, BS 14 december 2017.
(11)Memorie van Toelichting, Parl.St. Vlaams Parlement 2017-2018, nr. 1301/1, 9.
(12)GwH 10 juli 2019, nr. 109/2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.109.
(13)Cass. 12 maart 2012, AR S.10.0154.N, AC 2012, nr. 161, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120309.6; Cass. 18 maart 2011, AR C.10.0015.N, AC 2011, nr. 212, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110318.9.
(14)GwH 10 juli 2019, nr. 109/2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.109.
(15)Dit kan problematisch zijn wanneer de regelgeving wijzigt juist vóór het openvallen van de nalatenschap en men dus de facto geen tijd meer heeft om zijn huwelijkscontract nog aan te passen. Te dezen heeft de Vlaamse decreetgever, in tegenstelling tot de regeling in het Waalse en Brusselse Gewest, echter niet voorzien in een dergelijke overgangsregel.
(16)M. DELANOTE en K. JANSSENS, “Geldt nieuwe belasting nooit voor bestaande toestanden?”, Fisc.Act. 2020, afl. 7, 1-4.
(17)Memorie van Toelichting bij de Programmawet van 29 maart 2012, Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 2081/1, 111.
(18)B. PEETERS, “De algemene fiscale antimisbruikbepalingen. Een commentaar in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof”, AFT 2014,
(4)15.
(19)GwH 30 oktober 2013, nr. 141/2013, ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.141.
(20)M. DELANOTE en K. JANSSENS, “Geldt nieuwe belasting nooit voor bestaande toestanden?”, Fisc.Act. 2020, afl. 7, 1-4.
(21)Memorie van Toelichting, Parl.St. Vlaams Parlement 2014-15, nr. 333/1, 10: “De toebedeling van het gehele gemeenschappelijk vermogen aan een van de partners ongeacht de oorzaak van ontbinding van de huwelijksgemeenschap en/of welke van beide echtgenoten de langstlevende is, werd op 19 juli 2012 door de FOD Financiën opgenomen in een circulaire als een voorbeeld van wat volgens de fiscus niet meer kan op het vlak van successieplanning (de zogenaamde zwarte lijst) en dus als fiscaal misbruik wordt beschouwd. Die circulaire werd vervangen door de circulaire nr. 5/2013 van 10 april
  1. De vermelde clausule stond nog steeds in de zwarte lijst. Bij de codificatie van de regelgeving naar aanleiding van de overname van de dienst van de successierechten op 1 januari 2015 werd de tekst van het opgeheven artikel 5, Vl.Wb.Succ. in ongewijzigde vorm overgenomen in artikel 2.7.1.0.4 van de VCF. Tegelijk werd op 1 januari 2015 de federale circulaire nr. 5/2013 van 10 april 2013, vervangen door de Vlaamse omzendbrief 2014/2 van 23 december 2014, op haar beurt vervangen door de Vlaamse omzendbrief 2015/1 van 16 februari
  2. De vermelde clausule werd opgenomen in de lijst van rechtshandelingen die als fiscaal misbruik beschouwd worden, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven. Door de voorwaarde van overleven te schrappen is de omweg via de antimisbruikbepaling niet meer nodig en wordt voor alle partijen rechtszekerheid gecreëerd”.
(22)M. DELANOTE en K. JANSSENS, “Geldt nieuwe belasting nooit voor bestaande toestanden?”, Fisc.Act. 2020, afl. 7, 1-4.
(23)Voorafgaande beslissing nr. 19061 dd. 20.01.2020.
(24)GwH 10 juli 2019, nr. 109/2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.109.
(25)Auteurs die er eveneens vanuit het standpunt van de rechtszekerheid voor pleiten dat de gewijzigde bepaling slechts van toepassing is op clausules opgenomen in het contract na de inwerkingtreding van de wijziging: A. AYDOGAN, “Verstrengde fictiebepaling post factum: rechtszekerheid zegeviert (met betrekking tot oud sterfhuisbeding)”, Successierechten 2020, 1; N. GEELHAND DE MERXEM, “De toepassing in de tijd van nieuwe en strenge fictiebepalingen”, Not.Fisc.M. 2016, 87-95 (de memorie van antwoord lijkt zich schuldig te maken aan plagiaat: deze bijdrage wordt nagenoeg volledig overgenomen in de memorie, zonder ook maar één verwijzing naar die bijdrage); N. GEELHAND DE MERXEM, “Vlaams Gewest: exit sterfhuisclausule”, Fiscoloog 2015, afl. 1430, 7-8.
(26)In diezelfde zin: S. DINNEWETH, “De ‘sterfhuisclausule’: finaal fiscaal dood en begraven”, Notariaat 2015, afl. 16, 1-3; B. STRIJCKERS, “Het einde van de sterfhuisclausule in het Vlaamse Gewest”, VIP 2015, afl. 2, 32-35; E. AERTS, “Sterfhuisclausule decretaal gekortwiekt”, Fisc.Act. 2015, afl. 18, 6-7; N. NIJBOER, “De (on)belastbaarheid van de sterfhuisclausule”, TFR 2016, 504-512; M. DELANOTE en K. JANSSENS, “Geldt nieuwe belasting nooit voor bestaande toestanden?”, Fisc.Act. 2020, afl. 7, 1-4. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110318.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120309.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170102.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170105.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.141 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.